Gad (stam)

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Gad is de naam van een Israëlitische stam. De stamvader is Gad, een zoon van Jakob. De leden van de stam heten Gadieten.

Naam. Voor de betekenis van de naam, zie Gad (zoon van Jakob).

Profetieën. Met toespeling op deze naam profeteerde Jakob van zijn zoon Gad (Gen. 49: 19): "Gad, benden vallen hem aan, maar hij drukt hunne verzenen", d. i. hij maakt zich op en valt de overwinnaars van achteren aan.

Evenzo Deut. 33: 20v.: "gezegend zij (de Heer) , die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, en verscheurt de arm, ja ook de schedel. En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel van de wetgever bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden van het volk, hij verrichtte de gerechtigheid des Heeren, en zijn gerichten met Israël". De zegen van Mozes ziet vooral op de dapperheid en trouw, waarmee de Gadieten, nadat zij eerst hun erfdeel in Gilead gekregen hebben, hun broeders in de verovering van het beloofde land behulpzaam zijn (Num.  32: 17 , 27). De stam van Gad is zeer heldhaftig geweest, ook Jefta was een afstammeling van Gad (Richt. 11).

Plaats in het leger. In de rangschikking van het leger had Gad zijn plaats naast Ruben (Num.  2).

Betrekkelijke grootte. Bij de eerste telling was Gad de achtste, bij de tweede de tiende in grootte (Num. 1: 25).

Stamgebied van Gad ten oosten van de Jordaan.

Stamgebied. Het gebied van Gad was ten oosten van de Jordaan, tussen Oost-Manasse in het noorden en Ruben in het zuiden. Het strekte zich uit (Joz. 13: 24-28), tussen het huidige Wadi Hesbon en Jabok, over het zuidelijke deel van Gilead (het noordelijke behoorde aan Manasse) en de helft van het land der Ammonieten, welke aan Sihon was ontnomen (immers de Ammonieten zelf zouden door Israël niet aangevallen worden (Deut. 2: 19); van Hesbon in het zuiden naar Ramath Mizpa in het noorden; westelijk van Mahanaïm tot Debir in het noord-oosten. Behalve dit hoogland behoorde hem de linker Jordaanoever van de Galilese zee tot nabij de uitstroming in de Dode zee, waar de Wadi Hesbon in haar stroomt.

Steden. Onder de steden door Gad gebouwd lagen Dibon, Ataroth en Atroth Sophan (Num.  32: 34 vv.), nog in het gebied van Ruben; gelijk omgekeerd Hesbon (Num. 32 : 37), door Ruben gebouwd, maar (Joz. 21: 39; 1 Kron. 6 : 81) door Gad als priesterstad werd afgestaan. Het is natuurlijk, dat nog menige verandering en verwisseling plaats greep, eer de stammen voorgoed gevestigd waren.

Latere geschiedenis. Ten tijde van Saul schijnen de Gadieten hun gebied aanmerkelijk te hebben uitgebreid. God maakte hun „ruimte" tegen de afstammelingen van Ismaël, welke zij „drukten", en van wie Gad een grote buit machtig werd (1 Kron. 5: 11-22). „Leeuwen" uit Gad kwamen tot David gedurende zijn vervolging (1 Kron. 12 : 8-15), zij zwommen midden door de hoog opgezwollen Jordaan, en joegen alle dalbewoners ten oosten en ten westen van de vloed op de vlucht. Als eindelijk ook de gehele stam aan David toeviel, werd door zijn overwinning ook aan Gad „ruimte gegeven." Onder de koningen van Israël echter werd het ene stuk na het andere andere afgebrokkeld, hoewel Gad ook onder Jerobeam II nog schijnt uitgemunt te hebben (1 Kron. 5: 17).

Toekomst. Met de overige stammen wordt Gad in het herstelde Israël ingelijfd, als de meest zuidelijke stam (Ezech. 48). In Opb. 7 worden hem 12.000 uitverkorenen toegeschreven, die deel uit maken van 144.000 navolgers van het Lam.

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Gad. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 31 aug. 2020.