Geit

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Geitenbok)
Geit in de Bijbelse Dierentuin in Jeruzalem.

De geit is een herkauwend hoefdier dat door de Israëlieten werd gehouden om de melk, het vlees en de huid. Geiten mochten in de Israelitische offerdienst als offer worden gebracht.

Een mannelijke geit heet een bok of geitenbok (voorheen: geitebok), te onderscheiden van een ram (= mannetjesschaap); een vrouwelijke geit heet een geit of een sik; een jong geitje heet een lam. De bokken krijgen langere horens dan de vrouwtjes. Geiten worden gemiddeld acht jaar oud. Er bestaan ongeveer tien soorten geiten.

In de volgende video kun je schapen en geiten in Galilea (Israëll) zien. Een geitje wordt geboren, waarbij de herder het jong te voorschijn trekt: video (4 minuten, Youtube). Let op: beetje eng om te aan te zien.

Geiten voorzagen in de menselijke behoefte aan vlees, melk en kleding. Van geitehuiden maakte men waterzakken, van geitehaar kleding en tenten.

Kudde geiten in Israel (1898-1946). Op de achtergrond de berg Tabor
Geitebok in Israël. Foto gemaakt in 1940 - 1946. 

Jacob schonk zijn broer Ezau, om hem gunstig te stemmen, onder meer 220 geiten, verdeeld in “tweehonderd geiten en twintig bokken” (Gen 32:14). Jozefs broers namen de veelkleurige rok van Jozef, slachtten een geitenbok en doopten de rok in het bloed.

Ge 37:31  Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed. (SV)

De oudste zoon in Jezus' gelijkenis van de twee zonen was zeer misnoegd daarover, dat zijn vader een gemest kalf had geslacht en met zijn teruggekeerde broer een feestmaal hield.

Lu 15:29  Hij antwoordde echter en zei tot zijn vader: Zie, zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw gebod overtreden, en mij hebt u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn. (Telos)

Het Griekse woord, hier vertaald door 'bokje' is ἔριφος, ériphos, en betekent: jonge bok. Het woord komt 2x in het Nieuwe Testament voor: Luk. 15:29 en Matth. 25:32. Het verkleinwoord ervan, εριφιον, 'bokje', komt (alleen) voor in Matth. 25:33.[1]

De hogepriester heeft een geit geofferd op het brandofferaltaar.

Offers. Voor de offers aan God werden vaak geiten geslacht. Een geit diende tot zondoffer of brandoffer:

Le 1:10  En indien zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.

Een volkomen bok ten brandoffer was een voorafbeelding van het Offer dat Jezus Christus zou brengen in zijn Zelfovergave aan het kruis.

Wanneer een vorst in Israël had gezondigd, moest hij als zondoffer een geitebokje brengen. (Lev. 4 :22, 23). Een groter dier, bijvoorbeeld een koe, was niet nodig. Zie ook Num. 7 : 16; 15 : 24; 28 : 15; 29:5.

Geit in Israël.

Oordeel over de levenden. In Matth. 25 beschrijft de Heer Jezus ons het oordeel over de levenden, zoals het bij zijn wederkomst op aarde zal plaats hebben. Voor Hem zullen dan alle volken worden verzameld, " en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt." (Matth. 25:32);

Mt 25:31  Wanneer nu de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van zijn heerlijkheid; Mt 25:32 en voor Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt; Mt 25:33 en Hij zal de schapen aan zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan zijn linker. (TELOS)

De herder kent elk stuk van zijn kudde nauwkeurig kent en en laat de verschillende soorten van klein vee niet onder elkaar vermengd. De geitenbokken zijn het tegendeel van de rechtvaardigen (Matth. 25:46) en zullen worden verdoemd (Matth. 25:41-46). De geitenbokken stellen hier de zondaars voor die aan Jezus' broeders - vermoedelijk Israëls gelovig overblijfsel in de eindtijd - zorg en aandacht hebben onthouden. Hier is de geitenbok een zinnebeeld van de zondaar, de onrechtvaardige.

Varia

Een vroeger bekend gedicht van Jacqueline van der Waals is Het geitenweitje.

Het Geitenweitje

Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de groote geit.
Geiteke, wat moet je
Met je fijne snoetje,
Dat zoo klaaglijk schreit?

Met je bleeke bekje?
Geiteke wat rek je,
Trek je aan het touw?
Snuffende aan mijn mouwen...
Met je lief vertrouwen
In zoo'n vreemde vrouw!

In mijn handen stop je
Nu je jonge kopje:
Zeg, wat moet ik doen? ...
Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje,
Als een wittigheidje
In het prille groen.

Jacqueline van der Waals
Uit: Nieuwe verzen

Meer informatie

Artikel Geit op Wikipedia.nl

Artikel Geiten op Wikipedia.nl

Bron

Artikel Geiten op Wikipedia.nl

Voetnoot

  1. Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.