Godsbewijs

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Godsbewijzen)

Een Godsbewijs is een redenering met als conclusie dat God - opgevat als een bewust Wezen dat grond en oorsprong van de wereld is, dat de wereld heeft veroorzaakt, teweeggebracht - bestaat of dat het waarschijnlijk is dat God bestaat.

Een Godsbewijs dient, eventueel samen met andere Godsbewijzen, om aan te tonen dat God bestaat, of althans dat het redelijk is om aan het bestaan van God te geloven, dat Zijn bestaan voor ons verstand aannemelijk is.

Woorden. Een synoniem van 'Godsbewijs' is 'Godsargument'. Sommigen gebruiken liever de term 'Godsargument' of 'aanwijzing' omdat degene die het 'bewijs' levert meestal slechts bedoelt, niet om een sluitend bewijs te leveren, maar om het bestaan van een of meer goden aannemelijk te maken voor de menselijke rede.

Levensvraag. De vraag of God (een god) bestaat, is de belangrijkste vraag die men kan stellen. Wat is de grond van de werkelijkheid? Wat is de aard van het oerbeginsel waaruit alles geworden is dat geworden is? Is het stof (materie), informatie of bewustzijn (een bewust wezen, geest)?

Een antwoord op deze 'vraag der vragen' heeft gevolgen voor antwoorden op de andere belangrijke levensvragen: waar kom ik vandaan, waarom ben ik hier, waar ga ik heen, hoe moet ik leven?

Stapel. Deugdelijke aanwijzingen voor het bestaan van God maken elk afzonderlijk het bestaan van God waarschijnlijker en gezamenlijk, als gestapeld bewijsmateriaal, waarschijnlijk.

Metafysisch. De vraag naar de grond van de werkelijkheid is een filosofische, inzonderheid een metafysische vraag. Een Godsbewijs is een redenering, die volgens sommigen dan ook niet een wetenschappelijke, maar een metafysische aangelegenheid is.

Wetenschap en Godsbewijs. De Godsbewijzen zijn metafysische argumenten. Een aantal vertrekt echter, net als de natuurwetenschap, van de natuur. Sommige bewijzen, zoals het argument van de fijnafstemming en het kosmologische argument, maken gebruik van wetenschappelijke inzichten.

Aanleidingen. De behoefte aan een Godsbewijs rijst wanneer het bestaan van God betwijfeld of ontkend wordt. Of wanneer de redelijkheid van het geloof in God betwijfelen of ontkennen. Of wanneer men de behoefte heeft slechts te geloven aan iets dat bewezen kan worden of redelijkerwijs aannemelijk gemaakt kan worden.

Nut. Voor het zoeken naar een Godsbewijs worden enkele redenen aangevoerd.

  1. De vraag naar het bestaan van God is een uitnemend vraagstuk, dat de mens al eeuwenlang bezig houdt. Een Godsbewijs levert een redelijk antwoord op die vraag. Het antwoord raakt 's mensen oorsprong en identiteit.
  2. Een Godsbewijs toont aan dat geloof in God niet een sprong in het duister is, niet tegen verstandelijke overwegingen ingaat, maar redelijke gronden heeft. Geloven aan God is niet 'dom', 'achterhaald', 'middeleeuws', 'onwetenschappelijk', maar heeft goede argumenten.

Het nut van Godsbewijzen is beperkt in zoverre hun overtuigingskracht beperkt is. Mensen zijn verschillend en wat hen overtuigt verschilt dienovereenkomstig. Het ene argument kan de ene persoon meer aanspreken dan het andere argument, afhankelijk van persoonlijkheid en opleiding. Daarom is het goed dat er verschillende argumenten voor het bestaan van God zijn en niet slechts één type.

Godsargumenten hebben niet de kracht om vrijwel iedereen te overtuigen dat God bestaat. Dat komt (1) doordat God, wiens bestaan we willen bewijzen of aannemelijk willen maken, verborgen is voor onze zintuiglijke waarneming, (2) of doordat het bestaan van God bij sommige mensen ongewenst is. Deze mensen willen niet dat er een God bestaat. Het bestaan van God heeft consequenties die zij niet wensen. Als God bestaat, zo kunnen wij denken, dan moet ik anders leven en dat wil ik niet. Wij mensen zijn geneigd eerder aan het gewenste (aantrekkelijke) te geloven dan aan het ongewenste (onaantrekkelijke). Wij zullen het gewenste makkelijker geloofwaardig achten. Bijvoorbeeld, de Duitse filosoof Nietzsche bekende dat zijn verzet tegen het christendom geen kwestie was van verstand, argumentatie maar van smaak[1]. Dat is een niet-redelijk (niet-rationeel) bezwaar. Wat goed smaakt, hoeft niet waar te zijn. Een leugen kan goed 'smaken'. Godsargumenten kunnen overtuigingskracht verliezen, ja, krachteloos worden door afkeer, een afkeer die ontstaan is door slechte ervaringen met gelovigen, kerkelijke miststanden e.d. die men in het denken verbindt met het bestaan van God. Zelfs een beleving van saaiheid ("saaie kerkdienst") of een gedachte van irrelevantie ("heb ik niks aan", "heb ik niks mee", "doet me niks", "gaat nergens over", "heeft niks met het leven te maken", "dat is voorbij, was van vroeger") kan geloven moeilijker maken. Dit zijn alle niet-rationele factoren die de overtuigingskracht van Godsbewijzen beperken.

Brengen Godsargumenten ons bij de God van Abraham, van Izak en van Jakob? Wel, wie tot God nadert moet geloven of de mogelijkheid open houden dat Hij bestaat. Verstandelijke overwegingen kunnen helpen om te komen te geloof aan God of beletsels voor dat geloof slechten. Wanneer iemand tot geloof komt in de God van Abraham enz., de Vader van Jezus Christus, speelt verstand een rol naast andere factoren als beleving, gevoel, willen, intuïtie, openbaring. Tot geloof komen is een ervaring die gewoonlijk breder is een verstandelijke redenering.

Beoordeling. Om een Godsargument te begrijpen en te beoordelen, moet duidelijk zijn:

  1. wat het wezen is waarvan het bestaan aannemelijk wordt gemaakt. Anders gezegd: Wat wordt onder 'God' verstaan? Wat houdt het begrip 'God' in.
  2. welke uitgangsstellingen (premissen), welke gronden zijn er voor de conclusie dat God bestaat. Anders gezegd: waaruit volgt logisch dat God bestaat?

Misvatting. Veel mensen denken dat er geen goede argumenten zijn voor het bestaan van God. De oude argumenten die er waren zijn onderuit gehaald. Het is daarom onredelijk om in God te geloven. Geloof aan God is achterhaald. Deze gedachte klopt niet. Twee Nederlandse filosofen stelden in 2015: "Er zijn juist uitstekende argumenten om te denken dat God bestaat. Die argumenten zijn niet achterhaald door wetenschap of technologie en ook niet vergezocht. Sterker nog, ze gaan uit van zaken die voor veel mensen bekend zijn en vanzelf spreken en komen dan via een aantal logische stappen uit bij de conclusie dat God bestaat."[2]

Het begrip 'God'. Veel filosofen bepalen het begrip 'God' als volgt:

  • een Wezen dat bewustzijn heeft
  • een Wezen dat onstoffelijk (immaterieel) is
  • een Wezen dat onveroorzaakt (eeuwig) is.
  • een Wezen dat de directe of indirecte oorzaak is van al het andere dat bestaat. Hij is de eerste oorzaak, de grond van de wereld.

Deze definitie verschaft een algemeen Godsbeeld, ze bepaalt God als een Persoon, een Geest, die van eeuwigheid bestaat en de wereld heeft voortgebracht. De oorsprong van het universum is geen stof, maar Geest. De oorsprong is niet een iets, maar een Iemand; geen object, maar een Subject. Een Persoon: die bewust is van Zichzelf, in staat is tot kennis, tot handelen, tot ervaring. Dit geestelijk Wezen is het begin van alles. De eerste oorzaak van ruimte, tijd en materie. Hij heeft de wereld geschapen.

Dit Godsbegrip is minimaal van inhoud; het behelst slechts enkele eigenschappen van God. Het biedt geen troost, het zegt ons niet dat God naar mensen omziet. Maar als het bestaan van een dergelijk Wezen redelijkerwijs aangetoond kan worden, of althans aannemelijk gemaakt kan worden, dan kan een dergelijk Wezen met reden God genoemd worden. Daarmee is echter nog niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat de God van Abraham, Izak en Jacob bestaat.

Premissen. De conclusie van een Godsbewijs vloeit logisch voort uit de premissen van de redenering. Deze uitgangsstellingen moeten voor de rede aannemelijk zijn, om de conclusie voor de rede aannemelijk te maken. Soms moet men een of meer premissen beargumenteren.

Hieronder volgen enkele argumenten voor het bestaan van God.

God de beste verklaring

De onderstelling dat God is de beste verklaring voor verschillende zaken die wij mensen waarnemen en ervaren[3]:

  • Hij is de beste verklaring voor de oorsprong van het heelal;
  • Hij is de beste verklaring voor de fijnafstemming van het heelal voor het leven van verstandelijke wezens;
  • Hij is de beste verklaring voor de begrijpelijkheid van het heelal[4].
  • Hij is de beste verklaring voor het bestaan van objectieve (= niet van onze mening afhankelijke) zedelijke waarden en normen;
  • Hij is de beste verklaring voor het bestaan van personen.
  • Hij is de beste verklaring voor de historische feiten betreffende Jezus van Nazareth;
  • Hij is de beste verklaring voor bepaalde religieuze ervaringen: Hij kan persoonlijk worden gekend en ervaren.

Tezamen vormen deze stellingen een sterk argument voor het bestaan van God.

"Ik geloof sterk in het bestaan van God, gebaseerd op intuïtie, observaties, logica en ook wetenschappelijke kennis"[5], aldus Charles Hard Townes (1915-2015), die in 1964 met nog twee wetenschappers de Nobelprijs voor de Natuurkunde ontving om zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de lasertechnologie.

Kosmologisch Godsargumenten

Een kosmologisch argument (van 'kosmos' = wereld) heeft als conclusie dat God de eerste[6] oorzaak, grond of verklaring van het heelal, de wereld is. Al de andere dingen, de dingen die ontstaan zijn, zijn afhankelijke, betrekkelijke dingen.

Het argument van stof, ruimte en tijd

Het geheel van alle ruimte, alle tijd en alle materie (stof) heeft een absoluut begin gehad, is begonnen te bestaan en is dus gegrond in een immateriële (onstoffelijke), buitenruimtelijke en buitentijdelijke oorsprong.

  1. Als iets ontstaat, dan heeft het een oorzaak.
  2. Het heelal is ontstaan.
  3. Derhalve heeft het heelal een oorzaak
  4. Het heelal bestaat uit materie, tijd en ruimte
  5. Materie noch tijd noch ruimte nog iets anders dat ontstaan is, heeft zichzelf veroorzaakt
  6. Derhalve moet materie door iets immaterieels zijn veroorzaakt, de tijd door iets buitentijdelijks, de ruimte door iets dat buiten de ruimte is.
  7. Derhalve moet het heelal zijn veroorzaakt door iets dat niet-materieel, niet-tijdelijk en niet-ruimtelijk is
  8. Deze oorzaak bestaat hetzij in getallen, hetzij in een lichaamloze geest
  9. Getallen kunnen niets veroorzaken
  10. Dus is de oorzaak een lichaamloze geest. Zo'n geest is het die wij God noemen.

Premisse 1 is het beginsel van oorzakelijkheid. Alles wat een begin heeft, ontstaan is, heeft een oorzaak. Iets ontstaat niet uit zichzelf, maar uit iets anders. Dit wordt algemeen aangenomen en is volstrekt redelijk. De premisse zegt niet dat alles wat bestáát een oorzaak heeft, maar dat alles wat begint te bestaan, ontstaat, ontstaan is, een oorzaak heeft.

Premisse 2, dat het universum een begin heeft, is een gevestigde stelling van de huidige kosmologie.

Premisse 4. Met het heelal is materie, ruimte en tijd gegeven. Het heelal omvat alle materie, ruimte en tijd. Met het heelal hebben materie, ruimte en tijd een begin gehad.

De oorzaak van het heelal (universum, kosmos) is daarmee de oorzaak van materie, ruimte en tijd.

Wat is die oorzaak? De materialisten antwoorden: materie is de oorsprong. Tegenwerping: materie is ontstaan en heeft niet zichzelf veroorzaakt. De platonisten antwoorden: informatie is de oorsprong van alles. Tegenwerping: informatie kan niets veroorzaken.

De oorzaak van het heelal is een niet-materiële, buitenruimtelijke en buitentijdelijke oorzaak.

Er zijn slechts twee opties: 1) abstracte objecten, getallen; 2 een lichaamloze geest, bewustzijn. Er zijn filosofen - Platonisten - die geloven dat getallen, wiskundige objecten, werkelijk bestaan. Als deze abstracte dingen werkelijk bestaan, dan zijn ze immaterieel, buitentijdelijk en buitenruimtelijk. Abstracte getallen echter veroorzaken niets. Dus valt deze optie af. Dan blijft redelijkerwijs alleen antwoord 2 over: geest

Ik beschouw bewustzijn als fundamenteel. Ik beschouw materie als het gevolg van bewustzijn. We kunnen niet verdergaan dan bewustzijn. — Max Planck

Een dergelijke geestelijke oorzaak noemen wij God. God is immaterieel, staat buiten de tijd (a-temporeel, niet tijdelijk) en buiten de ruimte. Als Hij buiten de tijd staat, heeft Hij geen begin. Alleen iets dat in de tijd bestaat, kan een begin hebben. God heeft geen begin. Hij is de oorzaak van het heelal, Hij heeft de wereld tot stand gebracht.

Waarom bestaat er überhaupt iets in plaats van niets? Het antwoord is: God. Dat was ook de overtuiging van de beroemde astronoom Allan Sandage (1926-2010), die in zijn vijftiger jaren christen werd[7].

Onderzoek van het heelal brengt ons geen antwoord op de vraag: Waarom heeft God het heelal gemaakt? Het antwoord kan alleen door God Zelf gegeven worden en moet ons geopenbaard worden. Datzelfde geldt voor een alledaags ding als een taart. We kunnen de taart onderzoeken, maar geen antwoord vinden op de vraag waarom deze taart gemaakt is. De maker of maakster van de taart moet het ons bekend maken.[8]

Het argument van beweging

Dit argument, dat door Thomas Aquino is aangevoerd, kan tot de kosmologische Godsargumenten gerekend worden[9].

  1. Sommige dingen worden bewogen
  2. Wat bewogen wordt, wordt bewogen door iets anders
  3. Er kan geen oneindige reeks van bewegers zijn
  4. Derhalve moet er een onbewogen beweger (God) zijn

Ad 3. De oneindige reeks van bewegers is geordend 'per se'. Een voorbeeld van een dergelijke reeks is een serie dominostenen, waarbij de eerste steen omvalt, waarna na elkaar de volgende stenen omvallen. Een ander voorbeeld is: een hand beweegt een stok, welke vervolgens een steen beweegt. Een ordening 'per se' moet onderscheiden worden van een ordening 'per accidens'. Een voorbeeld van zo'n toevallige reeks is het overgooien van een bal van de een naar de ander in een rij mensen. De ordening van de reeks gebeurtenissen in het eerste twee voorbeelden wordt in het Latijn 'per se' genoemd, de ordening in het tweede voorbeeld: 'per accidens'. In een toevallige ordening kan de opeenvolging van gebeurtenissen in beginsel bij elk van de gebeurtenissen stoppen. De leden van de reeks spelen een actieve rol. Ze hoeven de beweging niet over te dragen. Een dergelijke oneindige reeks zou een afdoende verklaring van een bewegend ding onmogelijk maken. Een toevallige oorzakelijke reeks gebeurtenissen kan wel oneindig zijn. In een reeks geordend 'per se' speelt elk element een passieve rol en geeft louter de beweging door die van een oorspronkelijke bron afkomt.[9]

Het argument van veroorzaking

Ook dit argument, door Thomas Aquino aangevoerd, kan tot de kosmologische Godsargumenten gerekend worden[10].

  1. Sommige dingen zijn veroorzaakt
  2. Wat veroorzaakt wordt, wordt veroorzaakt door iets anders
  3. Er kan geen oneindige reeks oorzaken zijn
  4. Derhalve moet er een onveroorzaakte oorzaak (God) zijn.

Ad. 3. Het gaat om een oneindige reeks geordend 'per se'. Zie het argument van de onbewogen Beweger.

Het argument van contingentie

Ook dit argument, door Thomas Aquino aangevoerd, kan tot de kosmologische Godsargumenten gerekend worden[11].

  1. Wat contingent is, heeft ooit niet bestaan.
  2. Als alle dingen contingent zijn, dan bestond er ooit niets.
  3. Als er ooit niets bestaan heeft, zou er nu niets bestaan
  4. Er bestaat nu iets
  5. Dus niet alles is contingent
  6. Dus is er een noodzakelijk zijnde
  7. Het noodzakelijk zijnde heeft zijn noodzakelijkheid van een ander, of bestaat noodzakelijk door zichzelf
  8. Er kan geen oneindige reeks van noodzakelijke zijnden wezen die hun noodzakelijkheid van een andere krijgen
  9. Dus is er een noodzakelijk zijnde dat noodzakelijk door zichzelf bestaat

Het argument van een voldoende bestaansgrond

Leibniz[12]' argument[13]:

  1. Al wat bestaat heeft een voldoende grond voor zijn bestaan, hetzij in een ander contingent zijnde of in een noodzakelijk zijnde.
  2. De wereld bestaat.
  3. Derhalve heeft de wereld een voldoende grond voor haar bestaan, hetzij in een ander contingent zijnde of in een noodzakelijk zijnde.
  4. De voldoende grond nu voor het bestaan van de wereld kan niet een ander contingent zijnde zijn, daar (a) de wereld de verzameling van alle contingente zijnden is, en (b) de voldoende grond voor deze verzameling kan niet in zijn delen zijn, afzonderlijk dan wel gezamenlijk.
  5. Dus, een voldoende grond voor de wereld moet zijn in een noodzakelijk zijnde buiten de wereld
  6. Derhalve is er een noodzakelijk zijnde buiten de wereld.

Alles wat bestaat moet voldoende bestaansgrond hebben. Een bestaansgrond is nog niet per se een oorzaak. Men noemt een bestaansgrond „oorzaak”, als die niet in het ding zelf maar daarbuiten is. Daar er nu, waar niets is, ook niets ontstaan kan, trekken wij uit het feit dat er dingen bestaan, met het volste recht de conclusie, dat er iets moet bestaan, wat altijd bestaan heeft, derhalve niet ontstaan is en dus geen oorzaak heeft, d.i. geen bestaansgrond buiten zich heeft, maar die bestaansgrond vindt in zichzelf, m.a.w. noodzakelijk bestaat, kortom een volstrekt, een absoluut wezen is. En daar nu dit uit zich zelf bestaande, dat volstrekt noodzakelijk iets blijkbaar niet de zichtbare wereld is, waarin alles ontgaat, vergaat en verandert, hetgeen in flagrante strijd is met de aard van een absoluut, een noodzakelijk wezen, concluderen wij terecht, dat er, onderscheiden van de zichtbare wereld, zo'n iets moet wezen.[14]

Het argument van de kenbaarheid van de wereld

De wereld bezit een voor onze rede kenbare orde, structuur, die wij bovendien (verregaand) kunnen doorgronden. Dat de wereld kenbaar is en wij de wereld kunnen kennen, wijst op een kennend Wezen dat de wereld en ons met die hoedanigheid geschapen heeft.

Het argument van een verklaring

Het Leibniziaanse argument van Stephen Davis en William Lane Craig[15]:

  1. Al wat bestaat heeft een verklaring.
  2. Het heelal bestaat.
  3. Dus, het heelal heeft een verklaring.
  4. Als het heelal een verklaring heeft, dan is de verklaring God.
  5. Dus, God bestaat.

Het argument van een onafhankelijk Wezen

Dit argument is gegeven door Samuel Clarke. Het gaat van afhankelijke zijnden naar een onafhankelijk zijnde. Een variant ervan is deze redenering[16]:

  1. Er zijn afhankelijke zijnden.
  2. Elk afhankelijk zijnde is afhankelijk van zichzelf óf van een ander zijnde.
  3. Niets kan van zichzelf afhangen.
  4. Dus, elk afhankelijk zijnde is afhankelijk van een ander zijnde.
  5. De reeks van zijnden die afhankelijk zijn van een ander zijnde, kan niet oneindig zijn.
  6. Als die reeks niet oneindig kan zijn, dan moet die zij uiteindelijk afhankelijk zijn van een onafhankelijk zijnde.
  7. Dus, zij is uiteindelijk afhankelijk van een onafhankelijk zijnde.

Het argument van (immaterieel) bewustzijn

Er is bewustzijn en dit is niet tot materie (stof) te herleiden is en moet daarom een bewust Wezen tot oorsprong hebben.

Het argument van de vrije wil

Er is vrije wil, die niet tot natuuroorzaken te herleiden is en derhalve uit een bovennatuurlijk Wezen met vrije wil moet komen.

Het argument van werkelijk goed en kwaad

Sommige zaken zijn werkelijk zedelijk goed en andere werkelijk zedelijk kwaad. Bijvoorbeeld de moord van Hitler op miljoenen joden is werkelijk verkeerd. Dat we in een 'moreel universum' wonen, wijst op een Wezen dat normen van goed en kwaad heeft bepaald.

Het argument van positieve eigenschappen

"Alle positieve eigenschappen blijken logisch combineerbaar, zodat een wezen dat ze allemaal bezit niet alleen logisch mogelijk is, maar ook bestaat omdat 'noodzakelijk bestaan' een positieve eigenschap is." (Emanuel Rutten)[17].

Het argument van de afwezigheid van universele eigenschappen

Dit argument, oftewel het 'semantische argument' voor het bestaan van God, is van de Nederlandse wijsgeer Emanuel Rutten[18]. Het komt hierop neer: "Er bestaan geen universele eigenschappen, zodat de grond van de wereld radicaal vrij is en dus is gegrond in een bewust wezen."(Emanuel Rutten)[17].

Biologisch Godsargument

  1. Al wat ontstaan is en leeft, heeft een levende oorzaak buiten zichzelf
  2. Er is een eerste levend wezen ontstaan
  3. Dus de levende oorzaak daarvan ligt buiten dat wezen. Deze eeuwig levende Oorzaak noemen wij God.

Pasteur heeft wetenschappelijk aangetoond dat uit niet-leven geen leven kan ontstaan. Derhalve getuigen dé levende wezens op aarde van Gods bestaan.

Het teleologisch Godsargument

De natuur vertoont een orde en doelmatigheid. Zulk een wereldorde is niet te verklaren, indien er niet een verstand zou wezen, dat die orde heeft uitgedacht en een wil, die die orde ten uitvoer brengt. Het wezen met zulk een hoog verstand, wil en vermogen noemen wij God.

Het argument van de doelmatigheid

Dit is het zogenaamde doelmatigheidsbewijs voor het bestaan van God.

Voorbeeld van het radertje. Gesteld[19]: wetenschappelijke reizigers vinden, tijdens een onderzoekingstocht, op een tot heden onbewoond verondersteld eiland een klein radertje, of zelfs een deel daarvan, dan zal niemand hun euvel duiden, dat zij daaruit de gevolgtrekking maken: „hier moeten eens mensen zijn geweest.” Uit een bewerktuigd voorwerp besluiten zij, en met volle recht, tot een werkman, die het bedacht en vervaardigde. Maar, zo zou dan verder kunnen geredeneerd worden, wanneer reeds uit de aanwezigheid van een onnozel radertje moet besloten worden tot een intellect, dat het bedacht en bewerkte — dan moet ook worden besloten tot een intellect, dat alle intellect te boven gaat, op grond van de natuur, die in fijnheid van bewerktuiging alle werk van menselijke intelligentie overtreft, besloten worden tot een opperwezen, welks wijsheid geen perken kent.

Als voor het ontstaan van een eenvoudig radertje reeds een verstand nodig is, dan natuurlijk voor het ontstaan van een ingewikkeld organisme, als bijv. ons menselijk lichaam, nog veel meer. Dit is een redenering a fortiori: als ..., dan des te meer, met meer reden, des te eerder... Het is niet redelijk om aan te nemen dat ook de fijnst bewerktuigde wezens, de mens incluis, louter het product zijn van verstandeloze, domme factoren'. Het is wel redelijk om aan te nemen dat bewerktuigde wezens een verstandelijke Maker hebben.

Tegenwerping 1. Men zou tegen het voorbeeld van het radertje kunnen opmerken[20], dat bedoelde reizigers met zekerheid weten, dat het bedoelde radertje moeilijk anders dan door mensenhanden en met menselijk verstand gemaakt kan zijn, terwijl wij van het ontstaan en wezen van het leven in de natuur nagenoeg niets weten en ons moeilijk een vergelijking kunnen maken tussen het werk van menselijke intelligentie en dat der natuur.

Antwoord. Man kan de tegenwerping 1 als volgt beantwoorden: op welke grond dan zijn die reizigers zeker? Op grond van de waarneming? Maar zij hebben van de vervaardiging van het radertje niets waargenomen. Het heeft mogelijk al enige tientallen van jaren, mogelijk wel een paar eeuwen op het eilandje gelegen. Wat geeft hun dan zekerheid? Niets anders dan hun gezond mensenverstand, dat, begaafd met abstractievermogen, in de bijzondere dingen door de zinnen waargenomen, algemene verstandelijke waarheden weet te ontdekken, en op grond daarvan zijn denkwetten formuleert. Tot die denkwetten nu behoort ook deze, dat daar, waar ordelijke, doelmatige werking is, noodzakelijk moet besloten worden tot de aanwezigheid van een verstand als laatste werkende oorzaak, en wel van een groter verstand, naarmate de werking méér ordelijk, méér doelmatig is.

De reden, waarom wij voor het ontstaan van de fijn bewerktuigde wezens in de natuur een verstandelijke oorzaak aannemen, is dus in de grond precies dezelfde als die, waarom de straks genoemde reizigers zo'n oorzaak aannemen voor het radertje. Wanneer men derhalve daarvoor wel met absolute zekerheid een verstandelijke oorzaak aanneemt en dit voor eindeloos veel fijner en ingewikkelder bewerktuigde wezens in de natuur niet doet, ja beslist het bestaan van zo’n oorzaak voor deze dingen ontkent, en hun wording louter als het resultaat beschouwt van domme, verstandeloze factoren, dan doet men niets anders dan meten met twee maten en laat men blijkbaar zijn rede overheersen door zijn wil. "Ik wil niet geloven dat achter de doelmatigheid in de natuur een verstand zit".

Of we van het ontstaan en het wezen van het leven nagenoeg niets weten, doet hier niets ter zake. Het is best mogelijk dat de straks genoemde reizigers omtrent het ontstaan en het wezen van het radertje ook weinig of niets weten. Het is hun misschien onbekend van welk metaal het vervaardigd is, of het uit de hand of met een machine is gemaakt. In ieder geval zullen zij, alvorens daarvan iets te weten, en zeker geheel onafhankelijk van die kennis, aanstonds met volle zekerheid concluderen: hier is een verstand werkzaam geweest.

Evenzo besluiten wij bij het aanschouwen van de heerlijk bewerktuigde lichamen in de natuur, hoe weinig wij wellicht van het wezen van die dingen kennen, alleen op grond van hun ordelijke samenstelling, met volle zekerheid, ja met nog veel groter zekerheid dan die reizigers, dat ook bij het ontstaan van die wezens een verstand, en wel een eindeloos groot verstand in het spel moet zijn geweest.

Tegenwerping 2. Voor het ontstaan van levenloze structuren is geen verstand nodig.

Tegenvoorbeeld van kristal. Stel, een niet-wetenschappelijk mens vindt op zijn tochten een in de natuur gevormd kristal. Dan zal hem ongetwijfeld de treffend regelmatige bouw daarvan opvallen. Valt het in stukken, dan zal hij de enorme nauwkeurigheid, waarmee de de nieuwgevormde hoeken met die van het oorspronkelijke overeenkomen, kunnen bewonderen. Zelfs bij microscopische beschouwing zal hij nog een juistheid van lijnen zien, die door geen menselijke hand kan worden geëvenaard. De toeschouwer zal hierdoor tot de conclusie komen, dat hij hier het werk in handen heeft van een wijs opperwezen. Zal het geen ontnuchtering voor hem zijn, wanneer hij tot de ontdekking komt, dat het weinig moeite kost om in enkele ogenblikken tal van kristalvormen te voorschijn te roepen ? Zal hij blijven geloven dat daarbij dezelfde Opperheer steeds werkzaam is?

Antwoord. Die ontdekking hoeft geen ontnuchtering zal zijn, evenmin als het voor de vinders van het radertje, die voor het tot stand komen van het radertje met absolute zekerheid de tussenkomst van een verstandelijk wezen (een mens) nodig acht, een ontnuchtering zal wezen, als zij in een fabriek door een domme machine in een ogenblik honderden van die radertjes ziet fabriceren. De tal van kristalvormen, die iemand in een ogenblik te voorschijn kunt roepen, zijn niet door hem of haar gefabriceerd. Evenmin zijn de radertjes het werk van de persoon die de machine in gang zet. Wiens werk is het dan? Eenvoudig van die domme machine, die wij natuur noemen. Maar zou voor het ontstaan van die domme natuur, welke zo heerlijk en bewonderenswaardig werk aflevert, niet minstens evenzeer een verstand nodig zijn als voor de domme machine, welke de radertjes fabriceert? De machine, welke wij natuur noemen, zit zó deugdelijk en vernuftig in elkaar, dat zij getrouw haar werk doet, ook zonder dat de hogere oorzaak, die haar tot aanzijn bracht, telkens op haar werking behoeft in te grijpen.

Maar juist dit vervult ons met des te groter bewondering voor die hogere oorzaak, voor deze Schepper der natuur. Hoe meer de natuurlijke oorzaken zelf werken, naar dezelfde mate verkondigen zij luider de Wijsheid en Almacht van hun Schepper, die ze hiertoe in staat stelde, evenals wij des te meer het genie bewonderen van de ontwerper van een machine, naarmate ze door haar maker méér in staat is gesteld zelf haar werking te verrichten.

De natuur is (a) dom is en (b) de onmiddellijke oorzaak is van de ons omringende dingen. Maar heeft men daarom het recht te beweren, dat die domme natuur de diepste grond, de laatste oorzaak der dingen is? dat de oorzaak, welke die domme natuur in staat stelde zulk heerlijk werk te verrichten, óók dom is? Om zoiets te beweren, moet men dan zelf niet heel dom zijn? Wat zou men zeggen van iemand, die, ziende, hoe een domme machine maar voortdurend ontelbare radertjes produceert, durfde beweren: "om deze radertjes te maken, is geen verstand nodig. Men ziet voor ogen dat een domme machine ze voortbrengt. Dus is die machine de volledige oorzaak van die radertjes."

Er zijn heerlijke wetten, aan welke de stof van het kristal, zonder dat de hogere oorzaak behoeft in te grijpen, stipt en trouw gehoorzaamt. De wetten der kristallisatie komen van een Wetgever, ze zijn door Hem geregeld.

Tegenwerping 3. Tegenvoorbeeld van cellen. In de de levende natuur is alles van te voren geregeld en bepaald, dus is er geen verstand voor haar ontstaan nodig geweest. In de kiem en cellen van levende wezens ligt hun stoffelijk levensprogram.

Antwoord: Als in in de levende natuur, evenals bij de kristallen, alles van te voren geregeld is, en reeds uit de kiem te bepalen valt, hoedanig een wezen er uit zal voorkomen, dan bewijst dit immers juist, dat de natuur heel planmatig werkt. Maar waar plannen zijn, is natuurlijk ook een Plannenmaker; waar wetten zijn, is een wetgever.

Tegenwerping 4. Leven berust op fysisch-chemische processen. In de levende natuur vinden tal van fysisch-chemische processen plaats. Daaruit kunnen wij alles verklaren, zonder een hoger Verstand aan te nemen.

Antwoord: Dat bij het leven op aarde heel wat chemische processen in werking zijn, dat het goede verloop van die processen zelfs noodzakelijk is voor het plantaardig, dierlijk en menselijk leven, wie zal het ontkennen? Dat is een feit, dat door ieder kan worden waargenomen. Maar daarom zijn die chemische processen nog het leven zelf niet of de uitsluitende oorzaak van het leven.

Dat het leven uit dode stof is ontsprongen, hiervoor kan men zich niet op de ervaring beroepen. "...zeker is, dat hij die de oorsprong van het leven louter in chemische processen wil zoeken, zich voor zijn theorie allerminst op de ervaring kan beroepen. Met aanwending van alle mogelijke chemische processen heeft men nog nooit een enkele levende cel kunnen produceren. Reeds op die grond alleen moest deze dwaze theorie ... ten dode gedoemd zijn, " aldus een christelijke polemist uit 1912[21]. En ruim een eeuw later is er nog altijd geen levende cel geproduceerd uit chemische processen.

Bij het leven is nog wel iets anders in het spel dan chemische processen. In de levenloze natuur voegen zich de grondstoffen noodzakelijk tezamen, gelijk wij ze aantreffen inde aardkorst. Hoe konden dan zuurstof, water, koolzuur, salpeterzuur, enz. enz., die in het aardse stof aanwezig zijn, uit noodzakelijke beweging zich ooit tot een levende cel groeperen? Het ontstaan van levende wezens uit de levenloze stof louter door middel van chemische processen schijnt een onmogelijkheid.

Maar gesteld zelfs, dat het leven louter het product of de som was van chemische processen, dan stond men nog immer voor de vraag: wat heeft die chemisch processen in het leven geroepen, wie of wat regelde er de loop van, wie of wat verbond ze tot dit bepaalde geheel? Ook die chemische processen gehoorzamen aan vaste wetten, waaraan wij met al onze chemische kennis geen haar kunnen veranderen.

Maar waar wetten zijn, is ook noodzakelijk een wetgever. Gesteld dus, de hoop en het verlangen van zovelen, dat het leven slechts op chemische processen mocht berusten, zou waarheid zijn, dan is men nog van dat alles regelende Verstand (lees: God) niet ontslagen.

Tegenwerping 5. De bouw van alle organen is verder niets dan een gevolg van aanpassing aan bestaande omstandigheden. Wanneer men een gesmolten metaal in een vorm giet, dan zal dit na afkoeling een model aangenomen hebben, dat in alle details overeenkomst vertoont met de bewusten vorm. Men zal hierin niets bijzonders zien. Ook voor het ontstaan, ook van de fijnst bewerktuigde wezens in de levende natuur, is hoegenaamd geen verstand nodig geweest.

Antwoord. Wij ontkennen het bestaan van een aanpassingsvermogen in de levende natuur niet. Wij ontkennen alleen, dat die aanpassing de enige factor is geweest om de dingen tot hun huidige vorm van bestaan te brengen. De aanpassing verklaart noch het verschil der dingen enerzijds noch anderzijds de standvastigheid van dit verschil. Dat aanpassingsvermogen heeft immers zijn grenzen? Plaats vrij een koe, een paard en een ezel jaren in dezelfde levensomstandigheden en de koe zal koe, het paard paard en de ezel ezel blijven. Maar wat heeft de grenzen van dat aanpassingsvermogen bepaald? Een regelend Verstand (lees: God).

En, zonder twijfel: wanneer men gesmolten metaal in een oven giet, zal het, na afkoeling, een trouw beeld geven van het model, waarop de vorm gemaakt is. Daarin zal niemand iets bijzonders zien. Waarom niet? Omdat iedereen begrijpt, dat bij de aanpassing, waarvan hier sprake is (met oven en vorm), een verstand is werkzaam geweest. Niemand zal bijv. geloven, dat, wanneer het metaal, na afkoeling, als een prachtig mensenbeeld uit de mensenvorm te voorschijn komt, dit zonder tussenkomst van een verstand is kunnen gebeuren. Door louter domme factoren kunnen noch een menselijk beeld, noch alle levende mensen, met beenderen, spieren en zenuwen, mensen, die kunnen lopen, denken, redeneren etc. etc., te voorschijn zijn geroepen!

Tegenwerping 6. Ondoelmatigheid in de levende natuur. Er is ondoelmatigheid bij levende wezens aan te wezen: er zijn ondoelmatige en schadelijke organen. Bij vele mannelijke zoogdieren aanwezig zijn tepels aanwezig, die geen enkele functie hebben. Ook onze staartwervels hebben geen functie. De griffelbeentjes van een paardenpoot hebben geen functie. Een voorbeeld van schadelijkheid is het rudimentaire aanhangsel van de blinde darm, dat door ontsteking voor velen levensgevaarlijk wordt[22]. Als er een verstandige Schepper bestond, zou Hij niet zulke organen maken.

Antwoord: Wie zal, onze betrekkelijk geringe kennis van de natuur in aanmerking genomen, durven beweren: de hier opgenoemde organen zijn beslist doelloos. Die doelloosheid is noch voor de zogenaamde rudimentaire tepels, noch voor de zogenaamde staartwervels, noch voor de griffelbeentjes van het paard, noch zelfs voor het rudimentaire aanhangsel van de blinde darm afdoende bewezen. Dat wij het doel van een of ander lichaamsdeel niet kennen, zulks bewijst nog niet dat het in werkelijkheid geen doel heeft. Best mogelijk dat de wetenschap later in staat is de doelmatigheid van de straks genoemde organen schitterend in het licht te stellen.

De meeste organen verraden spoedig hun bestemming en hiermee hun doelmatigheid. Daarom ligt de veronderstelling voor de hand, dat ook de organen, waarvan wij de bestemming niet kennen, niettemin ook hun bijzonder doei zullen hebben, ofschoon dit ons nog ontsnapt. Het ligt geheel in de lijn van het natuuronderzoek, dit doel zoveel mogelijk na te sporen.

Vroeger werd vaak ook de schildklier doelloos, ja schadelijk uitgekreten, doch tegenwoordig zal wel geen wetenschappelijk man het wagen dit orgaan schadelijk, of zelfs overtollig te noemen. En wat het aanhangsel van de blinden darm betreft, inmiddels is vastgesteld dat het aanhangsel een belangrijk orgaan is. "Lange tijd werd gedacht dat de appendix een rudimentair orgaan is dat tegenwoordig geen functie meer heeft, maar de laatste tijd hebben wetenschappers steeds meer aanwijzingen gevonden dat de appendix juist een heel belangrijk orgaan is. Zo speelt de appendix waarschijnlijk een rol bij de instandhouding van de darmflora. In 2007 opperde een vijftal onderzoekers dat het wormvormig aanhangsel mogelijk de functie heeft van een veilige haven voor bacteriën van de normale darmflora, van waaruit na een episode van infectueuze diarree de darm weer met de eigen flora kan worden gekoloniseerd zodat er een sneller herstel kan optreden. Daarnaast hebben mensen bij wie de appendix verwijderd is, een verhoogde kans op een aantal aandoeningen, zoals een hartaanval, sarcoïdose, reumatoïde artritis en de ziekte van Crohn."[23]

Dat een ontsteking van dit orgaan levensgevaarlijk kan zijn, geeft geen recht het orgaan zelf schadelijk of ondoelmatig te noemen. De meeste ontstekingen, van welke organen ook, kunnen levensgevaarlijk zijn. Maar daardoor worden toch die organen zelf niet ondoelmatig. Wie zal b.v. de longen ondoelmatige organen noemen, omdat een longontsteking gewoonlijk levensgevaarlijk is?

Doch gesteld nu zelfs, dat verscheidene dingen in de levende natuur beslist doelloos, ja zelfs schadelijk zouden zijn, dit geeft toch nog geen recht te concluderen: dus zijn de talloze organen, waarvan de doelmatigheid aanstonds in het oog springt, zonder toedoen van een verstand tot hun bestaan gekomen. De oorzaak van de bestaande wereldorde kon immers haar reden hebben om zulke onvolmaaktheden in haar werk toe te laten, ofschoon die reden ons ontsnapt. Zij heeft de natuurkrachten geschapen en aan het werk gezet. Zij kon ook toelaten, dat die krachten falen, elkaar tegenwerken enz. enz. Maar met dat al blijven de heerlijke organismen, welke ons omringen, èn door hun doelmatige samenstelling èn door hun doelmatige werking met verpletterende bewijskracht getuigen van een verstandelijke Maker. Is het niet de grootste dwaasheid, een aperte waarheid te loochenen, op grond dat wij een andere moeilijkheid die er tegenover staat, niet kunnen oplossen?

Tegenwerping 7. Wreedheid in de levende natuur. De wreedheid in de levende natuur kan niet samengaan met niet te meten wijsheid, plan, doel en orde in die natuur.

Antwoord: Die niet te meten wijsheid kan verschillende redenen hebben om de dingen, welke ons minder aangenaam zijn, in haar werk toe te laten. Desondanks blijft er nog genoeg over, wat ons die eindeloze wijsheid luid verkondigt.

Het argument van de natuurwetten

De natuur, die een ordelijke werking aan de dag legt, kan beschreven worden met een zeer klein aantal eenvoudige en elegante natuurwetten. Waar komen deze wetten vandaan? Ze wijzen op een Wetgever, op een Wezen dat de wetten heeft gemaakt.

Het argument van de DNA-code

Elke cel van een plant of dier heeft een code, informatie, die de ontwikkeling, functies en mogelijkheden van het wezen bepaalt. Dergelijke informatie heeft haar oorsprong in verstand, niet in menselijk verstand, dat trouwens ook kan coderen (programmeren), maar in het verstand van een Opperwezen.

„Elke plant en elk dier heeft in zich een wetboek, waarin alles voorgeschreven is, wat zij te doen hebben en elke cel van het levende lichaam bezit in haar kern een afschrift van dit wetboek.” — Hugo de Vries (1848-1935), Nederlandse bioloog, botanicus en een van de eerste genetici.[24]

Het argument van de fijnafstemming

Een vorm van het teleologisch Godsbewijs is het argument van de fijnafstemming (Eng. finetuning), van de fijnafgestemde natuurconstanten. Dit is sterk en makkelijk uit te leggen.

Alleen de huidige natuurconstanten maken leven mogelijk. Zou een of meerdere van de natuurconstanten een iets andere waarde gehad zou hebben, dan zou er geen heelal zijn ontstaan dat geschikt is voor leven, het leven zou onmogelijk zijn. Het samenstel van hun waarden luistert zó nauw, dan men kan stellen: we leven op de rand van een scheermes[17]. Elke geringe afwijking zou leven immers in de weg staan.

Natuurkundigen en kosmologen ontwikkelen theorieën over de natuur, het heelal. De theorieën bevatten wiskundige vergelijkingen. Deze bevatten constanten, natuurconstanten[25]. Dit zijn getallen die worden gemeten en in de vergelijkingen worden ingevuld. Voorbeelden zijn de gravitatieconstante (de sterkte van de zwaartekracht), de magnetische veldconstante (de sterkte van de elektromagnetische kracht), de sterkte van de zwakke kernkracht, de sterkte van de sterke kernkracht. Met de vergelijkingen en hun constanten kun je uitrekenen hoe het heelal ontstaan is en hoe het zich ontwikkelt.

In de 2e helft van de 20e eeuw begon men eens een uiterst geringe afwijking van een natuurconstante te onderstellen en daarmee door te rekenen. Men ontdekte dat als men een van de natuurconstanten ook maar een heel klein beetje veranderde, er volgens de berekening geen heelal ontstaan kon zijn dat geschikt is voor leven. Er zijn talloze combinaties van natuurconstanten met verschillende waarden te bedenken, maar geen van hen laat leven toe. We leven als het ware op het scherp van een scheermes. De geringste beweging naar links of rechts zou ons doen vallen: leven zou onmogelijk zijn.

De natuurconstanten of natuurkundige constanten hebben waarden die leven mogelijk maken. De allergeringste verandering van de waarde van een constante zou leven onmogelijk maken. Hoe kunnen die getallen zo fijn afgesteld zijn. Dat is buitengewoon opmerkelijk, dat schreeuwt als het ware om een verklaring. Daar is iedereen, gelovig of niet, het over eens. In de kosmologie bestaat dan ook het vraagstuk van de fijnafstemming. De natuurconstanten lijken afgesteld, afgestemd, gefinetuned voor het leven. Er verschillende antwoorden mogelijk:

Antwoord 1: toeval. Het samenstel van constanten, dat leven mogelijk maakt, is toeval. Ze zijn toevallig precies die waarden die leven mogelijk maakt.

Hiertegen kan men opwerpen dat de kans dat die constanten precies die waarden hebben die leven mogelijk maken, absurd klein is. Toeval is theoretisch mogelijk, maar toeval aannemen is niet redelijk. Het is redelijk toeval aan te nemen als ik, staande langs een drukke weg, achter elkaar vijf rode auto's voorbij zie rijden. Maar het zou geen toeval zijn als ik de hele dag, morgen, overmorgen, ja, voor de rest van mijn leven alleen maar rode auto's voorbij zou zien rijden, terwijl auto's toch verschillende kleuren hebben[26].

Een tweede illustratie[27]. Een voetbalstadion bevat miljoenen bezoekers. Iemand staande midden op het veld vraagt de toeschouwers om een getal tussen de 1 en 1.000.000.000 (1 miljard) op te schrijven en het getal te laten zien. Iedereen blijkt het getal 8412,27 te hebben opgeschreven. Theoretisch kan dit toeval zijn, maar het meest redelijke is aan te nemen dat er (waarschijnlijk) opzet in het spel is.

Antwoord 2: multiversum. Er zijn miljarden heelallen, ontelbare kosmi, universa, met elk hun eigen natuurconstanten. Dan is het goed mogelijk dat er een heelal is waarin de getallen precies goed afgesteld zijn voor leven. Het multiversum-argument is echter onhoudbaar. Het is niet empirisch toetsbaar. We kunnen het evenmin afleiden. We hebben niets dat ook maar wijst op een multiversum. Het is een pure adhoc-hypothese, erbij gehaald om de fijnafstemming te verklaren[28]. Het overgrote deel van de leefbare universa die men theoretisch binnen een multiversummodel kan afleiden, zijn veel kleiner en veel onregelmatiger dan ons universum. Als we in een multiversum zouden leven, dan zou, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk, het universum waarin wij zouden wonen, veel kleiner en onregelmatiger zijn dan dat waarin wij feitelijk wonen. Door gebruik te maken van kansrekening en kwantummechanica kan men aantonen dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat wij ons in een multiversum bevinden. Antwoord 2 is statistisch niet redelijk aan te nemen.

Antwoord 3: de natuurconstanten kunnen geen andere waarden hebben. Ze hebben noodzakelijk, onvermijdelijk deze getalswaarden. Dit antwoord is onjuist, want de natuurkunde laat zien dat de natuurconstanten wel degelijk andere waarden kunnen hebben en een andere, logisch samenhangende fysica kunnen opleveren, waarmee je kunt uitrekenen wat er dan, in die andere gevallen, gebeurd zou zijn.

Antwoord 4: gewilde afstelling. Het samenstel van juist deze getalswaarden van de constanten, kan geen toeval zijn. Daarom is het aannemelijk dat ze gewild is. Deze getalswaarden zijn gewild, bewust gewild, opdát er leven zou zijn. Het gewild-zijn wijst heen naar een buitenkosmisch bewust wezen dat ze gewild heeft voor dat doel: leven mogelijk te maken. Het wezen dat willens en wetens in staat is de natuurconstanten in de juiste samenstelling te stellen noemen wij God. De fijnafstemming van de natuurconstanten leidt redelijkerwijs tot geloof aan het bestaan van God.

Tegenwerping: de natuurconstanten zijn nu eenmaal zijn zoals ze zijn en maken het leven mogelijk is; daar hoeven we geen goddelijk verstand achter te zoeken. Antwoord: dat constanten zijn zoals ze zijn, maar dat is geen antwoord op de vraag waaróm ze precies díe waarden hebben, die het leven mogelijk maken. Stel, een misdadiger staat voor een vuurpeloton met duizend schutters om geëxecuteerd te worden. Zij nu schieten allen mis. Je kunt wonderbaarlijke misser niet verklaren door te zeggen dat de misdadiger nog leeft doordat ze hem hebben gemist. Je wilt weten hoe het komt dat ze allen hebben gemist. Toeval verklaart dit wonderbare incident niet, noodzakelijkheid evenmin. Het ligt veeleer voor de hand om te geloven dat de schutters opzettelijk gemist hebben.[29]

Arno Penzias, die samen met Robert Woodrow Wilson de nobelprijs voor de natuurkunde kreeg voor hun ontdekking van de kosmische achtergrondstraling, ziet aan de fijnafstelling een bovennatuurlijk plan ten grondslag liggen[30].

Het argument van de noodzakelijke eigenschappen van een wereldgrond

Deze overweging, opgezet door de Nederlandse filosoof Emanuel Rutten, begint niet bij de wereld, maar bij haar oorsprong, de wereldgrond. Als er een wereldgrond is, welke eigenschappen zou deze redelijkerwijs moeten hebben? Welke kenmerken moet de wereldoorsprong noodzakelijkerwijs hebben om inderdaad de oorsprong van de wereld te kunnen zijn? Men kan er vier noemen[17]:

  1. De oorsprong van de wereld moet actief scheppend zijn;
  2. De wereldgrond moet radicaal vrij zijn: van niets anders afhankelijk;
  3. De oorsprong van de wereld moet enkelvoudig (niet samengesteld) zijn. Want aan iedere veelheid gaat een nog diepere eenheid vooraf;
  4. Een wereldgrond kan niet lijken op een structuur die allerlei voor de hand liggende alternatieven toelaat. Want anders kan direct de onbeantwoordbare vraag gesteld worden waarom dan niet een van die alternatieven de oorsprong is.

Informatie en stof (materie) voldoen niet. Alleen een radicaal vrij bewustzijn oftewel een radicaal vrije geest voldoet aan al deze voorwaarden. Dus is de oorsprong van de wereld een bewust Wezen, dat wij God noemen.

Hij is dus niet slechts een kracht, Hij moet een zelfbewust wezen, een Persoon zijn.

Kenmerk nummer 3 schijnt in strijd met de leer dat God drie-enig is, uit meerdere Goddelijke personen bestaat.

Als God de wereld heeft voortgebracht, dan moet Hij wel buitengewoon machtig zijn: Hij kan stof, ruimte, tijd en bewustzijn scheppen.

Modaal-epistemisch Godsargument

Het modaal-epistemisch Godsargument is bedacht door de Nederlandse christenfilosoof Emanuel Rutten. Zijn eerste uitgangspunt is: als iets waar is, kan het gekend worden. Al het mogelijk ware is kenbaar, alles wat mogelijk waar is, kan gekend worden.

Dit uitgangspunt volgt uit de basale intuïtie dat de wereld, de werkelijkheid uiteindelijk en ten diepste kenbaar, begrijpbaar, redelijk, begrijpelijk is, logisch in elkaar zit. Als de wereld kenbaar is, is al het ware kenbaar, is de waarheid kenbaar, is het mogelijk ware kenbaar.

Zijn tweede uitgangspunt of premisse is: het is onmogelijk te weten dat God niet bestaat. Waarop berust deze premisse? Wel, alle kennis vereist een bron van kennis. Dit is een aannemelijke stelling. Mogelijk kenbronnen zijn: logische en wiskundige bewijsvoering, zintuiglijke waarneming (empirische ervaring), intuïtie, getuigenis. Alle mogelijke kennisbronnen die wij kunnen onderscheiden stellen ons niet in staat om te weten dat God niet bestaat. Door zintuiglijke waarneming kun je niet waarnemen dat je alles waargenomen hebt en dus ook niet vaststellen dat God niet bestaat. Evenmin kan men door logische bewijsvoering aantonen - uit het begrip God als een bewust, onstoffelijk, onveroorzaakt en veroorzakend Wezen - dat God niet bestaat, want het gehanteerde begrip van God is niet innerlijk tegenstrijdig.

Dit zijn de enige twee premissen van het modaal-epistemisch argument. De redenering van het modaal-epistemische Godsargument is: als al het mogelijk ware kenbaar is (premisse 1) en het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat (premisse 2), dan volgt daaruit logisch dat God bestaat (conclusie). Want als God niet bestaat, als dat waar zou zijn, zou dat kenbaar zijn, maar zijn niet-bestaan nu is onkenbaar.

Tegenwerping 1: Het argument komt ingewikkeld over, als een spelletje met de taal. Antwoord: Wie de premissen onderschrijft, moet de logische gevolgtrekking aannemen.

Tegenwerping 2: Zo kan men ook tot het bestaan van Superman besluiten. Of tot een eenhoorn, een vliegend spaghetti-monster of een vliegende theepot. En dat is onzinnig. Antwoord: Een mogelijke wereld is denkbaar waarin God, die kent, slechts één ding schept, dat iets anders is dan (bijvoorbeeld) een vliegend spaghetti-monster. God weet dat dit monster niet bestaat. Dus is het niet-bestaan ervan kenbaar, het is mogelijk te weten dat het niet bestaat. Het tweede bezwaar tegen het modaal-epistemisch argument faalt.

Het zedelijke Godsargument

Een voorbeeld hiervan is de bewijsredenering aangevoerd door Peter Kreeft en Ronald Tacelli[31]:

  1. We zijn werkelijk, objectief verplicht om goed te doen en kwaad te vermijden. Er bestaat, of we het nu geloven of niet, aangenaam vinden of niet, een zedelijke verplichting.
  2. De atheïstische, materialistische wereldbeschouwing óf de religieuze is juist.
  3. De eerstgenoemde wereldbeschouwing is niet te verenigen met premisse 1.
  4. Derhalve is de religieuze wereldbeschouwing juist

Het argument van de algemene, aloude overtuiging

Algemeen is de overtuiging van het bestaan van God of goden. Godsgeloof en godsverering komt overal in de wereld voor en is van alle tijden (zie Religie). De vraag naar het bestaan van God is een van het allergrootste gewicht, zowel voor elk mens in het bijzonder als voor de gehele maatschappij. De filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) schreef: „Zoals kleurenblindheid niet tot het wezen van het oog behoort, maar een gebrek en dus iets toevalligs is, zo is ook de valse waan een gebrek van het verstand en dus iets toevalligs. Wat echter toevallig is kan niet bij allen en altijd voorkomen. ... Een oordeel, dat door allen en altijd wordt gegeven, kan derhalve niet vals zijn”[32].

Tegenwerpingen:

1. Eeuwen lang heeft het mensdom zich vergist omtrent de beweging van de hemellichamen. Een overtuiging, die al eeuwenlang dominant is, is niet daarom waar.

Antwoord. Voor het zedelijk en maatschappelijk leven van de mens, voor zijn geluk en zijn bestemming is het volmaakt onverschillig, of de zon zich om de aarde beweegt of omgekeerd: juist daarom is het licht verklaarbaar, dat de mens zich door de sterke schijn heeft laten misleiden en eeuwen lang zich geen moeite heeft getroost om te onderzoeken, of de werkelijkheid met die schijn wel in overeenstemming is. Dat wij zo gemakkelijk berusten in dergelijke schijnwaarheden, waarvan niets afhangt, bewijst alleen dat ons verstand traag is; en dat we nog veel gemakkelijker berusten in theorieën, die onze boze neigingen vleien, bewijst bovendien, dat het verstand licht onder de invloed van het hart geraakt. Maar onze stelling handelt over een waarheid, waarvan juist alles afhangt en die juist in hevige botsing komt met onze hartstochten: hier wordt dus het trage verstand door eigenbelang tot nadenken gedwongen en door de hartstochten geprest om "neen, er is geen God" te zeggen en toch zegt het in alle culturen altijd en overal ja!

2. Gedurende vele eeuwen heeft onder bijna alle volken afgoderij geheerst: „alles was god behalve God zelf” (Bossuet). Welnu, een stuk hout als God erkennen is toch vrijwel hetzelfde als God loochenen.

Antwoord. Men zou evengoed kunnen beweren, dat sommige volken het bestaan van de zon hebben geloochend, omdat ze haar voor een gloeiende steen hielden. Reeds Cicero wees erop dat men het niet eens is over de natuur der Godheid, maar wel over haar bestaan.

3. De godsdienst is een uitvindsel a. van de vrees, b. van de opvoeding, c. van de priesters, d. van de wetgevers.

Antwoord. Dat zijn machteloze pogingen, om van ongelovig standpunt te verklaren, hoe zelfs in de vroegste tijden de godsdienst bestond, zonder dat wij hem ooit zien ontstaan

a. Bij het zien van geweldige natuurverschijnselen, zo veronderstelt men, werd de mens door vrees bevangen en daar hij de natuurlijke oorzaken niet kende, schreef hij ze toe aan een hoger wezen. Maar waarom verdwijnt dan dit geloof niet tegelijk met de vrees, wanneer de natuurlijke oorzaken wel bekend worden, zoals het geloof in Sinterklaas en Zwarte Piet verdwijnt, zodra een kind merkt wie het cadeautje in de schoen heeft gelegd? En waarom geloven dan zelfs de meest onwetende wilden niet alleen aan kwade geesten maar ook aan een weldadige Godheid? De Romeinen noemden hun oppergod Jupiter „Deus optimus maximus, de grote en algoede God”, en de uitdrukking „goede God” ligt op alle menselijke lippen bestorven.

b. Hoever wij ook teruggaan, altijd en overal bevinden wij, dat de opvoeders zelfs evengoed als hun leerlingen in God geloven: van wie hebben zij dan die overtuiging gekregen ? Vooroordelen van opvoeding verschillen van volk tot volk, van eeuw tot eeuw: het geloof in God daarentegen is algemeen en bestendig. Vooroordelen van opvoeding worden door rijper nadenken uitgeroeid of althans verzwakt: het geloof in God wordt daardoor juist versterkt. (Zie het argument van het gezag der grote denkers).

c. Er waren dus reeds priesters, voordat er een godsdienst bestond!

d. De wetenschap kent wetgevers, die het reeds bestaande geloof in God hebben gebruikt en bevorderd, zij kent er geen die de godsdienst heeft uitgevonden. Zelfs wat terecht of ten onrechte van sommige vorsten wordt verhaald, als zouden zij de lichtgelovigheid van hun onderdanen hebben misbruikt, veronderstelt toch altijd een reeds bestaande godsdienstige overtuiging.

Argumenten voor het niet-bestaan van God

Er zijn verstandelijke argumenten voor het niet-bestaan van God. Veelgebruikte argumenten zijn de volgende[27].

Argument van het lijden in de wereld

Als God (als almachtig en goed Wezen gedacht) bestond, zou er niet zoveel lijden zijn. Welnu, er is veel lijden in de wereld. Dus God bestaat niet. Dat is het belangrijkste argument tegen het bestaan van God.

Tegenwerping: Dit argument is hoogstens een argument tegen de goedheid van God, of tegen het bestaan van een goede God. Het is niet relevant voor de vraag of God überhaupt bestaat.

Argument van de Theepot

We kunnen God niet waarnemen en daarom net zo goed aannemen dat het heelal ontstaan is door een vliegende theepot. God is een menselijk bedenksel, zoals een metafysische vliegende theepot dat is.

Tegenwerping: als God bestaat, dan bestaat hij niet als een theepot of een boom. Hij moet, zegt de rede ons, een ander soort zijnde dan de tijdruimtelijke dingen rondom ons. Hij is niet het soort wezen dat op dezelfde wijze als een theepot of een boom bestaat.

Argument van de verborgenheid van God

Als God bestaat, zou Hij zich manifesteren. Het zou vreemd zijn dat God zich niet laat zien, zich niet manifesteert. Als God als persoon bestaat, moet Hij te merken zijn. Welnu, we merken God niet. Dus bestaat hij niet.

Tegenwerping: uit de verborgenheid van God volgt niet dat Hij niet bestaat. Misschien heeft God een goede reden om zich te verbergen. Bovendien, zo verborgen is God niet. Hij 'verraadt' zich, Hij laat zich kennen: er zijn tekenen of aanwijzingen van zijn bestaan: vrije wil, bewustzijn, fijnafstemming (zie boven) zijn tekenen die wijzen op God. Dus helemaal verborgen is Hij niet.

Algemene tegenwerping

De vraag naar het bestaan van God is een andere dan de vraag wie of hoe God is. Deze tegenargumenten betreffen het karakter en de beweegredenen van God, niet het bestaan van God. De laatste vraag volgt op de vraag naar het bestaan van God. Als we de bestaansvraag hebben beantwoord en aannemelijk hebben gemaakt dat God een bewust Wezen is, hebben we nog niets gezegd over de aard van God.

Vervolgvraag

Als Gods bestaan is aangetoond of althans aannemelijk is, dan is de vervolgvraag: wie is die God? Is Hij de God van het christendom? Of van een andere godsdienst? Wat is het zedelijke karakter van God? Is Hij zedelijk goed of niet?

Wij weten dat God goed is, maar dan rijst de vraag hoe de almachtige en goede God zich verhoudt tot het kwaad (lijden, ellende, zonde) in de wereld.

Geschiedenis

Door de eeuwen heen zijn er argumenten voor het bestaan van God aangevoerd. Fundamentele kritiek kwam van de zijde van de filosofen David Hume, Immanuel Kant en Bertrand Russell. Een en ander leidde tot het gevoelen dat er voor geloof aan het bestaan van God geen deugdelijke gronden waren.

Vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw wordt er in de filosofie, bijzonder in de analytische wijsbegeerte, weer meer nagedacht en gediscussieerd over godsargumenten. Als denkers zijn te noemen Alvin Plantinga, Richard Swinburne, William Alston, Alexander Pruss, Robert Koons, Joshua Rasmussen en de Nederlander Emanuel Rutten. Het resultaat is dat de argumenten sterk zijn verbeterd, zodat ze niet meer gedrukt worden door de eerdere bezwaren. De bekende kritieken van Hume, Kant en Russell zijn alle weerlegd. Bovendien zijn er nieuwe argumenten bijgekomen, waaronder het modaal-epistemisch argument.

Bronnen

De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.

R. van Oppenraaij, Apologie van het Christendom. 's Hertogenbosch, Antwerpen: L.C.G. Malmberg, 1922. Tekst van blz. XVII-XX, betreffende het argument van de algemene overtuiging aangaande het bestaan van God of godheden, is onder wijziging verwerkt op 17 sept. 2020.

Emanuel Rutten, Bestaat God? Opzet voor debat met Stine Jensen voor het NPO Podcastevent in Tivoli Utrecht, op: GJERutten.blogspot.com, 26 juni 2022. Het artikel is de opzet van de schrijver voor het debat met de atheïstische filosofe Stine Jensen voor het NPO Podcastevent in Tivoli Utrecht op 29 juni 2022.

Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Blz. 206-226. Tekst hiervan, betreffende het doelmatigheidsbewijs, is onder wijziging verwerkt op 19 juli - 8 aug. 2022.

Meer informatie

Stefan Paas, Rik Peels, God bewijzen. Uitgever: Balans, 2013. Pagina's: 280. Behandelt argumenten voor en tegen geloof aan God. Toegankelijk geschreven voor 'leken'.

Emanuel Rutten, Jeroen de Ridder, En dus bestaat God; de beste argumenten. De auteurs, jonge filosofen, geven in dit boek een overzicht van de beste argumenten, acht in getal, voor het bestaan van God. Amsterdam: Buijten En Schipperheijn Motief, 2015. Omvang: 160 blz.

Engels

J. Warner Wallace, God's Crime Scene: A Cold-Case Detective Examines the Evidence for a Divinely Created Universe. Uitgeverij: David C. Cook, 2015. Onderzoekt aanwijzingen voor het bestaan van God de Schepper.

God vs. Atheism: Which is More Rational? Youtube.com: PragerU, 7 apr. 2014. Duur: 4 min. 27 sec. De filosoof Peter Kreeft, die doceert aan het Boston College, geeft enkele kosmologische argumenten voor het bestaan van God.

Professor John Lennox | God DOES exist. Youtube.com: OxfordUnion, 21 dec. 2012. Vanaf 2 min 19 sec. John Lennox, hoogleraar wiskunde

Voetnoten

  1. Aldus Stefan Paas in: De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.
  2. Emanuel Rutten, Jeroen de Ridder, En dus bestaat God; de beste argumenten (Amsterdam: Buijten En Schipperheijn Motief, 2015), blz. 8.
  3. What are five good reasons to believe God exists? Youtube.com: John Ankerberg Show, 2 okt. 2017. Duur: 1 min. 14 sec. William Lane Graig noemt de vijf beste verklaringen.
  4. Het heelal kan begrepen worden. De menselijke geest kan wetten formuleren voor de dingen in het heelal. De redelijkerwijs te begrijpen natuur en de redelijke vermogens van de mens om de natuur te begrijpen kunnen het best verklaard worden als voortbrengselen van een persoonlijk opperst redelijk Wezen.
  5. Aangehaald door het Facebook-account Bible Creation op 18 nov. 2022. Bronpagina: https://www.facebook.com/1mill.creationist/posts/pfbid0pVSVUtwhAaknyrH2YHFfRc6SNKNqLX7TKgUvs3nqyMnGgMZMsTKpRzCWVj2h4hZpl
  6. of terugredenerend: 'laatste oorzaak'.
  7. Aangehaald in: Professor John Lennox | God DOES exist. Youtube.com: OxfordUnion, 21 dec. 2012. Vanaf 2 min 19 sec.
  8. Professor John Lennox | God DOES exist. Youtube.com: OxfordUnion, 21 dec. 2012. Vanaf 8 min. 52 sec.
  9. 9,0 9,1 Over 100 Arguments for the Existence of God. Youtube.com: Capturing Christianity, 25 feb. 2021. Vanaf 19 min. 2 sec.
  10. Over 100 Arguments for the Existence of God. Youtube.com: Capturing Christianity, 25 feb. 2021. Vanaf 23 min. 45 sec.
  11. Over 100 Arguments for the Existence of God. Youtube.com: Capturing Christianity, 25 feb. 2021. Vanaf 24 min. 17 sec.
  12. Gottfried Wilhelm Leibniz (1647-1716).
  13. Over 100 Arguments for the Existence of God. Youtube.com: Capturing Christianity, 25 feb. 2021. Vanaf 30 min. 2 sec.
  14. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Blz. 238-239. Enige tekst hiervan is verwerkt op 30 nov. 2022.
  15. Over 100 Arguments for the Existence of God. Youtube.com: Capturing Christianity, 25 feb. 2021. Vanaf 35 min. 23 sec.
  16. Over 100 Arguments for the Existence of God. Youtube.com: Capturing Christianity, 25 feb. 2021. Vanaf 26 min. 23 sec.
  17. 17,0 17,1 17,2 17,3 Emanuel Rutten, Bestaat God? Opzet voor debat met Stine Jensen voor het NPO Podcastevent in Tivoli Utrecht, op: GJERutten.blogspot.com, 26 juni 2022.
  18. Zie Emanuel Rutten, De taal wijst ons de weg: het semantisch argument, op: GJERutten.nl, zonder jaar. Pdf-document.
  19. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Het voorbeeld komt van prof. Ritter, gegeven in het blad Eigen Haard van 15 juli 1911, en wordt aangehaald in a.w. van Bensdorp, blz. 207. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.
  20. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Blz. 208.
  21. Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Blz. 215. Het citaat dateert van 1911 of 1912. De tekst ervan is gemoderniseerd in de weergave op deze pagina van Christipedia.
  22. Dit 'feit' is ca. 1911. aangevoerd door H. Scheringa in het blad De Vrije Gedachte. Aangehaald door Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Blz. 220.
  23. https://nl.wikipedia.org/wiki/Wormvormig_aanhangselGeraadpleegd op 22 juli 2022.
  24. Uit: Oorsprong en Bevruchting der Bloemen. Aangehaald in Th. F. Bensdorp, Apologetica. Verzameld en ingeleid door M. Stoks. Derde deel. Amsterdam: N.V. de R.K. Boek-Centrale, 1922. Blz. 213.
  25. Zie het artikel Natuurkundige constante op nl.wikipedia.nl
  26. Aldus Emanuel Rutten in: De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.
  27. 27,0 27,1 Bestaat God? Debat tussen Emanuel Rutten en Stine Jensen. De Ongelooflijke Podcast, 29 juni 2022.
  28. Aliens, the Multiverse, or God? — Science and God. Youtube.com: PragerU, 21 dec. 2021. Duur: 5 min. 47 sec. Stephen Meyer betoogt dat ontwerp een ontwerper vereist. Het ontwerp in de levende natuur op aarde en in het heelal wijst op een goddelijke Ontwerper.
  29. De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.
  30. Professor John Lennox | God DOES exist. Youtube.com: OxfordUnion, 21 dec. 2012. Vanaf 3 min 17 sec.
  31. Moral Argument for God: Peter Kreeft and Ronald Tacelli | Dr. Bill Roach. Youtube.com: Bill Roach, 26 okt. 2022. Vanaf 17 min. 7 sec. Bill Roach zet dit zedelijke Godsargument uiteen.
  32. Contra gent. 11, 34.