Godsbewijs

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Godsbewijzen)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een Godsbewijs is een redenering met als conclusie dat God bestaat of dat het redelijk is om aan het bestaan van God te geloven.

Synoniem: Godsargument. Sommigen gebruiken liever de term "Godsargument", omdat degene die het 'bewijs' levert meestal slechts bedoelt, niet om een sluitend bewijs te leveren, maar om het bestaan van een of meer goden aannemelijk te maken voor de menselijke rede.

Een Godsbewijs is een redenering, die volgens sommigen niet een wetenschappelijke, maar een wijsgerige aangelegenheid is.

Wetenschap en Godsbewijs. De Godsbewijzen zijn metafysische argumenten. Sommige bewijzen, zoals het argument van de fijnafstemming en het kosmologische argument, maken gebruik van wetenschappelijke inzichten.

Aanleidingen. De behoefte aan een Godsbewijs rijst wanneer bij anderen het bestaan van God betwijfeld of ontkend wordt. Of wanneer anderen de redelijkheid van het geloof in God betwijfelen of ontkennen. Of wanneer men de behoefte heeft slechts te geloven aan iets dat bewezen kan worden of redelijkerwijs aannemelijk gemaakt kan worden.

Nut. Voor het zoeken naar een Godsbewijs worden enkele redenen aangevoerd.

  1. De vraag naar het bestaan van God is een uitnemend vraagstuk, dat de mens al eeuwenlang bezig houdt. Een Godsbewijs levert een redelijk antwoord op die vraag. Het antwoord raakt 's mensen oorsprong en identiteit.
  2. Een Godsbewijs toont aan dat geloof in God niet een sprong in het duister is, niet tegen verstandelijke overwegingen ingaat, maar redelijke gronden heeft. Geloven aan God is niet dom, maar heeft goede argumenten.

Het nut van Godsbewijzen is beperkt inzoverre hun overtuigingskracht beperkt is. Ze hebben niet de kracht hebben om vrijwel iedereen te overtuigen dat God bestaat. Dat komt (1) doordat God, wiens bestaan we willen bewijzen of aannemelijk willen maken, verborgen is voor onze zintuiglijke waarneming, (2) of doordat het bestaan van God bij sommige mensen ongewenst is. Deze mensen willen niet dat er een God bestaat. Het bestaan van God heeft consequenties die zij niet wensen. Als God bestaat, zo kunnen wij denken, dan moet ik anders leven en dat wil ik niet. Wij mensen zijn geneigd eerder aan het gewenste (aantrekkelijke) te geloven dan aan het ongewenste (onaantrekkelijke). Wij zullen het gewenste makkelijker geloofwaardig achten. Bijvoorbeeld, de Duitse filosoof Nietzsche bekende dat zijn verzet tegen het christendom geen kwestie was van verstand, argumentatie maar van smaak[1]. Dat is een niet-redelijk (niet-rationeel) bezwaar. Wat goed smaakt, hoeft niet waar te zijn. Een leugen kan goed 'smaken'. Godsargumenten kunnen overtuigingskracht verliezen, ja, krachteloos worden door afkeer, een afkeer die ontstaan is door slechte ervaringen met gelovigen, kerkelijke miststanden e.d. die men in het denken verbindt met het bestaan van God. Zelfs een beleving van saaiheid ("saaie kerkdienst") of een gedachte van irrelevantie ("heb ik niks aan", "heb ik niks mee", "doet me niks", "gaat nergens over", "heeft niks met het leven te maken", "dat is voorbij, was van vroeger") kan geloven moeilijker maken. Dit zijn alle niet-rationele factoren die de overtuigingskracht van Godsbewijzen beperken.

Beoordeling. Om een Godsargument te begrijpen en te beoordelen, moet duidelijk zijn:

  1. wat het wezen is waarvan het bestaan aannemelijk wordt gemaakt. Anders gezegd: Wat wordt onder 'God' verstaan? Wat houdt het begrip 'God' in.
  2. welke uitgangsstellingen (premissen), welke gronden zijn er voor de conclusie dat God bestaat. Anders gezegd: waaruit volgt logisch dat God bestaat?

Misvatting. Veel mensen denken dat er geen goede argumenten zijn voor het bestaan van God. De oude argumenten die er waren zijn onderuit gehaald. Het is daarom onredelijk om in God te geloven. Geloof aan God is achterhaald. Deze gedachte klopt niet. Twee Nederlandse filosofen stelden in 2015: "Er zijn juist uitstekende argumenten om te denken dat God bestaat. Die argumenten zijn niet achterhaald door wetenschap of technologie en ook niet vergezocht. Sterker nog, ze gaan uit van zaken die voor veel mensen bekend zijn en vanzelf spreken en komen dan via een aantal logische stappen uit bij de conclusie dat God bestaat."[2]

Het begrip 'God'. Veel filosofen bepalen het begrip 'God' als volgt:

  • een Wezen dat bewustzijn heeft
  • een Wezen dat onstoffelijk (immaterieel) is
  • een Wezen dat onveroorzaakt (eeuwig) is.
  • een Wezen dat de directe of indirecte oorzaak is van al het andere dat bestaat. Hij is de eerste oorzaak, de grond van de wereld.

Deze definitie bepaalt God als een Persoon, een Geest, die van eeuwigheid bestaat en de wereld heeft voortgebracht. De oorsprong van het universum is geen stof, maar Geest. Dit geestelijk Wezen is het begin van alles. De eerste oorzaak van ruimte, tijd en materie.

Dit Godsbegrip is minimaal van inhoud; het behelst slechts enkele eigenschappen van God. Het biedt geen troost, het zegt ons niet dat God naar mensen omziet. Maar als het bestaan van een dergelijk Wezen redelijkerwijs aangetoond kan worden, of althans aannemelijk gemaakt kan worden, dan kan een dergelijk Wezen met reden God genoemd worden. Daarmee is echter nog niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat de God van Abraham, Izak en Jacob bestaat.

Premissen. De conclusie van een Godsbewijs vloeit logisch voort uit de premissen van de redenering. Deze uitgangsstellingen moeten voor de rede aannemelijk zijn, om de conclusie voor de rede aannemelijk te maken. Soms moet men of meer premissen beargumenteren.

Hieronder volgen enkele argumenten voor het bestaan van God.

Kosmologisch Godsargument

  1. Als iets ontstaat, dan heeft het een oorzaak.
  2. Het heelal is ontstaan.
  3. Derhalve heeft het heelal een oorzaak
  4. Het heelal bestaat uit materie, tijd en ruimte
  5. Materie noch tijd noch ruimte nog iets anders dat ontstaan is, heeft zichzelf veroorzaakt
  6. Derhalve moet materie door iets immaterieels zijn veroorzaakt, de tijd door iets buitentijdelijks, de ruimte door iets dat buiten de ruimte is.
  7. Derhalve moet het heelal zijn veroorzaakt door iets dat niet-materieel, niet-tijdelijk en niet-ruimtelijk is
  8. Deze oorzaak bestaat hetzij in getallen, hetzij in een lichaamloze geest
  9. Getallen kunnen niets veroorzaken
  10. Dus is de oorzaak een lichaamloze geest. Zo'n geest is het die wij God noemen.

Premisse 1 is het beginsel van oorzakelijkheid. Alles wat een begin heeft, ontstaan is, heeft een oorzaak. Dit wordt algemeen aangenomen en is volstrekt redelijk. De premisse zegt niet dat alles wat bestáát een oorzaak heeft, maar dat alles wat begint te bestaan, ontstaat, een oorzaak heeft.

Premisse 2, dat heet universum een begin heeft, is een gevestigde stelling van de huidige kosmologie.

Premisse 4. Met het heelal is materie, ruimte en tijd gegeven. Het heelal omvat alle materie, ruimte en tijd. Met het heelal hebben materie, ruimte en tijd een begin gehad.

De oorzaak van het heelal (universum, kosmos) is daarmee de oorzaak van materie, ruimte en tijd. De oorzaak van het heelal is een niet-materiele, buitenruimtelijke en buitentijdelijke oorzaak.

Wat is die oorzaak? Er zijn slechts twee opties: 1) abstracte objecten, getallen; 2 een lichaamloze geest, bewustzijn. Er zijn filosofen - Platonisten - die geloven dat getallen, wiskundige objecten, werkelijk bestaan. Als deze abstracte dingen werkelijk bestaan, dan zijn immaterieel, buitentijdelijk en buitenruimtelijk. Abstracte getallen echter veroorzaken niets. Dus valt deze optie af. Dan blijft redelijkerwijs alleen antwoord 2 over. Een dergelijke oorzaak noemen wij God. God is immaterieel, staat buiten de tijd (a-temporeel, niet tijdelijk) en buiten de ruimte. Als Hij buiten de tijd staat, heeft Hij geen begin. Alleen iets dat in de tijd bestaat, kan een begin hebben. God heeft geen begin. Hij is de oorzaak van het heelal.

Biologisch Godsargument

  1. Al wat ontstaan is en leeft, heeft een levende oorzaak buiten zichzelf
  2. Er is een eerste levend wezen ontstaan
  3. Dus de levende oorzaak daarvan ligt buiten dat wezen. Deze eeuwig levende Oorzaak noemen wij God.

Pasteur heeft wetenschappelijk aangetoond dat uit niet-leven geen leven kan ontstaan. Derhalve getuigen dé levende wezens op aarde van Gods bestaan.

Het teleologisch Godsargument

De natuur vertoont een orde en doelmatigheid. Zulk een wereldorde is niet te verklaren, indien er niet een verstand zou wezen, dat die orde heeft uitgedacht en een wil, die die orde ten uitvoer brengt. Het wezen met zulk een hoog verstand, wil en vermogen noemen wij God.

Het argument van de fijnafstemming

Een vorm van het teleologisch Godsbewijs is het argument van de fijnafstemming (Eng. finetuning). Dit is sterk en makkelijk uit te leggen. Natuurkundigen en kosmologen ontwikkelen theorieën over de natuur, het heelal. De theorieën bevatten wiskundige vergelijkingen. Deze bevatten constanten, natuurconstanten[3]. Dit zijn getallen die worden gemeten en in de vergelijkingen worden ingevuld. Voorbeelden zijn de gravitatieconstante (de sterkte van de zwaartekracht), de magnetische veldconstante (de sterkte van de elektromagnetische kracht), de sterkte van de zwakke kernkracht, de sterkte van de sterke kernkracht. Met de vergelijkingen en hun constanten kun je uitrekenen hoe het heelal ontstaan is en hoe het zich ontwikkelt.

In de 2e helft van de 20e eeuw begon eens een uiterst geringe afwijking van een natuurconstante te onderstellen en daarmee door te rekenen. Men ontdekte dat als men een van de natuurconstanten ook maar een heel klein beetje veranderde, er volgens de berekening geen heelal ontstaan kon zijn dat geschikt is voor leven. We leven als het ware op het scherp van een scheermes. De geringste beweging naar links of rechts zou ons doen vallen: leven zou onmogelijk zijn.

De natuurconstanten of natuurkundige constanten hebben waarden die leven mogelijk maken. De allergeringste verandering van de waarde van een constante zou leven onmogelijk maken. Hoe kunnen die getallen zo fijn afgesteld zijn. Dat is buitengewoon opmerkelijk, dat schreeuwt als het ware om een verklaring. Daar is iedereen, gelovig of niet, het over eens. In de kosmologie bestaat dan ook het vraagstuk van de fijnafstemming. De natuurconstanten lijken afgesteld, afgestemd, gefinetuned voor het leven. Er verschillende antwoorden mogelijk:

Antwoord 1: toeval. Het samenstel van constanten, dat leven mogelijk maakt, is toeval. Ze toevallig precies die waarden die leven mogelijk maakt.

Hiertegen kan men opwerpen dat de kans dat die constanten precies die waarden hebben die leven mogelijk maken, absurd klein is. Toeval is theoretisch mogelijk, maar toeval aannemen is niet redelijk. Het is redelijk toeval aan te nemen als ik, staande langs een drukke weg, achter elkaar vijf rode auto's voorbij zie rijden. Maar het zou geen toeval zijn als ik de hele dag, morgen, overmorgen, ja, voor de rest van mijn leven alleen maar rode auto's voorbij zou zien rijden, terwijl auto's toch verschillende kleuren hebben[4].

Antwoord 2: multiversum. Er zijn miljarden heelallen, ontelbare kosmi, universa, met elk hun eigen natuurconstanten. Dan is het goed mogelijk dat er een heelal is waarin de getallen precies goed afgesteld zijn voor leven. Het multiversum-argument is echter onhoudbaar. Het is niet empirisch toetsbaar. We kunnen het evenmin afleiden. We hebben niets dat ook maar wijst op een multiversum. Het is een pure adhoc-hypothese, erbij gehaald om de fijnafstemming te verklaren. Het overgrote deel van de leefbare universa die men theoretisch binnen een multiversummodel kan afleiden, zijn veel kleiner en veel onregelmatiger dan ons universum. Als we in een multiversum zouden leven, dan zou, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk, het universum waarin wij zouden wonen, veel kleiner en onregelmatiger zijn dan dat waarin wij feitelijk wonen. Door gebruik te maken van kansrekening en kwantummechanica kan men aantonen dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat wij ons in een multiversum bevinden. Antwoord 2 is statistisch niet redelijk aan te nemen.

Antwoord 3: de natuurconstanten kunnen geen andere waarden hebben. Ze hebben noodzakelijk, onvermijdelijk deze getalswaarden. Dit antwoord is onjuist, want de natuurkunde laat zien dat de natuurconstanten wel degelijk andere waarden kunnen hebben en een andere, logisch samenhangende fysica kunnen opleveren, waarmee je kunt uitrekenen wat er dan, in die andere gevallen, gebeurd zou zijn.

Antwoord 4: gewilde afstelling. Het samenstel van juist deze getalswaarden van de constanten, kan geen toeval zijn. Daarom is het aannemelijk dat ze gewild is. Deze getalswaarden zijn gewild, bewust gewild, opdát er leven zou zijn. Het gewild-zijn wijst heen naar een buitenkosmisch bewust wezen dat ze gewild heeft voor dat doel: leven mogelijk te maken. Het wezen dat willens en wetens in staat is de natuurconstanten in de juiste samenstelling te stellen noemen wij God. De fijnafstemming van de natuurconstanten leidt redelijkerwijs tot geloof aan het bestaan van God. Tegenwerping: de natuurconstanten zijn nu eenmaal zijn zoals ze zijn en maken het leven mogelijk is; daar hoeven we geen goddelijk verstand achter te zoeken. Antwoord: dat constanten zijn zoals ze zijn, maar dat is geen antwoord op de vraag waaróm ze precies díe waarden hebben, die het leven mogelijk maken. Stel, een misdadiger staat voor een vuurpeloton met duizend schutters om geëxecuteerd te worden. Zij nu schieten allen mis. Je kunt wonderbaarlijke misser niet verklaren door te zeggen dat de misdadiger nog leeft doordat ze hem hebben gemist. Je wilt weten hoe het komt dat ze allen hebben gemist. Toeval verklaart dit wonderbare incident niet, noodzakelijkheid evenmin. Het ligt veeleer voor de hand om te geloven dat de schutters opzettelijk gemist hebben.[5]

Modaal-epistemisch Godsargument

Het modaal-epistemisch Godsargument is bedacht door de Nederlandse christenfilosoof Emanuel Rutten. Zijn eerste uitgangspunt is: als iets waar is, kan het gekend worden. Al het mogelijk ware is kenbaar, alles wat mogelijk waar is, kan gekend worden.

Dit uitgangspunt volgt uit de basale intuïtie dat de wereld, de werkelijkheid uiteindelijk en ten diepste kenbaar, begrijpbaar, redelijk, begrijpelijk is, logisch in elkaar zit. Als de wereld kenbaar is, is al het ware kenbaar, is de waarheid kenbaar, is het mogelijk ware kenbaar.

Zijn tweede uitgangspunt of premisse is: het is onmogelijk te weten dat God niet bestaat. Waarop berust deze premisse? Wel, alle kennis vereist een bron van kennis. Dit is een aannemelijke stelling. Mogelijk kenbronnen zijn: logische en wiskundige bewijsvoering, zintuiglijke waarneming (empirische ervaring), intuïtie, getuigenis. Alle mogelijke kennisbronnen die wij kunnen onderscheiden stellen ons niet in staat om te weten dat God niet bestaat. Door zintuiglijke waarneming kun je niet waarnemen dat je alles waargenomen hebt en dus ook niet vaststellen dat God niet bestaat. Evenmin kan men door logische bewijsvoering aantonen - uit het begrip God als een bewust, onstoffelijk, onveroorzaakt en veroorzakend Wezen - dat God niet bestaat, want het gehanteerde begrip van God is niet innerlijk tegenstrijdig.

Dit zijn de enige twee premissen van het modaal-epistemisch argument. De redenering van het modaal-epistemische Godsargument is: als al het mogelijk ware kenbaar is (premisse 1) en het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat (premisse 2), dan volgt daaruit logisch dat God bestaat (conclusie). Want als God niet bestaat, als dat waar zou zijn, zou dat kenbaar zijn, maar zijn niet-bestaan nu is onkenbaar.

Tegenwerping 1: Het argument komt ingewikkeld over, als een spelletje met de taal. Antwoord: Wie de premissen onderschrijft, moet de logische gevolgtrekking aannemen.

Tegenwerping 2: Zo kan men ook tot het bestaan van Superman besluiten. Of tot een eenhoorn, een vliegend spaghetti-monster of een vliegende theepot. En dat is onzinnig. Antwoord: Een mogelijke wereld is denkbaar waarin God, die kent, slechts één ding schept, dat iets anders is dan (bijvoorbeeld) een vliegend spaghetti-monster. God weet dat dit monster niet bestaat. Dus is het niet-bestaan ervan kenbaar, het is mogelijk te weten dat het niet bestaat. Het tweede bezwaar tegen het modaal-epistemisch argument faalt.

Het argument van de algemene, aloude overtuiging

Algemeen is de overtuiging van het bestaan van God of goden. Godsgeloof en godsverering komt overal in de wereld voor en is van alle tijden (zie Religie). De vraag naar het bestaan van God is een van het allergrootste gewicht, zowel voor elk mens in het bijzonder als voor de gehele maatschappij. De filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) schreef: „Zoals kleurenblindheid niet tot het wezen van het oog behoort, maar een gebrek en dus iets toevalligs is, zo is ook de valse waan een gebrek van het verstand en dus iets toevalligs. Wat echter toevallig is kan niet bij allen en altijd voorkomen. ... Een oordeel, dat door allen en altijd wordt gegeven, kan derhalve niet vals zijn”[6].

Tegenwerpingen:

1. Eeuwen lang heeft het mensdom zich vergist omtrent de beweging van de hemellichamen. Een overtuiging, die al eeuwenlang dominant is, is niet daarom waar.

Antwoord. Voor het zedelijk en maatschappelijk leven van de mens, voor zijn geluk en zijn bestemming is het volmaakt onverschillig, of de zon zich om de aarde beweegt of omgekeerd: juist daarom is het licht verklaarbaar, dat de mens zich door de sterke schijn heeft laten misleiden en eeuwen lang zich geen moeite heeft getroost om te onderzoeken, of de werkelijkheid met die schijn wel in overeenstemming is. Dat wij zo gemakkelijk berusten in dergelijke schijnwaarheden, waarvan niets afhangt, bewijst alleen dat ons verstand traag is; en dat we nog veel gemakkelijker berusten in theorieën, die onze boze neigingen vleien, bewijst bovendien, dat het verstand licht onder de invloed van het hart geraakt. Maar onze stelling handelt over een waarheid, waarvan juist alles afhangt en die juist in hevige botsing komt met onze hartstochten: hier wordt dus het trage verstand door eigenbelang tot nadenken gedwongen en door de hartstochten geprest om "neen, er is geen God" te zeggen en toch zegt het in alle culturen altijd en overal ja!

2. Gedurende vele eeuwen heeft onder bijna alle volken afgoderij geheerst: „alles was god behalve God zelf” (Bossuet). Welnu, een stuk hout als God erkennen is toch vrijwel hetzelfde als God loochenen.

Antwoord. Men zou evengoed kunnen beweren, dat sommige volken het bestaan van de zon hebben geloochend, omdat ze haar voor een gloeiende steen hielden. Reeds Cicero wees erop dat men het niet eens is over de natuur der Godheid, maar wel over haar bestaan.

3. De godsdienst is een uitvindsel a. van de vrees, b. van de opvoeding, c. van de priesters, d. van de wetgevers.

Antwoord. Dat zijn machteloze pogingen, om van ongelovig standpunt te verklaren, hoe zelfs in de vroegste tijden de godsdienst bestond, zonder dat wij hem ooit zien ontstaan

a. Bij het zien van geweldige natuurverschijnselen, zo veronderstelt men, werd de mens door vrees bevangen en daar hij de natuurlijke oorzaken niet kende, schreef hij ze toe aan een hoger wezen. Maar waarom verdwijnt dan dit geloof niet tegelijk met de vrees, wanneer de natuurlijke oorzaken wel bekend worden, zoals het geloof in Sinterklaas en Zwarte Piet verdwijnt, zodra een kind merkt wie het cadeautje in de schoen heeft gelegd? En waarom geloven dan zelfs de meest onwetende wilden niet alleen aan kwade geesten maar ook aan een weldadige Godheid? De Romeinen noemden hun oppergod Jupiter „Deus optimus maximus, de grote en algoede God”, en de uitdrukking „goede God” ligt op alle menselijke lippen bestorven.

b. Hoever wij ook teruggaan, altijd en overal bevinden wij, dat de opvoeders zelfs evengoed als hun leerlingen in God geloven: van wie hebben zij dan die overtuiging gekregen ? Vooroordelen van opvoeding verschillen van volk tot volk, van eeuw tot eeuw: het geloof in God daarentegen is algemeen en bestendig. Vooroordelen van opvoeding worden door rijper nadenken uitgeroeid of althans verzwakt: het geloof in God wordt daardoor juist versterkt. (Zie het argument van het gezag der grote denkers).

c. Er waren dus reeds priesters, voordat er een godsdienst bestond!

d. De wetenschap kent wetgevers, die het reeds bestaande geloof in God hebben gebruikt en bevorderd, zij kent er geen die de godsdienst heeft uitgevonden. Zelfs wat terecht of ten onrechte van sommige vorsten wordt verhaald, als zouden zij de lichtgelovigheid van hun onderdanen hebben misbruikt, veronderstelt toch altijd een reeds bestaande godsdienstige overtuiging.

Geschiedenis

Door de eeuwen heen zijn er argumenten voor het bestaan van God aangevoerd. Fundamentele kritiek kwam van de zijde van de filosofen David Hume, Immanuel Kant en Bertrand Russell. Een en ander leidde tot het gevoelen dat er voor geloof aan het bestaan van God geen deugdelijke gronden waren.

Vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw wordt er in de filosofie, bijzonder in de analytische wijsbegeerte, weer meer nagedacht en gediscussieerd over godsargumenten. Als denkers zijn te noemen Alvin Plantinga, Richard Swinburne, William Alston, Alexander Pruss, Robert Koons, Joshua Rasmussen en de Nederlander Emanuel Rutten. Het resultaat is dat de argumenten sterk zijn verbeterd, zodat ze niet meer gedrukt worden door de eerdere bezwaren. De bekende kritieken van Hume, Kant en Russell zijn alle weerlegd. Bovendien zijn er nieuwe argumenten bijgekomen, waaronder het modaal-epistemisch argument.

Bronnen

De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.

R. van Oppenraaij, Apologie van het Christendom. 's Hertogenbosch, Antwerpen: L.C.G. Malmberg, 1922. Tekst van blz. XVII-XX, betreffende het argument van de algemene overtuiging aangaande het bestaan van God of godheden, is onder wijziging verwerkt op 17 sept. 2020.

Meer informatie

Stefan Paas, Rik Peels, God bewijzen. Uitgever: Balans, 2013. Pagina's: 280. Behandelt argumenten voor en tegen geloof aan God. Toegankelijk geschreven voor 'leken'.

Emanuel Rutten, Jeroen de Ridder, En dus bestaat God; de beste argumenten. De auteurs, jonge filosofen, geven in dit boek een overzicht van de beste argumenten, acht in getal, voor het bestaan van God. Amsterdam: Buijten En Schipperheijn Motief, 2015. Omvang: 160 blz.

J. Warner Wallace, God's Crime Scene: A Cold-Case Detective Examines the Evidence for a Divinely Created Universe. Uitgeverij: David C. Cook, 2015. Onderzoekt aanwijzingen voor het bestaan van God de Schepper.

Voetnoten

  1. Aldus Stefan Paas in: De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.
  2. Emanuel Rutten, Jeroen de Ridder, En dus bestaat God; de beste argumenten (Amsterdam: Buijten En Schipperheijn Motief, 2015), blz. 8.
  3. Zie het artikel Natuurkundige constante op nl.wikipedia.nl
  4. Aldus Emanuel Rutten in: De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.
  5. De Ongelooflijke Podcast, aflevering 6 "Bestaat God? Godsbewijzen met Emanuel Rutten en Stefan Paas", NPO Radio 1, 14 juni 2019. Vraaggesprek met de filosoof Emanuel Rutten en de theoloog Stefan Paas.
  6. Contra gent. 11, 34.