Hefoffer

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Hefschouder)

Een hefoffer was een offer dat door opheffing, namelijk opwaarts en neerwaarts, de Here God werd aangeboden.

Het hefoffer kon onder meer uit de dankoffers (vredeoffers) worden aangeboden (Ex. 29:28).

Hebreeuws woord. Het Hebreeuwse woord is תרומה, teroemah of תרמה (Deut 12:11). Het betekent: hefoffer, bijdrage, offerande. Het woord komt 76x voor in het Oude Testament. Het strongnummer is H8641.

Bewegingen van hef- en beweegoffer. Met het heffen is vaak het bewegen verbonden (waarom ook het een en het ander voor het meer algemene toewijden staat, vgl. Exod. 38: 24 met 25 : 3 en Exod. 29 : 28 met Lev. 9: 21 ; 10 : 15), in 't bijzonder bij gaven, die bij de dank voor ondervonden zegen werden gewijd; het bewegen is echter een van het heffen wezenlijk te onderscheiden zinnebeeld, een heen- en weer bewegen in horizontale richting, wellicht naar de vier hemelstreken, om de Heer als de Schepper van alle dingen, gelijk het beffen, om Hem aan te duiden als degene die zich uit de hoogte zegenend openbaart. Een beweegoffer werd door beweging naar de vier windstreken aangeboden. De beweging van het hefoffers was een verticale, die van het beweegoffer een horizontale.

Het hefoffer was een heilige gave, een wijgeschenk aan God, zijn heiligdom en zijn dienaren. Bij het brengen werd het plechtig omhoog geheven. tot het hoge brandofferaltaar (Lev. 9: 22). Volgens Rabbijnse overlevering op deze wijze, dat de priester de gave op de handen van de offeraar legde, volgens Exod. 29 : 24; Lev. 8 : 27, en de priester diens handen met de zijne ondersteunde, vanwaar de naam teroemah, zoveel als omhoogheffen, beweging van beneden naar boven, zinnebeeld van de toewijding aan God, die in de hoogte woont en wien men alle gaven heeft te danken. De rabbijnen verklaren dat de hefschouder - een hefoffer bestaande uit de schouder van een offerdier - op en neer werd bewogen, en dat de beweegborst - een beweegoffer bestaande uit de borst van een offerdier - heen en weer werd bewogen. Volgens de Talmoed, de latere Joodse uitlegging van Mozes' wet, bestond het bewegen uit een horizontale beweging van de handen met de daarop liggende offergaven eerst voor- en dan achterwaarts, voorwaarts naar het altaar of naar de ark van het verbond en achterwaarts naar de persoon van de bewegende.

De zinnebeeldige ceremonie vond plaats:

1. bij vrijwillige gaven, in 't bijzonder voor de bouw en de instandhouding van het heiligdom, bijv. bij de eerste inrichting van de godsdienst (Exod. 25:2 vv.; 35:5 vv.; 36:3 vv.), voor de bouw (1 Kron. 29:2 vv.) en de herstelling (2 Kon. 12:4; 22:4 vv.) van de Salomonische tempel, voor de bouw van de tweede tempel (Ezra 8:25), voor de offerdienst (2 Kron. 30:24).

Ex 25:2  Spreek tot de Israëlieten [en zeg] dat zij voor Mij een hefoffer nemen. U moet van iedereen wiens hart hem gewillig maakt, een hefoffer voor Mij nemen. Ex 25:3  Dit is het hefoffer dat u van hen moet nemen: goud, zilver en koper, Ex 25:4  blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol], fijn linnen en geiten[haar], Ex 25:5  roodgeverfde ramshuiden, zeekoeienhuiden en acaciahout,  Ex 25:6  olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en [specerijen] voor het geurige reukwerk,  Ex 25:7  onyxstenen en [andere edel]stenen [als] opvulling voor de efod en de borsttas.  Ex 25:8  En zij moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in hun midden kan wonen. (HSV)

2. Ook bij wettig voorgeschreven gaven bijv. de jaarlijkse tempelbelasting (Exod. 30:13 vv.), bij het zondoffer (Lev. 4:8), het spijsoffer (2:9; 6:15; Ezech. 45:13) in 't bijzonder echter bij zulke gaven, die tot onderhoud van de priesters dienden, het opheffen was hier zinnebeeldige belijdenis, dat deze gave eigenlijk de Heer werd gebrach en de priester haar, gelijk in 't algemeen zijn onderhoud, onmiddellijk slechts uit de hand van de Heer had te ontvangen (Exod. 29: 28. Lev. 7: 34. Num. 5: 9; 18: 8 vv.). Hefoffers werden gebracht van de eerstelingen van de veldvruchten en van de wol (Num. 15: 19 vv.; 18: 12. Deut. 12: 17 . 18: 4. 2 Sam. 1: 21. 2 Kron. 31: 5-10); van de tienden (Num. 18: 24 vv.), van het aandeel aan de buit (Num. 31: 29 vv.); ook van het priesteraandeel aan het dankoffer, Nazireeëroffer en vuloffer, namelijk de schouder van het hefoffer (hefschouder, het rechte schenkelstuk) (Exod. 29: 27 vv. Lev. 7: 34; 9: 21; 10: 14. Num. 6: 20), die naast de borst van het beweegoffer (beweegborst) wordt genoemd.

Le 10:14  Verder moeten jullie het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer op een reine plaats eten, jij en je zonen en je dochters met je, want ze zijn uit de dankoffers van de Israëlieten gegeven als het aan jou en je zonen toegewezen deel. Le 10:15  Tegelijk met de vuuroffers van de vetdelen moeten zij de achterbout van het hefoffer en het borststuk van het beweegoffer brengen om ze als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE te bewegen. Dat is voor jou en je zonen met je een eeuwige verordening, zoals de HEERE geboden heeft. (HSV)

In de oude Statenvertaling:

Le 10:14  Ook de beweegborst en den hefschouder zult gij in een reine plaats eten, gij, en uw zonen, en uw dochteren met u; want tot uw bescheiden deel, en uwer zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen der kinderen Israëls gegeven. Le 10:15  Den hefschouder en de beweegborst zullen zij nevens de vuurofferen des vets toebrengen, om ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen; hetwelk, voor u en uw zonen met u, tot een eeuwige inzetting zijn zal, gelijk als de HEERE geboden heeft.  (SV)

Het woord teroemah werd later, ook zonder dit zinnebeeldig opheffen van een of ander geschenk aan het heiligdom gebezigd, bijv. Ezech. 45 : 1; 48: 8 vv. 12 : 20 v.) van een voor het heiligdom en zijn dienaren afgezonderde landstreek. Vandaar dat sommigen het volgens de Rabbijnen en de 70 vertalers van de Septuagint met abhoeb, 'afzondering', vertalen. Bij de tienden voor de Levieten, die de kinderen Israëls „voor de Heer heffen" (Num. 18:24) kon het heffen ten minste niet voor het altaar plaatsvinden. De Rabbijnen noemen de eerstelingen ter onderscheiding van de tienden „het grootste hefoffer", en wel laten zij slechts de voor menselijk gebruik toebereide producten als hefoffer gelden, bijv. het hefoffer van het deeg der koeken (volgens Num. 15 : 20), hoewel daarnaast uitdrukkelijk het hefoffer van de dorsvloer staat. Reeds ten tijde van Nehemia schijnt deze beperking van het begrip van het hefoffer te hebben plaatsgevonden, want in Neh. 10: 37; 12 : 44; 13: 5. Mal. 3: 8 staat hefoffer naast eerstelingen en tienden als iets dat daarvan wel te onderscheiden is.

Grootte. Ten opzichte van de grootte van het hefoffer bepaalt de wet niets, de Talmoed daarentegen een middelmaat van 2%, als minimum 1/60, als maximum 1/40 van de opbrengst. Eerst na de levering van het eerstelingshefoffer en het 1/50, dat de Rabbijnen volgens Lev. 19 : 9 voor de armen handen vastgesteld, moest men voor de Levieten de tienden heffen, en dezen brachten volgens de wet weer van hun tienden de tienden als hefoffer aan de priesters.

Bewaarplaatsen. Ter bewaring van deze gaven dienden in latere tijd zogenaamde kisten, d. voorraadkamers, cellen (Mal.  3: 10 schatkamer), in de nevengebouwen van de tempel, in de Salomonische tempel van Hizkia (2 Kron. 31: 11 v.), in de tweede (Neh. 10: 37, 39; 12: 44; 13: 4), door de priester Eljasib ingericht. Zij stonden onder opzicht van aanzienlijke Levieten.

Zie ook

Beweegoffer

Bronnen

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. S.v. Beweegoffer en hefoffer.

Enige tekst van Beweegoffer is overgenomen op 19 april 2019.

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Hef-offer. De tekst van dit lemma is op 10 nov. 2021 onder wijziging verwerkt.