Hemel en Tussentoestand

Uit Christipedia

Hemel en Tussentoestand

De schrijver van dit artikel is belijdend lid van een kerkelijke gemeenschap behorend tot de Gereformeerde Gemeenten. Het opschrift heeft te maken met een bij hem levende vraag met betrekking tot de 'tussentoestand' van de gelovige (periode tussen het moment van overlijden en de wederkomst van Christus). Concreter, het gaat om de vraag

*of de ziel van de gelovige na het overlijden direct naar de hemel gaat, om bij de wederopstanding weer samengevoegd te worden met het lichaam

*of de dode wacht op de wederopstanding en zijn ziel niet eerst verblijft in de hemel

*of men aan het begrip 'ziel' een andere op de Heilige Schrift gefundeerde betekenis moet gaan geven

De Hemel

De Bijbel spreekt duidelijk over het bestaan van de Hemel, in de Bijbel ook wel genoemd 'de hemel der hemelen'. De gereformeerde theologie kan dit, verwijzend naar vele teksten, bevestigen. Het feit dat er een Hemel is, staat in dit artikel niet ter discussie.

Matth. 6:9 Onze Vader, Die in de hemelen zijt!

Jes. 66:1; Matth. 5:34; Openb. 4:2 Daar waar Gods troon is, is de hemel

Hand,7:56, Hebr. 12:2 De Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods

Kol. 3:1 Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

Ps. 103:19 De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd en Zijn Koninkrijk heerst over alles.

Openb. 4:2 Er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op den troon'

De Wederkomst

De Bijbel spreekt eveneens duidelijk over het feit van de wederkomst van de Heere Jezus Christus (o.a. Openb. 1:7). Over de vraag hoe, waar precies en wanneer onze Heer en Heiland Jezus Christus zal verschijnen, zullen de meningen uiteenlopen. Zeker is, dat met Zijn komst hemel en aarde vernieuwd zullen worden en kunnen beantwoorden aan het oorspronkelijke doel van de schepping, namelijk dat God alles mag zijn in allen.

De voltooiïng van dit Godsrijk kent drie belangrijke stadia. De Heilige Schrift openbaart ons hoezeer ieder stadium van dit herscheppingswerk Gods' goedkeuring draagt. Met betrekking tot de schepping staat in het Goddelijke Woord de vermelding 'Alzo zijn volbracht …' (Gen.2:1). Aan het kruis getuigt de Heere Jezus van het feit dat Zijn Werk volbracht is met de woorden 'het is volbracht' (Joh.19:30). Dat Christus' Wederkomst een feitelijk gegeven is, blijkt uit Openb.21:6 met de woorden 'Het is geschied'.

De Bijbel is zeer duidelijk over het bestaan van de hemel, over het volbrachte werk van onze Heere Jezus Christus, over de wederkomst van Christus op de wolken bij de vernieuwing van Zijn Schepping en het oordeel over de levenden en de doden. Laten we dit laatstgenoemde 'De grote Godsontmoeting' noemen. Het Goddelijk oordeel zal duidelijk maken, wie wel en wie niet geloofd hebben in de Zoon van God. Degenen die wel geloofden, zullen zonder uitzondering degenen zijn wier naam geschreven staat in het Boek des Levens (Maleachi 3:16; Markus 13:27; Openb. 3:5; Openb. 20:12,15). Laat dit tot bemoediging zijn: 'Niemand onder hen die geloofden, zal worden vergeten.'

Het gehele herscheppingsplan berust op Goddelijke liefde voor Zijn schepping en op een vrijmachtig en eenzijdig welbehagen om een totaal verloren en machteloos mens te redden van eeuwige straf (zie Johannes 17 'Het hogepriesterlijk gebed').

De vraag van Jezus

Jezus vraagt van ons geloof dat Hij Gods Zoon is, dat Hij de beloofde Messias is, dat in Hem alle profetie daarover vervuld is. Hij vraagt ook om geloof in Zijn opstandingskracht, dat Hij de Eerstgeborene uit de doden is (openb. 1:5). Hij is een gewillige Zaligmaker, die niet anders wil dan het eeuwig behoud van de zondaar (Matth 16:15-19; Matth 17:11; Markus 1:41).

Johannes 11:25-26: Jezus zeide tot haar (Martha): Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven; al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat? (St.Vert.)

Romeinen 10: 8-13: Indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden. (St.Vert.)

Het geloof in de Heere Jezus Christus als onze enige Zaligmaker en het geloof in Zijn Opstanding vormt in de tijd de basis van onze zaligheid. Onze geloofsbelijdenis is in principe het antwoord op Jezus' vraag 'Wie zeggen de mensen dat Ik ben?' Op basis van dit geloof wil Hij onze Middelaar zijn (Joh.17:7-9).

Ons onvermogen om te geloven is echter zo groot dat ook ons geloof in Hem een gave van Gods Geest is. Niemand kan zeggen, Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest (1 Kor. 12:3b). Het geloof van ieder gelovige komt voort uit Gods Eeuwig Welbehagen, anders zouden we niet geloven (Joh. 6:44; 2 Kor. 3:5; Filip. 2:13). De wedergeboorte gaat aan het geloof vooraf.

Mattheus 16:17 Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, Die in de hemelen is (St.Vert.).

Joh. 3:27 Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit den hemel niet gegeven zij.

Joh. 6:65 En Hij (Jezus) zeide: Daarom heb ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader (St.Vert.).

Troostvolle gedachte

Miljoenen en nog eens miljoenen hebben zich bij het overlijden van dierbaren getroost met de zekerheid dat hun dierbaren zich mogen bevinden in de eeuwige gelukzaligheid in de hemel, waar zij mogen zien in Wie zij geloofd hebben en voor hen de bron van die zaligheid is geworden.

Zij die in dit leven geleerd hebben van Goddelijke genade te leven, hebben bijna zeker ook nagedacht over de vraag hoe dat zijn zal na dit leven. Wie uitziet naar de 'Bruidegom' zal zich ook wel eens een voorstelling hebben gemaakt van 'het bruiloftsfeest', dat voor Gods gunstgenoten bereid is. Wat dit laatste betreft, hebben we echter te worstelen met onvermogen daaromtrent.

Ons Onvermogen

Dat onvermogen moet ons dan ook zeer bescheiden maken wanneer het gaat om ons eigen gelijk. Een zekerheid daarbij is, dat het 'alles' geheel anders zal zijn dan we dachten. Mag men over de hemelse heerlijkheid nadenken? Uiteraard mag dat! (1Kor.2:10-12; Kol.3:1-2). Het zou tegenstrijdig zijn, wanneer men wel uitziet naar de Bruidegom, maar geen belangstelling heeft voor Zijn Bruiloft. Toch zal het niet verder kunnen gaan dan een voorzichtige serieuze gedachtewisseling daarover. De pretentie, het beter te weten dan anderen, is met betrekking tot het onderwerp 'de Hemel' zeer zeker niet op zijn plaats.

Daarnaast is ons aller ervaring dat overeenkomstig het Goddelijke Woord het lichaam van de overledene volledig vergaat tot 'stof'. Dat gegeven behoeft geen nadere toelichting.

Dat de Bijbel van het begin tot het eind Goddelijk gezag bezit, neemt nog niet weg dat wij de verlichting van Gods Geest nodig hebben om ze ook goed te verstaan. Zeker met betrekking tot het hiernamaals. Er is geloof nodig om voor het Goddelijke Woord te buigen, ook al kan de natuurlijke mens het niet vatten (1 Kor. 2:14; 1 Kor. 13:9). Over de hemelse heerlijkheid spreekt het Goddelijke Woord dikwijls in de vorm van metaforen, symbolen, visioenen, dromen e.d. De gedachte dat de ziel van de gelovige bij het overlijden naar de hemel der hemelen gaat, maakt dat het niet altijd duidelijk is of een tekst bedoelt te spreken over de hemelse heerlijkheid in de 'Hemel der Hemelen', of dat de tekst iets bedoelt te zeggen over de opstanding en de toekomstige 'Nieuwe Hemel en Aarde'.

Twee keer naar de Hemel?

Dat de ziel, gescheiden van het lichaam, in de hemel Gods nabijheid en liefde mag ervaren, leidt tot de logische gedachte dat ze bij de wederkomst van Christus vanuit de hemel weer naar de aarde komt om verenigd te worden met het lichaam. Bij de wederkomst wordt de hemelse heerlijkheid vervolgens dan ervaren op de vernieuwde aarde. Het begrip 'hemel' kan dus twee betekenissen hebben: de hemel 'hier boven' (de hemel der hemelen), waar God woont met de engelen en met de zielen van hen die geloofden en de hemel 'op aarde', waar Christus verenigd is met Zijn bruidskerk.

Het gevolg daarvan is dat onze interpretatie van bijbelteksten die over de hemelse heerlijkheid iets zeggen, gestuurd wordt door de vraag welke hemel wordt bedoeld. De uitleg kan daardoor heel verschillend zijn, waardoor het de schijn kan hebben dat de Bijbel niet altijd duidelijk is in wat zij meedeelt.

Woorden van Jezus

Was de Heere Jezus voor de toehoorders onduidelijk met Zijn opmerking over de rijke man en de arme Lazarus? (Lukas 16:19-31) In de synagoge was algemeen het beeld ontstaan dat in het dodenrijk (Gr. hades; Hebr. sjeool) twee van elkaar gescheiden ruimten bestonden; één voor de rechtvaardigen (de schoot van Abraham) en één voor de onrechtvaardigen. De rechtvaardigen waren zij die de wet volmaakt hielden. De farizeeën waren er van overtuigd dat ze bij hun dood in de schoot van Abraham gedragen zouden worden. Jezus wees er op dat zij zelf de wet niet hielden, terwijl zij op het volk gebod op gebod legden (bijv. Lukas 16:14-18). Ook al deugde hun visie over het dodenrijk niet, toch wilde Jezus hún visie gebruiken om duidelijk aan te geven dat de naleving van de wet hen niet rechtvaardig maakt voor God (Rom. 9:7-8). De omstanders moeten dit goed begrepen hebben. 8) De Heidelb. Catechismus vermeldt bij vraag 57 Luk. 16:22 als bewijs dat de ziel van Gods gunstgenoten van stonde aan tot Christus wordt opgenomen. De vraag is of de keuze van deze tekst juist is. Waarschijnlijk heeft Jezus niet de bedoeling gehad daarover een uitspraak te doen. Toen Jezus Zijn discipelen vertroostte met op te merken dat in het huis van Zijn Vader vele woningen waren (Joh. 14:1-14), begreep men uiteraard eveneens dat er in de hemel geen woningen nodig zijn, dat men de woorden niet letterlijk moet opvatten en dat Jezus dit zei om aan te geven dat voor ieder die gelooft in Hem en Zijn opstanding er bij de opstanding plaats zal zijn in het Eeuwig Koninkrijk. Men was in Israël toen algemeen bekend met het feit van een komend Godsrijk en een opstanding. Men wist dat de 'kinderen van Abraham' na een opstanding voor eeuwig deelgenoot mogen zijn van Gods gunst en genade. Toen de Heere Jezus tegen Martha zei, dat zij door het geloof in Hem deelgenoot van die heerlijke opstanding mocht zijn, begreep zij goed wat Hij zei.

Toch was ook onder het Joodse volk veel onduidelijk omtrent dat Godsrijk. De vragen betroffen de tijd wanneer, of waar, of in welke gestalte de Messias zou verschijnen en heersen over dat Eeuwige Koninkrijk. Dat bleek ook uit de vragen van de discipelen daarover. Er bestond buiten de Goddelijke Openbaringen om een soort apart volksgeloof omtrent de oprichting van een almachtig door God gesteund koninkrijk (Matth. 20:21). Misschien begrepen de farizeeën het nog het best. Zij waren de bestrijders van de sadduceeën, die van geen opstanding wilden weten (Matth. 22:23-32). De farizeeën begrepen de woorden van Jezus, dat Zijn opstanding het zegel was van de wederopstanding van allen die geloofden in Hem. Jezus had er op gewezen dat met Zijn komst als Heiland het Koninkrijk Gods reeds in beginsel aanwezig was (Matth. 3:2; Matth. 12:28). Daarom waren zij er zeer voor beducht, dat alles wat Jezus daarover had gezegd ook zou uitkomen.

Waarom was Jezus duidelijk in Zijn uitspraken en konden Zijn woorden over die 'Grote Godsontmoeting' geen verwarring stichten? De gedachte dat de zielen van de overledenen in een soort daarvoor gereserveerde ruimte van de hemel reeds God zouden ontmoeten, bestond waarschijnlijk niet. De uitspraak van Jezus over de 'vele woningen' zal bij de toehoorders dan ook van toepassing zijn geweest op dat komende Eeuwige Vrederijk (het Koninkrijk Gods genoemd in Matth. 21:43; Mark. 14:25). Daar was niets onduidelijks aan! Ook 1 Kor. 15 spreekt uitsluitend over de opstanding en een nieuwe hemel en aarde! In 1 Thess. 4:16-17 zegt Paulus dat zij die geloofd hebben en overleden zijn eerst zullen opstaan uit de dood. Opvallend is dat hij geen uitspraak doet over de zielen van hen die reeds in de hemel der hemelen zouden moeten zijn.

Er zijn vele teksten aan te wijzen, waarin van een verlangen wordt gesproken om na de dood verlost te mogen zijn van het oordeel over de zonde, bij God te mogen zijn en Zijn genade en liefde te mogen ervaren in een paradijs zonder zonde. In Israël geloofde men in het herstel van het verloren paradijs. Men was ook in de Oudtestamentische tijd bekend met het feit dat God macht had om de macht van de dood te niet te doen. De opwekking van de doden door Elia en Eliza waren daarvan het bewijs (1Kon. 17:22; 2Kon. 4:35; 2Kon. 13:21). De opneming van Henoch en Elia bewijst dat de dood niet het deel van alle schepselen behoefde te zijn (Gen. 5:22; 2Kon. 2:11). De profeten Hosea en Ezechiël profeteren het herstel van het volk Israël door op het beeld van de wederopstanding te wijzen (Hos. 6:1-6; Ezech. 37:1-14). Ook de volgende teksten spreken over een wederopstanding: 1Sam. 2:6; 2 Sam. 12:23; Job 19:25-27; Ps. 17:15; Ps. 49:16; Ps. 73:24; Jes. 11:6-9; Jes. 33:24; Jes. 65:17-25; Dan. 2:44. Het Nieuwe Testament openbaart ons nadrukkelijk dat er een wederopstanding uit de doden zal plaats hebben, dit in tegenstelling tot de gedachte dat de zielen van Gods gunstgenoten voorlopig reeds in de hemel der hemelen zouden zijn (Matth. 8:11-12; Matth. 21:43; Matth. 22:12-13; Matth 25:32-33; Markus 13:27; Markus 14:25; Luk. 13:29; Luk. 23:43; 1Kor. 15; 2Kor. 12:4; Filipp. 1:23-24; 1 Thess. 4:13-17; 2Thess. 1:10; Joh. 17:24; Openb. 2:7; Openb. 4:1; Openb. 7:17; Openb. 19:7-9). Wie zijn Schepper eert, dient, vreest en van genade moet leven, heft zijn ogen op naar omhoog, naar de hemel, naar de 'bergen'. Zijn ziel verlangt naar God. Jezus zelf moedigt ons daartoe aan (Lukas 21:28). Troostvolle teksten in Gods Woord spreken daarover. Het opzien naar de hemel heeft mogelijk de gedachte gevoed dat de zielen van Gods' kinderen voorlopig daar zijn.

De teksten getuigen van het geloof in een aanwezig kunnen zijn bij God. De soort van beeldspraak die daarbij gebruikt wordt door de gelovige kan niet gezien worden als een Goddelijke Openbaring, die tot doel heeft ons duidelijkheid te verschaffen over hoe het precies zal zijn na ons overlijden. Ook Psalm 115:17 ('De doden zullen de HEERE niet prijzen …) of Ps. 6:6 en Jes. 38:17 ('Want het graf zal U niet loven ….) hebben waarschijnlijk eveneens niet de Goddelijke bedoeling iets te openbaren over de 'tussentoestand'.

Een overvloed aan genadegiften vanuit de hemel komend

(Mark. 13:24-26; Hebr. 8:5; Hebr. 11:9-10,16; Hebr. 13:14; Openb. 2:7; Openb. 20:12; Openb. 21:2; Thess. 4:16-17)

De Goddelijke Openbaring wil ons mededelen dat de hemelse gaven nadrukkelijk aanwezig zullen zijn op de vernieuwde aarde. De hemelse gaven (met name Gods nabijheid) komen naar de aarde, zoals het voor de zondeval was. Die overmatige overvloed aan genade wordt in Gods Woord voorgesteld als een rivier voortkomend uit de tempel (Openb. 22:1-5). De hemel wordt dan op aarde onze blijvende stad, door God bereid voor Zijn bruidskerk (Hebr. 11:16).

Gedachten over de ziel

Het algemeen gevoelen onder 'ons' is, dat de zielen van Gods kinderen direct na hun overlijden opgenomen worden tot Gods Troon. Zodra de vraag komt waaruit onze ziel bestaat, wat men zich daarbij moet voorstellen, weet men terecht geen antwoord te geven. Wij zijn stoffelijk en denken ook als zodanig, zeggen we dan. De gedachte als zou de ziel een geest of een soort etherische damp zijn, die het lichaam kan verlaten en opstijgt naar de Hemel, zou wel eens niet juist kunnen zijn. Er zijn in de loop der tijd vele ideeën ontwikkeld omtrent het voortbestaan van de ziel. Bijbelteksten, die zich er voor lenen om naar willekeur verschillend uitgelegd te worden, worden daarbij veelvuldig als bewijs aangedragen. Zo wordt bloed, als drager van het leven, in Gen. 35:18 'ziel' genoemd. Dit in verband met het overlijden van Rachel. De tekst wil ons waarschijnlijk zeggen, dat zij bij de bevalling is overleden aan overmatig bloedverlies (Deut. 12:23). In Lev. 17:11 wordt gesproken over de ziel van het vlees in het bloed als drager van het leven. In de offerdienst is het bloed daarom drager en brenger van het leven en ziet het op het verzoenend lijden van de komende Levensvorst.

Het valt ook op dat de personen, die Jezus uit de dood heeft opgewekt, geen getuigenis hebben gegeven van hun ervaring in de Hemel. Zijn ze wel in de hemel geweest? Hebben ze het Lam ook gezien naast de Troon? Of bleef na hun overlijden slechts hun dode lichaam over, onderhevig aan de ontbinding? Later zijn ze wel allen overleden, verwachtend de herschepping bij de wederopstanding.

In een gesprek met sadduceeën over de hemel zegt Jezus dat zij die geloofden als de engelen zullen zijn. Hij bedoelde daarmee dat er in het Koninkrijk Gods geen huwelijk en voortplanting zal zijn en niet dat onze ziel in de hemel bij Gods troon als een engel zonder vleugels zal zijn (Matth. 22:30).

De ziel als een Hemelse garantie voor het eeuwig voortbestaan

Dat ieder mens een ziel bezit, zegt ons in ieder geval dat hij een eeuwigheidsbestemming heeft. De eeuwigheidsbestemming vloeit voort uit het gegeven dat de mens geschapen is naar het Beeld Gods. De mens blijft in een Schepper-schepsel-relatie verplicht tot verantwoording. Hij blijft eigendom van de Schepper. Niemand, ook de ongelovigen, moet menen zich daaraan te kunnen onttrekken. Zij die van genade mochten leven, behoeven niet beangstigd te zijn om vergeten te worden. Met andere woorden; na de dood houdt ons leven niet op. Voor hen die geloven, betekent hun ziel een Goddelijke garantie, hun Zaligmaker te mogen ontmoeten en inwoner te mogen zijn van het Eeuwige Godsrijk. Want wat blijft is Gods almacht, Zijn verkiezende liefde, het 'Boek des Levens', de opstanding van Jezus uit de doden als een concrete garantie van onze opstanding en de vele beloften Gods. Bij Zijn Hemelvaart heeft Christus die Goddelijke Garantie als een buit na de strijd meegevoerd naar de hemel (Ef. 4:8). God wijst regelmatig op Zijn scheppingskracht (Jes. 40:25-26). Hij kan zon, maan en sterren, bergen en zeeën voortbrengen. Hij kan het mechanisme van het leven in elkaar zetten en planten, dieren en de mens het leven geven. Hij kan doden weer het leven geven (Ps. 104:24). Jezus leert ons dat de 'ontmoeting' met Hem pas in het Koninkrijk Gods zal plaats vinden (Mark. 14:25; Luk. 22:16) na de wederopstanding.

Openb. 1:5,12,16 biedt ons een blik in de hemel der hemelen. De teksten openbaren ons de Goddelijke garantie op de zaligheid, weggelegd voor Gods gunstgenoten: Jezus Christus de Getrouwe Getuige, de Eerstgeborene uit de doden, de Overste der koningen der aarde, Hem Die ons heeft lief gehad, en van zonden gewassen in Zijn bloed, Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader, Hij komt met de wolken, Eén, de Zoon des mensen gelijk zijnde, in het midden van zeven kandelaren (gemeenten), met zeven sterren (engelen der gemeenten) in Zijn Rechterhand, trouw aan Zijn Verbond (de regenboog rondom).

Gods volk klampt zich hieraan vast. Zij gaan niet naar de hemel 'hier boven' , maar zijn reeds 'mede opgewekt en zijn mede gezet in de hemel in Christus Jezus' (Ef. 2:5,6). Hier op aarde mogen zij reeds nu burger zijn van een rijk in de hemelen (Rom. 8:39; Filipp. 3:20). Dat burgerschap is blijvend. Dat kan niemand afnemen. Jezus Christus de Getrouwe Getuige is onze garantie. In dat opzicht blijft de ziel als een realiteit bestaan tijdens de 'tussentoestand' van ons bestaan.

Ook zij, die niet geloofden hebben een ziel, maar negeren de consequenties (Dan. 12:2). De Bijbel wijst er op dat, waar de boom valt, zij zal blijven liggen. Het wordt dan voor ieder van ons 'eeuwig wel' of 'eeuwig wee'!

De hemel, veraf of dichtbij

Gods almacht, alomtegenwoordigheid (1 Kon. 8:27) en alwetendheid brengt met zich mee, dat Hij dichtbij is (Ps. 103:19; Ps. 139). Hij weet van de mus op het dak en van een haar op het hoofd. Hij weet van ons af, Hij stuurt ons leven, Hij hoort ons gebed, hoe gebrekkig ook (Job 23:13-14). De Hemel ziet op ons neer (Hebr. 4:13). Er is een voortdurende lofzang van de miljoenen engelen omdat God aan Zijn Verbond wilt gedenken en daarom het algemeen bekende natuurverschijnsel van de regenboog gebruiken wil om dat aan de mensen kenbaar te maken. En dat Hij aan het mensdom Zijn Openbaringen en daarmee Zichzelf bekend wil maken in de vorm van Zijn Woord, de Bijbel. Er is ook een voortdurende lofzang omdat door Gods Geest miljoenen zondaren zich bekeren en toegevoegd worden aan Christus' bruidskerk (Lukas 15:10).

Sommigen hebben zelfs van ver een blik mogen slaan in de hemelse heerlijkheid waar God woont. De profeet Jesaja heeft dat mogen ervaren (Jes. 6:1-4). Stefanus zag 'de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods' (Hand. 7:56). Johannes zag een deur geopend in de hemel (Openb. 4:1).

Vanuit de Hemel bij Gods Troon is er een nauwe relatie met de 'zielen onder het altaar', Zij zijn Zijn Bruidskerk hier op aarde. De relatie met haar is gebaseerd op een soort 'huwelijksverbond' (Ps. 91:11; Matth. 5:35; Matth. 18:10; Rom. 14:8; Hebr. 1:14; Openb 6:9-10).

Ook het hemelse troongezicht, beschreven in Openb. 4:2, biedt ons door middel van symbolen informatie over de hemelse heerlijkheid. De betekenis daarvan geeft ons inzicht in de feitelijkheid van het bestaan van de hemel. Een opvallend symbool wordt gevormd door de vierentwintig tronen, met daarop vierentwintig ouderlingen. De bedoeling van deze Goddelijke Openbaring is waarschijnlijk om aan te geven dat er van uit de hemel relatie is met de gehele 'Gemeente Gods' hier op aarde, vertegenwoordigd door de twaalf stammen en twaalf apostelen (Matth. 19:28). Ook dit troongezicht geeft ons geen aanleiding om te denken dat er in de hemel een plaats is gereserveerd voor de zielen van onze overleden dierbaren, die geloofd hebben.

Echter, vanuit de aarde gezien, is de hemel buiten het Goddelijke Woord om, ver weg en gesloten voor een ongelovige wereld.

Kennen ten dele

Het heil, weggelegd voor allen die God vrezen, leent zich niet voor nieuwsgierigheid naar allerlei details. 'De verborgene dingen zijn voor de HEERE, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen' (Deut. 29:29). Het past ons met betrekking tot de eeuwige gelukzaligheid niet om het verlangen naar onze Heiland en Zaligmaker de Heere Jezus Christus te laten verdringen door alle mogelijke uitwijdingen over bijkomstige zaken die slechts tot doel hebben onze nieuwsgierigheid te bevredigen.

De schrijver van dit artikel vindt het daarom bezwaarlijk om de ten hemel opneming van Elia te proberen uit te leggen (2 Kon. 2:1-13). Zoals deze geschiedenis beschreven is, bevat zij namelijk wel een duidelijke weergave van wat er gebeurde. De wegneming van Henoch door God, zodat hij de dood niet zou zien, is eveneens een geschiedkundig feit, maar niet verklaarbaar (Hebr. 11:5). Hetzelfde moet gezegd worden van de Verheerlijking op de berg en de aanwezigheid van Mozes en Elia daarbij (Luk. 9:30-31). Aan de feitelijkheid van deze gebeurtenissen valt echter niet te twijfelen. Ook de Goddelijke Boodschap was duidelijk.

Wanneer echter de vraag gesteld wordt of de zielen van gelovigen als zelfstandige wezens na hun overlijden naar de hemel der hemelen gaan om daar in een voorlopige heerlijkheid te verblijven, wachtend op de opstandingsdag, worden we geconfronteerd met een gebrek aan duidelijkheid daarover. Het is moeilijk om uit de Heilige Schrift voldoende gegevens (feiten) te vinden om overtuigd een bevestigend antwoord te geven. Dit verklaart ook de verschillende ideeën daarover. (Het bestaan van een 'voorburcht der vaderen', bestemd voor de gelovigen van het Oude Testament (RKK) of het 'vagevuur' (RKK), of een soort voorlopige plaats waar de zielen van ongelovigen voorlopig gepijnigd worden, wachtend op het oordeel, of een zieleslaap tot de oordeelsdag, of een soort 'berg van St. André' waar de zielen der ongedoopte kinderen verblijven.) De vraag brengt me in verlegenheid. Aangehaalde teksten, die zouden kunnen leiden tot een bevestigend antwoord, kunnen veelal verschillend (bijna willekeurig) geïnterpreteerd worden!

Ook kan een kritische opmerking binnen eigen kerkelijke kring reuring geven. Dat is bij het schrijven van dit artikel in het geheel niet de intentie. De bedoeling met deze vraag is zeer zeker niet om de eigen geloofsgemeenschap in verwarring te brengen, maar om over deze vraag eens na te denken.

Boven het smeedijzeren hekwerk van misschien wel vele begraafplaatsen staat 'Uw doden zullen leven', doelend op de wederopstanding. Onze hoop en verwachting moet inderdaad gericht zijn op de wederopstanding. We mogen daarom, wanneer daarvoor verwachting mag zijn, geloven dat onze dierbaren, na hun overlijden en opstanding uit de dood, de eeuwige zaligheid mogen genieten op een 'Nieuwe Aarde'. Hun hoop was gevestigd op de grote ontmoeting met Hem in Wie ze geloofd hebben (Ps. 39:8 'En nu, wat verwacht ik, o HEERE ! Mij hoop, die is op U.') Voor hen zal blijken, dat het een hoop is geweest, die niet beschaamt, dankzij Hem, Die de ladder is naar de hemel, de weg, de deur, de poort, de rots, de herder der schapen.

Een heel voorzichtige aanname!

Alle gelovigen wachten na hun overlijden op de opstandingsdag. (Adam, Eva, Henoch, Noach, Abraham, Rachab, Ruth, Maria, Petrus, Paulus, de moordenaar aan het kruis, Lydia enz. enz.) De veronderstelling dat heiligen in de hemel der hemelen aanvankelijk voorlopig aanwezig kunnen zijn, vindt, in tegenstelling tot het geloof aan een wederopstanding, in de Heilige Schrift geen duidelijke grond.

De tijd tussen overlijden en wederopstanding uit de dood is voor de overledene waarschijnlijk geen tijd. Na het overlijden wordt de opstanding ervaren en breekt voor ons allen het 'heden' van de opstanding aan. 'Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn', zei Jezus aan het kruis tegen de moordenaar (Luk. 23:43). Daarbij moet gezegd worden, dat in de Griekse vertaling staat: Voorwaar/tot u zeg ik heden/met Mij zult gij zijn/in het paradijs. 8) Het woord 'heden' wil dan zeggen 'nu' 'dit moment'' zeg Ik dat tegen u. In Markus 14:25 en Lukas 22:16 lezen we: 'Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.' (St.Vert.)

In de nacht waarin Jezus werd verraden, stelde Hij voor de nieuwtestamentische gemeenten het Heilig Avondmaal in (1 Kor. 11:23-26). Paulus zegt dat de gemeenten zich daaraan dienen te houden 'totdat Hij komt'. Zijn wederkomst is voor Zijn Kerk de 'stip aan de horizon'.

Belijdenis des Geloofs art. 37: 'Daarom verwachten wij dien groten dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onzen Heere.'

Bronnen

De volgende bronnen menen zich te kunnen beroepen op de daarbij vermelde teksten om aan te tonen dat de ziel na dit leven opgenomen wordt tot Christus, haar Hoofd en daarna bij de opstanding verenigd zal worden met het lichaam. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat niet altijd duidelijk was wat deze auteurs met de tekst wilden aangeven. De ernst en het gewicht van het onderwerp vroeg ook bij hen om zorgvuldigheid en voorzichtigheid in de verwijzing naar teksten. We pretenderen daarom zeker niet volledig en juist te zijn geweest bij het vermelden van deze teksten.

1) Heidelbergse Catechismus, vraag 57

2) Belijdenis des geloofs (vastgesteld op de Nat. Synode te dordrecht) Art. 37

3) Ds. G.H. Kersten, De Gereformeerde Dogmatiek, voor de gemeenten toegelicht (Utrecht 1966)

4) J. van Genderen & W.H. Velema, Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (Utrecht 2001)

5) Dr. H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, (Dl IV 'de tusschentoestand') (Kampen 1967)

6) Ds. P. van Ruitenburg, Naar de Hemel (Houten 2006)

7) Henk Binnendijk, Hoe ziet de hemel eruit? (Utrecht 2019)

8) Hoite Slagter, Amen 61 (juni 2005)

Luk. 16:22-31 1) 3) 5) 6) 7) // Luk. 23:43 1) 3) 4) 7) // 2 Kor. 5:1-8 3) 4) 5) 7) // Filip. 1:21-24 1) 3) 4) 5) 6) 7) // Openb. 6:9-10 3) 4) 5) // Openb. 14:11,13 3) 5) // Hand. 7:59 3) 4) // Joh. 11:25-26 4) 7) // Matth. 8:11-12 5) 6)

3) vermeldt bovendien: Gen. 35:18 // Ex. 3:6 // Ps. 146:4 // Pred. 12:7 // Jes. 57:2 // Matth. 22:31,32 // Joh. 12:26 // 1 Petr. 3:19

4) vermeldt bovendien: Rom. 8:38-39 // Rom. 14:8

5) vermeldt bovendien: Luk. 13:28 // 1 Thess. 4:17 // Hebr. 11:40 // Hebr. 12:22-24 // Openb. 7:9,15 // Openb. 22:17

6) vermeldt bovendien: Gen. 5:24 // 1 Sam. 28:6-9 // 2 Kon. 2:1-13 // Ps. 16:9 // Ps. 17:15 // Matth. 26:29 // Luk. 9:30-31 // Kol. 3:1-2 // Hebr. 11:16 // Openb. 7:17

7) vermeldt bovendien: Matth. 18:1-4 // Matth. 19:28 // Mark. 12:26-27 // Luk. 8:52 // Luk. 20:38 // Joh. 8:51 // 1 Kor. 15:48-49 // Hebr. 11:5