Judas

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De brief van Judas wordt hieronder bij enkele verzen becommentarieerd.

Voor een inleiding tot de brief, zie Brief van Judas.

Voor verwijzingen van 'Judas' in de Bijbel naar verschillende personen, zie Judas (naam en verwijzing).

Samenvatting

  • vs. 1-2 Schrijver, geadresseerden, zegenwens.
  • vs. 3-4 Waarschuwing tegen binnengeslopen losbandige goddelozen, schijnchristenen.
  • vs. 5-7 Herinnering aan vroegere oordelen over afvalligen
  • vs. 8-16 Verkeerdheden van de genoemde goddelozen.
  • vs. 17-23 Vermaningen om, terwijl er spotters zijn, zichzelf te bewaren, de Heer Jezus te verwachten, medelijden met sommige twijfelaars te hebben, anderen te redden.
  • vs. 24-25 Lofverheffing.

1

Jds 1:1  Judas, slaaf van Jezus Christus en broer van Jakobus, aan de geroepenen die in God de Vader geliefd en in Jezus Christus bewaard zijn: (Telos)

Slaaf van Jezus Christus. Judas was een broer van Jakobus en een halfbroer van Jezus Christus. Jezus' broers geloofden eerst niet in hem. Vermoedelijk is Judas door de onloochenbare opstanding van de Heer Jezus tot de vaste overtuiging gekomen dat zijn halfbroer de Messias en Zoon van God is. Zo iemand wenst Judas als slaaf te dienen, al was het ook zijn lijfelijke halfbroer. Dat hij zich niet uitdrukkelijk voorstelt als de (half)broer van Jezus, maar als diens slaaf, getuigt van zijn nederige gezindheid.

Geroepenen. Gelovigen in Christus zijn, evenals als hun voorvader in het geloof, Abraham, geroepenen. Het Griekse woord voor gemeente of vergadering houdt het denkbeeld van geroepen-zijn in. Gelovigen hebben de roepstem van God verstaan, om zich tot Hem te bekeren en te gelovigen in Zijn Zoon Jezus Christus.

In Jezus Christus bewaard zijn. zie vzn. 20 en 24.

Ro 14:4 Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. En hij zal staande gehouden worden, want de Heer is machtig hem staande te houden. (Telos)

3

Jds 1:3 Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd. (Telos)

Het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd. Bedoeld wordt de inhoud van het geloof, de geloofsleer. Sommige overleveringen, tradities - en dit is er een van - zijn het waard om te bewaren en zo nodig ervoor te strijden.

4

Jds 1:4 Want bepaalde mensen zijn binnengeslopen, die van ouds tot dit oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en onze enige Meester en Heer Jezus Christus verloochenen. (Telos)

Die de genade van God veranderen in losbandigheid. God is genadig, we zijn vrij, dus mogen we doen en laten wat wij willen. Zoiets is de redenering. Ook Paulus stelt de gedachte van losbandigheid in verband met genade aan de orde:

Ro 6:1  Wat zullen wij dan zeggen? Zouden wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? (Telos)

Ga 5:17  Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; want deze staan tegenover elkaar, opdat u niet doet wat u wilt. (Telos)

Goddelozen. Allicht hebben zij een schijn van godsvrucht en hebben wij de naam Jezus op hun lippen.

2Ti 3:4  verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van genot dan liefhebbers van God. 2Ti 3:5  Ogenschijnlijk bezitten zij godsvrucht, maar de kracht daarvan verloochenen zij. Wend je ook van dezen af. (Telos)

Onze enige Meester en Heer Jezus Christus verloochenen. Door hun goddeloze gedragingen verloochenen ze Hem die ons leert heilig te leven. Zij "verwerpen de heerschappij" (8).

2Pe 2:10  en vooral hen die in onreine begeerte het vlees achterna gaan en de heerschappij verachten. Vermetel, aanmatigend, schromen zij niet de heerlijkheden te lasteren, (Telos)

Waarschuwende voorbeelden (5-7)

Er volgen nu drie waarschuwende voorbeelden van goddelijke straf.

5

Jds 1:5 Ik wil u echter eraan herinneren, u die eens alles wist, dat de Heer, na een volk uit het land Egypte verlost te hebben, de tweede keer hen die niet geloofden, heeft verdelgd. (Telos)

U die eens alles wist. Ze kenden en geloofden de overgeleverde heilsleer (vs. 3), maar door de invloed van de genoemde goddelozen dreigden ze belangrijke waarheden (betreffende genade, vrijheid en heiligheid) uit het oog te verliezen.

De tweede keer hen die niet geloofden, heeft verdelgd. Deze Israëlieten zijn, op Jozua en Kaleb, na, door ongeloof het beloofde land niet binnengegaan en zijn tot straf gestorven in de woestijn.

6

Jds 1:6 En engelen die hun oorsprong niet bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard. (Telos)

Engelen die hun oorsprong niet bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben. Judas verwijst vermoedelijk naar de 'zonen van God' die op de aarde kwamen en geslachtsgemeenschap hadden met vrouwen.

Ge 6:1  En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,  Ge 6:2  Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. (..) Ge 6:4  In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich [kinderen] gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. (SV)

Ook 1 Henoch, waaruit Judas hieronder citeert (zie de verzen 14 en 15), spreekt van deze val der engelen en hun vermenging met vrouwen op aarde.

Oorsprong ... hun eigen woonplaats. Ze zijn in de hemel ontstaan en woonden daar. 'Oorsprong', letterlijk 'begin', elders ook vertaald door 'overheid'. De betekenis van 'oorsprong' is hier: hun oorspronkelijke staat en woonplaats.[1]

Tot het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien onder duisternis bewaard. Ook Petrus verwijst hiernaar:

2Pe 2:4 Want als God engelen die gezondigd hadden niet gespaard, maar hen in de afgrond geworpen en overgeleverd heeft aan ketenen van donkerheid om tot het oordeel bewaard te worden; 2Pe 2:5 en als Hij de oude wereld niet gespaard, maar Noach, een prediker van de gerechtigheid, een van de acht, behoed heeft toen Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen bracht; 2Pe 2:6 en als Hij de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en tot omkering veroordeeld, en ze tot een voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven; 2Pe 2:7 en als Hij de rechtvaardige Lot gered heeft die zwaar te lijden had door de wandel in losbandigheid van de zedelozen; 2Pe 2:8 (want deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel door het zien en horen gekweld met hun wetteloze werken) 2Pe 2:9 dan weet de Heer godvrezenden uit de verzoeking te redden, maar onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel om gestraft te worden; 2Pe 2:10 en vooral hen die in onreine begeerte het vlees achterna gaan en de heerschappij verachten. Vermetel, aanmatigend, schromen zij niet de heerlijkheden te lasteren, 2Pe 2:11 terwijl engelen, die in sterkte en macht groter zijn, geen lasterend oordeel tegen hen vanwege de Heer uitbrengen. (Telos)

7

Jds 1:7 Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achterna gingen, daar liggen als een voorbeeld, doordat zij een straf van eeuwig vuur ondergaan. (Telos)

De steden daaromheen. Adama en Zeboïm.

Hoereerden. Ontucht bedreven, in dit geval tegennatuurlijke ontucht.

Ander vlees. Dat niet bij hen paste of hoorde. Het ging om mannen die seks wilden hebben met de mannen die Lot bezochten. Het vlees (van het geslachtsorgaan) van een man is aangelegd op dat van een vrouw en omgekeerd.

Als dezen. 'Dezen' staat in het mannelijk geslacht. 'Steden' staat in het oorspronkelijke in het vrouwelijke geslacht. 'Dezen' verwijst waarschijnlijk naar de ontuchtige engelen (vs. 6), die zich met vrouwen hadden gemengd, of naar de inwoners van Sodom en Gomorra[2], of naar de mannen van de genoemde steden[3].

Daar liggen als voorbeeld. Verbrand, verwoest, als een toonbeeld van de straf van eeuwig vuur, van het eeuwige oordeel van God.

Zij een straf van eeuwig vuur ondergaan. De inwoners van die steden.

2Th 1:9  Zij zullen als straf lijden het eeuwig verderf, verwijderd van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van zijn sterkte, (Telos)

8

Jds 1:8  Evenzo inderdaad verontreinigen ook deze dromers het vlees en verwerpen de heerschappij en lasteren de heerlijkheden. (Telos)

Dromers. Met valse denkbeelden.

Het vlees. Van hun lichaam.

Verwerpen de heerschappij. Van de Heer Jezus. Zie vs. 4.

2Pe 2:10  en vooral hen die in onreine begeerte het vlees achterna gaan en de heerschappij verachten. Vermetel, aanmatigend, schromen zij niet de heerlijkheden te lasteren, (Telos)

Lasteren de heerlijkheden.

2Pe 2:10  en vooral hen die in onreine begeerte het vlees achterna gaan en de heerschappij verachten. Vermetel, aanmatigend, schromen zij niet de heerlijkheden te lasteren, (Telos)

9

Jds 1:9 De aartsengel Michaël echter durfde, toen hij met de duivel redeneerde en redetwistte over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen, maar zei: Moge de Heer u bestraffen! (Telos)

De uitbreiding van de Bijbelse mededeling over Mozes’ einde (Deut. 34:6) behoort tot de Joodse overlevering.

De 34:6  En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag. (SV)

De aartsengel Michaël. Die later de duivel, in het boek Openbaring voorgesteld als een draak, zal overwinnen.

Opb 12:7  En er kwam oorlog in de hemel: Michael en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, en de draak voerde oorlog en zijn engelen; (Telos)

Geen oordeel van lastering tegen hem uitbrengen.

2Pe 2:11  terwijl engelen, die in sterkte en macht groter zijn, geen lasterend oordeel tegen hen vanwege de Heer uitbrengen. (Telos)

Maar zei: Moge de Heer u bestraffen! Michaël liet het oordeel aan God, de Rechter.

10

Jds 1:10 Maar dezen, alles wat zij niet kennen, lasteren zij, en in alles wat zij van nature weten, zoals de redeloze levende wezens, daarin verderven zij zich. (Telos)

Wat zij niet kennen. De heerlijkheden (8).

Lasteren zij. Zie vs. 8.

In alles wat zij van nature weten. Hun vleselijke begeerten, die kennen zij. Ze weten wat zij begeren.

Zoals de redeloze levende wezens. De dieren, die hun instincten en driften volgen.

Daarin verderven zij zich. Daarin bewerken zij hun eigen smartelijke ('wee hun', vs. 11) ondergang.

11

Jds 1:11 Wee hun, omdat zij de weg van Kain gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn. (Telos)

Na drie afschrikwekkende voorbeelden hiervoor (5-7), volgen opnieuw drie waarschuwende voorbeelden uit het verleden.

In hen worden de oude dwaalwegen van een Kaïn, Bileam en Korach vernieuwd. Hun gemeenschappelijk karakter is de opstand. De goddelozen, waarvoor Judas waarschuwt, lijken op Kaïn, die hoewel gewaarschuwd voor de zonde, die op hem loerde, toch de weg van de boosheid koos. Zij lijken verder op Bileam, die geldzucht tegenover de vermaningen van God verdwaasde en op zijn dwaalweg voortsleepte. Zij lijken op Korach, die zich openlijk tegen de wil van God, door Mozes en Aäron voorgehouden, tot zijn eigen verderf opstond. En ook tegenover de gemeente van de heiligen en hun geloof, nemen deze verleiders de plaats van een Kaïn in tegenover de rechtvaardige Abel, van een Bileam tegenover het volk van God, van een Korach tegenover de door God gekozen leidslieden van dit volk.

De weg van Kaïn. Die in nijd tegen zijn broer opstond.

De dwaling van Bileam. Bileam wilde in hebzucht, om de vergoeding, het volk Israël vervloeken.

De tegenspreking van Korach. Tegen Mozes, die door God was aangesteld tot leider van het volk Israël.

12

Jds 1:12 Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen, als zij zonder vrees bij u brassen en zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden voortgedreven, bomen in de late herfst zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld; (Telos)

Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen. Waaraan zij deelnemen.

Zonder vrees. Zonder bang te zijn voor de gevolgen van hun wangedrag.

Bij u brassen.

1Co 11:21  want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken. (Telos)

Zichzelf weiden. Zichzelf tegoed doen, hun eigen begeerte bevredigend.

Waterloze wolken. Wolken die geen regen brengen. Regen doet het gewas groeien en vruchtdragen. Regen is een zegen in het Oosten.

2Pe 2:17  Dezen zijn waterloze bronnen en nevelen door de storm voortgedreven, voor wie de donkerheid van de duisternis bewaard wordt. (Telos)

Door winden voortgedreven. Door hun begeerten, nukken en luimen.

2Pe 2:17  Dezen zijn waterloze bronnen en nevelen door de storm voortgedreven, voor wie de donkerheid van de duisternis bewaard wordt. (Telos)

Bomen in de late herfst zonder vrucht. Tot in de late herfst zelf blijven zij zonder vrucht.

Tweemaal gestorven. Misschien betekent dit: eerste maal dood in zonde en overtredingen (als ieder natuurlijk mens geestelijk gestorven, Ef. 2:1); tweede maal afgevallen van de Heer en Meester.

Efe 2:1  En u heeft God opgewekt, toen u dood was in uw overtredingen en zonden, (Telos)

13

Jds 1:13 wilde golven van de zee, die hun eigen schandelijkheden opschuimen; dwaalsterren, voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt. (Telos)

Wilde golven van de zee, die hun eigen schandelijkheden opschuimen.

Jes 57:20  Doch de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. (SV)

Dwaalsterren. Waarvan de loop niet eenparig is met de andere sterren. Het zijn sterren van de verleiding. Daarbij vergelijkt Judas de ongestadigheid van de dwaalleraars.

Opb 9:1  En de vijfde engel bazuinde, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven. (Telos)

2Ti 3:13  Maar boze mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger voortgaan, terwijl zij misleiden en misleid worden. (Telos)

Tegenover die dwaalsterren staan de sterren der rechtvaardige leraars, die velen rechtvaardigen.

Da 12:3  De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. (SV)

14

Jds 1:14 En ook Henoch, de zevende van Adam af, heeft van dezen geprofeteerd door te zeggen: Zie, de Heer is gekomen temidden van zijn heilige tienduizenden, (Telos)

Henoch, de zevende van Adam af. De zevende generatie van Adam af, in de geslachtslijn van Seth: 1. Adam, 2. Seth, 3. Enos, 4. Cainan, 5. Mahalaleël, 6. Jared, 7. Enoch.

Ge 5:18 En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch. Ge 5:22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren. Ge 5:24 Henoch dan wandelde met God; en hij [was] niet [meer]; want God nam hem weg. (Telos)

Deze profetie van Henoch is te vinden in het apocriefe boek 1 Henoch 1:9.

"Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben."

Zie Henoch (apocriefen) voor de geschriften 1 t/m 3 Henoch.

15

Jds 1:15 om oordeel uit te oefenen tegen allen en elke ziel te bestraffen om al hun werken van goddeloosheid die zij goddeloos bedreven hebben, en om alle harde woorden die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. (Telos)

Om oordeel uit te oefenen. Het oordeel begint bij het huis van God. Na de opname van de gemeente zullen wij voor de rechterstoel van Christus gesteld worden. Wij, gerechtvaardigd op grond van geloof in de Heer Jezus Christus, zullen niet verdoemd worden, maar be-oordeeld.

Harde woorden die goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. Het Beest zal God lasteren.

Opb 13:1  En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering. (...) Opb 13:5  En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden. Opb 13:6  En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en hen die in de hemel wonen. (Telos)

16

Jds 1:16 Dezen zijn morrenden, klagers over hun lot die naar hun begeerten wandelen, en hun mond spreekt gezwollen taal en zij bewonderen personen ter wille van voordeel. (Telos)

Die naar hun begeerten wandelen. Zie vs. 18

17

Jds 1:17 Maar u, geliefden, denkt terug aan de woorden die tevoren zijn gesproken door de apostelen van onze Heer Jezus Christus, (Telos)

Denkt terug aan de woorden die tevoren zijn gesproken.

2Pe 3:2  opdat u terugdenkt aan de woorden die tevoren door de heilige profeten gesproken zijn en aan het gebod van de Heer en Heiland, door uw apostelen verkondigd.

Door de apostelen van onze Heer Jezus Christus. Apostelen als Petrus, Johannes en Paulus.

18

Jds 1:18 dat zij u zeiden dat er in het laatst van de tijd spotters zouden zijn, die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen. (Telos)

Spotters.

2Pe 3:3  Weet dit eerst, dat er in het laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen (Telos)

2Ti 4:3  Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen; (Telos)

Die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen. Zie vs.16.

19

Jds 1:19 Dezen zijn het die zich afscheiden, natuurlijke mensen die de Geest niet hebben. (Telos)

Die zich afscheiden.

2Pe 2:1  Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten heimelijk zullen invoeren en de Meester die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen. (Telos)

Natuurlijke mensen die de Geest niet hebben. Schijnchristenen.

20

Jds 1:20  Maar u, geliefden, terwijl u zichzelf opbouwt op uw allerheiligst geloof en bidt in de Heilige Geest, bewaart uzelf in de liefde van God (Telos)

Bewaart u zelf. Zie ook vzn. 1 en 24.

24

Jds 1:24  Hem nu die machtig is u te bewaren zonder dat u struikelt en u onberispelijk voor zijn heerlijkheid te stellen met vreugdegejuich, (Telos)

Die machtig is u te bewaren. Zie ook vzn. 1 en 20.

Ro 14:4 Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. En hij zal staande gehouden worden, want de Heer is machtig hem staande te houden. (Telos)

23

Jds 1:23 redt anderen door hen uit het vuur te rukken, hebt medelijden met anderen in vrees, en haat zelfs het kleed dat door het vlees bevlekt is. (Telos)

Het kleed dat door het vlees bevlekt is. Wellicht mogen we hierbij ook denken aan t-shirts met verkeerde woorden als bijvoorbeeld 'stay wicked'[4].

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Judas vers 11. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 20 april 2022.

Voetnoten

  1. Vergelijk de desbetreffende voetnoot in de Telos-vertaling.
  2. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  4. Dit is een reëel voorbeeld.