Lofoffer

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een lofoffer in het oude Israël was een bijzonder soort dankoffer. Gelovigen in Christus mogen geestelijke lofoffers brengen.

Het tegenwoordige meervoud van het woord is 'lofoffers'; het oud-Nederlandse meervoud is 'lofofferen'.

1. Het was een bijzonder soort van dankoffer en heette saefach hattodah, offer der belijdenis, der dankbaarheid. Het onderscheidde zich daardoor van het gelofte- en het vrijwillig offer, dat het vlees op dezelfde dag, waarop het geofferd werd, gegeten en al het overgeblevene verbrand moest worden. Uit de naam volgt, dat naast belijdenis der zonde lof en dank voor de ontvangen goddelijke weldaden het wezen van dit offer uitmaakten (vgl. 1 Kon. 8: 33, 34). Het was een dankoffer in de meest eigenlijke, volkomen zin, heiliger dan de ander soorten van gelofte- en vrijwillige offers. De gebruiken daarbij zijn in Lev. 7 vv. (vgl. 2 Kron. 29: 31) beschreven. Het gezuurde daarbij, wijst wellicht op het onvolmaakte van onze lof.

2Kr 29:30 Daarna zeide de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij den HEERE loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, den ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder. 2Kr 29:31 En Jehizkia antwoordde en zeide: Nu hebt gij uw handen den HEERE gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis des HEEREN; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen en alle vrijwilligen van harte brandofferen. (SV)

2. Van geestelijke lofoffers spreekt Hebr. 13: 14. Omdat geen nieuw zondoffer nodig is, nadat Jezus een eeuwig geldend offer voor de zonden heeft gebracht, zo moeten wij daarvoor geesteljke lofoffers brengen, de dankende belijdenis van de goddelijke genade in woord en wandel, vgl. Rom. 12: 1 en Ps. 50: 23. Het schoonste lofoffer van de gelovigen is de vrucht van zulke lippen (Jes. 57 : 19), die deels met liefde, deels met standvastigheid de naam van Christus prijzen en steeds in 't openbaar belijden (vgl. Hos. 14: 3; Mal. 1: 11).

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Lofoffer. De tekst van dit lemma is op 1 nov. 2018 onder wijziging verwerkt.