Phileas van Thmuïs

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Phileas van Thmuïs (gestorven 4 februari 306 in Alexandrië ) was een getrouw herder en leidsman der kudde van Christus te Thmuïs (of Tmai) in de Nijldelta. Hij stierf als een martelaar in de vervolging van christenen onder Diocletianus.

Bronnen. Eusebius van Caesarea wijdt een deel van zijn kerkgeschiedenis aan Phileas[1]. Daarnaast zijn de Apologia Phileae ([2]De verantwoording van Phileas) en de Acta Phileae (Handelingen van Phileas) onder zijn naam overgeleverd.

Phileas kwam uit een adellijke familie. Hij werd als volwassene gedoopt. Naar de wereld was hij een edel mens, maar bovenal was hij edel voor God. Aangezien hij zeer ervaren was in de kennis der burgerlijke deugden, stond hij bij de Romeinen in groot aanzien. Wegens zijn grote verdienste in het burgerlijke leven werd hij verkozen tot opziener van de gemeente te Thmuis.

Hij had kennis op vele gebieden, vooral in de wijsbegeerte, maar bovenal blonk hij uit in de beste wijsbegeerte, die van de christelijke godsdienst, zodat hij allen overtrof, die voor hem daar opzieners waren.

Tijdens de vervolging gevangengenomen, schreef hij een brief aan de gemeente, waarin hij beschrijft de standvastigheid van de gevangen, vernederde en gemartelde christenen (geciteerd door Eusebius).

Daar hij vele voortreffelijke vrienden onder de edelen had, vermaande de rechter hem dikwijls, om afstand te doen van zijn christelijk geloof, vooral omdat ook velen van zijn vrienden voor zijn behoud baden. Doch Phileas sloeg daar geen acht op, versmaadde dit, en bleef volharden in de goddelijke waarheid. De prefect Culcianus die hem vóór zijn executie verhoorde, verwonderde zich in het bijzonder dat Phileas het martelaarschap verkoos in weerwil van zijn fortuin, waarmee hij bijna de hele provincie konden voeden. Phileas beleed standvastig de Godheid van Christus, weigerde aan de keizer te offeren en verwierp een bemiddelingspoging door zijn broer.

Bij hem stond een Romeinse ambtenaar, Philoromus genaamd, een voortreffelijk en aanzienlijk man. Toen deze zag, dat Phileas omringd was van zijn wenende vrienden, en gekweld werd door de hardheid van de rechter, riep hij overluid de woorden:

Waarom stelt u de standvastigheid van deze man te vergeefs op de proef? Waarom wilt u hem, die aan God gelovig is, ongelovig maken? Waarom dwingt u hem om God te verzaken, en de mensen te believen? Ziet u niet, dat zijn oren uw woorden niet horen, en dat zijn ogen uw tranen niet zien? Zou hij ook door tranen van aardse mensen bewogen kun­nen worden, wiens ogen de hemelse heerlijkheid zien en aanschouwen?

Toen hij dit gezegd had, barstte de toorn van allen tegen hem los, en zij begeerden dat hij dezelfde straf als Phileas zou ondergaan. De rechter willigde hun verzoek in, en liet beiden met het zwaard onthoofden. 

Bron

Adrianus Haemstedius, Historie der martelaren; Die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655. Amsterdam: 1671. Herziene druk 1881. Tekst van blz. 41 is verwerkt op 6 mei 2018. Online: http://www.iclnet.org/pub/resources/text/nederlandse/haemstedius-martelaren.htm. 

Phileas von Thmuis, de.wikipedia.org. Tekst hiervan is vertaald en verwerkt op 6 mei 2018.

Voetnoten

  1. Eusebius van Caesarea, Historia ecclesiastica (Kerkelijke Geschiedenis; 325 n.C.), Boek 8, Hoofdstukken 9 en 10.
  2. Papyrus Bodmer XX