Plicht

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Plicht is dat wat van iemand geëist wordt door enig gezag boven hem of door zijn geweten[1].

"Dat is mijn plicht". "Mijn plicht roept mij". "Mijn plicht gebiedt". "Mijn plicht vordert". Zijn plicht doen is doen wat de plicht eist. Men kan zijn plicht volbrengen, nakomen, schenden, verzuimen, uit het oog verliezen. Een "aangename plicht" is iets waartoe men gehouden is, maar dat men graag doet. Een "dure plicht" is een plicht waarvan men de vervulling als een erekwestie beschouwt. "Zich iets ten plicht stellen" is zich ernstig voornemen het te doen als iets dat hij van zichzelf eist. "Zich van een plicht kwijten" is doen waartoe men gehouden is. "Tegen eed en plicht handelen" wil zeggen: zeer verkeerd handelen. "Iemand tot zijn plicht brengen" betekent: hem tot het volbrengen ervan noodzaken.

'Plicht' komt van 'plegen'. Vroeger werd het woord geschreven 'pligt'.

Plicht kan ook beteken: datgene waarvan je voelt dat je het moet doen[2]. "Zijn sportieve plicht doen" wil zeggen: zijn uiterste best doen om te winnen, ook als dat in verband met de stand op de ranglijst niet meer nodig is.

Verplichten. Verplichten betekent: 1. als plicht opleggen. Synoniem: noodzaken. "Hij verplichtte mij hem behulpzaam te zijn". De belastingwet verplicht ons, het belastingformulier naar waarheid in te vullen. 2. door dienst verbinden. "Iemand (aan zich) verplichten" wil zeggen: hem een dienst bewijzen waardoor hij tot dankbaarheid aan ons gehouden is. "Wij zouden u zeer verplicht zijn, als u …"

Plichten versus rechten. Plichten wordt soms tegenover rechten gesteld. "Naast rechten staan ook plichten" kan men zeggen tegen iemand die het altijd druk heeft over zijn rechten. En "naast plichten staan ook rechten" kan men zeggen tegen iemand die zijn minderen voortdurend op hun plicht wijst.

Synoniemen. Woorden die bijna hetzelfde betekenen als plicht zijn gehoudenheid en schuldigheid. Hetgeen onrecht is na te laten, terwijl het recht is te doen is onze plicht, gehoudenheid en schuldigheid. Alle drie woorden drukken derhalve iets uit waartoe wij verbonden zijn.

Plicht duidt elke zedelijke noodzakelijkheid aan van welke aard ook. Het gevoel van de inwendige beweeggronden maakt mij iets tot plicht, het recht van een ander maakt mij iets tot schuldigheid en gehoudenheid. Men spreekt daarom van een "heilige plicht" en een "aangename plicht"", niet van een "heilige" of "aangename" schuldigheid of gehoudenheid.

Plicht is een schuldigheid jegens degenen omtrent wie wij verbonden zijn die te vervullen. Plicht is een gehoudenheid wanneer wij dat wat wij verplicht zijn te doen op ons genomen hebben of wanneer het ons van iemand anders is opgelegd geworden. Het is plicht zijn woord te houden omdat het reeds op zich zelf onrecht zou wezen het niet te houden; het is onze schuldigheid, wij zijn verschuldigd, ons woord te houden, indien wij daartoe jegens diegene verbonden zijn aan wie wij ons woord gegeven hebben en die het van ons kan vorderen.

Wij noemen, daarentegen, de waarneming van de plichten, aan het ambt verknocht dat wij bekleden, onze gehoudenheid, omdat wij tegelijk met de overneming van de rechten en voordelen daarvan, ons tot de vervulling van de daartoe behorende plichten verbonden hebben.

Schuldigheid en gehoudenheid kan hij van ons vorderen aan wie wij verplichting hebben. Voor zover ik voel dat iemand, die mij uit beleefdheid met een bezoek vereert, een soort van recht heeft om een tegenbezoek van mij te verwachten, houd ik het voor mijn schuldigheid, mijn verschuldigd-zijn, hem een tegenbezoek te geven. In zover ik voel dat ik door deze verwachting teleur te stellen een waardige man zou krenken, houd ik het voor mijn plicht, een zedelijk moeten.

Plichten. Wij hebben plichten jegens onszelf, ouders hebben plichten jegens hun kinderen, kinderen jegens hun ouders, gehuwden jegens elkaar, werkgevers jegens hun werknemers.

Ro 4:4  Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting. (NBG51)

Luther vertaalde 'uit plicht'. Anderen vertalen 'naar schuld', (SV, Voorhoeve 1877, Vissering), 'naar wat men [hem] verschuldigd is' (HSV, Lei), 'volgens recht' (Canis), 'als zijn verschuldigd recht' (Willibrord-vertaling), 'als verschuldigd' (Telos), 'naar wat verschuldigd is' (NaB), 'als iets waarop hij recht heeft' (Groot Nieuws Bijbel), 'als een recht'.

Bron

Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000. S.v. Plicht, Verplichting.

Petrus Weiland, Kunstwoordenboek, of: Verklaring van allerhande vreemde woorden, benamingen, gezegden en spreekwijzen, die, uit verscheidene talen ontleend, in de zamenleving en in geschriften, betreffende alle vakken van kunsten, wetenschappen en geleerdheid voorkomen (1821) s.v. Pligt, gehoudenheid, schuldigheid. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 19 maart 2019.

Voetnoten

  1. Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000. Hier de derde betekenis van 'plicht'.
  2. VanDale.nl, s.v. Plicht. Geraadpleegd op 19 maart 2020.