Begrafenis

Uit Christipedia

Een begrafenis is het begraven van een dode. Synoniem: teraardebestelling.

Gelijk de meeste der oude volken waren ook de Israëlieten gewoon de lijken van de afgestorvenen aan de schoot van de aarde over te geven. Abraham en zijn nakomelingen werden begraven.

Onbegraven te blijven was iets dat de Israëliet, evenals de ouden in het algemeen, een grote schrik inboezemde en hem een vreselijke straf scheen. Zie 1 Kon. 13: 22, Jer. 7: 38 en vele andere plaatsen.

De doden ter aarde te bestellen achtte men een liefdewerk, dat de kinderen aan hun ouderen hadden te volbrengen, vrienden en bloedverwanten aan hun betrekkingen (Gen. 25: 9[1]).

Voorbereiding. De wijze waarop de lijken tot de begrafenis werden bereid, kent men alleen uit later tijden. Over de wijze waarop de oude Hebreeën hun doden ter begrafenis toebereidden en vervolgens werkelijk ter aarde bestelden, geeft de Schrift de volgende aanduiding. Dadelijk na het sterven was het de liefdeplicht van de bloedverwanten om de dode de ogen toe te drukken, en de kinderlijke vroomheid om hem te kussen (Gen.49:7; 50:1). Hierop werd het lijk met warm water afgewassen (Hand.9:37), in een groot linnen laken gewikkeld (Matth.27:57), of aan afzonderlijke leden met linnen doeken omwonden (Joh.11:44 ); waartussen men bij voorname lieden mirre, aloë en andere welriekende specerijen legde of streek (Joz.12:7; 19:39vv.). Het inbalsemen van Jakobs lijk naar de wijze van de Egyptenaren, was iets ongewoons. Het dode lichaam van Jezus werd door Jozef van Arimathea in een 'rein stuk linnen' gewikkeld.
Mt 27:59 En Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een rein stuk linnen (TELOS)
Het lijk werd in de doodkist gelegd en op de zolder of de opperkamer gebracht (2 Kon.4:21, Hand.9:37vv.). De doodkist was bij koningen en voorname lieden een rijk versierd bed (2 Kron.16:14), bij arme lieden een open baar, waarop de dode, licht toegedekt, neerlag (Luk.7:14).
Jezus gedragen naar het graf. Schilderij door James Tissot.

Dag van de begrafenis. Omdat volgens de wet van Mozes (Num.19:11vv.) alles wat met een lijk in aanraking kwam, onrein werd, was men gewoon zo spoedig mogelijk, meestal op dezelfde dag, de doden te begraven, hetgeen ook wegens het warme klimaat raadzaam was; ofschoon het in vroegere tijd niet zo gedaan werd (Gen.23:2vv.). De Heer Jezus werd gegraven op de dag dat hij gestorven was.

Lijkstoet. Het lijk werd in zijn kist of op een open baar uit het huis gedragen, onder luid wenen en weeklagen van de bloedverwanten en vrienden, die het volgden (2 Sam. 3:31, Luk. 7:14), terwijl reeds in het sterfhuis klaagliederen onder begeleiding van treurmuziek op de fluit werden aangeheven (Matth.9:23); men huurde daartoe bijzondere klaagvrouwen (Jer.9:17), die het weeklagen enige dagen lang voortzetten. Onder zulk weeklagen ging de lijkstoet bestaande uit de bloedverwanten, en wanneer zij tot de aanzienlijke stand behoorden ook uit zeer vele andere (1 Sam.25:1), grafwaarts, en werd het lijk in de groeve neergelaten (1 Kon.13:30).

Begraafplaats. De lijken werden buiten het dorp of de stad begraven. De koningen van Juda werden begraven bij Jeruzalem. Zo Hizkia of Jechizkia:
2Kr 32:33 Jechizkia ging bij zijn vaderen te ruste; men begroef hem op de helling, waar de graven der zonen van David liggen, en geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem bewezen hem eer bij zijn dood... (NBG51)
De Heer Jezus werd begraven in het rotsgraf van de rijke Jozef van Arimathea, bij Jeruzalem, buiten de stadsmuur.
Mt 27:59 En Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een rein stuk linnen Mt 27:60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had uitgehouwen; en na een grote steen voor de ingang van het graf gewenteld te hebben ging hij weg. (TELOS)
Rouwmaaltijd. Na de teraardebestelling kwam de lijkstoet tot een rouwmaal bijeen, dat oorspronkelijk door de vrienden voor de rouwdragenden werd aangericht om deze in hun droefheid te troosten (Deut.26:14, Jer.16:5, 7, Ezech.24:17), terwijl in later tijd de rouwdragende omgekeerd voor zijn vrienden een, dikwijls zeer rijk, rouwmaal aanrichtte; de deelneming aan dit "treurbord" (Hos.9:4) maakte zeven dagen lang onrein (Num.19:4 [{Nu 19.4 }]), zolang duurde ook gewoonlijk de rouwtijd.

Rouwtijd. De rouwtijd duurde gewoonlijk zeven dagen lang. Het rouwbedrijf over hooggeplaatste personen duurde dikwijls lang. Zoals de Egyptenaren Jakob 70 dagen beweenden, zo deden de Israëlieten het 30 dagen voor Mozes en Aäron (Gen. 50: 3; Num. 20: 29; Deut. 24: 8).

Verbranding ongewoon

Slechts bij uitzondering schijnt het verbranden van de doden te hebben plaatsgehad. Lev. 20: 14 en 21: 9 de verbranding van levenden als een straf voor grove misdaden voor.

In 1 Sam. 31:12 leest men, dat de inwoners van Jabes in Gilead het lichaam van Saul en zijn zonen verbrandden en de beenderen daarna begroeven (vs. 13). Van de Palm en anderen merken aan, dat het oorspronkelijke woord ook vertaald kan worden: zij vereerden ze. Doch als de verbranding werkelijk plaats had, kan zij verklaard worden uit het in vs. 9 en 10 vermelde aangaande de bezoedeling en ontering, welke aan deze lijken geschied was.

Iets dergelijks geldt van Am. 6:10, waar mede door sommigen een andere vertaling dan de gewone gegeven wordt.
Am 6:10 Als een familielid, of iemand die hem gaat verbranden, iemands lichaam opneemt om de beenderen het huis uit te dragen, zal hij tegen hem die nog binnen in huis is, zeggen: Is er nog iemand bij u? En die zal zeggen: Niemand. Daarop zal de eerste zeggen: Stil, want dit is niet iets om er de Naam van de HEERE bij te noemen! (HSV)
Als echter de vertaling 'verbranden' behouden blijft, dan vindt men ook hier het verbranden als iets ongewoons aangemerkt, als een verzwaring van de vervulling van de aan Israël bedreigde straf.

Ook na de Babylonische ballingschap werd het verbranden niet gewoon, en het liet zich ook niet verwachten, zolang bij de Joden bekend waren met het voorschrift van Lev. 20: 14 en 21: 9.

Bronnen

W. Moll, P.J. Veth, F.J. Domela Nieuwenhuis e.a., Bijbelsch woordenboek voor het christelijk gezin. Eerste deel A – H. Amsterdam: P.N. van Kampen, 1859. Tekst van het lemma Begraven is op 24 nov. 2018 onder wijziging verwerkt.

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op 2 Sam. 3:31. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 1 okt. 2022.

Voetnoot

  1. Vergelijk ook de apocriefen 1 Makk. 2:70 en Tob. 14: 16