Drinken

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Drinken is vloeistof tot zich nemen of de vloeistof zelf.

Het woord 'drinken' kan als werkwoord of als zelfstandig naamwoord gebruikt worden en heeft deze betekenissen[1]:

  1. werkwoord: vloeistof tot zich nemen
  2. werkwoord: een dronk wijden aan: "op iemands gezondheid drinken".
  3. werkwoord: alcohol misbruiken, onmatig gebruiken
  4. zelfstandig naamwoord: vloeistof die je drinkt. Voorbeeld: "het drinken is op".

Drinken is, in de natuurlijke zin van het woord, drank tot zich nemen. In het Hebreeuws van het Oude Testament is het één woord gebezigd van mensen (Gen. 24: 14) en dieren (Gen. 30: 38. Ps. 104: 11. Ezech. 34: 18), en ook van de aarde (Hebr. 6 :7).

Vrijheid van drinken

Een christen is vrij om - met verstand - te drinken wat hij wil. Op deze regel is één uitzondering: bloed drinken; dat is hem niet geoorloofd (Hand. 15:20; 29; 21:25).

Een christen hoeft zich niet te onthouden van drank die alcohol bevat.

Col 2:16 Laat dan niemand u oordelen inzake eten en drinken of op het punt van een feest of nieuwe maan of sabbatten, (Telos)

Wel is het belangrijk met verstand en mate te drinken.

Lu 21:34  Past echter op uzelf, dat uw harten niet misschien worden bezwaard door roes en dronkenschap en zorgen van het leven, en die dag u plotseling overvalt als een strik. (Telos)

Een zogenaamde broeder, die een dronkaard is, - met hem moeten wij de omgang mijden (1 Cor. 5:11). Dronkaards beërven Gods koninkrijk niet (1 Cor. 6:10).

Zie Dronken voor het hoofdonderwerp over dronkenschap.

Figuurlijk drinken

'Drinken' wordt in de Schrift ook oneigenlijk, figuurlijk gebruikt, in goede zin en in kwade zin. In goede zin: met lust genieten de geestelijke en lichamelijke zegeningen en verkwikkingen die God aan de zijnen schenkt (Spr. 5 : 15), van het geestelijk genot der goddelijke waarheid, welke de hemelse wijsheid haar gasten bereidt, maar de dwaasheid aan de dorstige zielen onthoudt (Jes. 32 : 6). Van de genade-weldaden van God in 't algemeen (Jes. 65 : 13; 55: 1); in het bijzonder van de geestelijke verkwikkingen in de gemeenschap met Christus (Joh. 4: 14; 7: 37; vgl. Openb. 22: 17. Rom. 14: 17) en in zijn rijk der genade en heerlijkheid (1 Kor. 3: 2); van het geestelijk genot van het bloed van Christus in het Avondmaal (Matth. 26 : 27. Joh. 6: 53, 56. 1 Kor. 11 : 25, 29.) De Messias drinkt uit de beek op de weg (Ps. 100: 7).

In kwade zin: drinken uit de lijdensbeker (Matth. 20 : 22 ; 26: 42. Mark. 10: 38), uit de toornbeker van God (Job 21: 20. Ps. 75: 9. Jes. 51: 17, 22. Jer. 25: 15; 16: 27; 49: 12; 51: 7. Obadja 16. Openb. 18 : 3). Spotternij (Job 34: 7; vgl. 15: 16), wijn van de toorn (Spr. 4: 17).

Drinken heet : daarvan leven, daarmee omgaan, het zich tot een tweede natuur laten worden.

Het water, van de Eufraat, van Sihor drinken (Jer. 2: 18), heet : zijn heil bij de Assyriers of de Egyptenaars zoeken, zoals de Joden deden, in plaats van in ootmoedige belijdenis van hun schuld tot de Heer om genade te smeken. Heeft men de levende bron in de nabijheid (en God is nabij allen, die hem zoeken), waarom dan in de verte de drank te zoeken voor onze dorst, zoals genen hem zochten aan de Nijl en de Eufraat? Wel is de levensbron nooit een grote bruisende stroom voor de ogen van het vlees (Jes. 8: 6); zij is stil verborgen, maar onuitputtelijk rijk. Zoek haar in het geloof en je zult haar vinden en proeven. De wereld bruist daarheen in stromen met haar macht, wetenschap en glans.

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Drinken. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 29 jan. 2020.

Voetnoot

  1. VanDale.nl, s.v. Drinken. Geraadpleegd 29 jan. 2020.