Liefdesappels

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Dudaim)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Liefdesappels of liefdesappelen is in Nederlandse bijbels de vertaling van het Hebreeuwse woord doedaïem. Hoogstwaarschijnlijk is de plant Alruin (Mandragora officinarum) bedoeld.

Het Hebreeuwse woord doedaïem, in onze taal ook geschreven dudaïm, komt 7 keer in het Oude Testament voor. In Jer. 24:1 wordt het vertaald door ‘korven’ of ‘vijgenkorven’. In de overige verzen veelal door 'liefdesappels', zo in moderne Nederlandse vertalingen. De Statenvertaling echter laat het woord onvertaald, ‘Dudaïm’.

Het Hebreeuwse woord vertoont gelijkenis met het woord voor ‘geliefde’, dod. Vandaar de vertaling ‘liefdesappels’. De rijpe vrucht van de Alruin bestaat in  ronde, gladde appels van vaalgele kleur, die geheel vol zijn met zaadkorrels met een enigszins bedwelmende, maar niet onaangename geur. Deze appels werden van de vroegste tijden af in het Oosten gebruikt, om er minnedranken van te maken. Volgens het volksgeloof bevorderde de plant de vruchtbaarheid en was dus gunstig voor de voortplanting. De grillige peenvormige wortel van de Alruin lijkt soms op een menselijke figuur. Zo’n op de mens lijkende wortel werd in de middeleeuwen als wondermiddel beschouwd.

Alraune-Kreta.jpgMandragora autumnalis - ripe fruit.jpg

Mandragora officinarum 003.JPGMandragora officinarum 004.JPGMandragora officinarum 005.JPG

Foto's: Bloei van de Alruin en, onderaan, stadia in de ontwikkeling van de vrucht. Rechtsboven een rijpe vrucht doormidden gesneden.

De liefdesappels in de Bijbel zijn bekend door de geschiedenis van Jacob en zijn vrouwen Lea en Rachel. Lea’s oudste zoon Ruben vond liefdesappels (appeltjes van de Alruin) in het veld. Rachel, die nog geen eigen kinderen van Jacob had, wilde die liefdesappelen hebben, kennelijk om zich door dit middel kinderen te verschaffen.

Ge 30:14  In de dagen van de tarweoogst ging Ruben eropuit en hij vond liefdesappels in het veld, die hij bij zijn moeder Lea bracht. Toen zei Rachel tegen Lea: Geef mij toch [wat] van de liefdesappels van jouw zoon. Ge 30:15 En zij zei tegen haar: Is het niet genoeg dat je [me] mijn man afgenomen hebt? Moet je ook nog de liefdesappels van mijn zoon nemen? Toen zei Rachel: Daarvoor mag hij vannacht met jou slapen in ruil voor de liefdesappels van je zoon. Ge 30:16 Toen Jakob ‘s avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en zei: Je moet bij mij komen, want ik heb je eerlijk gehuurd voor de liefdesappels van mijn zoon. Daarom sliep hij die nacht met haar. Ge 30:17 En God verhoorde Lea; zij werd zwanger en baarde Jakob een vijfde zoon. (HSV)

Na het weggeven van de liefdesappelen krijgt Lea drie kinderen. Want God, die zij gevraagd had, verhoorde haar. Pas later in deze geschiedenis lezen we dat Rachel zwanger werd.

Ge 30:22 God dacht ook aan Rachel en God verhoorde haar. Hij opende haar baarmoeder Ge 30:23 en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zei ze: God heeft mijn schande weggenomen! (HSV)

Ook Rachel had God gevraagd om kinderen. Het is God die haar baarmoeder opende en haar een kind schonk, niet de liefdesappelen bewerkten dat. Gods woord legt geen oorzakelijk verband tussen de plant en de zwangerschap van Rachel. Gods bestuur staat boven menselijk bijgeloof of volksgeloof. Rijpe Alruinvruchten geven een aangename geur. Van de geur van liefdesappels spreekt Hooglied 7:13.

Hoo 7:13 De liefdesappels geven [hun] geur en aan onze deuren hangen allerlei kostelijke vruchten, verse [en] ook oude. Mijn Liefste, die heb ik voor U bewaard! (HSV)

Bron

Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Gen. 30:14. Hieruit is enige tekst van Gerlach genomen.