Evangelie naar Johannes/Samenvatting

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deze pagina geeft een samenvatting van het boek Evangelie naar Johannes per hoofdstuk.

Joh. 1

1:1-18 Het Woord – God de Schepper - is in de wereld gekomen

1:19-36 Het getuigenis van Johannes in Bethanië aangaande zichzelf en Jezus

1:37-52 De eerste discipelen. Deze discipelen worden vermeld: twee discipelen van Johannes (onder wie Adnreas), Simon, Filippus en Nathanaël.

Joh. 2

2:1-11 Op een bruiloft in Kana, toen de wijn op was, verandert Jezus water in wijn.

2:12 Jezus enige tijd in Kapernaüm

2:13-17 In Jeruzalem, vóór het Pascha, drijft Jezus de kooplui, geldwisselaars en dieren uit de voorhoven van Gods huis.

2:18-22 Jezus antwoordt op de vraag van de Joden om een teken.

2:23-25 Jezus in Jeruzalem op het pascha. Velen geloven in zijn naam.

Joh. 3

3:1-21 Gesprek met de overste, farizeeër en leraar Nicodemus over wedergeboorte, de zending van de Zoon des mensen, behoudenis en oordeel.

3:22-26 Jezus èn Johannes dopen.

3:27-36 Johannes belijdt dat Jezus meerder is dan hij.

Joh. 4. Jezus bij de Samaritanen

4:1-4 Jezus verlaat Judéa, gaat terug naar Galilea en komt in Samaria.

4:5-26 Jezus spreekt met een Samaritaanse vrouw

4:27-38 Jezus spreekt met zijn leerlingen over zijn geestelijk voedsel en over de geestelijke arbeid van zaaien en maaien

4:38-42 Jezus blijft twee dagen bij de Samaritanen, van wie velen in Hem geloven.

4:43-54 Jezus, terug in Galilea, geneest in Kana op afstand de doodzieke zoon van een hoveling, die Hem op zijn woord gelooft.

Joh. 5

5:1-15 In Jeruzalem, waar Jezus ter gelegenheid van een feest der Joden is, geneest Hij op sabbat een langdurig zieke man.

5:16-30 Jezus spreekt tot de Joden over de macht die de Vader hem gegeven heeft om zekere werken te doen, doden op te wekken en oordeel uit te oefenen

5:31-47 Jezus vertelt de Joden, die niet in Hem geloven, wie en wat ten gunste van Hem getuigt.

Joh. 6

6:1-15 Aan de overkant van het meer van Galilea spijzigt Jezus op wonderbaarlijke wijze een grote menigte, onder wie 5000 mannen.

6:16-21 Jezus loopt op de onstuimige zee naar de leerlingen in het schip.

6:22-26 De gespijzigde menigte zoekt Jezus en vindt Hem in Kapernaüm.

6:27–59 Jezus spreekt hen toe over (geestelijk) voedsel en (geestelijk) werk, die beide tot het eeuwige leven strekken.

6:60-66 Vele discipelen vinden Jezus’ woord hard en mopperen, waarop Jezus de geestelijke betekenis ervan geeft.

6:67-71 Vele discipelen verlaten Jezus, de twaalf blijven.

Joh. 7

7:1-9 Jezus wacht ermee naar het Loofhuttenfeest te gaan. Ongeloof bij Jezus’ broers.

7:9-30 Jezus, opgegaan naar het Loofhuttenfeest, leert in de tempel en spreekt met de Joden over de oorsprong van zijn onderwijs, de toeleg van de Joden om hem te doden, zijn genezingswerk op sabbat, zijn Zender

7-31-32 Jezus in gevaar om gegrepen te worden.

7:33-36 Jezus zegt dat Hij nog een korte tijd bij de Joden is.

7:37-39 Jezus nodigt hen die (geestelijk) dorst hebben.

7:40-44 Verdeeldheid onder de Joden over wie Jezus is

7:45-52 De dienaars wordt verweten dat ze Jezus niet gegrepen hebben

7:53-8:1 Nicodemus waarschuwt tegen onrechtvaardige veroordeling van Jezus.

Joh. 8

8:1-11 Jezus verzocht om te oordelen over een overspelige vrouw

8:12-20 Jezus antwoordt de Farizeeën over de waarheid van zijn zelfgetuigenis.

8:21-24 Jezus spreekt tot de Farizeeën over zijn heengaan en waarschuwt hen dat zij door hun ongeloof in hun zonden zullen sterven

8:25-30 Jezus antwoordt op de vraag wie Hij is en betuigt zijn afhankelijkheid van de Vader.

8:31-36 Jezus spreekt met de Joden die in Hem geloofden over vrijmaking van de zonde.

8:37-47 Jezus spreekt met de Joden, die Hem trachten te doden, over wie hun geestelijke vader is: de duivel.

8:48-59 De Joden zeggen Jezus dat hij een demon heeft. Zijn antwoord doet hen naar stenen grijpen. Hij ontkomt uit de tempel.

Joh. 9

9:1 Jezus geneest een blindgeboren man.

9:1- 8 Reacties op dit wonder.

9:9-34 De farizeeën ondervragen de genezene en zijn ouders. De genezene wordt om zijn antwoorden buitengeworpen.

9:35 Jezus zoekt de man op, die hem dan aanbidt.

9:39-41 Jezus over zien en blindheid in geestelijke zin.

Joh. 10

10:1-18 Gelijkenis van de herder en zijn schapen, de deurwachter en dieven. Jezus is de deur van de schapen, de deur tot behoudenis.  Hij is de goede herder, die, in tegenstelling tot de huurling, zijn leven aflegt voor de schapen.

10:19-21 Opnieuw ontstaat er over Hem verdeeldheid over de Joden.

10:22-42 De Joden willen Jezus stenigen en trachten Hem te grijpen, maar Hij ontkomt en gaat over de Jordaan naar plaats waar Johannes eerst doopte. Velen geloven daar in Hem.

Joh. 11

11:1-44 Opwekking van Lazarus. Jezus ontvangt de boodschap dat Lazarus ziek is. Hij blijft nog twee dagen in het Overjordaanland en keert dan terug naar Judea. Martha en later Maria gaan de Heer tegemoet en spreken hem over Lazarus, die intussen al vier dagen in het graf ligt. Jezus weent bij het graf, maar wekt Lazarus daarna uit de dood op.

11:45-54 Om dat wonder geloven velen in Hem. De Joods raad, ziende de groeiende aanhang van Jezus, beraadslagen vanaf die dag om hem te doden.

11:55-57 Mensen vragen zich af of Jezus op het Paasfeest, dat nabij is, zal verschijnen in Jeruzalem.

Joh. 12

12:1-8 Zes dagen vóór het Paasfeest komt Jezus weer bij Lazarus, Martha en Maria. De laatste zalft hem met kostbare nardusmirre.

12:9-11 Ook Lazarus komt in gevaar.

12:12- Jezus’ trekt Jeruzalem binnen op een ezel. Hij wordt vergezeld en onthaald door veel mensen, tot misnoegen van de Farizeeën.

12:20-36 Grieken wensen Jezus te zien. Hij, het licht der wereld, spreekt over zijn aanstaande verhoging aan het kruis en over het dienen en volgen van Hem.

12:37-43 Ongeloof van het volk

12:44-50 Laatste oproep van Jezus om in Hem te geloven

Joh. 13

13:1-17 Jezus wast, als voorbeeld ter navolging, de voeten van zijn leerlingen.

13:18-30 Aanwijzing van de verrader. Judas Iskariot gaat weg.

13:31 Jezus spreekt van zijn verheerlijking en heengaan.

13:34-35 Het nieuwe liefdegebod.

13:36-38 Petrus’ verloochening voorzegd.

Joh. 14

14:1-14 Jezus spreekt van zijn heengaan naar de Vader. In het Vaderhuis zal hij ons plaatsbereiden. Daarna komt hij terug. Hij is de weg tot de Vader. Door Hem kennen wij de Vader. De werken die Jezus doet, doet de Vader in hem. Een gelovige zal die werken ook doen. Wat wij bidden in zijn naam zal Hij doen.

14:15 De belofte van een andere Voorspraak, de Geest van de waarheid.

14:18-31 De gemeenschap met Jezus na zijn heengaan.

Joh. 15

15:1-16 In Hem blijven, vruchtdragen, elkaar liefhebben.

15:18-25 De haat van de wereld.

15:26-27 Getuigen door de Geest en door de leerlingen.

Joh. 16

16:1-4 Jezus heeft dit dingen gesproken, opdat zijn leerlingen door de verwerping van de wereld niet ten val komen.

16:5-11-15 De Voorspraak, dien Jezus zal zenden, zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. En de leerlingen zal Hij in de waarheid leiden.

16:16-22 Jezus zegt dat zijn leerlingen hem na een korte tijd niet meer aanschouwen en wederom na een korte tijd weer zullen zien.

16:23-27 Jezus zegt dat zijn leerlingen de Vader gaan bidden in zijn naam.

16:28-33 Jezus is van de Vader uitgegaan en gaat weer heen naar de Vader. De leerlingen belijden hun geloof in hem. Hij voorzegt hun verstrooiing. De Vader is met hem. Jezus heeft de wereld overwonnen; daarom kunnen de leerlingen goede moed hebben.

Joh. 17

17: Gebed van Jezus Christus, de Zoon van God, tot de Vader. Hij vraagt om verheerlijkt te worden en bidt om bewaring en heiliging van de gelovigen, de mensen die de Vader hem gegeven heeft. Ook bidt hij voor hun eenheid, opdat de wereld gelooft. Hij wil ook dat zij bij Hem in de heerlijkheid komen.

Joh. 18

18:1-11 Gevangenneming van Jezus

18:12-14 Jezus naar Annas gebracht en dan voor de hogepriester Kajafas.

18:15-18 Petrus’ eerste verloochening van Jezus.

18:19-24 Jezus verhoord door Kajafas. Hij wordt om zijn antwoord geslagen.

18:25-27 Petrus’ tweede en derde verloochening.

18:28-38 Jezus geleid naar en verhoord door de stadhouder Pilatus

18:39-40 De menigte verkies de vrijlating van Barnabas boven Jezus.

Joh. 19

19:1-16 Pilatus laat Jezus geselen. De soldaten slaan, vernederen en bespotten hem. Pilatus wil Jezus loslaten, maar zwicht voor de druk van de Joden en geeft Jezus over om gekruisigd te worden.

19:17-24 Jezus gekruisigd. Het opschrift aan het kruis. De verdeling van zijn kleren onder de soldaten.

19:25-27 Jezus draagt de zorg voor zijn moeder aan zijn geliefde leerling Johannes toe.

19:28-30 Nadat Jezus, die dorst heeft, zure wijn genomen heeft en gezegd heeft “Het is volbracht”, geeft hij zijn geest over en sterft.

19:31-37 De soldaten breken Jezus benen niet, maar doorsteken zijn zijde.

19:38-42 De begrafenis.

Joh. 20

20:1-10 Op de eerste dag van de week wordt het graf van Jezus leeg bevonden.

20:11-18 Jezus verschijnt aan Maria Magdalena.

20:19-23 Hij verschijnt op de avond van die dag aan de discipelen, zendt hen, zegt de Heilige Geest toe en geeft hen volmacht om zonden te vergeven of te houden.

20:24-29 Na acht dagen verschijnt Hij opnieuw en overtuigt Thomas.

20:30-31 Waartoe de tekenen van Jezus zijn beschreven.

Joh. 21

21:1–14 Jezus verschijnt bij de zee van Tiberias aan zeven discipelen. Hij geeft een wonderbaarlijke visvangst en geeft de discipelen te eten.

21:15-17 Petrus krijgt, nadat hij op Jezus’ drie vragen zijn liefde tot de Heer heeft beleden, de taak van geestelijk herder.

21:18 Jezus voorzegt de dood van Petrus. Daarna zegt hij tot hem: Volg Mij.

21:24-25 Slotwoord.