Heber

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Heber ('het gebied aan de andere zijde') is in de Bijbel de eigennaam van verschillende mannen en ook een zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoord. Het zelfstandig naamwoord is עבר, eber, en betekent "het gebied aan de andere zijde": a) "het tegenovergelegen gebied", b) "zijde, overzijde"[1]. Het Strongnummer is 05676. Het woord komt 91x in het Oude Testament voor.

Eigennaam. De Hebreeuwse eigennaam is עבר, Eber en betekent "het gebied aan de andere zijde". Het Strongnummer is 05677. De naam komt 15x in het Oude Testament voor. De eigennaam is van de volgende personen:

Geslachtslijn van Heber, de zoon van Selah
 
 
Noach
 
 
 
 
 
 
 
 
Sem
 
 
 
 
 
 
 
 
Arfachsad
 
 
 
 
 
 
 
 
Kainan
 
 
 
 
 
 
 
 
Selah
 
 
 
 
 
 
 
 
Heber
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Peleg
 
Joktan
 
 
 
 
 
Rehu
 
 
 
 
Serug
 
 
 
 
Nahor
 
 
 
 
Terah
 
 
 
 
Abraham
 
 
 
 
...
 
 
 
 
Jezus
  1. zoon van Selah en betachterkleinzoon van Sem was (zie geslachtslijn). Heber was de vader van onder anderen Peleg en Joktan[2]. Zijn naam komt in het geslachtregister van Jezus bij Lukas voor.
  2. kleinzoon van Aser;
  3. de echtgenoot van Jaël, die de slapende Sisera verraderlijk doodde. Hij was van Kenietische afkomst, en leefde in gastvriendschap zowel met Jabin als met de Israëlieten;
  4. een Benjaminiet;
  5. een Gadiet, een Gadietisch aanvoerder;
  6. een afstammeling van Juda;
  7. een aanzienlijk priester, die na de ballingschap leefde in de dagen van Jójakim de zoon van Jésua.

Bronnen

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Heber' is op 18 nov. 2016 verwerkt.

Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.

Voetnoten

  1. Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  2. Volgens P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. (Haarlem: De erven F. Bohn, 1866) s.v. Heber, verdeelde het geslacht van Heber zich "in twee grote delen: de Hebreën en Joktanieden of Arabieren".