Moria

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Moria (Hebr. מוֹרִיָּה Moriyyah; Eng. Moriah) is de naam van het land (Gen. 22:2) waarheen Abraham op Gods bevel zijn zoon Izaäk bracht om geofferd te worden. En het is de naam van een berg (2 Kron. 3:1) aan de oostzijde van Jeruzalem, waarop Salomo de tempel bouwde.

De betekenis van de naam Moria is onzeker en de opgaven zijn dan ook verschillend: "vreze Gods" (Geneva Bijbel), "gezien Jehovah"[1]; “door Jah uitgekozen"[2], “van Jah verkoren”, “door Jah voorbeschikt”[3]. Jah is de verkorting van Gods eigennaam Jahweh. John Gill stelt[4] dat het woord Moria komt van een werkwoord dat "zien" betekent, een duiding die volgens hem gesteund wordt met de naam die Abraham in Gen. 22:14 aan de berg geeft ("Jah zal het (voor)zien"). De aantekening bij de Groot Nieuws Bijbel stemt hiermee overeen: "De naam Moria kan afgeleid worden van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘zien, voorzien, zorgen voor’, dat in het vervolg vaak voorkomt." Het antwoord dat Abraham zijn zoon gaf bevat een toespeling op de naam van de berg Moria.

Ge 22:8  Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen. (HSV)

De naam komt op twee plaatsen in de Heilige Schrift voor:

Ge 22:2  Hij zei: Neem toch uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, ga naar het land Moria, en offer hem daar als brandoffer op een van de bergen die Ik u noemen zal. Ge 22:3  Toen stond Abraham ‘s morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee van zijn knechten met zich mee, en Izak, zijn zoon. Hij kloofde hout voor het brandoffer, stond op en ging naar de plaats die God hem genoemd had. Ge 22:4  Op de derde dag sloeg Abraham zijn ogen op, en hij zag die plaats in de verte. (HSV)

2Kr 3:1  Toen begon Salomo het huis van de HEERE te bouwen, in Jeruzalem, op de berg Moria, waar [de HEERE] aan zijn vader David verschenen was, op de plaats die David bepaald had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. (HSV)

Het land Moria heeft de berg waarop Abraham bevolen werd zijn zoon Izaäk te offeren, Gen. 22:2. De naam van de berg wordt in dat verband niet genoemd. Op de derde dag, na zijn vertrek uit Berseba, zag Abraham de berg van verre. Het was ongetwijfeld een eenzame plek die geschikt was voor het offer.

De Joden zeggen dat de berg van Abrahams offer de berg Moria van 2 Kron. 3:1 is, de tempelberg in Jeruzalem. Zeker weten doen wij het echter niet. De Samaritanen en ook anderen beweren dat het de berg Gerizim is geweest, waar Abraham een altaar bouwde om zijn zoon te offeren.

Op de heuvel Moria te Jeruzalem bouwde Salomo de tempel. Moria had ten zuiden de berg Sion, van welke hij door een dal en een brede gracht gescheiden was, waarover een brug lag die de beide bergen (heuvels) verbond. Ontzaglijke werken en een aanhoging aan de oostzijde van de heuvel Moria moesten deze, aanvankelijk onregelmatige en schuine heuvel, tot de tempelbouw geschikt maken, 2 Kron. 3:1.

Jeruzalem in de tijd van David en Salomo. De berg Moria is de tempelberg, waarop Salomo de tempel bouwde.
Oostaanzicht van een deel van de berg Moria. De poort in de oude stadsmuur is de Gouden Poort (of Oostpoort). Foto genomen nabij Gethsemané.

Golgotha lag op een uitloper van de berg Moria[5].

Bronnen

Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.

S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Moria. Hieruit is op 24 mei 2013 tekst genomen en verwerkt.

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Moriah. Hieruit is op 24 mei 2013 tekst genomen, vertaald en verwerkt.

Voetnoten

  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Gen. 22:2.
  2. Het Hebreeuws-Nederlands Lexicon (onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia) vermeldt als betekenis “door JHWH uitgekozen”.
  3. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Moria, noemt als betekenissen “van God verkoren”, “door God voorbeschikt”, en legt een verband met het werkwoord Raoh, ‘zien, voorzien’ enz. Vgl. Gen. 22:8, 14. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.
  4. John Gill's Expositor, commentaar bij Gen. 22:2.
  5. Aldus Bijbelleraar en evangelist Dato Steenhuis.