Ooievaar

Uit Christipedia
Zwarte en witte ooievaar

De ooievaar (Ciconia) is een grote trekvogel, die tot de reigerachtigen behoort.

'Chasidah'

De Hebreeuwse naam is חסידה, Chasidah. Het woord komt 6x voor in het Oude Testament: Lev. 11:19, Deut. 14:18, Job 39:16, Ps. 104:17, Jer. 8:7, Zach. 5: 9. Het strongnummer is H2624.

De Chasidah behoort tot de onreine vogels. Het is een trekvogel, die hoog in de lucht vliegt (vgl. Jer. 8:7). Volgens Zach. 5: 9 was het een grote vogel met een buitengewone vlucht en volgens Job 39:16 vv. kwamen zijn vleugels en veren overeen met die van de struisvogel.

Hij bouwt zijn nest onder meer in de ceders van de Libanon. Terwijl echter de struisvogel zijn jongen verwaarloost, draagt hij voor zijn broedsel de teerste zorg.

Vliegende witte ooievaar

Intussen past dit alles zowel op de reiger als op de ooievaar. Tegen de opvatting dat de ooievaar zal bedoeld zijn, heeft men ingebracht dat deze vogel meer op huizen dan op bomen nestelt. Echter trekken vele witte ooievaars (Ciconia alba), ook huisooievaars genoemd, ver van de menselijke woningen naar de bossen en bouwen hier op sterke bomen hun nest. Ook de meer schuwe zwarte ooievaar (Ciconia nigra), die men nu en dan in eenzame streken van het land Israël aantreft, nestelt gewoonlijk op bomen, terwijl alle grotere reigersoorten bijna zonder uitzondering op populieren en wilgenbomen nestelen. Voor de mening dat chasidah de ooievaar is pleit vooral de betekenis van de naam ('liefderijke vogel') en de plaats Job 39 vers 16. Want de tedere zorg van de ooievaar voor zijn jongen is in de hele oudheid spreekwoordelijk. Voor deze opvatting pleit ook een Joodse traditie, want de „witte vogel" (chavvaritha), zoals de Joods-Aramese paraphrasen de chasidah noemen, is de „witte Daja" (dajah lebanah) van de Talmoed, d. i. de ooievaar. Hoogst waarschijnlijk zijn de verschillende reigersoorten van het land Israël met de naam anaphah aangeduid.

Trek

Zowel de witte als de zwarte ooievaars komen elk jaar door Israël, op terugweg naar het noorden, na de winter doorgebracht te hebben in de Arabische landen en Afrika. Zij komen tegen het einde van maart in grote getalen uit het zuiden naar Israël en vertrekken weer in mei naar het noorden, voor zover zij althans niet in Israël blijven. De bewering dat er op de Libanon geen ooievaars zijn, is onjuist.

In Jer. 8:7 lezen we dat de ooievaar aan de hemel zijn vaste tijden kent.
Jer 8:7  Zelfs een ooievaar in de lucht kent zijn vaste tijden, tortelduif, zwaluw en kraanvogel nemen de tijd van hun aankomst in acht, maar Mijn volk kent niet het recht van de HEERE. (HSV)

Bron

Ed. Rhiem, C.H. van Rhijn (red.), Bijbelsch woordenboek voor ontwikkelde lezers der Heilige Schriften (Utrecht: Kemink & Zoon, 1885-1886) s.v. Nahas. De tekst van dit lemma is op 3 feb. 2016 verwerkt.