Vergeving

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vergeving is kwijtschelding (van straf). God vergeeft onze zonden, als we ze oprecht belijden.
1Jo 1:9 Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. (TELOS)
Synoniemen van ‘vergeving’ zijn: vergiffenis, pardon.

De mens is van (gevallen) nature een zondaar en de zonde, die in hem woont, geeft als slechte vruchten de zonden. Dit zijn de gedachten, de woorden, de daden, die uit het binnenste opkomen.

Iemand die zichzelf in het licht van God ziet, moet ermee instemmen, dat het oordeel over de mens, door God in de brief aan de Romeinen opgetekend, juist is. Alle mensen hebben gezondigd of zijn nalatig in het goede. Deze zelfkennis brengt iemand er toe om God te vragen, te smeken om vergeving van zonden (Rom.  3:10-23).

In het Oude Testament blijkt reeds, dat God daartoe bereid is (Ex. 34:7; Ps. 130:4).
Ps 130:3 Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let, Heere, wie zal bestaan? Ps 130:4 Maar bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt. (HSV)
Hij wacht op iedere zondaar totdat hij zich bekeert tot Hem, zodat Hij de zonden kan vergeven (Jes. 1:18; 55:7; Micha 7:18). Deze vergeving van zonden kon door God geschonken op grond van het voorziene offer, dat de Heer Jezus zou brengen op het kruis van Golgotha. Het zond- en schuldoffer zijn hiervan een schaduwbeeld (Lev. 4 en 5). Uit Ps. 32:1,5 blijkt, dat de gelovige Israëliet de zekerheid van de vergeving van zonden bezat.
Ps 32:1  Een onderwijzing van David. Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is. Ps 32:2 Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Ps 32:3 Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, onder mijn jammerklachten, de hele dag. Ps 32:4 Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij, mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte. Sela Ps 32:5 Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE. En Ú vergaf [mijn] ongerechtigheid, mijn zonde. Sela Ps 32:6 Daarom zal iedere heilige tot U bidden ten tijde dat [U Zich laat] vinden. …. (HSV)
Paulus haalt David aan:
Ro 4:6 zoals ook David de mens gelukkig noemt wie God gerechtigheid toerekent, zonder werken: Ro 4:7 ‘Gelukkig zij van wie de wetteloosheden vergeven en van wie de zonden bedekt zijn. (TELOS)
In het Nieuwe Testament horen we de Heer Jezus zeggen: "uw zonden zijn vergeven" (Luc. 5:20, 21; Luc. 7:47-48).
Lu 5:20 En toen Hij hun geloof zag, zei Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven. (Telos)
Lu 7:47 Daarom zeg Ik u: haar vele zonden zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar wie weinig wordt vergeven, die heeft weinig lief. Lu 7:48 Hij nu zei tot haar: Uw zonden zijn vergeven. Lu 7:49 En zij die mee aanlagen, begonnen onder elkaar te zeggen: Wie is Deze dat Hij zelfs zonden vergeeft? (Telos)
Hij kon dit zeggen, omdat Hij als Mensenzoon bevoegd was om zonden te vergeven (Matth. 9:6; Marc. 2:10; Luc. 5:24). Daarenboven was Hij God geopenbaard in het vlees. En Hij wist, dat Hij aan het kruis de straf over de zonden van allen, die in Hem zouden geloven, zou dragen (Jes. 53:5; 1 Joh. 2:24). Hij leerde zijn leerlingen te bidden om vergeving:
Mt 6:12 En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars hebben vergeven. (Telos)
Lu 11:4 En vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in verzoeking. (Telos)
Na het kruislijden van de Heer Jezus kan dan ook met vrijmoedigheid over de vergeving van zonden, na belijdenis van schuld, gepredikt worden (Luc. 24:47; Hand. 2:38; 3:19; 10:43; 13:38)
Lu 24:47 en in zijn naam bekering tot vergeving van zonden moest worden gepredikt aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. (Telos)

Hnd 10:43 Van Hem getuigen alle profeten dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam. (Telos)

Hnd 13:38 U zij dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van zonden wordt verkondigd (Telos)
Door geloof in Jezus ontvangt een mens vergeving van zonden. Jezus zei tot Paulus:
Hnd 26:16 Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel van wat je van Mij hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen, Hnd 26:17 terwijl Ik je wegneem uit het volk en uit de volken, tot welke Ik je zend om hun ogen te openen, Hnd 26:18 opdat zij zich bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden ontvangen door geloof in Mij. (Telos)
Uit de brieven van de apostelen blijkt duidelijk, dat deze vergeving geschonken wordt op grond van het bloed van Christus (Ef. 1:7).
Efe 1:7 in Wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van zijn genade, (Telos)
Col 1:14 in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van de zonden. (Telos)
1 Joh. 2:12  Ik schrijf u, kinderen, omdat de zonden u vergeven zijn ter wille van zijn naam (Telos)

Vergeving en belijdenis

Wanneer een gelovige zondigt, moet hij dan zijn zonde belijden? Ja, dat is nodig, want (1) zonde verontreinigt, (2) verstoort de verhouding met God, (3) belast het geweten en (3) belijdenis helpt om een zonde na te laten.
1Jo 1:9  Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. (Telos)
Als wij zondigen tegen een vriend(in), dan wordt onze verhouding tot die mens verstoort. Belijdenis van zonde herstelt de goede band. Als het goed is, ontvangen wij van hem of haar vergeving. Van God ontvangen wij na belijdenis aan Hem zeker vergeving, omdat hij 'getrouw en rechtvaardig' is. Hij is rechtvaardig, omdat voor het kwaad dat wij gedaan hebben, recht geschied is aan het kruis van Golgotha. Er is een zoenoffer gebracht. Dat zoenoffer is Jezus zelf.
1Jo 2:1 Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand zondigt, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; 1Jo 2:2  en Hij is het zoenoffer voor onze zonden; en niet voor onze zonden alleen, maar ook voor de hele wereld. (Telos)
Na de belijdenis vinden van Godswege vergeving en reiniging plaats. Belijdenis van zonde ontlast ook het geweten. Onbeleden zonde, waarvan men zich bewust is, drukt als een last op het geweten. David heeft de last van een zonde ondervonden, toen hij zweeg en niet beleed:
Ps 32:1 Een onderwijzing van David. Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is. Ps 32:2  Welzalig de mens wie de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.  Ps 32:3  Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, onder mijn jammerklachten, de hele dag. Ps 32:4  Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij, mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte. Sela. Ps 32:5  Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE. En Ú vergaf [mijn] ongerechtigheid, mijn zonde. Sela. (HSV)
Het onderwerp in 1 Johannes 1 is gemeenschap met de vader en de zoon en de blijdschap die hieruit voortvloeit. Zonde ondermijnt die gemeenschap en daardoor de blijdschap. Voor herstel is belijdenis van de zonde noodzakelijk. Belijden wil eigenlijk zeggen: de zonden bij de naam noemen en erkennen. Telkens, na elke zonde, wanneer we weten dat we gezondigd hebben, moeten we dit belijden. Dat kan dagelijks zijn, misschien zelfs meer keren per dag.

Na onze belijdenis mogen we er zeker van zijn dat de zonde ons vergeven is en dat we ervan gereinigd zijn, al kan het gevoel van onreinheid, van afkeer, van teleurstelling-in-onszelf, nog even duren. De gemeenschap met God en de blijdschap zullen na belijdenis weer ongestoord genoten kunnen worden.

Ook wij vergeven

De Heer eist van de gelovige, dat hij anderen vergeeft, evenals God hem vergeven heeft (Ef. 4:32; Col. 3:12,13). De Heer Jezus leerde zijn leerlingen te bidden:
Mt 6:12 En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij onze schuldenaars hebben vergeven. Lu 11:4 En vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in verzoeking. (TELOS)
Jessica Eaves, moeder van vier kinderen, was aan het winkelen toen ze merkte dat haar portemonnee werd gestolen door een zakkenroller. “Toen ik de dief in de ogen keek, kwam er een Schriftgedeelte uit Lukas 6 in me op. Daarin stond: 'Weiger iemand die je je bovenkleed afneemt, ook je onderkleed niet.' Geïnspireerd door deze Bijbeltekst zei ze tegen de man: 'Ik geef je 2 keuzes. Je geeft mijn portemonnee terug, dan vergeef ik het je en betaal ik jouw boodschappen. Of ik bel nu de politie'."

Totaal verbluft pakte de dief de portemonnee uit zijn zak en gaf 'm aan haar terug, waarbij hij veelvuldig zijn verontschuldigingen aanbood. Jessica betaalde zijn boodschappen (in totaal $ 27) waarna de dief huilend weg liep. "Ik heb nooit contant geld bij me, maar vandaag wel', vertelt Jessica. 'Het was Christus die hier voor zorgde'.[1]

Bron

H. Moll, Wat zegt Gods Woord over ...?, deel 1 (Oostburg: W.J Pieters, z.j.), blz. 29.  Hieruit is, onder toestemming, op 26 dec. 2013 tekst opgenomen.

H. Medema, Vergeving vragen of belijden? In: Bode des Heils in Christus, jaargang 101 (1958)

Voetnoten

  1. Vrouw vergeeft dief direct, op www.EO.nl, 29 okt. 2013.