Ziba

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ziba of Siba was een dienstknecht in Sauls huis, die later door David werd belast met de zorg voor de landerijen en bezittingen van Jonathans zoon Mefiboseth.

Schriftplaatsen: 2 Sam. 9:2; 16:1.

De Hebreeuwse naam is ציבא, Tsiyba, en betekent "standbeeld"[1]; of, indien afgeleid van Neziba: "plant"[2]; of "leger"[2] van het werkwoord Zaboh = tot de strijd uittrekken. Het Strongnummer is 06717. De eigennaam komt 16x voor in de Bijbel.

Ziba was de bestuurder van Sauls goederen. David, die Saul opvolgde, gaf na zijn troonsbestijging Ziba ten dienste van Jonathans zoon (en Sauls kleinzoon) Mefiboseth hem in handen (2 Sam. 9).

Bij Absaloms oproer kwam Ziba David, die vluchtte voor Absalom, met etenswaren tegemoet en maakte, zowel door zijn goede diensten als door zijn lasterlijke uitspraken over Mefiboseths trouwbreuk, dat David hem in een ogenblikkelijke opwelling al de goederen van Saul schonk, (2 Sam. 16 : 1-5).

2Sa 16:1 Kort nadat David de bergtop was overgegaan, zie, daar kwam Ziba, de knecht van Mefiboseth, hem tegemoet met een span gezadelde ezels, en daarop tweehonderd broden, honderd rozijnenkoeken, honderd zomervruchten en een leren zak met wijn. 2Sa 16:2 De koning zei tegen Ziba: Wat wilt u daarmee? Ziba zei: De ezels zijn voor het huis van de koning om op te rijden, het brood en de zomervruchten voor de knechten om te eten, en de wijn voor de vermoeiden in de woestijn om te drinken. 2Sa 16:3 Toen zei de koning: En waar is de zoon van uw heer? Ziba zei tegen de koning: Zie, hij blijft in Jeruzalem, want hij zei: Vandaag zal het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader aan mij teruggeven. 2Sa 16:4 Toen zei de koning tegen Ziba: Zie, alles wat Mefiboseth heeft, zal van u zijn. En Ziba zei: Ik buig mij neer, laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, de koning. (HSV)

Zeer dienstvaardig toonde hij zich bij de terugkeer van David, toen hij met zijn 15 zonen de koning ten spoedigste een voertuig gereed maakte (2 Sam. 19 : 17v).

Daar Ziba en Mefiboseth beiden de gunst van koning David ijverig zochten, maar een nader onderzoek naar hun vroeger handelen niet wensten, zo stelde David beiden tevreden, door de goederen onder hen te verdelen (2 Sam. 19: 24 v). In zover David zich daarbij op zijn vroegere uitspraak schijnt te beroepen : „ik heb het gezegd," zo kan dit eenvoudig van herstel der pachtovereenkomst verstaan worden, waarin beiden in het genot van de goederen deelden.

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Ziba. De tekst van dit lemma is op 27 maart 2017 tekst genomen en verwerkt.

Voetnoot

  1. Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  2. 2,0 2,1 S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Ziba. Van Ronkel was hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.