Chaldeeën

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Chaldeeën (ook gespeld Chaldeën; Hebr. kasdim; Babylonisch Kaldu) waren een Aramese stam. Rond 1000 voor Chr. vestigden zij zich in het zuidelijk deel van Babylonië, aan de Beneden-Eufraat en Tigris. Hun gebied werd Chaldea genoemd. In de 2e helft van de 7e eeuw voor Christus, de tijd van de profeet Habakuk, kwam het rijk der Chaldeeën op als wereldmacht.
Hab 1:6 Want ziet, Ik verwek de Chaldeen, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn. (SV)
Zij maakten de ruggegraat van het Nieuw-Babylonische of Chaldeeuwse rijk uit (vgl. Dan. 2:2,4). De profeet Habakuk profeteerde over de Chaldeeën. Vanaf Jeremia wordt de naam “Chaldeeën” aan de bewoners van Babylonië en het Nieuw-Babylonische rijk gegeven.
Jeremia 50:1 Het woord dat de HEERE gesproken heeft tegen Babel, tegen het land van de Chaldeeën, door de dienst van de profeet Jeremia.(HSV)
Wereldmachten in het Midden-Oosten in de 6e eeuw v.Chr. Het land der Chaldeeën, met de stad Ur, lag aan de Perzische Golf. 
De ballingen van Juda kwamen terecht in het land van de Chaldeeën.
Jer 24:5 Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik uit deze plaats heb weggestuurd naar het land van de Chaldeeën, kennen ten goede. (HSV)'

Bron

C.N. Impeta, Kok’s Encyclopedie van de Bijbel, Kampen: Kok, 1962.