Dienaar

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een dienaar is iemand die een ander dient, meestal tegen loon[1].

Het verwante begrip dienstknecht heeft het denkbeeld van ondergeschiktheid[2].

In het Nieuwe Testament zijn vijf woorden die het betekeniselement ‘dienaar’ gemeenschappelijk hebben: diakonos, doulos, hupèretès, leitourgos en thérapon

Diakonos (Gr.)

Betekenis: dienstknecht, dienaar, iemand die een bepaald dienstwerk uitvoert. Het denkbeeld van werk(zaamheden) staat voorop, niet de slaafse of vrijwillige betrekking tot iemand anders. Het Strongnummer is G1249. Van diakonos is ons woord diaken afgeleid.

Mt 20:26  Zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn, (Telos)

Op de bruiloft te Kana waren ‘dienstknechten’, die de wijn schepten (Joh. 2:5, 9).

Joh 2:5  Zijn moeder zei tot de dienstknechten: Wat Hij u ook zegt, doet dat. (...) Joh 2:9  Toen nu de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet vanwaar die was, maar de dienstknechten die het water geschept hadden, wisten het), riep de ceremoniemeester de bruidegom en zei tot hem: (Telos)

De overheid is Gods ‘dienares’.

Ro 13:4  want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft. (Telos)

Christus is een ‘dienstknecht’ van de besnijdenis (= het volk Israël) geworden.

Ro 15:8  Want ik zeg, dat Christus een dienstknecht van de besnijdenis geworden is terwille van de waarheid van God, om de beloften van de vaderen te bevestigen, (Telos)

De zuster Febe was een ‘dienares’ van de gemeente te Kenchreeën (Ro 16:1) Paulus noemt zich een ‘dienaar’ van het evangelie.

Efe 3:7  waarvan ik een dienaar ben geworden naar de gave van de genade van God, die mij gegeven is naar de werking van zijn kracht. (Telos)

Tychicus was een trouwe ‘dienaar in de Heer’ (Ef. 6:21).

Aan dienaars in de gemeente worden zekere zedelijke eisen gesteld (1 Tim. 3:8; 12).

Hupèretès (Gr.)

Betekenis: ‘ dienaar. Het woord is iets officiëler dan diakonos en doet aan ondergeschiktheid denken.

In de synagoge te Nazareth nam een ‘dienaar’ de boekrol, waaruit Jezus gelezen had, in ontvangst (Luk. 4:20). Een rechter kan een veroordeelde overleveren aan ‘de dienaar’, die deze naar de gevangenis brengt (Matth. 5:25).

De overpriesters en de farizeeën zonden ‘dienaars’ om Jezus te grijpen (Joh. 7:32). Tegenover Pilatus noemde Jezus zijn discipelen ‘mijn dienaars’, die voor Hem zouden gestreden hebben, als Zijn koninkrijk van deze wereld was (Joh. 18:36). Petrus zat in de voorhof van de hogepriester bij de dienaren om de afloop van Jezus’ gevangenneming te zien (Matth. 26:58).

De Heer Jezus bestemde de bekeerde Saulus tot zijn dienaar.

Hnd 26:16  Maar sta op en ga op je voeten staan; want daartoe ben Ik je verschenen, om je voor te bestemmen tot een dienaar en getuige zowel van wat je van Mij hebt gezien als van dat waarin Ik je zal verschijnen, (Telos)

Paulus en Barnabas hadden tijdens hun zendingsreis Johannes Markus tot ‘dienaar’ (Hand. 13:5).

Thérapon (Gr.)

Betekenis: vrijwillig ‘dienaar’, iemand die uit vrije wil diensten verricht aan een bepaald persoon; aanduiding van waardigheid. Hij kan de vrijwillige diensten verrichten als vrij man dan wel als slaaf. Het is een edeler en teerder woord dan doulos.

Mozes was een dienaar die de woorden van God ontving en aan het volk bekendmaakte. Het woord komt in het Nieuwe Testament alleen voor in Hebr. 3:5.

Heb 3:3  Want Deze is zoveel groter heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als hij die het huis gebouwd heeft, groter eer heeft dan het huis. Heb 3:4  Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar die alles heeft gebouwd is God.  Heb 3:5 En Mozes was wel trouw in heel zijn huis als dienaar tot getuigenis van wat gesproken zou worden, Heb 3:6  maar Christus als Zoon over zijn huis, Wiens huis wij zijn, als wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop tot het einde toe onwrikbaar vasthouden. (Telos)

Leitourgos (Gr.)

Betekenis: bedienaar’, ambtsdrager.

Engelen zijn ’dienaars’ van God (Hebr. 1:7). De Heer Jezus is thans een “bedienaar van het heiligdom en van de ware tabernakel” in de hemel (Hebr. 8:2).

De overheidspersonen zijn “dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam” (Rom. 13:6). Paulus was een “dienaar van Christus Jezus voor de volken, om het evangelie van God priesterlijk te bedienen, opdat de offerande van de volken welgevallig zou zijn, geheiligd door de Heilige Geest” (Rom. 15:16).  Paulus noemde Epafroditus “bedienaar in mijn behoefte” (Flp. 2:25).

Doulos (Gr.)

Betekenis: ‘slaaf’, iemand die het eigendom van een ander is. Deze slaafse betrekking is niet verbonden met het begrip diakonos. Het Strongnummer is G1401. Het woord komt 118x voor in het Nieuwe Testament.

Tegenover de slaaf staat de vrije.

1Co 7:21 Bent u als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet; maar wanneer u ook vrij kunt worden, gebruik dat liever. 1Co 7:22 Want de slaaf die in de Heer geroepen is, is een vrijgelatene van de Heer; evenzo is de vrije die geroepen is, een slaaf van Christus. U bent voor een prijs gekocht; 1Co 7:23 wordt geen slaven van mensen. (Telos)

De Heer Jezus heeft in zijn zelfvernedering de gestalte van een slaaf aangenomen: hij heeft als een slaaf gediend.

Flp 2:7 maar Zichzelf ontledigd heeft, de gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend. (Telos)

Als een slaaf, die christen is geworden, vrij kan worden, moet hij die kans aangrijpen.

1Co 7:21 Bent u als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet; maar wanneer u ook vrij kunt worden, gebruik dat liever. (Telos)

Een zondaar is een ‘slaaf van de zonde’.

Joh 8:34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. (Telos)

Een jonge waarzegster schreeuwde dat Paulus en zijn metgezellen ‘slaven van God’ waren.

Hnd 16:17  Deze liep Paulus en ons achterna en schreeuwde aldus: Deze mensen zijn slaven van God de Allerhoogste, die u de weg van behoudenis verkondigen. (Telos)

Paulus noemde zichzelf een ‘slaaf van God’.

Ro 1:1 Paulus, slaaf van Christus Jezus, geroepen apostel, afgezonderd tot het evangelie van God (Telos)

Tit 1:1 Paulus, slaaf van God alsook apostel van Jezus Christus, naar het geloof van de uitverkorenen van God en de kennis van de waarheid die naar de godsvrucht is, (Telos)

Bronnen

Telos-vertaling, woordenlijst s.v. “(Be)dienaar, dienstknecht, slaaf”

Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.

Voetnoten

  1. Vgl. VanDale.nl, s.v. Dienaar
  2. vgl. VanDale.nl s.v. Dienstknecht.