Elihu

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Elihu (= „Mijn God is Hij"), ook geschreven Elihoe, is de naam van verschillende mannen in de Bijbel.

1. Een van de vier mannen die met Job spraken over diens lijden en Gods rechtvaardigheid. Zie verderop.

2. een der voorouders van Samuël;

3. een broer van David, vorst over de stam Juda, wellicht dezelfde als Eliab;

4. een der helden van David, uit Manasse;

5. een poortwachter, kleinzoon van Obed-Edom;

Elihu (zoon van Baracheël)

Elihu was een van de vier mannen, de jongste van hen, die met Job over diens ellende en Gods rechtvaardigheid spraken. Elihu spreekt in Job 32 - 37.

Job 32:1 Toen hielden deze drie mannen op Job te antwoorden, omdat hij in eigen ogen rechtvaardig was.  Job 32:2  En de toorn van Elihu, de zoon van Barakel, de Buziet, uit het geslacht van Ram, ontbrandde; tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat deze zich tegenover God voor rechtvaardig hield, Job 32:3  en tegen diens drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij geen antwoord gevonden en Job nochtans schuldig verklaard hadden. Job 32:4  Maar Elihu had gewacht Job aan te spreken, omdat zij ouder waren dan hij. (NBG51)

Elihu spreekt tot Job, nadat de drie vrienden (gezeten) gesproken hebben. Schilderij door Arthur Ackland Hunt (1863-1913).

Hij was de zoon van Baracheël (= „Van God gezegend" of: „Die zijn knie voor God buigt"), ook geschreven Barakel of Barachel. Door de naam van zijn vader wordt hij als tot een vroom geslacht behorend gekenmerkt. De bijvoeging: „de Busiet" of „de Buziet" wijst op zijn afkomst van de broer van Abraham (Gen. 22: 21). Hij was uit het geslacht van Ram (Job. 32:2).

Elihu nam het woord, nadat Job en zijn drie vrienden gesproken hadden. Hij was vertoornd op Job, omdat deze zichzelf meer rechtvaardigde dan God, en op zijn drie vrienden, omdat zij, ofschoon zij Job niet konden weerleggen, hem evenwel veroordeelden. Zijn redenen vindt men Job 32 - 37.

Elihu geeft de ware oplossing van de grote levensvraag, voor zover zij door een mens gevonden kan worden, die onder de invloed van de algemene werkingen van de goddelijke Geest staat, welke aan de volledige openbaring voorafgaan. Als door Gods Geest bezield toont zich Elihu, eerst door zijn ootmoed en zijn bescheidenheid, waarmee hij de lange onbevredigende ontwikkeling van menselijke wijsheid en dwaling zwijgend aanhoort (Job 32: 4 vv.); dan in de vurige aandrang, die zijn binnenste vervult, om de erkende waarheld uit te spreken (32: 18); eindelijk in de inhoud van zijn rede zelf, die wel niet een heldere, volkomen oplossing van de vragen oplevert, maar toch in werkelijkheid door de verschijning van God bevestigd wordt.

Na het begin, waarin Elihu zijn recht om het woord te nemen ontwikkelt (hoofdst. 32) en zich op het standpunt van de goddelijke openbaring stelt (33: vv.), drukt hij in drie hoofdredenen zijn hoofdgedachte uit. De inhoud van zijn hoofdredenen kan men niet scherp van elkaar scheiden. Hun betekenis verkrijgt deels door de moeilijkheid van het onderwerp, deels door het bestendige terugzien op de nu eens half ware, dan weer geheel valse beweringen van de vorige sprekers veel duisterheid. De hoofdgedachte is dat het lijden van de rechtvaardigen geen uiting is van de goddelijke toorn, maar van de genade.

Terwijl hij zo de beschouwingen van de drie vrienden en van Job weerlegt, richt hij zijn rede hoofdzakelijk tot Job, daar deze tot nog toe in strijd met zijn tegenstanders, ofschoon in 't algemeen van dezelfde valse grondstelling uitgaande, toch met betrekking tot de persoonlijke vraag het veld behoudt en hen tot zwijgen gebracht had. Hij berispt Job, dat hij in 't algemeen zijn ongeluk met zijn onschuld en daarom met de gerechtigheid van God in betrekking gebracht heeft. Dit standpunt is in 't algemeen verwerpelijk. Gods gerechtigheid en menselijke gerechtigheid dulden geen vergelijking met elkaar. Gods gerechtigheid is boven alle twijfel verheven; zij is in Zijn wezen gegrond en valt noodzakelijk uit zijn stelling als heerser en zijn in de wereldregering zich openbarende volkomenheid.

Aan de andere kant is weliswaar geen mens onschuldig, maar de toepassing op het bijzondere, een gerechtelijk onderzoek , dat de vrienden zich aanmatigden, is onzeker; ten minste moet de mens wachten, totdat het recht afzonderlijk openbaar wordt (35 : 14). Als echter de lijder zich aan de onbeperkte macht Gods geheel onderwerpt en op Zijne gerechtigheid en genade onbepaald vertrouwt, dan moet hem niet slechts het lijden tot zelfkennis, waarschuwing, beproeving en loutering dienen, maar er volgt ook zeker redding en rijkelijke schadeloosstelling voor zijn ongeluk te rechter tijd. Maar Job moet niet op zijn verkeerde rede over God steunen waardoor hij juist voor de hulp van God zou kunnen verloren gaan. Daar de gerechtigheid van God slechts dan de mens kan baten, als zijn ootmoed en zijn boete van de rechte soort is, zo zoekt Elihu zulke gevoelens in Job op te wekken, terwijl hij hem op de majesteit van God in het onweer opmerkzaam maakt, waartoe hem zonder twijfel een juist optrekkende onweerswolk aanleiding gaf.

Elihu komt naar voren, in 't algemeen, als iemand door de Geest Gods verlicht, door Wiens ingeving hij als jong mens, de ouden te schande maakt en alles, wat de toenmalige wijsbegeerte van de godsdienst wist voort te brengen, ver achter zich laat. Ook laat Gods Geest hem diepe blikken in het geheimenis van de rechtvaardigmaking doen (32: 23 vv.). Daar profeteert Elihu van de ongeschapen Middelaar, die alleen onder de duizenden engelen in staat is, aan de mensen de gerechtigheid van God, waarover de mensen zich zovele valse begrippen vormen, niet alleen recht te verkondigen, maar ook mee te delen. Om zijnentwil erbarmt zich de Eeuwige over de mens, die niet anders verdiend heeft dan de dood, en spreekt: voer de verlossing uit, betaal het losgeld, dat ik gevonden heb; vernieuw in hem het gestorven, door de zonde verloren leven. De Middelaar bidt voor de mensen tot God; in Hem is God de mens genadig en laat hem Zijn aangezicht zien met juichen en Hij brengt de mens Zijn gerechtigheid weer, Hij schenkt hem Zijn gerechtigheid, zodat dan de smartelijke, boetvaardige bekentenis van de zonden in een vrolijk loflied van de genade genade overgaat, vgl. Ps. 103.

Gelijk Elihu hier evangelisch van de Zoon profeteert, zo spreekt hij evangelisch tot de Vader (34: 36), terwijl hijzelf voorbiddend voor Job optreedt, dat hij zich toch niet tot altijd grotere lasteringen vervoeren laat, maar door de heilzame tuchtiging weer op de rechte weg geleid wordt. Intussen zijn dit slechts afzonderlijke profetische blikken, welke niet tot ontwikkelde erkentenis gevormd zijn en daarom ook in de samenhang van de rede van Elihu niet de eerste plaats innemen, die aan zulke grondwaarheden toekomt.

Velen houden hem om zijn naam voor een verschijning van de Zoon van God, dat echter geheel met het ontwerp van het boek Job strijdt. Door de Joden is Elihu als een der zeven profeten van de Heidenen vóór de wetgeving gesteld.

Bron

P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Elihu' is op 12 oktober 2019 onder wijziging verwerkt.

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Elihu. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 12 oktober 2019.