2 Kronieken/Samenvatting

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deze pagina geeft een samenvatting van het boek 2 Kronieken per hoofdstuk.

2 Kron. 1

1:1-6 Salomo, bevestigd in zijn rijk, offerte te Gibeon.

1:7 Salomo, te kiezen hebbende van God, bidt om wijsheid en verkrijgt die, daarbij rijkdom en eer.

1:13-17 Salomo’s macht en grote middelen.

2 Kron. 2

Salomo stelt bouwlieden aan. Hij verzoekt en verkrijgt medewerking van Hiram, de koning van Tyrus. Deze zendt een uitnemende werkmeester, Huram Abi.

2 Kron. 3-4

Bouw van Gods huis.

2 Kron. 5

De ark van het verbond en de tent der samenkomst worden overgebracht. Wanneer de priesters God loven, vervult de heerlijkheid van Jahweh de tempel.

2 Kron. 6

Salomo’s gebed in de voorhof van de nieuwgebouwde tempel.

2 Kron. 7

7:1-3 Daarop daalt vuur van de hemel neer en verteert het brandoffer en de slachtoffers, waarna de heerlijkheid van Jahweh het huis van God vervult.

7: 4-10 Feestelijke inwijding van de tempel.

7:11-22 God verschijnt aan Salomo en spreekt tot hem.

2 Kron. 8 Salomo’s daden

8:1-6 Salomo verovert Hamath-Soba en versterkt steden

8:7-10 Hij legt aan de Kanaänieten in zijn land herendiensten op.

8:11 Farao’s dochter neemt haar intrek in het paleis.

8:12-16 Salomo regelt volgens de wet de offerdienst en volgens Davids voorschrift het dienstwerk van de priesters en van de Levieten.

8:17-18 Zijn handelsvloot.

2 Kron. 9 Salomo’s heerlijkheid

9:1-12. Het bezoek van de koningin van Sjeba

9:13-14 Salomo’s rijke inkomsten

9:15-16. Zijn gouden rondassen en schilden

9:17-19 Zijn troon

9:20-21 Zijn kostbaar vaatwerk

9:22-24 Zijn roem buitenslands.

9:25-28 Zijn paarden en wagens, macht en rijkdom.

9:29-31 Besluit van Salomo’s geschiedenis.

2 Kron. 10-12 Rehabeam

2 Kron. 10 De afval van de noordelijke stammen

10:1-5 Rehabeam verneemt te Sichem van het volk en van Jerobeam, die uit Egypte teruggekeerd is, de voorwaarden waarop men hem als koning wil erkennen

10:6-15 Hij wint het gevoelen in van de oude raadsheren van zijn vaders,

, daarna dat van zijn jongere raadslieden, en volgt het laatste.

10:16-19 Het volk, behalve Juda, weigert hem te huldigen en hij moet de vlucht nemen (16-19)

2 Kron. 11

11:1-4 De profeet Sjemaja belet Rehabeam oorlog te voeren tegen zijn broeders van Israël om de heerschappij te herwinnen.

11:5-11. Rehabeam versterkt steden in Juda.

11:12-17. De priesters en Levieten uit het Noorden verhuizen naar Juda en vermeerderen de kracht van dit rijk.

11:18-23 Rehabeams vrouwen en kinderen.

2 Kron. 12

12:1-4 Rehabeam en zijn volk verlaten God ; daarom trekt de koning van Egypte tegen Jeruzalem op;

12:5-8 De profeet Sjemaja verkondigt dat dit een strafgericht is; maar als de koning en het volk zich verootmoedigen, moet hij in naam van God hun zeggen dat zij niet vernietigd, maar matig gekastijd zullen worden

12:9-12 Zij worden door de Egyptenaren geplunderd, maar niet te gronde gericht

12:13-16 Besluit van zijn regering. 12:13 De duur van Rehabeams regering; zijn moeder. 12:14 Beoordeling van zijn regering. 12:15 Geschriften over zijn regering. 12:16 Levenseinde, begrafenis en opvolging.

2  Kron. 13 Abia koning van Juda

13:1-2. Abia’s troonsbestijging, de duur van zijn regering en de naam van zijn moeder

13:3-20 Hij overwint en vernedert in een grote slag Jerobeam en diens grotere leger. Jerobeams machteloosheid en uiteinde.

13:21-22 Abia’s voorspoed. Besluit zijn regering.

2 Kron. 14

14:1-8 Asa hervormt, en hij versterkt zich.

14:9-15 Asa verslaat het leger van de Koesjiet Zera en berooft al de steden rondom Gerar.

2 Kron. 15

15:1-7. Profetie van Azaria.

15:8-19 Onder Asa worden de afgodische verfoeiselen weggedaan wijdt het volk zich opnieuw aan God toe.

2 Kron. 16

16:1-6 Baësa van Israël verovert een deel van Juda. Asa zoekt hulp bij Syrië en steunt niet op God. Syrië valt Israël aan, Asa neemt heel Juda.

16:7-10 De ziener Hanani bestraft hem, waarop Asa hem gevangenzet.

16:11-14. Ziekte en begrafenis van Asa.

2 Kron. 17-20 Josafat koning van Juda

2 Kron. 17 Josafats vroomheid en voorspoed

Zijn vrome wandel, voorspoed, verbetering van de godsdienst, grootheid.

2 Kron. 18 Strijd met Achab tegen de Syriërs

Josafat verzwagert zich met Achab, en trekt met hem - die daarvoor  zijn (valse) profeten raadpleegt en de tegenprofetie van Micha negeert en deze profeet van God gevangenzet - ten strijde tegen de Syriërs. Achab sneuvelt.

2 Kron. 19

19:1-3 Josafat wordt door de profeet Jehu berispt om zijn hulp aan Achab. 19:4-11 Josafat stelt overal rechters aan en vermaant hen tot rechtvaardigheid en trouwe bediening van hun ambt.

2 Kron. 20

20:1-19 Josafat, met oorlog bedreigd door Amon, Moab en Edom, bidt tot God, die hem en het samengeroepen volk bemoedigt door de mond van de Leviet Jahaziël.

20:20-30 Josafat trekt op. God strijdt en geeft Juda, dat geen slag hoeft te leveren, de overwinning.

20:31-34. Regering van Josafat.

20:35-37. Ongelukkige verbintenis van Josafat met Ahazia van het Noordrijk Israël.

2 Kron. 21 Joram koning van Juda

21:1-20 Joram koning van Juda. Zijn goddeloze regering en rampzalig einde.

2 Kron. 22 Ahazia koning van Juda; Athalia aan het bewind

22:1-9 Ahazia koning van Juda. Zijn goddeloze wandel. Gedood door Jerhu.

22:10-12 Zijn moeder Athalia trekt de macht aan zich en doodt het gehele koningshuis van Juda, behalve Joas, die voor haar verborgen blijft.

2 Kron. 23 Joas koning. Athalia gedood.

23:1-11 Joas, zeven jaar oud, wordt door Jojada’s beleid koning.

23:12-15 Athalia met het zwaard gedood.

23:16-21 Jojada herstelt de dienst van God.

2 Kron. 24 Joas’ daden

24:1-14 Joas’ herstellingen aan de tempel

24:15-22 Na de dood van Jojada verlaat Juda zijn God. Joas doodt Zacharia de zoon van Jojada.

24:23- 27 De Syriërs voeren oordelen uit tegen Joas. Joas wordt door knechten gedood.

2 Kron. 25 Amazia koning van Juda

25:1-4 Amazia wordt koning en doodt de moordenaars van zijn vader.

25:5-10 Op raad van een profeet zendt Amazia gehuurde soldaten uit het Israël weg.

25:11-13 Amazia slaat de Edomieten. Weggezonden huurlingen doen een inval in Juda.

25:14-16 Amazia dient de meegebrachte afgodsbeelden van de Edomieten. Hij geeft geen gehoor aan de bestraffing door een profeet.

25:17-25 Amazia verslagen door Joas van Israël.

25:26-28 Amazia’s dood.

2 Kron. 26 Uzzia koning van Juda

26:1- Uzzia zoekt God. Zijn voorspoed.

26:11-15 Zijn krijgsmacht.

26:16-23 Uzzia verheft zich in zijn hart, betreedt het heilige van de tempel om te reukofferen en wordt met melaatsheid geplaagd. Tot zijn dood blijft hij melaats.

2 Kron. 27 Jotham koning van Juda

2 Kron. 28 Achaz koning van Juda

28:1-4 Zijn goddeloosheid.

28:5-19 Zijn nederlagen.

28:20-21 ‘Hulp’ van Tiglath-Pileser

28:21-25 Hij overtreedt nog meer.

28:26-27 Besluit.

2 Kron. 29 Jehizkia koning van Juda

Jehizkia heropent en herstelt de tempel en de tempeldienst.

2 Kron. 30 Het Pascha gehouden

Op uitnodiging van Jehizkía komen mensen uit heel het land, dus ook uit het 10-stammenrijk, om het Pascha te houden te Jeruzalem, in de tweede maand.

2 Kron. 31 Priester en Levieten in hun ambt gesteld

Afgodische werken afgebroken. Jehizkia stelt de priesters en Levieten in hun ambt. Op zijn aanwijzing brengt het volk eerstelingen en tienden om hen te onderhouden. Jehizkia laat aan het huis van Jahweh kamers maken om de inkomsten te verzamelen. Er worden ontvangers en schatmeesters aangesteld.

2 Kron. 32

31:1-22 Het leger van de Assyrische koning Sanherib bedreigd Jeruzalem, maar wordt door een engel verdelgd.

31:23-33 Jehizkia’s ziekte, hoogmoed, verootmoediging, rijkdom, voorspoed en begrafenis

2 Kron. 33

33:1–10 Manasse, Hizkia’s zoon, wordt koning en voert de afgodendienst weer in.

33:11-17 God vernedert hem. Manasse, in ballingschap te Babel, vernedert zich en God laat zich door hem verbidden. Manasse keert terug en roeit de afgodendienst uit.

33:18-20 Einde van Manasse’s geschiedenis.

33:21-25 Amon koning van Juda

2 Kron. 34

34:1-7 Josia, koning van Juda. Hij reinigt het huis van God en het land van gruwelen.

34:8–14 Geld voor de herstelling van de tempel

34:15-18 Het wetboek van God gevonden en voorgelezen aan Josia

34:19-28 Josia vernedert zich voor Gods aangezicht en laat God vragen, die hem antwoordt door de profetes Hulda.

34:29-33 Josia maakt het volk de woorden van het boek bekend en maakt een verbond om God na te volgen, wat het volk ook doet. 

2 Kron. 35

35:1-19 Viering van het paasfeest

35:20-27 Dood van Josía in de strijd tegen Farao Necho.

2 Kron. 36

36:1-4 Jóahaz koning van Juda

36:5-8 Jojakim koning van Juda

36:9-10 Jojachin koning van Juda

36:11-13 Zedekia koning van Juda

36:14-16 Het volk overtreedt zeer en wordt gewaarschuwd

36:17-21 Slachting door de Chaldeeën, verwoesting van Gods huis, . wegvoering van Juda. 70 jaren rust van het land.

36:22-23 Oproep van Kores om terug te keren naar Jeruzalem en Gods huis te bouwen.

Bron

Aantekeningen bij de Leidse Vertaling. De samenvatting van de hoofdstukken 8 t/m 12 is onder wijziging verwerkt op 30 juli 2018.