Israël (volk)

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Israëlieten)

Israël, ook huis van Jakob of huis Jakobs (Jes. 2:5-6) genoemd, is de volksnaam van de nakomelingen van Jakob. Het volk Israël had God Zich tot een volk verkoren en bestemd tot Zijn eer. De leden van het volk heten Israëlieten of kinderen Israëls.

Jer 13:11 Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden eens mans, alzo heb Ik het ganse huis Israëls en het ganse huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt de HEERE, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord. (SV)

Jahweh, zijn God, is met Israël. Hij wil hun God zijn.

Uitverkoren

Het volk Israël, "het kleinste van alle volken", is door God uitverkoren, uit liefde.
De 7:6  Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is. De 7:7  Niet omdat u groter was dan al de [andere] volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken. De 7:8  Maar vanwege de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te houden, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte. (HSV)

Eigendom van God

Het volk Israël is Gods persoonlijke eigendom, het is Zijn eigen volk.
De 26:18  En de HEERE heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijn geboden zult houden; (SV)
In de Herziene Statenvertaling:
De 26:18  En de HEERE heeft u heden doen verklaren dat u voor Hem een volk zult zijn dat Zijn persoonlijk eigendom is, zoals Hij tot u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden in acht moet nemen, (HSV)
Het Hebreeuwse woord vertaald door 'eigendom' is סגלה, segoellah, betekent[1]: bezit, eigendom: a. waardevol eigendom, speciaal bezit; b. schat. Het volk Israël is voor God een waardevol bezit. In dat volk zou Hij mens worden en Zijn heilswerk aan het kruis volbrengen. Jezus heeft gezegd tot een Samaritaanse vrouw:
... de behoudenis is uit de Joden. (Telos)
Uit dat volk zal een zegen voor de hele wereld uitgaan.

Gods zoon

Israël is Gods zoon, Zijn eerstgeborene:

Ex 4:22 Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Ex 4:23 Daarom zeg Ik tegen u: Laat Mijn zoon gaan, zodat hij Mij kan dienen. Maar u hebt geweigerd hem te laten gaan, zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene, doden. (HSV)

Gods vrouw

Met Israël sloot God op Sinaï een verbond. Dit verbond geldt als een huwelijksverbond, als de man-vrouw verhouding in een huwelijk. 
Jer 31:32  Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; (SV)
Jes 54:5  Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden. (SV)
Israël hield zich niet aan het verbond en ging in ontrouw andere goden achterna.
Jer 3:1  Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt [met] veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE. (SV)
Wegens haar ontrouw, haar 'nahoereren' van andere goden, en haar onbekeerlijkheid is Israël, om te beginnen het Noordrijk, met een scheidbrief weggestuurd. Maar het overige deel van Israël, Juda, hoereerde ook.
Jer 3:8  En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook. (SV)

God denkt met 'weemoed' terug aan de eerste liefde van het volk.

Jer 2:2  Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land. (SV)
Jer 3:14  Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion. (SV)

God heeft Zich daarop tot de heidenen gewend om een volk voor Zijn naam aan te nemen. Israël is thans 'niet mijn volk'. De Gemeente van Christus daarentegen, voornamelijk uit bekeerde heidenen bestaand, is thans Gods volk. Israël is, geestelijk gesproken, in een doodsstaat. Maar daarin zal verandering komen. Israël is niet voorgoed verworpen en zal, dankzij Gods trouw, weer als Gods vrouw worden aangenomen.

Hos 2:19  (2-18) En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. Hos 2:20  (2-19) En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen. (SV)

Israël is dus de vrouw van God. Uit God en Israël, als het ware uit deze huwelijkse betrekking, is de Messias voortgekomen. Voor Deze, die door het overgrote deel van Israël is verworpen, wordt een andere vrouw geworven: een gemeente ('Mijn gemeente', Matth. 16:18) bestaande uit een gelovig overblijfsel uit Israël en een grote menigte uit de heidenen.

Moeder van de Messias

Uit dit volk is de Messias gesproten.
Ro 9:4  Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften; Ro 9:5  tot hen behoren de vaderen, en uit hen is naar het vlees de Christus, ... (Telos)
De betrekking tussen Israël en de gemeente is die van een moeder en een zoon. Zij heeft hem zonder smarten gebaard, maar eens zal Hij, in een geestelijke baring, met smarten gebaard worden.
Opb 12:1  En er werd een groot teken gezien in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon en de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.  Opb 12:2  En zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren. Opb 12:3  En er werd een ander teken gezien in de hemel; en zie, een grote, vuurrode draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven diademen.  Opb 12:4  En zijn staart sleepte het derde deel van de sterren van de hemel mee en wierp ze op de aarde. En de draak stond voor de vrouw die zou baren, om zodra zij haar kind zou baren, het te verslinden.  Opb 12:5  En zij baarde een zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. Opb 12:6  En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat men haar twaalfhonderdenzestig dagen voedde. (Telos)
Wanneer de Heer Jezus in heerlijkheid is teruggekomen, zal Israël een rouwklacht aanheffen, als de rouwklacht over een enige zoon of kind of eerstgeborene die men door de dood verloren heeft.
Zac 12:10  Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als [met] de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. (SV)
Sarah is een beeld van Israël. Sarah stierf en Eliëzer (zinnebeeld van de Heilige Geest) werft in opdracht van Abraham een bruid voor diens zoon Izak. Rebekka, de aanstaande bruid, ontmoet Izak in het open veld. Hij neemt haar tot vrouw en wordt door haar getroost na de dood van zijn moeder Sarah.
Ge 24:67  En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders [dood]. (SV)
Zo is de Heer Jezus als het ware getroost door de gemeente, die thans Zijn verloofde is, nadat Sarah, Israël, was gestorven door de verwerping van de Messias.

God hun koning

De profeet Bileam sprak de woorden die God hem in de mond had gelegd aangaande Israël

Nu 23:21 Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem. (SV)

Het trompetgeschal van de koning is bij hem; niet alleen heeft Jahweh Zich aan dit volk tot God, maar ook tot Koning gegeven. Toen het volk later een menselijke koning begeerde, werd dat door God als een afwijzing ervaren. Saul werd de eerst menselijke koning, die echter ongehoorzaam was. Na hem kwam David, een onvolmaakte man, niettemin een naar Gods hart. De ware koning zal een mens zijn die tegelijk God belichaamt en vertegenwoordigt, God en mens in één persoon, onze Heer Jezus Christus, die eens op de troon van zijn vader David zal plaatsnemen. David de lijdende koning en Salomo de vredevorst zijn voorafbeeldingen van de ware Koning van Israël. 

Gods wijngaard

De Heer Jezus Christus vergelijkt Israël met een wijngaard en God met een Heer van de wijngaard (Luc. 20:9-16). 

Verstrooiing

Door zijn ontrouw en ongehoorzaamheid aan God is het verbondsvolk verstrooid in de wereld. Door de geleden verdrukking, de Tweede Wereldoorlog met de holocaust en de oprichting van de staat Israël vindt er een massale terugkeer van Jacobs nageslacht naar het Beloofde Land plaats. Anno 2010 leefde de ene helft van de Israelieten in de verstrooiing, de andere helft in Israël. 

Jodenhaat

Na de holocaust in de Tweede Wereldoorlog is de Jodenhaat helaas niet opgehouden. Vooral in de arabische moslimwereld is de haat opgelaaid, toen het terugkeerde volksdeel vanaf Israël in 1948 een onafhankelijke staat uitriep. Sindsdien heeft de jonge staat meerdere oorlogen moeten voeren om de vijanden af te houden. De dreiging van Ps. 83 hangt nog altijd in de lucht.
Ps 83:1 Een lied, een psalm van Asaf. O God, zwijg niet, houd U niet doof, wees niet stil, o God! Ps 83:2 Want zie, Uw vijanden tieren, wie U haten, steken [hun] hoofd omhoog. Ps 83:3 Zij beramen listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk en beraadslagen tegen Uw beschermelingen. Ps 83:4 Kom, zeiden zij, laten wij hen uitroeien, zodat zij geen volk meer zijn en aan de naam van Israël niet meer gedacht wordt. 
Er zijn ook vandaag de dag zijn er lieden als de jodenhater Haman die alle Joden - althans de Zionisten die een eigen staat hebben gesticht en willen behouden - zoeken weg te vagen. 
Es 3:6 Maar het was in zijn ogen verachtelijk om alleen aan Mordechai de hand te slaan, want zij hadden hem verteld [tot welk] volk Mordechai [behoorde]. En Haman zocht [een manier] om alle Joden, die in heel het koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, weg te vagen. (HSV)
Es 3:13 De brieven werden door ijlboden verzonden naar alle gewesten van de koning, [met het bevel] alle Joden weg te vagen, te doden en om te brengen, van jong tot oud, [met] de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, de dertiende van de twaalfde maand, dat is de maand Adar, en hun bezit te plunderen.

Bewaring

Hoewel al vele volken hebben opgehouden te bestaan, God zal het (voort)bestaan van Israël waarborgen.
Jer 31:35  Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:  Jer 31:36  Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.  Jer 31:37  Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE. (SV)
Psalm 124:1 Een bedevaartslied. Van David. Ware het niet de HERE, die met ons was, (zegge nu Israel) 2  ware het niet de HERE, die met ons was, toen mensen tegen ons opstonden, 3  dan hadden zij ons levend verslonden, toen hun toorn tegen ons ontbrandde; 4  dan hadden de wateren ons overstroomd, een wilde beek ware over ons heengegaan; 5  dan waren de overstelpende wateren over ons heengegaan. 6  Geprezen zij de HERE, die ons niet overgaf ten buit aan hun tanden! 7  Onze ziel is ontkomen als een vogel uit de strik van de vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen! 8  Onze hulp is in de naam des HEREN, die hemel en aarde gemaakt heeft. (NBG51)

Gelovig overblijfsel

Te allen tijde heeft God echter een gelovig overblijfsel onder het volk Israël gelaten, een rest die Hem dient. In elke eeuw was er een overblijfsel naar de verkiezing van Gods genade. Tot het overblijfsel behoren de eerste discipelen van Jezus en alle gelovige Joden in alle eeuwen na Christus. Dezen behoren tot de gemeente van Jezus Christus, samen met de gelovigen uit de niet-Joodse volken. 

Uit het volk Israël is de Heiland der wereld voortgekomen: Jezus Christus. Die in Hem gelooft, hetzij jood of heiden, wordt toegevoegd aan Gods nieuwe volk, de gemeente van Jezus Christus. De gelovigen uit de heidenen waren eerst niet Gods volk en niet Zijn geliefde. 
Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. (Telos)

Gods roeping en trouw

God heeft de aartsvaders beloften gedaan die Hij zal vervullen. Hij is Getrouwe.
Ro 3:3  Wat dan? Als sommigen ongelovig zijn geweest, zal hun ongeloof de trouw van God te niet doen? Ro 3:4  Volstrekt niet! Maar God zij waarachtig en ieder mens leugenachtig, ... (Telos)
Hij heeft zijn volk weliswaar terzijde gesteld, op een zijspoor gezet, maar niet verworpen.
Jes 41:8  Maar gij, Israël, Mijn knecht! gij Jakob, dien Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber! Jes 41:9  Gij, welken Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zeide tot u: Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen. Jes 41:10  Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid. Jes 41:11  Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die lieden, die met u twisten, zullen vergaan. Jes 41:12  Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de lieden, die met u kijven, zullen worden als niet, en die lieden, die met u oorlogen, als een nietig ding. Jes 41:13  Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. Jes 41:14  Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israëls! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israëls! (SV)

Toekomst

Over de toekomst van het volk Israël, zie Toekomst van Israël.

Zie ook

Meer informatie

Boek

Randall Price, What Should We Think About Israel?: Separating Fact from Fiction in the Middle East Conflict. Harvest House Publishers, 2019. Pagina's: 336.

Video's

Levenslicht - Israël, je kunt er niet omheen! - Jacques Brunt. Youtube.com: Jacques Brunt, 29 okt. 2023. Duur: 10 min. 28 sec. Jacques Brunt geeft drie redenen op waarom we niet om Israël heen kunnen.

Engelstalige video's

Tommy Ice, What should we think about Israël. Youtube.com: Prophecy Watchers, 25 sept. 2019. Duur: 29 min. 30 sec. Gesprek van Gary Stearman met Thomas Ice.

Randall Price: Separating Fact From Fiction in the Middle East. Youtube.com: Prophecy Watchers, 24 sept. 2018. Duur: 28 min. 30 sec. Gesprek met Randall Price naar aanleiding van het boek What Should We Think About Israel?: Separating Fact from Fiction in the Middle East Conflict (zie boven)

Voetnoot

  1. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.