Gibeonieten

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Gibeonieten waren Hevieten (Joz. 11:19) die door list een verbond met Israël sloten en daarna dienstknechten in Israël waren.

De Gibeonieten behoorden tot de Amorieten.

2Sa 21:2 ... nu behoorden de Gibeonieten niet tot de Israëlieten, maar tot het overblijfsel van de Amorieten ... (HSV)

De Gibeonieten vormden in het begin een Hevietische vrijstaat van vier steden (Joz. 9: 7, 17; 11: 19). Ze waren oorlogzuchtig en even machtig als de omliggende koninkrijken (Joz. 10: 2).

Verschrikt door het lot van Jericho en Ai (Joz 9: 3, 24) wisten zij door list een verbond te bewerken, waardoor zij het leven behielden maar slavendienst voor Israël moesten verrichten. Hierdoor ten minste geheel van de afgodendienst afgetrokken, werden zij Israël niet tot een verzoeking.

Joz 9:12  Dit brood van ons hebben wij warm als voedsel voor onderweg uit onze huizen meegenomen op de dag dat wij vertrokken om naar u toe te gaan. Maar zie, nu is het droog en kruimelig.

Toen de vijf koningen van de Amorieten, om de Gibeonieten als afvallige bondgenoten te kastijden, Gibeon belegerden, nam Israel ze in bescherming en sloeg in de nabijheid van de stad de eersten, voornaamsten veldslag (Joz. 10).

Drie steden van de Gibeonieten werden aan Benjamin, één stad aan Juda gegeven (Joz. 18: 14, 25). Gibeon zelf werd een priesterstad (Joz. 21: 27). Gedurende lange tijd, terwijl de ark van het verbond al in Jeruzalem was, stond de tabernakel in Gibeon, alwaar geofferd werd (1 Kron. 16: 39 . 21: 29).

Aan Salomo viel aldaar op de prachtige hoogte een verschijning van de Heer ten deel (2 Kron. 1; 1 Kon. 3: 4). Ongeveer 400 jaren na Jozua liet Saul in zijn ontijdige ijver, de Gibeonieten, die als vreedzame, vrome lieden onder Israël leefden (2 Sam. 21: 2 v.) nog uitroeien. Hunne vervolging (vers 5) moet gedurende een lange tijd zijn voortgezet en Sauls familie had naar de getuigenis van de Heer die schuld ook op zich geladen (2 Sam. 21 : 1).

Toen de Heer — waarschijnlijk bij het begin van de regering van David, toen de zaak nog pas gebeurd en ook Saul nog onbegraven was (verzen 12, 14) — deze schuld door een hongersnood bezocht, waren wel de nog overgebleven Gibeonieten, vrij van eigenbaat of wraakzucht, bereid om iedere bestraffing van de schuldigen kwijt te schelden (vers 5), maar namen zij toch op Davids verzoek zulk een voldoening aan, als met de wet (Num. 35 : 31, 33) overeenkwam. Zeven nakomelingen van Saul wensten zij te zien opgehangen te Gibea, de woon- en geboorteplaats van Saul. Door dit antwoord van de Gibeonieten werd het David mogelijk, met de uitoefening van de strengste rechtvaardigheid en tevens ter wille van Jonathan, die leden van Sauls familie met zachtheid te behandelen, die de meeste aanspraak hadden op de troon (2 Sam. 21: 5-14).

Van dezen tijd af verdwijnen de Gibeonieten als zodanig uit de geschiedenis en werden onder de Nethinim, de tempeldienaren, begrepen.

Bron

H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Gibeonieten. De tekst van dit lemma is op 3 april 2017 verwerkt.