Scheba

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Sjeba)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Scheba (= 'zeven' of 'eed'), ook geschreven Seba, Sjeba, is de naam van enkele mannen genoemd in de Bijbel en ook van een koninkrijk in het zuid-westen van Arabië, nu Jemen geheten. De bewoners heetten Sabeeërs of Schebeërs[1]. Het koninkrijk Scheba of Saba is vooral bekend door zijn koningin die Salomo bezocht om zijn wijsheid te horen (1 Kon. 10:1-10).

Woord. De Hebreeuwse eigennaam en plaatsnaam is שׁבא, Sjeba. De betekenis is "zeven" of "eed"[2]. Het Strongnummer is 07614. De naam komt 23x voor in het Oude Testament. De Engelse naam in de King James vertaling is Sheba.

Verwijzingen. De naam Scheba verwijst naar twee afstammelingen van Cham, twee afstammelingen van Sem, en het land en volk in Zuid-Arabië.

1. Zoon van Koesj (Cusj) en nakomeling van Cham

 
 
Noach
 
 
 
 
 
 
 
 
Cham
 
 
 
 
 
 
 
 
Koesj
 
 
 
 
 
 
 
 
Seba

Ge 10:7 De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan. (HSV)

2. Zoon van Raëma, een zoon van Koesj; nakomeling van Cham. Gen. 10:7; 1 Kron. 1:9.

 
 
Noach
 
 
 
 
 
 
 
 
Cham
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Koesj
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Raëma
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Sjeba
 
Dedan

Ge 10:7 De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan. (HSV)

Deze Sjeba is dus familie van de vorige Seba: een neef van hem. De afstammelingen van Sjeba hebben zich gevestigd - zo wordt doorgaans aangenomen[3] - op de oevers van de Perzische golf.

3. Zoon van Joktan, een afstammeling van Sem. Gen. 10:28; 1 Kron. 1:22.

 
 
Noach
 
 
 
 
 
 
 
 
Sem
 
 
 
 
 
 
 
 
Arfachsad
 
 
 
 
 
 
 
 
Kainan
 
 
 
 
 
 
 
 
Selah
 
 
 
 
 
 
 
 
Heber
 
 
 
 
 
 
 
 
Joktan
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Sjeba
 

Ge 10:25 En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan. Ge 10:26 En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hatsarmaveth, en Jarach, Ge 10:27 En Hadoram, en Usal, en Dikla, Ge 10:28 En Obal, en Abimael, en Scheba, Ge 10:29 En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.

Zijn afstammelingen woonden in Zuid-Arabië[3].

4. Zoon van Joksan en kleinzoon van Abraham en Ketura. Gen. 25:3; 1 Kron. 1:32.

Abraham
 
Ketura
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Joksan
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Dedan
 
Seba

Ge 25:1 En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura. Ge 25:2 En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. Ge 25:3 En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. (SV)

Sommigen menen dat zijn afstammelingen zich in het verre noorden hebben gevestigd; anderen zien hen ergens in Arabië[3].

5. Land en volk van Scheba, zie hierna.

Land en volk van Scheba

Ligging. De ligging ten opzichte van Israël was in het Zuiden. Jezus verwees naar "de koningin van het Zuiden":

Mt 12:42 De koningin van het Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met dit geslacht en het veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier!(TELOS)

Ligging van Scheba. Uit Scheba werden goud, edelstenen, specerijen en andere goederen naar Israël gebracht

Bewoners. De naam van een land of volk komt ook voor Job 6:19; Ps 72:10, 15; Jes. 60:6; Jer. 6:20, Eze 27:22, 23; 38:13. Het is onzeker wiens afstammingen (de afstammelingen van de mannen boven genoemd) zich daar gevestigd hebben, wellicht de afstammelingen van Sjeba de zoon van Joktan.

Hoofdstad. De hoofdstad van Scheba was Saba (of Sabae) en later Marib.

Afgoderij. Overblijfselen van een grote dam en een tempel gewijd aan de god van de maan zijn ontdekt in Marib.

Producten. In het land groeiden zonder bijzondere zorg van de bewoners wierook, mirre, kaneel en balsem in overvloed. Ook vond men er veel goud en edele stenen.

Handel. Met de voortbrengselen van de bodem dreven die van Scheba een levendige handel met Israël, Syrië en Fenicië, van waar zij onder andere slaven uitvoerden. De Sabeeërs dreven dus ook slavenhandel. Scheba werd rijk door de handel in kruiden, specerijen, goud , edelstenen en wierook. Ze waren door hun uitgestrekte handel de rijkste volksstam onder de Arabieren.

De wierook uit Scheba werd gebruikt in de offerdienst van Israël:

Jer 6:20 Waarom zou dan voor Mij wierook uit Seba komen en kalmoes uit een ver land? Uw brandoffers geven Mij geen welgevallen en uw slachtoffers zijn Mij niet aangenaam. (NBG51)

Koningin. In de tiende eeuw v. Chr. reisde de koningin van Seba over een afstand van 1600 km per kameel naar Jeruzalem, om een bezoek te brengen aan koning Salomo en diens wijsheid te horen. De Heer Jezus verwees naar haar toen hij zei:

Mt 12:42 De koningin van het Zuiden zal worden opgewekt in het oordeel met dit geslacht en het veroordelen, want zij kwam van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier! (TELOS)

Bronnen

  • Ontdek de Bijbel, s.v. Seba
  • Frithiof Dahlby, Bijbels Woordenboek, s.v. Scheba. Baarn: Bosch & Keuning.
  • P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Scheba' is op 216 juni 2017 verwerkt.
  1. 'Schebeeërs' noemt P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling ( Haarlem: De erven F. Bohn, 1866) s.v. Scheba.
  2. Hebreeuws-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  3. 3,0 3,1 3,2 Aldus A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Sheba.