1 Korinthiërs 11

Uit Christipedia

1 Korinthiërs 11 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd. De volgende hoofdstukken van 1 Korinthiërs zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

1 Korinthiërs, hoofdstuk: 12345678910111213141516

Inleiding

Tot zover behandelde de apostel een serie van onderwerpen, die behoren tot het terrein van het zedelijk leven der gemeente, vooral in betrekking tot de christelijke vrijheid (hoofdst. 6-10). Nu gaat hij verschillende onderwerpen behandelen, die de gods­dienstoefening betreffen, en begint dan met het onderwerp, dat het naast ligt bij het gebied der vrijheid: de uiterlijke houding van de vrouwen bij de godsdienstoefening, bijzonder hun (on)gedekt bidden. Dan zal gehandeld worden over de ongeregeldheden, die binnengedrongen zijn bij de viering van het heilig avondmaal en bij de bedeling van de geestelijke gaven. Deze drie onderwerpen verenigt Paulus in de hoofdstukken 11-14, die zo nauw verbonden zijn.

1

1Co 11:1 Weest mijn navolgers, zoals ook ik van Christus. (TELOS)

Dit vers is het laatste van het gedeelte over de afgodenoffers.

2—16 De hoofdbedekking van de vrouw

De verzen 2 t/m 16 handelen over de hoofdbedekking, inz. van de vrouw. De hoofdbedekking is ‘een macht’, een symbool van onder gezag staan (1 Cor. 11:10). Paulus noemt meerdere redenen om het hoofd te dekken door een vrouw wanneer zij bidt of profeteert.

Paulus leerde dat de gelovigen in Christus een nieuwe schepping zijn en dat in Hem noch man, noch vrouw, noch slaaf, noch vrije, noch Griek, noch Jood is.

Ga 3:27  Want u allen die tot Christus bent gedoopt, hebt Christus aangedaan.  Ga 3:28  Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen een in Christus Jezus. (Telos)

Col 3:9  Liegt niet tegen elkaar, daar u de oude mens met zijn daden hebt uitgedaan  Col 3:10  en de nieuwe hebt aangedaan, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het beeld van Hem die hem geschapen heeft. Col 3:11  Daarin is niet Griek en Jood, besnijdenis en onbesnedenheid, barbaar, Scyth, slaaf, vrije; maar Christus is alles en in allen. (Telos)

Hoe gemakkelijk zou men nu daaruit kunnen komen tot dit besluit: Er is dus geen verschil meer, vooral niet in de gods­dienstoefening, waar wij allen voor God verschijnen, tussen de houding van de man en die van de vrouw. Wanneer nu de man tot zijn broeders of tot God spreekt met ongedekt hoofde, waarom zou de vrouw het dan ook niet doen? En de geest der vrijheid, die de gemeente van Korinthe bezielde, in aanmerking genomen, dan is het niet waarschijnlijk, dat men tot op dat ogenblik slechts bij de theorie was blijven staan. Men was reeds tot de praktijk gekomen; dat schijnt ons bij de lezing van vs. 15 en 16 te doen veronderstellen. Dat had de apostel vernomen, niet door een brief van de kant der Korinthiërs, waarop hij hier geen enkele zinspeling maakt (als in 8:1), maar waarschijnlijk wel van de afgevaardigden der gemeente.

2

1Co 11:2 En ik prijs u, dat u in alles aan mij denkt en de inzettingen vasthoudt, zoals ik ze u heb overgeleverd. (TELOS)

Paulus begint weer met een algemeen woord van lof met het oog op de wijze waarop de gemeente zich getrouw houdt aan de kerkelijke instellingen die hij had ingesteld.

Toch was er een punt, waaromtrent de apostel zich in zijn mondeling onderricht niet nadrukkelijk had uitgesproken; waar­schijnlijk wel, omdat zich de gelegenheid daartoe nog niet had voorgedaan, daar geen enkele vrouw geprobeerd had om in zijn tegenwoordigheid te beproeven, of zij het recht had om te spreken en wel te spreken met ongedekt hoofd. Sinds zijn vertrek waren de omstandigheden veranderd.

En. Dit woordje vormt de overgang tot een nieuw onderwerp.

De inzettingen. Het woord 'inzettingen' (Gr. παραδοσεις, paradoseis) wijst hier zeker op de overleveringen, die betrekking hebben op de kerkelijke gebruiken, en niet op het leerstellig onderwijs; dit zal eerst in hoofdst. 15: 3 ter sprake van komen. Een van de inzettingen is die van de hoofdbedekking. Deze inzetting werd blijkens het vervolg niet door allen nagevolgd.

3

1Co 11:3 Maar ik wil dat u weet, dat Christus het hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] hoofd van Christus. (TELOS)

Een rangorde van hoofdschap. Elders vermeldt Paulus een rangorde van eigendom.

1Co 3:21 Laat daarom niemand in mensen roemen; want alles is van u: 1Co 3:22  hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige dingen, alles is van u; 1Co 3:23  en u bent van Christus, en Christus is van God. (Telos)

In de hiërarchie of rangorde van hoofdschap staat God bovenaan, dan Christus, dan de man, eindelijk de vrouw.

Maar. Dit woord vormt hier een tegenstelling; Paulus komt nu aan een punt, waarop de loftuiting, die hij pas heeft gegeven, niet meer van toepassing is.

Ik wil dat u weet, dat ... De gelovigen hielden vast aan de overgeleverde inzettingen, maar er was een punt, waaromtrent de apostel zich in zijn mondeling onderricht waarschijnlijk niet nadrukkelijk had uitgesproken; vermoedelijk, omdat zich de gelegenheid daartoe nog niet had voorgedaan, daar geen enkele vrouw geprobeerd had om in zijn tegenwoordigheid te beproeven, of zij het recht had om te spreken en wel te spreken met ongedekt hoofd. Sinds zijn vertrek waren de omstandigheden veranderd.

Men vraagt als vanzelf, terwijl men dit en de volgende verzen leest, waarom de apostel het toch nodig oordeelt om de dingen zo hoog op te nemen en om het (on)gedekt bidden, dat toch van zulk een ondergeschikt belang is naar het schijnt, in verband te brengen met betrekkingen, die zo hoog zijn als die van de mens met Christus en van Christus met God. Om deze wijze van doen te verklaren, moet men zich de trots van Korinthiërs herinneren, die alles meenden te weten en aan wie de apostel ongetwijfeld nu tonen wil, dat er voor hen nog iets valt te leren: „ik wil, dat u weet". Het is vrijwel waar­schijnlijk, volgens vs. 16, dat de vrijzinnigen te Korinthe met een zekere minachting spraken van de gemeentelijke voorschriften, door de apostel nagelaten en dat meerderen voor­gaven in naam van de Geest deze regels over boord te werpen.

Paulus wil hun doen begrijpen, dat alles onafscheidelijk nauw aan elkaar verbonden is, hetzij op het terrein van het goede, hetzij op dat van het kwade; dat ontrouw aan het goddelijk bevel, zelfs in de meest uitwendige aangelegenheden, een aan­slag op de meest verhevene betrekkingen in zich kan sluiten, en dat de eerbiedige onderhouding van hetgeen betamelijk is, zelfs in deze dingen, een bestanddeel is van de christelijke heiligheid. Zie daar de reden, waarom hij begint met dit bij­zondere punt van het leven der gemeente weer in het licht te stellen van de beide meest heilige analogieën, die men kan denken en waarin hij de openbaring aantoont van een goddelijke orde. Zij, die hem met aanmatiging bekritiseren, zullen daar­door kunnen verstaan, waar hij de regels, die hij voor de ge­meente stelt, gaat putten.

Dat Christus het hoofd is van iedere man. Het valt op dat Paulus niet begint met de hoogste in de rangorde, God. De verhouding tussen Christus en de man wordt voorop gesteld. Paulus begint ermee op te wijzen dat de man te maken heeft met het hoofdschap van Christus.

Hoewel en omdat in het gedeelte van de verzen 2 - 16 de nadruk ligt op de hoofdbedekking en de plaats van de vrouw, omdat er vrouwen waren die ongedekt baden of profeteerden, is het goed eerst te beseffen dat de man niet soeverein is: hij staat onder gezag van Christus. Ook in het volgende vers gaat het eerst om de man die bidt of profeteert. Na de zondeval, waarbij Eva als eerste overtrad en vervolgens haar man als het ware meetrok, spreekt God eerst de man aan.

Iedere man. Zie "iedere" in verzen 4 en 5. Deze verzen, die op gelovigen zien, schijnen erop te wijzen dat Paulus niet aan de man in het algemeen denkt, maar aan de christenechtgenoot.

De man [het] hoofd van [de] vrouw. Het lidwoord ('het') ontbreekt.

Christus is het hoofd van iedere man, maar een man is niet het hoofd van iedere vrouw. Elke man is alleen het hoofd van zijn eigen vrouw. Het beginsel is echter algemeen gesteld, "de man is het hoofd van de vrouw", en geldt daarom wellicht ook in maatschappelijke verhoudingen buiten het huwelijk. In de samenleving van de mens berust het hoofdschap bij de man; het is zijn taak om leiding te geven. Hoe groter het gezagsgebied, hoe passender het is dat een man leiding geeft. Dit standpunt druist in tegen de tijdgeest, die gelijkheid bovenaan stelt en de gezagsverhouding ontkent.

Voor alles denkt Paulus bij het hoofdschap van de man aan de natuurlijke maatschappelijke verhouding, krachtens welke, bij de echtelijke aangelegenheden, de man de leiding heeft en de vrouw een ondergeschikte plaats inneemt. Deze verhouding nu wordt niet tenietgedaan door het geloofsleven; in tegen­deel, het geloof maakt zich daarvan meester en heiligt ze. Volgens de mening van de apostel is de verhouding tussen de man en de vrouw in het huwelijk een weerschijn van die, welke Christus en de gemeente samenbindt (Ef. 5).

Man kan van mening zijn dat Paulus slechts denkt aan de man­nen en vrouwen, die reeds christenen zijn. Maar vanaf dit vers denkt de apostel aan het verschil van de geslachten als zodanig. Hij spreekt van de man en de vrouw in liet algemeen, omdat hij het als natuurlijk beschouwt dat de jonge mannen en de jonge vrouwen bestemd zijn om te trouwen. Volgens zijn mening is heel het vrouwelijk geslacht geschapen met het oog op zijn ondergeschiktheid aan het mannelijk ge­slacht.

Zou men uit de woorden van Paulus het besluit moeten trekken, dat de gehuwde christelijke vrouw Christus niet voor hoofd heeft, wat haar eeuwige persoonlijkheid betreft? Volstrekt niet, het heil in Christus is voor de vrouw hetzelfde als voor de man, en er is geen verschil tussen de band, waardoor zij aan Christus is gebonden en die, welke de man verbindt aan Hem. Het woord: „U bent de ranken, ik de wijnstok" geldt voor beide geslachten gelijkelijk. Maar vanuit het gezichtspunt van de aardse verschijning en van de rol, die zij in de maatschappij speelt, behoudt de vrouw, zelfs onder de bedeling van het Evangelie, haar ondergeschikte plaats.

De tijd zal eens aanbreken, dat ook dit onderscheid der geslachten niet meer zal zijn.

Mt 22:30  Want in de opstanding trouwen zij niet en worden niet uitgehuwelijkt, maar zij zijn als engelen van God in de hemel. (Telos)

Zolang de huidige fysieke gesteldheid van de mensheid zal blijven bestaan, zolang zal ook de vrouw ondergeschikt blij­ven, zelfs de christelijke vrouw. Zoals het gelovige kind zijn gemeen­schap met de Heer verwerkelijkt onder de vorm van zijn kinderlijke gehoorzaamheid jegens zijn ouders, zo verwezenlijkt ook de gelovige moeder haar gemeenschap met de Heer onder de vorm van haar ondergeschiktheid jegens haar echt­genoot, zonder dat nu daarom haar gemeenschap met de Heer minder onmiddellijk en nauw is dan die van haar man. De man staat niet tussen haar en de Heer; zij onderwerpt zich aan hem in de Heer; in Hem bemint ze hem en door hem te helpen leeft zij voor de Heer. En waar zij nu, van maatschappelijk oogpunt bezien, zijn vrouw is, daar is zij met het oog op haar zaligheid zijn zuster. Zo stemmen dan deze beide woorden overeen, die uit een en dezelfde pen gevloeid zijn: "In Christus is noch man, noch vrouw," en "De man is het hoofd van de vrouw."

Ga 3:28  Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen een in Christus Jezus. (Telos)

En God [het] hoofd van Christus. Het lidwoord ('het') ontbreekt.

Er zijn dus drie betrekkingen, die onder elkaar een soort van hiërarchie vormen: op de onderste trap staat de zuiver menselijke betrekking tussen de man en de vrouw; hoger, de verhouding tussen Christus en de man, op de hoogste trap, de be­trekking tussen God en Christus. De gemeenschappelijke term, waardoor Paulus deze drie verhoudingen kentekent, is die van hoofd. Deze figuur­lijke uitdrukking sluit twee gedachten in zich: namelijk de gedachte van een gemeenschappelijk leven en die van een on­gelijkheid, die gepaard gaat met deze levensgemeenschap. Zo tussen de man en de vrouw: door de huwelijksband wordt tussen hen de band van een gemeenschappelijk leven ge­legd, maar een zodanige, dat de een het sterke en het lei­dende bestanddeel is, het ander het ontvankelijke en afhan­kelijke element.

Zo staat het ook met de verhouding tussen Christus en de mens. Deze verhouding, die tot stand is gekomen door de band van het geloof, legt ook de grond voor een levensgemeenschap, waarbij de een de richting aangeeft en de ander ontvankelijk is en geleid wordt.

Een analoge verhouding openbaart zich in de hoogste van de drie betrekkingen. Paulus wil klaarblijkelijk klimmen tot op de top, waarboven we niets meer ontwaren. Door de band van het Zoonschap, bestaat er levensgemeenschap tussen Christus en God, maar een zodanige, dat de aandrijving uitgaat van de Vader en dat „de Zoon slechts doet wat Hij de Vader ziet doen" (Joh. 5:19). In de gemeenschap van het goddelijk wezen vinden we deze beide polen terug, de een richtend, de ander afhankelijk, God en de Christus.

Vele uitleggers menen dat deze uitdrukking, "het hoofd van Christus" slechts op Christus, die vlees geworden is, kan zien.

1Co 15:45  Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest. (...) 1Co 15:47  De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. (Telos)

Andere uitleggers zijn daarom van mening, dat het niet nodig is om terug te deinzen voor het begrip van ondergeschiktheid, dat toegepast wordt op het goddelijk wezen van Christus. Deze gedachte van de ondergeschiktheid van Christus, als wezen, dat van eeuwigheid bestond (8:6; vgl. ook 10:4, Christus als de geestelijke steenrots) volgt uit de woorden Zoon en Woord, waardoor Hij aangewezen wordt, evenals uit die passages zelfs, waarin op de meest duidelijke wijze de Godheid van Christus wordt uitgesproken (Col. 1: 15; Hebr. 1:2-3; Joh. 1: 1, 18; Opb. 1:1).

4

1Co 11:4 Iedere man die bidt of profeteert met iets op zijn hoofd, onteert zijn hoofd; (TELOS)

De apostel gaat nu over tot de toepassing van het beginsel van hoofdschap op gedekt en ongedekte bidden en profeteren door mannen en vrouwen.

Iedere man die bidt of profeteert met iets op zijn hoofd. Sommige uitleggers[1] hebben uit dit vers tot de mening besloten, dat de mannen te Korinthe ook hun eigen­ waardigheid te na kwamen door zich te bedekken. Maar het ligt niet voor de hand dat misbruiken in deze richting waren ontstaan, vooral in Griekenland, waar mannen en vrouwen met onbedekt hoofd baden (→ Hoofdbedekking). De houding die de man past, wordt slechts genoemd om bij wijze van tegenstelling te doen voelen, welke houding alleen de vrouw past.

Bidt of profeteert. De beide handelingen van bidden en profeteren zullen in hoofdst. 14 weer besproken worden (profeten vanaf 14:1v en bidden in 14:14-17). Laten we nu alleen opmerken, dat in hoofdst. 14 het gebed genoemd wordt in verband met het spreken in talen, een gave die genoemd wordt in verband met die der profetie.

Deze opmerking leidt ons tot de gedachte, dat Paulus onder het gebed, waarvan hij hier in vs. 4 en 5 spreekt, vooral een gebed verstaat in een vreemde taal, dat wil zeggen in de sprake der extase.

Met iets op zijn hoofd. De Griekse uitdrukking betekent zoiets als „onderaan het hoofd hebbend"[2], dat wil zeggen een hoofddeksel dragend in de vorm van een sluier, die van het hoofd op de schouders hangt.

Onteert zijn hoofd. "Hoofd" wordt hier dikwijls in de letterlijke zin opgevat: wanneer men dit hoofd bedekt, dat geschapen is om zich onge­dekt te laten zien, dan bedekt men dat uit schaamte. Maar waartoe behoefde dan in dit geval vs. 4 voorafgegaan te worden door de overweging van vs. 3: „Christus is het hoofd van iedere man." Ingeval deze opmerking een bedoeling had, dan moest het die zijn om de gedachte van het 4e vers voor te bereiden en om bijgevolg de toepassing van het woord hoofd op Christus zelf te rechtvaardigen; wat ons niet belet om met meerdere uitleggers te erkennen, dat we hier met een fijn be­dachte woordspeling te doen hebben : „Wanneer de gelovige zijn eigen hoofd onteert door zich te bedekken, dan onteert hij Christus ook, wiens glorie hij moest zijn." Het gaat dus beide om zijn eigen letterlijke (fysieke) en om zijn figuurlijke hoofd. Zijn figuurlijke hoofd is Christus. Dat het fysieke hoofd is inbegrepen, valt af te leiden uit de verzen 5-6 (de vrouw onteert haar hoofd, waarbij het een en hetzelfde zou zijn is alsof zij geschoren was, en dit is voor haar een schande) en 14 (het dragen van lang haar is een oneer voor de man).

Iedere man die bij de waarneming van een gods­dienstige handeling zijn hoofd bedekt, erkent daardoor, dat hij afhankelijk is van enig ander aards hoofd dan van zijn hemelse hoofd, en berooft daardoor Hem, Christus, van de eer, die Hem als hoofd van de man toekomt. Het ongedekte hoofd, het vrije en heldere voorhoofd, de hoge en vaste blik, de edele haardos, die lijkt, zoals door iemand eens gezegd is, „op een kroon van dofte stralen" ziedaar al de tekenen van de koning der natuur, die in het heelal geen ander hoofd heeft dan de onzichtbare Heer van alle dingen. Om dus de eer van de Heer niet te na te komen, moet hij zich respecteren door zijn hoofd niet te bedekken.

Heb 2:5 Want niet aan engelen heeft Hij onderworpen het toekomstige aardrijk waarover wij spreken, Heb 2:6  maar iemand heeft ergens betuigd en gezegd: ‘Wat is de mens dat U hem gedenkt, of de mensenzoon dat U acht op hem geeft? Heb 2:7  U hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en hem gesteld over de werken van uw handen; Heb 2:8  alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door Hem alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen; (Telos)

Gesluierde Griekse vrouw, 2e eeuw v.C.

5

1Co 11:5 en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was. (TELOS)

De vrouw droeg in Griekenland in het openbaar de sluier, het gewone kledingstuk uit de Oosterse vrouwenwereld. Alleen waren daarop bij de Griekse afgodische eredienst uitzonderingen. Paulus wil niet dat de gelovige vrouw bij het bidden of profeteren de sluier wegdoet.

Iedere vrouw. Het is wel waarschijnlijk dat de apostel hier slechts aan de gehuwde vrouwen dacht. Dit betekent geenszins dat ongehuwde vrouwen geen hoofdbedekking nodig hadden[2].

die ... profeteert. Wie profeteert bouwt de gemeente op.

1Co 14:3  Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting. 1Co 14:4  Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op; maar wie profeteert, bouwt de gemeente op. (...) 1Co 14:12  Zo ook u, omdat u streeft naar geestelijke gaven, tracht overvloedig te zijn tot opbouwing van de gemeente. (Telos)

Onteert haar hoofd. Haar letterlijke, fysieke hoofd en haar figuurlijke hoofd. Door haar hoofd te ontbloten (in de letterlijke zin) onteert zij haar hoofd (in de over­drachtelijke zin).

Alsof zij geschoren was. Het werkwoord betekent scheren tot op de huid[2]. Paulus vergelijkt in de laatste woorden van dit vers de vrouw, die met ongedekt hoofd bidt of profeteert, met die, welke haar hoofd heeft laten scheren. En dat scheren van het hoofd gebeurde bij de Grieken alleen met de vrouwen, die slaven waren.

De natuur leert (vgl. vers 14) dat lang haar passend voor een vrouw is. Daarmee leert de natuur dat het passend is dat een vrouw gedekt is. De natuurlijke bedekking leert een cultuurlijke bedekking.

Een prostitué werd indertijd gestraft door haar kaal te scheren[3]. Hetzelfde lot viel na afloop van de tweede wereldoorlog in Nederland de "moffenmeiden" ten deel (zie foto).
"Moffenmeiden", die het met Duitsers hielden, werden na de oorlog tot hun schande kaal geschoren.
De vrouw die op aarde een zichtbaar hoofd (haar man) heeft, zou dit hoofd onteren door een kapsel van kortgeknipt haar, dat een symbool van onafhankelijk­heid zou zijn. Wanneer de vrouw in het openbaar op het terrein van het geestelijke leven een werk moet verrichten, waardoor zij op de voorgrond treedt, is het gepast dat zij haar hoofd dekt, waardoor de afhankelijkheid, waarin zij blijft met het oog op haar man, wordt te kennen gegeven. Het kan slechts tot oneer van haar man zijn, dat een vrouw in het openbaar optreedt in een kap­sel dat aan de man behoort.

Moeilijkheid i.v.m. 1 Kor. 14. Hier doet zich een moeilijkheid voor. De apostel schijnt beslist, door de vrouw op te leggen, dat zij haar hoofd moet dekken, de handeling te veroorloven waarom deze voorwaarde om de hoofdbedekking te dragen gemaakt wordt, dat wil zeggen, aan de vrouw te veroorloven om in het openbaar te bidden en te profeteren. In hoofdstuk 14: 34 zegt hij echter beslist en zonder enig voorbehoud: „Dat de vrouwen zwijgen in de vergaderingen." Deze schijnbare tegenstrijdigheid heeft sommige uitleggers op de gedachte gebracht, dat Paulus in ons hoofdstuk slechts doelde op een niet-gemeentelijke samenkomst:

  1. de samenkom­sten bij de huiselijke godsdienstoefening.
  2. of van pri­vate vergaderingen
  3. of van private vergaderingen waarop alleen vrouwen kwamen.
  4. elke niet-gemeentelijke samenkomst

Ad 1. Tegenwerping: het is onmogelijk om aan te nemen, dat de apos­tel aan een moeder de verplichting had willen opleggen om een sluier of andere hoofdbedekking op te doen, wanneer zij bad, omringd door haar man en door haar kinderen.

Ad. 2, 3 en 4. Tegenwerping: men kan niet inzien, hoe deze verklaring met vs. 10 van ons hoofdstuk zou te rijmen zijn: een macht dragen terwille van de engelen.

1Co 11:10 Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben terwille van de engelen. (Telos)

Het ligt ook voor de hand, dat in vs. 16 door Paulus gedoeld wordt op een openbare gods­dienstoefening in de vergaderingen van God.

1Co 11:16 Maar als iemand meent te moeten twisten wij hebben zo’n gewoonte niet, en evenmin de gemeenten van God. (Telos)

Tenslotte, Paulus maakt in 14:34-35 geen onderscheid tussen de ene en andere soort van samenkomsten; maar hij maakt daar de tegenstelling tussen de samenkomsten in het algemeen met het ogenblik waarop de man en de vrouw samen weer alleen thuis zullen zijn: "Laten de vrouwen zwijgen in de vergaderingen" (vs. 34) en "laten zij in huis hun eigen mannen vragen" (vs. 35).

6

1Co 11:6 Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook maar scheren; maar als het voor een vrouw een schande is zich te scheren of zich te laten scheren, laat zij zich dan dekken. (CP[4])

Ongedektheid is gelijk kaalheid.

Scheren. Scheren in die dagen is ons knippen. De schaar werd nog niet gebruikt: men denke aan Simson, wiens lange haar werd afgesneden. Bij ons is ook nog de beroepsnaam „haarsnijder" blijven hangen. Deze naam wordt hier en daar nog gebruikt, maar is inmiddels verouderd.

Want als een vrouw niet gedekt is, laat zij zich ook maar scheren. Om het afstotende karakter van de handelwijze te doen gevoelen, veronderstelt de apostel dat zij tot het uiterste gedreven is. Daar ligt in zijn uitdrukking verontwaardiging opgesloten: "als deze vrouw onbeschaamd genoeg is om de eerste van deze daden te doen, welnu, dat ze dan ook de tweede doe!" Het weerzinwekkend karakter van het een moet dat van het ander doen gevoelen.

Voor een vrouw een schande. De man daarentegen kan het haar laten knippen en behoeft geen sluier.

7-9 De vrouw geschapen om de man

Tot hiertoe redeneerde de apostel op grond van het hoofdschap van de man. Nu toont hij aan, dat het besluit, dat hij getrokken heeft, bevestigd wordt door andere zaken: heerlijkheid en schepping.

7

Huwelijksportret van de Prins van Oranje en Prinses Máxima. Denk haar even weg en zet haar in gedachten weer terug. Zonder haar is zijn heerlijkheid minder. Zij was en is zijn heerlijkheid.
1Co 11:7 Want de man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij [het] beeld en [de] heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. (Telos)

Vanaf vs. 7 gaat Paulus over op het terrein van de schepping in het algemeen.

Want. Het woordje γαρ, want, zegt ons dat een bevestiging komt, die ontleend wordt aan een ander gebied dan de vorige.

Want de man behoort zijn hoofd niet te dekken, daar hij .... Paulus begrondt zijn inzetting op de creatuurlijke positie van de man.

Het ongedekt bidden of profeteren door een man is een totaal ander gebruik dan bij de Joden, waar de man in de synagoge zich juist dekt. Christusgelovige Joden dienen geen keppel te dragen als zij tot God bidden.

Er is geen reden om te stellen dat Paulus zich aansluit bij de Griekse gebruiken[5]. Paulus kon zich aanpassen aan de Jood en de Griek, om enigen van hen te winnen, maar hun gebruiken waren niet leidend bij de inzettingen die hij overleverde. Hij begrondt zijn inzetting hier op de scheppingsorde, niet op de cultuur van de Grieken.

Hij is [het] beeld en [de] heerlijkheid van God. De weglating van het lidwoord voor de woorden εικων (eikoon), beeld, en δοξα (doxa), heerlijkheid, geeft aan deze beide zelfstandige naamwoorden de strekking van een bijvoeglijk naamwoord.

De man is het beeld en de heerlijkheid van God. De man beeldt God uit. De betekenis van dit eerste is, dat de man, door zijn soevereiniteit over de aardse schepping, zichtbaar de weerschijn geeft van de soevereiniteit van de onzichtbare Schepper over alle dingen. God staat niet onder gezag, maar is soeverein. Op aarde heeft de man het hoogste gezag, hij staat niet onder gezag van enig aards schepsel.

In Gen. 1:26-27 gaat het over beide sexen.

Ge 1:26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Ge 1:27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze. Ge 1:28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! (SV)

Beide sexen zijn het beeld van God en hebben heerschappij over de overige schepselen op aarde. Man en vrouw zijn echter verschillend, ook in de hoedanigheden die zij van God verbeelden. De man staat niet onder gezag van enig schepsel op aarde. Bovendien is hij belast met de zorg voor zijn vrouw, als voor een zwakker vat. Als zodanig beeldt hij het hoofdschap (gezag en zorg) van God af. Ten opzichte van zijn hoofdschap is de man het beeld en de heerlijkheid van God.

De heerlijkheid van de mens wordt bezongen in Psalm 8.

Ps 8:4  (8-5) Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? Ps 8:5  (8-6) En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Ps 8:6  (8-7) Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet; Ps 8:7  (8-8) Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds. Ps 8:8  (8-9) Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt. Ps 8:9  (8-10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! (SV)

De aarde is vol van Gods heerlijkheid.

Jes 6:3  En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! (SV)

Doch bijzonder de man is de heerlijkheid van God. Dit doet de eer uitkomen, die op God zelf weer terugkeert van dit zichtbare beeld, dat Hij zich hier op geformeerd heeft, vooral dan wanneer de mens zijn bestemming volbrengt, door Hem vrijwillig de lof te brengen voor deze hoge stand en aan zijn voeten door de aanbidding de kroon legt, die God hem op het hoofd heeft gedrukt. In gelijke zin worden in 2 Cor. 8, vers 23 de afgezanten der gemeenten de heerlijkheid (eer) van Christus genoemd, omdat zij het werk van de Heer in de gemeenten, die zij vertegenwoordigen, doen schitteren voor de ogen van die gemeenten waarheen zij zijn afgevaardigd.

2Co 8:23  Enerzijds wat Titus betreft, hij is mijn deelgenoot en medearbeider bij u; anderzijds onze broeders, zij zijn gezanten van de gemeenten, Christus’ heerlijkheid. (Telos)

Deze gezanten waren mensen die Christus eer aandeden door hun wandel en hun werk.

De man nu, die deze dubbele hoedanigheid bezit van beeld en heerlijkheid Gods, mag deze waardigheid met bemantelen door zich te bedekken, wanneer hij in het open­baar handelt. Dat zou enigermate het verdonkeren van de weerschijn van de goddelijke glans zijn, waarmede God hem heeft versierd en die op zulk een ogenblik in zijn persoon moet blinken. Maar krachtens diezelfde wet moet de vrouw juist tegenovergesteld handelen. Strijdt de hoofdbedekking van de man met zijn soevereiniteit, zo behoort de hoofdbedekking juist daarom bij de conditie waarin de vrouw leeft. Zij toch is geschapen om de heerlijkheid van de man te zijn, omdat, gelijk de volgende vzn. dat uitdrukken, zij uit hem genomen is en voor hem geformeerd (vs. 8 en 9).

De vrouw is de heerlijkheid van de man. De vrouw is de heerlijkheid, niet het beeld, van de man. De apostel herhaalt het woord 'beeld' niet. Waarom niet? Een antwoord zegt dat de apostel, door van de vrouw het beeld van de man te maken, aan haarzelf het bezit van het beeld Gods zou ontzegd hebben. Naar een andere mening heet het, dat deze uitdrukking ("het beeld van de man") ten onrechte zou insluiten, dat ook de vrouw een zeker deel heeft aan de soevereiniteit van God. In het gezin is de vrouw niet het beeld van de man, maar de zoon.

De vrouw beeldt niet God uit in diens hoofdschap, in diens soevereiniteit, maar zij is de luister, de versiering, de pracht van haar man. Dat blijkt bijzonder op haar huwelijksdag, wanneer zij gewoonlijk in mooie kleding gehuld is en 'de show steelt'.

Het is zonder twijfel voor een wezen de grootste eer om het voor­werp van de liefde en van de toewijding van een ander te zijn; en hoe hoger het wezen dat bemint en zich aan hem wijdt door talenten en schoonheid, des te groter is deze eer. De heerlijkheid van koning wordt zichtbaar in zijn hofhouding, in de mannen en vrouwen die hem dienen. De koningin van Scheba geraakt diep onder de indruk van de wijsheid en uitwendige heerlijkheid van Salomo. Tot die heerlijkheid behoorde zijn knechten en hun kleding.
1Kon 10:4 Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, hetwelk hij gebouwd had, 1Kon 10:5 En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij henen opging in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer. (SV)
Kan er dus voor de man een grotere eer zijn dan een wezen te bezitten als liefhebbende en zich wijdende hulp, zo bewonderenswaardig begaafd als de vrouw? Al wat in haar voortreffelijk is, is een eer aan de man bewezen, van wie en voor wie zij gemaakt is, vooral, wanneer zij zich vrijwillig aan hem offert met de toewijding van de liefde.

8

1Co 11:8 Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man; (Telos)

De verzen 8 en 9 dienen ten bewijze van deze uitdrukking: "heerlijkheid van de man". In vs. 8 wordt het verhaal van Genesis in herinnering gebracht (Gen. 2: 22 en 23) volgens welke geschiedenis de man niet verschenen is als uit de vrouw voortgekomen; maar het omgekeerde is juist het geval geweest. En waarom dat? Om een oorzaak, die terzelfder tijd een nieuw bewijs is voor de uitdrukking "heerlijkheid van de man" in vs. 7. De vrouw is uit de man voortgekomen, omdat zij bestemd was om voor hem tot een hulp te zijn en om zijn bestaan aan te vullen.

De man is niet uit de vrouw. Oorspronkelijk is de man niet uit de vrouw ontstaan.

Maar de vrouw uit de man. De eerste vrouw is geformeerd uit de eerste man, Adam.

9

1Co 11:9 want de man is ook niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. (TELOS)

De man is niet geschapen om de vrouw. Immers, de vrouw was er nog niet. De man is geschapen om het beeld en de heerlijkheid van God te zijn (vers 7).

De vrouw om de man. Om voor hem een passende hulp en gezellin te zijn (Gen. 2) en tevens zijn heerlijkheid (1 Cor. 11:7). Om, in het Grieks dia, ziet op het woord uit Genesis (II, 18): „Het is niet goed, dat de mens alleen zij; laat ons voor hem een hulp maken."

10

1Co 11:10 Daarom behoort de vrouw een macht op haar hoofd te hebben terwille van de engelen. (Telos

Daarom. Vs. 10 geeft ons het praktisch besluit. Daarom: omdat zij uit en voor hem gemaakt is.

Een macht op haar hoofd. Dat staat er letterlijk. De betekenis is eenvoudig en helder. Macht is hier ge­steld in de plaats van teken van macht, en van macht, die niet uitgeoefend, maar ondergaan wordt: het hoofdschap, het gezag van de man ten opzichte van de vrouw. De vrouw moet op het hoofd het teken van de macht dragen, waaronder zij is ge­plaatst. De hoofdbedekking is een teken dat haar man haar gezaghebbend hoofd is.

Metonymia. Het is een wijze van spreken, die dikwijls in alle talen voorkomt, dat men het teken van een zaak gebruikt om de zaak zelf aan te wijzen, zo bijv. het zwaard voor de oorlog, de kroon voor de soevereiniteit. Maar het komt zeld­zamer voor, dat de zaak zelf wordt genoemd in plaats van het teken, zoals dat hier het geval is; toch vindt men ook voor­beelden van deze andere vorm van metonymia; zo wanneer Diodorus van Sicilië (1e eeuw v.C.), als hij het standbeeld van de moeder van de Egyptische koning Osimandias beschrijft, zegt dat zij drie koninkrijken op haar hoofd heeft. Hij wil natuurlijk zeggen: drie diademen, symbolen van drie koninkrijken. Of wanneer dezelfde historieschrijver het sieraad, dat de Egyptische priesters droegen als symbool van het bezit van het hoge goed der waarheid, zelf aletheia, waarheid, noemt.

Een andere uitleg is dat, in het licht van de gegeven rangorde (vers 3), de macht op haar hoofd voorstelt het hoofdschap van Christus over de man. Vers 3 begint met "Maar ik wil dat u weet, dat Christus het hoofd is van iedere man". Als de vrouw de heerlijkheid van de man is, dan drukt de macht op haar hoofd uit dat de man onder het hoofdschap van Christus is. Ongedekt bidden zou dan symboliseren: soevereiniteit van de man, ontrouw van hem, zich onttrekken aan het gezag van de Schepper. Tegen deze uitleg valt dit in te brengen: de vrouw symboliseert niet de heerlijkheid van de man, maar strekt tot zijn heerlijkheid. De macht op haar hoofd spreekt van zijn hoofdschap over haar.

Anderen hebben bij 'macht op haar hoofd' gedacht aan een teken van waardigheid, weer anderen aan een soort talisman tot bescherming[6]. De laatste gedachte is zeer onwaarschijnlijk, omdat Paulus dan uit heidens bijgeloof een dergelijke inzetting had gegeven.

Men kan menen dat, ingeval de vrouw gesluierd spreken moet, dat alleen moet met het oog op haar man, aan wie zij moet laten zien, dat zij, al ver­vult zij deze bezigheid, toch de afhankelijke stelling niet vergeet die zij inneemt. Maar, kan men daartegen inbrengen, niet alleen met het oog op haar man moet de vrouw, wan­neer zij in het publiek optreedt, gesluierd zijn; maar dat moet zij, omdat zij vrouw is, en om te tonen, zowel voor haar bewustzijn als voor dat van de vergadering, dat zij immer ondergeschikt blijft.

Terwille van de engelen. Synoniemen: om der engelen wil, omwille van de engelen. Hebben we hier met een tweede beweegreden te doen? Dan zou het in dit geval aan de eerste verbonden moeten worden (die, waaraan het woord daarom herinnert) door een voegwoord als: en, en ook, of en bovendien. Is het integendeel hetzelfde motief maar onder een anderen vorm voorgesteld? Maar dan kunnen we niet begrijpen, welk verband er is tussen de wijzen van uitdrukking, die zozeer verschillen en toch dezelfde gedachte moeten weergeven.

"Terwille van de engelen" kan men ook verstaan als een verstérking van de beweegreden. De engelen bezien het gedrag van mannen en vrouw. Wij zien hen niet, maar zij zien ons wel. Het is van belang dat de engelen de scheppingsorde zien in de gemeente, in kleding en gedrag van de gelovigen. De engelen waren tegenwoordig bij het werk van de schepping. Hoe zouden zij dan niet onzicht­baar tegenwoordig (kunnen) zijn bij de godsdienstoefening van de gemeente, waarin zulk een groot deel van Gods genadewerken door de verloste zondaars ver­wezenlijkt wordt? Hoe zou dan iets, dat indruist tegen de verordening van God en dat aanstoot geeft aan de hoogste wel­voeglijkheid, waarvan de engelen volmaakte vertegenwoordigers zijn, hun niet smarten? En zou de smart en de schande, die gevoeld wordt door deze onzichtbare getuigen, hoe zouden die niet een sombere sluier over het hoge van de godsdienst­oefening geworpen hebben?

God riep eens de hemelen (de bewoners ervan, de engelen) op zich te ontzet over een grove misstand bij het volk Israël:
Jer 2:11  Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in [hetgeen] geen nut doet. Jer 2:12  Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de HEERE. Jer 2:13  Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. (SV)
Dit zijn nog enkele andere meningen[2]:
  • De engelen speelden een actieve rol in de schepping. Zij worden 'beledigd' door een wijze van doen, die in strijd is met de normale verhouding, die in het begin was gesteld tussen de man en de vrouw. Daartegen kan men opmerken dat de Bijbel nergens spreekt van een deelneming van engelen aan de schepping door God.
  • Fedekte vrouwen tot voorbeelden strekken voor de engelen, zij zijn modellen van nederigheid voor het leven in het algemeen, en niet alleen voor dat in de godsdienstoefening. Maar het voorzetsel δια (dia), om (terwille van), geeft een andere betrekking te kennen dan die van het voorbeeld. Zij doet veeleer denken aan de tegenwoordigheid van of het toezien door de engelen.
  • Paulus spreekt hier van de slechte engelen, wier begeer­lijkheden opgewekt zonden kunnen zijn door het gezicht van vrouwen, die niet gesluierd waren. Of wel, ziende op de engelen in het algemeen, heeft men in onze passage een toespeling gevonden op het verhaal van Gen. 6 verzen 1-4, waar we lezen dat de engelen de vrouwen aanzagen, dat zij mooi waren, en dat zij vrouwen namen en bij hen kinderen verwekten. Maar als er sprake is van de goede engelen, dan hebben ze wel andere gelegenheden om ongesluierde vrouwen te zien dan in de godsdienstoefening van de heiligen; en als er sprake is van de kwade engelen, dan brengt deze beproeving toch geen verandering in hun staat. Geen enkele bijzondere trek in deze passage leidt er anders toe om hier een zinspeling te vinden op Gen. 6.
  • De bedoelde engelen, of, naar het Grieks, 'boodschappers', 'gezanten' (vgl. Jak. 2:25, Rachab nam de boodschappers of gezanten op), zijn spionnen gezonden door de heidenen om te waken over de gods­dienstoefening van de christenen.
  • De engelen zijn de meest vrome leden;
  • De engelen zijn de profeten die in de vergadering waren;
  • De engelen zijn de herders (vgl. Opb. 1:20 "de engelen van de zeven gemeenten").

11

1Co 11:11 Evenwel is noch de vrouw zonder de man, noch de man zonder de vrouw, in de Heer. (TELOS)

De apostel voelt behoefte, na hierboven de natuurlijke ondergeschiktheid van de vrouw met betrekking tot de man te hebben laten uitkomen, om de uiteenzetting van deze betrek­king aan te vullen om de andere zijde van de waarheid aan te tonen; dat nu doet hij in de vzn. 11 en 12.

Is noch de vrouw zonder de man. Want de vrouw is uit de man (8, 12).

Is ... noch de man zonder de vrouw. Opdat de man zich niet verheft, dient hij te beseffen dat hij niet zonder de vrouw kan. Want de man, Adam uitgezonderd, is in haar buik geformeerd en door haar ter wereld gekomen.

In de Heer. Zie vs. 12: alle dingen, ook vrouw en man, zijn uit God. De woorden "in de Heer" hebben geen be­trekking op God, maar, zoals dat gewoonlijk in het Nieuwe Testament het geval is, op Christus; alleen in vs. 12 is sprake van God, uit wie en door wie en tot wie alle dingen zijn.

De ondergeschiktheid van de vrouw aan haar man wordt in Christus gematigd ook door de gemeenschap van het geestelijk leven, dat de een zowel als de ander uit de Heer put. De een is als gelovige op geestelijk vlak niet meer zonder de ander, de medegelovige levenspartner; daar is tussen hen het gemeenschappelijk gebed, de voortdurende onderlinge geestelijke bijstand, gezamenlijke arbeidzaamheid.

12

1Co 11:12 Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God. (TELOS)

Man en vrouw zijn wederkerig afhankelijk wat betreft hun ontstaan. Wanneer nu, wat de schepping aan­gaat, de vrouw van de man gekomen is, — het bewijs voor haar ondergeschiktheid (vs. 8), — aan de anderen kant komt de man van de vrouw, wat de bewaring van het geslacht be­treft, en dit afdoende feit in het leven van de mensheid her­stelt weer enigermate de gelijkheid tussen de beide geslach­ten. De orde der natuur maakt de vrouw niet alleen tot de echtgenoot van de man, maar ook tot zijn moeder; dat zegt alles.

Want. Dit woordje geeft te kennen dat de gelijkheid van Christus de Heer met betrekking tot de beide geslachten reeds te voren als 't ware was afgebeeld door een feit, dat tot de orde van het natuurlijk leven behoort. Op gelijke wijze had want in vs. 7 gediend om de zedelijke ondergeschiktheid van de vrouw te motiveren door een feit, dat ontleend was aan dit lagere terrein des levens.

De vrouw is uit de man. Eva is uit Adam geformeerd.

Zo is ook de man door de vrouw, d.w.z. elke man ontstaat in de schoot van een vrouw, wordt in de vrouw door God geformeerd en word door de vrouw ter wereld gebracht.

Alle dingen zijn uit God. Vergelijk:

1Co 8:6 dan is er toch voor ons maar een God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en een Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem. (TELOS)

Ro 11:36  Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. (Telos)

13

1Co 11:13  Oordeelt bij uzelf: is het gepast dat een vrouw ongedekt tot God bidt? (Telos)

De apostel besluit met een beroep te doen op de indruk, die als vanzelf het gevolg moet zijn van een bijzondere trek in het natuurlijk gestel van de man en van de vrouw. Dit laatste argument sluit zeer nauw aan bij de laatste woorden van vs. 12. Paulus neemt, nadat hij zich beroepen heeft op de heilige analogieën genoemd in vs. 3-6 en op de verhouding, die door de schepping gesteld is tussen de beide geslachten, tenslotte een feit tot getuige dat dichter bij ons ligt, dat de persoon van de mens zelf eigen is.

Oordeelt bij uzelf. We treffen hier een formule aan die analoog is met die, waarmee hij de voorgaande redenering eindigt (10:15):

1Co 10:15  Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg. (Telos)

Deze woorden doen een beroep op het besef van de waarheid, dat bij zijn lezers zelf moet bestaan.

Is het gepast dat een vrouw ongedekt tot God bidt? Deze vraag vindt haar oplossing in de vzn. 14 en 15, waar het feit genoemd zal worden dat tot basis voor hun oordeel moet dienen. Er staat niet "ongedekt bidt", maar "ongedekt tot God bidt". De toevoeging "tot God" schijnt moeilijk te verklaren. Maar laten we er aan denken, dat we hier zijn in de volle openbare godsdienstoefening, en dat juist ook op dat ogenblik zichtbaar moet zijn dat zij onder haar man, die haar hoofd is, staat.

14

Man met lang haar.
1Co 11:14 Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt het een oneer voor hem is?

Vs. 14 geeft onmiddellijk het antwoord op de vraag gesteld in vs. 13.

Leert ook de natuur zelf u niet. Die leert, de onderwijzer, is de natuur, een woord dat hier noch het zedelijk besef, noch de vaste gewoonte kan betekenen. De natuur zelf, zonder Paulus' onderricht, heeft ons iets te leren. Inderdaad volgt dan ook uit vs. 15, dat Paulus denkt aan de natuurlijke gesteldheid van de vrouw. De natuur zelf heeft door de man geen lang haar te geven, zoals aan de vrouw, getoond dat een vrij hoofd, een onbedekt voorhoofd, bij zijn waardigheid als koning der schepping past. Het haar van de man is, zegt Godet[2], een kroon, terwijl, gelijk het volgende vers er aan toevoegt, dat van de vrouw een sluier is. Ieder die nu het minste gevoel heeft voor de dingen der natuur, zal ook de diepe waarheid van deze symboliek verstaan. De natuurlijke gesteldheid van de vrouw is een openbaring van de wil van de Scheppers ten opzichte van de vrouw als gelijkwaardige hulp voor de man op aarde. Wanneer zij zich nu niet schikt naar deze aanwijzing, dan schendt ze niet alleen iets, wat voor het gewone maatschappelijke leven betaamt, maar dan overtreedt ze de wil van de Schepper.

15

1Co 11:15  Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat haar het lange haar tot een sluier gegeven is. (Telos)

Een sluier. Grieks: περιβολαιου, van περιβολαιον, peribolaion, een bedekking rondom (geworpen)[7], zoals een mantel of, in ons geval, een sluier.

Naar aanleiding hiervan heeft men opgeworpen, dat juist, daar de natuur de vrouw begiftigd heeft met zulk een omkleedsel, zij niet nodig heeft om daar nog een tweede, dat kunstmatig is, aan toe te voegen. Maar zo mis­kent men de ware strekking van de redenering van de apostel. Hij wil zeggen dat de natuur aan het ene zowel als aan het andere geslacht te verstaan heeft gegeven op welke wijze zij hun bestemming hebben te vervullen: een gemeenschap waarbij de man de rol van hoofd uitoefent en de vrouw hem onderdanig is.

16

1Co 11:16 Maar als iemand meent te moeten twisten wij hebben zo’n gewoonte niet, en evenmin de gemeenten van God. (Telos)

De apostel eindigt met een woord, waardoor hij schijnt te willen zeggen: nu hebben wij genoeg geredeneerd; laten we daarmee een einde maken.

Als iemand meent te moeten twisten. Dat woord zegt eenvoudig, dat er te Korinthe twistzieke geesten zijn, die het niet moede worden om over een dergelijk onderwerp te discussiëren en om tot in het oneindige tegenwerpingen te maken. Dat wil niet zeggen, dat hij voor zich de vraag niet voor opgelost en ook voor goed opgelost beschouwd.

Meent. Het woord menen wordt hier in dezelfde zin gebruikt als in hoofdstuk 3 vers 18, hoofdstuk 10 vers 12 en Gal. 6 vers 3, om namelijk een ijdele bewering aan te duiden.

Wij hebben zo'n gewoonte niet. Namelijk dat "dat een vrouw ongedekt tot God bidt" (vers 13). Vgl. "inzettingen" in vers 2.

Sommigen verstaan "zo'n gewoonte" van het ruziën over de kwestie van de hoofdbedekking. Maar de gewoonte waarop Paulus op doelt is niet een gewoonte om te twisten over de de hoofdbedekking. De voorliggende zaak is niet dat er geruzied werd over hoofdbedekking, maar dat er vrouwen waren die ongedekt tot God baden. Bedenk bovendien dat Paulus begint met hen te prijzen dat zij de inzettingen vasthouden die hij hen had overgeleverd (vers 2). Zij hadden overeenkomstig het onderwijs van de apostel goede gewoonten gevormd, maar op het punt van het bidden en profeteren door vrouwen hadden zij correctie nodig.

En evenmin de gemeenten van God. Veel wil Paulus er niet over twisten; als een, die anders oordeelt, persé gelijk wil hebben, dan verwijst hij daartegenover op het gebruik in de gemeenten van God.

In een pas gevormde gemeente zijn kwesties aangaande gebruiken bijna levenskwesties. Paulus deed goed, er op in te gaan; zendelingen doen ook zo. Zij konden in de tijd van Nederlands Indië vertellen, wat een ontzaglijke gebeurtenis het voor een Papoea, die christen wordt, is om zijn haar te laten knippen. Hij ondergaat het als een operatie. De zendeling eiste het, om hem los te maken van de geheimzinnige animistische kracht, die de heiden aan het haar toekent. Zendeling J.E. Jellesma (1816-1858) daarentegen op Java vond er geen bezwaar in, dat de mannen naar 's lands gebruik hun eigen namen en hun lange haar behielden.

2—16 Beschouwing

De verzen 2 t/m 16 handelen over de hoofdbedekking. De hoofdbedekking is ‘een macht’, een symbool van onder gezag staan (1 Cor. 11:10). Paulus noemt als redenen om het hoofd te dekken door een vrouw wanneer zij bidt of profeteert:

  • passend bij het hoofdschap van de man ten opzicht van de vrouw
  • ongedekt bidden is onterend voor haar hoofd
  • de vrouw is geschapen om de man en is zijn heerlijkheid (vs. 7-9)
  • ter wille van de engelen
  • ongedekt bidden is ongepast en dat is in te zien (vs. 13)

Daarentegen behoren de mannen ongedekt te bidden of te profeteren. Redenen:

  • man is beeld en heerlijkheid van God (vs. 7)
  • gedekt bidden is onterend voor zijn hoofd
  • anders onteert hij Christus

In of buiten de samenkomst?

Het volgende gedeelte 11:17v heeft betrekking op de gemeentelijke samenkomst. Het gedeelte 11:1-16 gaat niet uitdrukkelijk om bidden en profeteren in de gemeentelijke samenkomst, maar omdat 1) het volgende gedeelte er uitdrukkelijk wel over gaat, en 2) het gedeelte geen antwoord is op een vraag, terwijl 8:1-11:1 wel over een vraag gaan en 12:1 ook, lijkt het voor de hand te liggen dat 11:1-16 zowel betrekking heeft op het optreden van vrouwen in en buiten de gemeentelijke samenkomst. De nadruk ligt op het gedrag van vrouwen, niet op de plaats waarom zij dat vertonen.

Dat ook hun gedrag in de gemeentelijke samenkomst bedoeld kan zijn, moge vermoed worden gegeven dat "wie profeteert, bouwt de gemeente op" (1 Cor. 14:4). Maar profeteren kan ook plaatsvinden buiten de gemeentelijke samenkomst.

Alleen of in het openbaar?

Het lijkt erop dat Paulus openbaar gedrag van vrouwen wil verbeteren. Sommige zusters menen echter dat zij dag en nacht een hoofdbedekking moeten dragen, ook als zij thuis alleen zijn. Deze gedachte is echter niet waarschijnlijk. "Profeteren" is spreken namens God tot anderen. Die anderen moeten tegenwoordig zijn. Paulus denkt derhalve waarschijnlijk aan optreden van biddende en profeterende zusters te midden van medegelovigen.

17

1Co 11:17  Nu ik dit beveel, prijs ik u niet, omdat u niet ten goede, maar ten kwade samenkomt. (TELOS)

Nu ik dit. Het nu volgende, de misstanden in de gemeentelijke samenkomst (scheuringen, avondmaalsgebruik). Vergelijk:

1Co 11:22 Hebt u dan soms geen huizen om te eten en te drinken? Of veracht u de gemeente van God en beschaamt u hen die niets hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Hierin prijs ik u niet. (TELOS)

19

1Co 11:19 Want er moeten ook sekten onder u zijn, opdat ook de beproefden onder u openbaar worden. (TELOS)

Er moeten. Vergelijk Gods woord na de scheuring van Israëls rijk:

2Kr 11:4 Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weder van tegen Jerobeam te trekken. (SV)

De beproefden. Zij wie eenheid van het lichaam van Christus voor ogen staat en weigeren partij te kiezen.

21

1Co 11:21 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken. (TELOS)

Dat is een onwaardig gebruik van 's Heren avondmaal.

1Co 11:27 Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer. (TELOS)

Neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal. Ze wachten niet op elkaar. Het werden individuele maaltijden op verschillende tijden.

1Co 11:33 Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar. (TELOS)

De een is hongerig.

1Co 11:34 Als iemand honger heeft, laat hij thuis eten, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. -De overige dingen nu zal ik ordenen als ik kom. (TELOS)

De onwaardige wijze bestond uit meerdere dingen:

  • niet samen één maaltijd gebruiken, maar ieder neemt vooraf zijn eigen avondmaal. "Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar." (1Co 11:33 )
  • sommigen aten de maaltijd om hun honger te stillen. Hiervoor is het avondmaal niet ingesteld. "Als iemand honger heeft, laat hij thuis eten,..." (1Co 11:34)
  • sommigen waren dronken. Ze dronken te veel wijn bij het avondmaal of kwamen in dronken toestand ten avondmaal.

Efe 5:18 En wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met de Geest, (TELOS)

26

1Co 11:26 Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.

Verkondigt u de dood van de Heer. Immers spreken brood en beker van zijn dood. Het brood symboliseert Zijn lichaam dat Hij voor ons overgaf in de dood, en de beker symboliseert het nieuwe verbond in Zijn vergoten bloed.

De uitdrukking "verkondigt" duidt op de symbolische betekenis van het brood en de beker. Ze betekenen iets, er gaat een sprake van uit. Brood en beker zijn niet wezenlijk zelf het lichaam of het nieuwe verbond. Door hun gewijd gebruik verandert het brood niet in het lichaam van Christus, noch de beker in het nieuwe verbond. Het teken is hier niet het betekende zelf, het staat er voor.

27

1Co 11:27 Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer. (TELOS)

De onwaardigheid heeft Paulus aangewezen in vers 21.

1Co 11:21 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken. (TELOS)

Schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer. Alsof hij het lichaam en het bloed van de Heer verkeerd behandeld heeft.

31

1Co 11:31 Als wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden; 

Onszelf beoordeelden. Of 'oordeelden' (Statenvertaling). Het gebruikte Griekse werkwoord is diakrino. Zie oordelen.

Niet geoordeeld worden. Het Griekse werkwoord hier gebruikt is krino. Zie oordelen.

32

1Co 11:32 maar als wij geoordeeld worden, dan worden wij door de Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden. (TELOS)

Wij geoordeeld worden. Het Griekse werkwoord hier gebruikt is krino. Zie oordelen

Veroordeeld worden. Het Griekse werkwoord hier gebruikt is katakrino. Zie oordelen

29

1Co 11:29 Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam <van de Heer> onderscheidt. (TELOS)

Zichzelf een oordeel. Hij roept de tuchtiging van de Heer over zich af. ⇒ Oordeel. De tuchtiging bleek uit de vele zwakken, zieken en sterfgevallen (vers 30).

33

1Co 11:33 Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar. (TELOS)
Een aspect van de onwaardige wijze was dat ieder vooraf zijn eigen avondmaal nam:
1Co 11:21 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken. (TELOS)
Dat gaat ten koste van het uitbeelden van de eenheid, de gezamenlijkheid. De afzonderlijke leden vormen één lichaam. Het lichaam van de Heer is één. Het moest in één maaltijd wordt voorgesteld, niet in individuele maaltijden op verschillende momenten.

34

1Co 11:34 Als iemand honger heeft, laat hij thuis eten, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. -De overige dingen nu zal ik ordenen als ik kom.

Honger heeft. Vergelijk.

1Co 11:21 want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken. (TELOS)

Oordeel. Een oordeel dat een vermijdbare tuchtiging is. Zie Oordeel.

De overige dingen. Waarschijnlijk dingen die met het samenkomen van de gemeente te maken hadden. De ordening ervan kon kennelijk wachten, was minder urgent dan die van de scheuringen en misbruiken.

Bron

F. Godet, Kommentaar op Paulus eersten brief aan de Corinthiërs. Utrecht: Kemink & Zoon, 1904. Tekst van het commentaar op 1 Kor. 11 is onder wijziging verwerkt op 7 april 2020 en 4, 6, 17-19 aug. 2021.

Voetnoot

  1. Chrysostomus (4e-5e eeuw) en Jonathan Edwards (18e eeuw).
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 F. Godet, Kommentaar op Paulus eersten brief aan de Corinthiërs. Utrecht: Kemink & Zoon, 1904.
  3. David en Pat Alexander (red.), Handboek bij de Bijbel (Den Haag: J.N. Voorhoeve, 1976) blz. 594: "Kaalgeschoren: zo zag een prostituee er uit als ze gestraft was".
  4. Vertaling door Christipedia, uitgaande van de Telos-vertaling.
  5. A. van Veldhuizen, Paulus' brieven aan de Korinthiërs (Groningen, Den Haag: J.B. Wolters' uitgeversmaatschappij, 1922. Deel van de reeks Tekst en Uitleg. Praktische Bijbelverklaring door F.M.Th. Böhl en A. van Veldhuizen), blz. 96: "Paulus sluit zich dus aan bij de Grieksche gebruiken."
  6. Deze meningen worden vermeld in: A. van Veldhuizen, Paulus' brieven aan de Korinthiërs (Groningen, Den Haag: J.B. Wolters' uitgeversmaatschappij, 1922. Deel van de reeks Tekst en Uitleg. Praktische Bijbelverklaring door F.M.Th. Böhl en A. van Veldhuizen), blz. 97.
  7. Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.