1 Korinthiërs 14

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

1 Korinthiërs 14 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd. De volgende hoofdstukken van 1 Korinthiërs zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

1 Korinthiërs, hoofdstuk: 12345678910111213141516

1

1Co 14:1 Jaagt naar de liefde en streeft naar de geestelijke [uitingen], maar vooral, dat u mag profeteren. (TELOS)

Jaagt naar de liefde. Want de liefde is meer dan de geestelijke uitingen. Zij wordt als eerste vrucht genoemd in Gal. 5:22.

Ga 5:22 Maar de vrucht van de Geest is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. (TELOS)

Streeft naar. Zij streefden er al naar (1 Cor. 14:12), maar Paulus moedigt het aan dit te (blijven) doen.

1Co 14:12 Zo ook u, omdat u streeft naar geestelijke gaven, tracht overvloedig te zijn tot opbouwing van de gemeente. (TELOS)

Hun beschouwing en gebruik van de gaven had verbetering nodig, doch Paulus wilde door zijn verhandeling niet de indruk wekken dat zij moesten ophouden te streven naar de werkingen en uitingen van de Geest.

1Co 14:5 En ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar nog meer dat u profeteerde. En wie profeteert, is meer dan wie in talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente opbouwing ontvangt. (TELOS)

1Co 14:39 Daarom, mijn broeders, streeft ernaar te profeteren, en verhindert het spreken in talen niet. (TELOS)

Geestelijke [uitingen]. Met deze uitdrukking begon Paulus zijn verhandeling:

1Co 12:1 Wat nu de geestelijke uitingen betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent. (TELOS)

Vooral, dat u mag profeteren. Want profetie is nuttiger voor de gemeente, bouwt haar meer op, dan het spreken in een vreemde taal. Dit wordt in het navolgende betoogd.

2

1Co 14:2 Want wie in een taal spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God; want niemand verstaat het, maar in [de] geest spreekt hij verborgenheden. (TELOS)

Dat was de praktijk geworden. De eerste keer van het spreken in talen, op de Pinksterdag, werden de talen verstaan door de omstanders (Hand. 2).

3

1Co 14:3 Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot opbouwing, vermaning en vertroosting. (TELOS)

Tot opbouwing. Zie ook de volgende verzen. Spreken in een onverstaanbare taal bouwt de andere discipelen niet op. Daarom is profeteren nuttiger dan spreken in een taal.

Vermaning. Het Griekse woord is 'paraklesis'.

Vertroosting. Gr. 'paramuthia'.

1Co 14:31 Want u kunt allen, een voor een, profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden [Gr. werkwoord parakaleo] (TELOS)

4

1Co 14:4 Wie in een taal spreekt, bouwt zichzelf op; maar wie profeteert, bouwt de gemeente op. (TELOS)

Bouwt zichzelf op. Niet omdat hij verstaat wat hij spreekt, maar omdat hij iets van de Geest ervaart.

5

1Co 14:5 En ik wilde wel dat u allen in talen sprak, maar nog meer dat u profeteerde. En wie profeteert, is meer dan wie in talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente opbouwing ontvangt. (TELOS)

Is meer dan wie in talen spreekt. In die zin dat hij door deze geestesgave nuttiger voor de gemeente is. Hij 'doet' de gemeente 'nut' (1 Cor. 14:6).

Tenzij hij het uitleg. Het is kennelijk mogelijk dat iemand in een vreemde taal kan spreken en ook de gave van uitlegging van die taal ontvangt. → Uitleggen van talen.

6

1Co 14:6  En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek, welk nut zal ik u doen, als ik niet tot u spreek of in openbaring, of in kennis, of in profetie, of in leer? (TELOS)

7

1Co 14:7 Zelfs de onbezielde dingen die geluid geven, hetzij fluit, hetzij harp, als zij geen onderscheid in de tonen geven, hoe zal men weten wat op de fluit of wat op de harp gespeeld wordt? (TELOS)

Onbezielde. Gr. apsychos, lett. 'zonder-ziel'. De onbezielde dingen zijn zonder ziel, zonder leven.

Onderscheid in tonen. Aan het onderscheid in tonen herkent men de instrumenten.

8

1Co 14:8 Immers, als de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich voor de oorlog gereed maken? (TELOS)

Hier gaat het, anders dan in het vorige vers, niet om het herkennen van het instrument, maar om het verstaan van de betekenis van het geluid, de oproep die middels de bazuin wordt gedaan.

12

1Co 14:12 Zo ook u, omdat u streeft naar geestelijke gaven, tracht overvloedig te zijn tot opbouwing van de gemeente.

Geestelijke gaven. Lett. 'geesten', d.i. werkingen van de Geest in hen.

Tracht over overvloedig te zijn tot opbouwing van de gemeente. Opbouwing van de gemeente, niet van onszelf, daar gaat het om, wanneer wij onder de gelovigen streven naar de geestelijke werkingen.

13

1Co 14:13 Daarom moet hij die in een taal spreekt, bidden dat hij het mag uitleggen. (TELOS)

Ook een ander kan het uitleggen.

1Co 14:27 Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en ieder op zijn beurt, en laat een het uitleggen. (TELOS)

14

1Co 14:14 Want als ik in een taal bid, dan bidt mijn geest, maar mijn verstand is onvruchtbaar. (TELOS)

Onvruchtbaar. Brengt geen begrip voort.

16

1Co 14:16 Anders, als u looft met de geest, hoe zal hij die de plaats van de onkundige inneemt, Amen zeggen op uw dankzegging? Hij weet immers niet wat u zegt? (TELOS)

Amen zeggen op uw dankzegging. Als teken van instemming, bevestiging. → Amen.

18

1Co 14:18 Ik dank God, dat ik meer dan u allen in talen spreek; 

19

Maar in de gemeente ... spreken. Paulus onderscheidt spreken binnen en buiten de gemeentelijke samenkomst. Sommigen verstaan het spreken (bidden, profeteren) door de zusters in 1 Cor. 11 door spreken buiten de gemeentelijke samenkomst.

1Co 14:19 maar in de gemeente wil ik liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderwijzen, dan tienduizend woorden in een taal. (TELOS)

Onderwijzen. Is een zeer belangrijk werk in de samenkomst van de gemeente.

20

1Co 14:20 Broeders, weest geen kinderen in uw overleggingen, maar weest kleine kinderen in de boosheid, en wordt in uw overleggingen volwassenen. (TELOS)

Weest kleine kinderen in de boosheid. Die weinig of geen verstand hebben van slechte (vleselijke) dingen, daarmee niet zo bezig zijn, daarop niet gericht zijn. Vergelijk wat de apostel van de liefde heeft gezegd:

1Co 13:5 [de liefde] handelt niet onwelvoeglijk, zoekt niet haar eigen belang, wordt niet verbitterd, rekent het kwade niet toe, 1Co 13:6 verblijdt zich niet over de ongerechtigheid, maar verblijdt zich met de waarheid; (TELOS)

21

1Co 14:21  In de wet staat geschreven: ‘Ik zal in andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heer’. (TELOS)

In de wet staat geschreven. D.i. in de Schrift (van het oude verbond). Paulus verwijst naar Jes. 28:11-12.

Jes 28:11 Ja, met belachelijke klanken en in een andere taal zal Hij tot dit volk spreken, Jes 28:12 tegen wie Hij zei: Dit is de rust, geef de vermoeide rust, en dit is de verademing-maar zij wilden niet luisteren. (HSV)

Even verderop verwijst Paulus wederom naar de wet.

1Co 14:34 zoals in alle gemeenten van de heiligen. Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt. (TELOS)

23

1Co 14:23 Als dan de hele gemeente op één plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt? (Telos)

De hele gemeente op één plaats samenkomst. Hier is sprake van de gemeentelijke samenkomst, een plenaire bijeenkomst van de leerlingen van Jezus in een bepaalde plaats (als Korinthe). Ook vers 26 heeft daarop betrekking:

1Co 14:26 Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing. (TELOS)

Deze voltallige vergadering zijn te onderscheiden van bijzondere vergaderingen.

En allen spreken in talen. Sommige uitleggers zijn van mening dat dit 'allen' (Gr. pantes) zeggen wil dat de glossolalen allen tegelijk spreken, en dat de verwarring dientengevolge de oorzaak is, even zozeer als het onverstaanbare van de talen, van de in­druk die de bezoekers ontvangen. Maar de uitdrukking 'allen', die volkomen gelijk is wanneer het in het volgende vers over de profetie gaat, dient ten bewijze dat het volstrekt niet noodzakelijk is om deze weinig voor de hand liggende betekenis aan het woord 'allen' van vs. 23 te geven. Paulus wil een vergadering tekenen waar slechts plaats is voor het spreken in talen, dat zonder onderbroken te worden heel de vergadering duurt. In de verzen 24 en 25 volgt het tegenovergestelde voorbeeld.

Onkundigen of ongelovigen. Die niet tot de gemeente behoren.

Onkundigen. Of nieuwelingen. Gr. idiootai. Ook genoemd in vs. 16. Sommigen verstaan staan onder eronder: christenen die noch de gave der talen hebben noch ze ook verstaan. Maar hiertegen kan men met reden vragen: hoe zouden de bezoekers in tegenstelling met heel de vergadering kunnen genoemd worden? Anderen verstaan daaronder personen die geen christenen zijn. Maar hoe kan men ze in dat geval onderscheiden van de niet-gelovigen?

Een derde opvatting laat 'onkundigen' slaan op personen die geen christenen en van Joodse afkomst zijn, en 'ongelovigen' op hen die van heidense oorsprong zijn. Maar deze scheiding steunt nergens op.

Wanneer men van de eenvoudige zin van idiootes (vs. 16) uitgaat, dan komt men tot een onderscheiding die voor de hand ligt. De niet-gelovige is iemand dien de nieuwsgierigheid heeft getrokken, maar die nog geen enkel teken van geloof heeft gegeven. De onkundige is een nieuwe­ling, een leerjongen op het terrein van het geloof, een mens die reeds enige indruk en enig onderricht heeft ontvangen, maar die nog niet gedoopt is; in sommige kerken zou men tegenwoordig zeggen: een catechisant. Dergelijke mensen nu zouden zichzelf, onder de invloed van hun eenvoudig gezond verstand afvragen, hoe zou God, indien Hij daar als een Vader te midden van zijn kinderen woonde, hen kunnen spreken in een taal die zij niet begrijpen? Zulke sprekers lijken wel gekken en geen geïnspireerden.

24—25 Als allen profeteren

Wij zagen zoëven wat de talen zonder de profetie zullen voortbrengen; zie hier nu wat integendeel de profetie zonder talen zal doen. Aan de profetie worden drie werkingen toegeschreven: de overtuiging, de beoordeling (het onder­zoek), de openbaring.

24

1Co 14:24 Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of een onkundige binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen beoordeeld; (Telos)

Profeteren. Profetie berust op openbaring door God (vers 30).

1Pe 4:11 Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; ... (TELOS)

En er komt een ongelovige of een onkundige binnen. Ze komen binnen, zoals in vs. 23, in de loop van de vergadering. Paulus gebruikt hier liet enkelvoud in plaats van het meervoud (vs. 23); ongetwijfeld omdat hetgeen hij nu zal beschrijven een geheel persoonlijk karakter zal hebben. Bovendien stelt hij nu, anders dan in vers 23, de niet-gelovige voorop. Een verklaring is dat het verbindingswoord 'of' in beide verzen 23 en 24 verstaan moet worden als "en, veel meer nog".

Onkundige. Of nieuweling, zie vs. 16 en 23.

Overtuigd. Van dwaling of van zonde. Ieder woord van een der profeten is als een bliksemstraal die het licht werpt in het hart van de hoorder en hem dwaling of zonde, schuld of smet laat zien.

Beoordeeld. Statenvertaling: "geoordeeld". NBG51-vertaling: "doorgrond". Het Griekse woord wijst, aldus F. Godet[1], veeleer het in de delen nauwkeurig onderzoek aan dan het uitgesproken vonnis. Heel zijn binnenste wordt als het ware doorzocht door de woorden van de profeten. Bij dit doorzoeken wordt "het verborgene van zijn hart openbaar" (vs. 25).

25

1Co 14:25 het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is. (Telos)

Het verborgene van zijn hart wordt openbaar. Want de Geest kent het (vgl. het beoordelen, doorzoeken in vs. 24) en maakt het openbaar door de profeten. Door profetie aangaande een bezoeker worden dingen meegedeeld die God openbaart. Mogelijk ervaart de bezoeker een ogenblikkelijke verlichting, die doordringend is.

Men zou kunnen denken aan de openbaring van bepaalde bijzondere omstandig­heden van zijn leven, zoals toen Elisa tot Gehazi sprak (2 Kon. 5: 26) of Jezus tot Nathanaël (Joh. 1) en tot de Samaritaanse vrouw (Joh. 4).

Elisa tot Gehazi:

2Kon 5:25  Nadat hij binnengekomen was en voor zijn heer was gaan staan, vroeg Elisa hem: Vanwaar Gechazi? En hij antwoordde: Uw knecht is nergens heen geweest. 2Kon 5:26  Maar hij zeide tot hem: Ben ik in de geest niet meegegaan, toen die man zich omkeerde van zijn wagen af u tegemoet? Was het de tijd om dat zilver aan te nemen of om klederen aan te nemen of olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, slaven en slavinnen?  2Kon 5:27  Daarom zal de melaatsheid van Naaman u en uw nakomelingen aankleven, voor altoos. Toen ging hij van hem weg, melaats als sneeuw. (NBG51)

Jezus tot Nathanaël:

Joh 1:47  (1-48) Jezus zag Nathanael naar Zich toe komen en zei van hem: Zie, waarlijk een Israeliet in wie geen bedrog is. Joh 1:48  (1-49) Nathanael zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat Filippus je riep, terwijl je onder de vijgeboom was, zag Ik je. Joh 1:49  (1-50) Nathanael antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël. Joh 1:50  (1-51) Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat Ik je gezegd heb: Ik zag je onder de vijgeboom, geloof je? Je zult grotere dingen zien dan deze. (Telos)

Jezus tot de Samaritaanse:

Joh 4:16  Hij zei tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier. Joh 4:17  De vrouw antwoordde en zei tot Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tot haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man; Joh 4:18  want vijf mannen hebt u gehad, en die u nu hebt is uw man niet; dit heb u naar waarheid gezegd. Joh 4:19  De vrouw zei tot Hem: Heer, ik zie dat U een profeet bent. (Telos)

Behalve de openbaring van bijzondere omstandigheden kan er ook gewoon sprake zijn van een zedelijk licht, dat iets uit iemands verleden of heden in het ware daglicht laat zien.

En dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden. De bezoeker zal daaruit opmaken dat God tot Hem spreekt en onder de gelovigen aanwezig is en door hen werkt. Wat op dat ogenblik in hem omgaat lijkt op hetgeen bij Paulus gebeurde op de weg naar Damascus. Ge­troffen door dit licht, buigt de bezoeker zich in het stof, niet voor de mens, maar voor God, erkennend dat zulk een helderheid slechts kan afstralen van de Heilige, van de Kenner der harten; dat God het moet zijn die door de mond van deze mensen spreekt.

En verkondigen dat God werkelijk onder u is. Hier heb­ben we het tegenovergestelde van het woord "zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt?" (vs. 23.)

'Verkondigen', in het Grieks staat een deelwoord, 'verkondigend'. Dit kan alleen­ zien op hetgeen op dat ogenblik plaatsgreep in de ver­gadering zelf; het is als een kreet die hem ontglipt onder de macht van de ontroering waardoor hij overmeesterd wordt: "Ja, werkelijk, God is in uw midden!".

Maar men kan ook van mening zijn dat hij deze verklaring herhaalt, en voortzet bij het verlaten van de vergadering, bij de personen die hij ontmoet.

Onder u. De Griekse woorden kunnen betekenen: "onder u", maar in dit tekstverband, waar van ingeving sprake is, is het misschien meer voor de hand liggend om te vertalen: "in u". Het Griekse voorzetsel εν, en, betekent: in, door, met[2].

Werkelijk. Of: waarlijk. Grieks: ontoos. Deze man erkent door dit woord 'werkelijk' ('waarlijk') dat de bewering van de christenen dat zij de goddelijke ingeving deelachtig zijn gegrond is.

26—40 Orde in de vergadering

De apostel kan zijn betoog over de betrekkelijke waarde van de gave der talen en van de profetie niet beter eindigen dan door deze beide voorbeelden (allen spreken in een taal, vers 23, of allen profeteren, vs. 24-25); nu kan hij ertoe overgaan om de praktische regels vast te stellen die het heilzaam gebruik van deze gaven zullen waarborgen.

26

1Co 14:26 Hoe is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging; laat alles gebeuren tot opbouwing. (TELOS)

Een letterlijke vertaling volgt hieronder. De inspringing van de tekst is hier bedoeld om de tekst overzichtelijker te maken. De gecursiveerde en/of onderstreepte woorden hebben nadruk in de Griekse brontekst[3].

26 Wat dus is het, broeders? 
Wanneer u samenkomt, ieder
     een psalm heeft, 
     een leer heeft,
     een openbaring heeft,
     een taal heeft,
     een uitlegging heeft;
alles tot opbouwing laat het zijn.

De geestelijke uitingen (talen en profetie) worden in de verzen 26 en volgende geordend.

Hoe is het dan, broeders? De betekenis van deze vraag is dezelfde als in vs. 15.

1Co 14:15  Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden; ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen. (Telos)

De apostel wil zijn lezers er toe brengen om zelf uit de vooropgestelde beginselen de gevolgen te trekken die daaruit voortvloeien. De grondregel luidt: Geen enkele gave moet buitengesloten worden. Iedere openbaring van de Geest hebbe haar vrije loop; het is voldoende dat alles zij ter opbouwing.

Wanneer u samenkomt. Als gemeente. Paulus' verhandeling ziet op de gemeentelijke samenkomst.

1Co 14:23 Als dan de hele gemeente op een plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt? (TELOS)

Merk op dat in vers 26 eerst gewone, niet de bijzondere geestelijke uitingen genoemd worden: een psalm, een leer. Zingen en onderwijzen. Merk ook op dat openbaring (profetie) genoemd wordt vóór een taal en een uitlegging. Voor de opbouwing van de gemeente is profetie nuttiger dan spreken in een taal (tenzij deze uitgelegd wordt).

Heeft ieder een psalm, heeft een leer, heeft een openbaring, heeft een taal, heeft een uitlegging. "Ieder van u" hebben sommige handschriften[1]. Sommige handschriften[1] zetten "heeft een taal" vóór "heeft een openbaring".

Een ieder heeft niet álles, maar een ieder heeft of kan ten minste iets hebben.

De zin kan vragenderwijs opge­vat worden. Misschien is het beter hem op te vatten in de zin van een twijfelachtige bevestiging: „Ingeval dat aldus gebeurt."

De herhaling van "heeft" doet de verdeling van de bijdragen aan de dienst goed uitkomen.

Vergelijk met "ieder ...zegt" in 1 Cor. 1:12.

1Co 1:12  Ik bedoel dit, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, ik van Apollos, ik van Kefas, en ik van Christus. (Telos)

De apostel noemt vijf soorten bijdragen. Sommigen[1] zien hierin een opeenvolging van handelingen in het verloop van de gewone godsdienstoefening: deze begint met een psalm, daarna volgt onderwijzing, dan profetie. De taal sluit zich dan natuurlijk nauw aan bij de openbaring; de taal is de hoogste trap van de staat der geestvervoering, bijgevolg het hoogtepunt bij de godsdienstoefening; waarna met de uitlegging, die dan volgt, geëindigd wordt door de aanbidding terug te leiden tot deze staat van kalme overdenking, waar de godsdienstoefening begonnen was (de psalm) en moet eindigen.

De samenkomst is als het ware een geestelijk feest­maal, waarbij iedere gast zijn vertering aanbrengt, evenals bij de liefdemaaltijden (9:20v).

Een psalm. Daarmee staat de lof van God voorop.

De psalm (Grieks psalmos) is hier niet een gezang onder de vorm van het spreken in talen, het zingen met de geest, van vs. 15. Want later wordt er afzonderlijk gesproken van het spreken in talen en van zijn uitlegging. Hier is dus sprake van een psalm, gelijk aan die waarvan gesproken wordt in Col. 3:16 en Ef. 5:19.

Col 3:15  En laat de vrede van Christus, waartoe u ook geroepen bent in een lichaam, in uw harten heersen; en weest dankbaar. Col 3:16  Laat het woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen en in de genade zingt in uw harten voor God.  Col 3:17  En al wat u doet, in woord of in werk, doet alles in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God de Vader door Hem dankt. (Telos)

Efe 5:18  En wordt niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar wordt vervuld met de Geest,  Efe 5:19  en spreekt tot elkaar in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, zingend en jubelend in uw hart tot de Heer, Efe 5:20  en dankt te allen tijde voor alles de God en Vader in de naam van onze Heer Jezus Christus, (Telos)

Het gaat om zingen terwijl men wel bij zijn zinnen is, gelijk het past bij het begin van de godsdienstoefening.

1Co 14:15  Hoe is het dan? Ik zal met mijn geest bidden, maar ik zal ook met mijn verstand bidden; ik zal met mijn geest lofzingen, maar ik zal ook met mijn verstand lofzingen. (Telos)

Het ligt weinig voor de hand dat Paulus alleen van een oudtestamentische psalm wil spreken of van een christelijk gezang dat reeds bestaat, dat nu voorge­dragen of gezongen wordt. Het woord "heeft" sluit een geïmproviseerd gezang niet uit, want deze term wordt vervolgens toegepast op de taal en haar uitlegging, die toch onmiddellijke producten zijn van de werking van de Geest.

De Joodse wijsgeer Philo (1e helft van de 1e eeuw na Chr.) schrijft over een praktijk bij de Therapeuten, een Joodse sekte in de buurt van de Egyptische stad Alexandrië. "Na de spreker gaat een ander op­staan en zingt Gode een loflied, hetzij dat nieuw gedicht is door hemzelf, hetzij een van de oude lofliederen, gemaakt door vroegere dichters."

Een leer. Hiervóór onderscheidt Paulus leer van kennis, openbaring en profetie. 

1Co 14:6 En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek, welk nut zal ik u doen, als ik niet tot u spreek of in openbaring, of in kennis, of in profetie, of in leer? (TELOS)

Een openbaring. De Statenvertaling heeft 'een openbaring' staan tussen "een taal" en "een uitlegging". Dat is een kwestie van gebruikte handschriften. De lezing met de volgorde leer, openbaring, taal en uitlegging ligt meer voor de hand[1]. Wat onder meer voor deze laatste lezing pleit is ook het feit, dat het weinig voor de hand zou liggen dat de taal gescheiden werd van de uitlegging, door de openbaring (profetie).

Een openbaring is een woord, een inzicht door God gegeven. Een openbaring die in een profetie gedaan wordt. Openbaring is een bron van profetie (vs. 30). Daarom, bij 'een openbaring' moeten we aan een profetie denken. Deze heeft reeds een karakter van meer bepaald onmiddellijke ingeving, meer buitengewoon dan een leer.

Een taal, ... een uitlegging. De uitlegging is die van de uitgesproken taal. Een taal wordt bijna op het laatst genoemd, (1) omdat ze van mindere betekenis is voor de opbouwing, en (2) omdat ze bij de Korinthiërs voorop stond.

Tot opbouwing.

2Co 12:19 Reeds lang meent u dat wij ons bij u verdedigen. Wij spreken tegenover God in Christus, en alles, geliefden, tot uw opbouwing. (Telos)

27—28 Regels voor de glossolalie

De apostel gaat nu over tot de bijzondere regels die betrekking hebben op de uitoefening van de glossolalie.

27

1Co 14:27 Als iemand in een taal spreekt, dan door twee of ten hoogste drie, en ieder op zijn beurt, en laat een het uitleggen. (TELOS) 

Een letterlijke vertaling volgt hieronder. De inspringing van de tekst is hier bedoeld om de tekst overzichtelijker te maken. De gecursiveerde en/of onderstreepte woorden hebben nadruk in de Griekse brontekst[3].

27 Als in een taal iemand spreekt, 
          door twee of ten hoogste drie, 
          en om de beurt,
          en een laat het uitleggen. 

Als. Dit vers begint in het Grieks met het woord ειτε, eite, hetzij dat, waarop nog zo'n 'hetzij dat' zou moeten corresponderen, toegepast op de profetie (vs. 29). Deze vorm verraadt zeer duidelijk het bijkomstig karakter (volstrekt niet onmisbaar) van de glossolalie bij de godsdienstoefening.

De apostel geeft drie regels met betrekking tot deze gave.

Door twee of ten hoogste drie. Twee of drie in iedere vergadering. Deze regel ziet op het getal. Het spreken in talen kwam in Korinthe kennelijk bovenmate voor. Vergelijk:

1Co 14:23 Als dan de hele gemeente op een plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt? (TELOS)

De beperking moet ervoor zorgen dat de uitoefening van de gaven niet onevenwichtig is en één gave de boventoon voert.

En ieder op zijn beurt. Niet door elkaar heen spreken in talen. Deze tweede regel ziet op de orde: ieder op zijn beurt, de een na de ander, bijgevolg: een tegelijk. Het tegenovergestelde was zonder twijfel soms te Korinthe gebeurd.

En laat een het uitleggen. De derde regel bepaalt de wijze: het spreken in talen moet gevolgd worden door een vertolking. De uitdrukking 'een' (Grieks: εις, één) is een telwoord. Dit woord schijnt te betekenen een en dezelfde moet uitlegger zijn voor de twee of drie toespraken in talen gesproken; en dat wellicht om te voorkomen dat men zou gaan twisten over de betekenis van een van deze toespraken.

De vertolker of uitlegger kan de spreker zelf (vs. 5, 13) of ook een ander zijn (vgl. vs 28). Beide gevallen konden wel plaats hebben. De verzen 5 en 28 sluiten het spreken van een taal in de samenkomst zonder enige uitlegging uit.

28

1Co 14:28 Maar als er geen uitlegger is, laat hij zwijgen in de gemeente en laat hij tot zichzelf spreken en tot God. (TELOS)

Een letterlijke vertaling volgt hieronder. De inspringing van de tekst is hier bedoeld om de elementen van de tekst te doen uitkomen.

Maar als er is niet een uitlegger, 
        laat hij zwijgen in gemeente
                   en tot zichzelf laat hij spreken
                   en tot God.

Als er geen uitlegger is. Men moet uit onze passage het gevolg trekken dat deze gave min of meer blijvend was, hetzij zij volgens de regel behoorde aan een van de glossolalen of aan iemand anders van de gelovigen. Dat wordt juist door hoofdst. 12 vers 10 be­vestigd.

1Co 12:10  en aan een volgende werkingen van krachten; en aan een volgende profetie; en aan een volgende onderscheidingen van geesten; aan een ander allerlei talen; en aan een volgende uitlegging van talen. (Telos)

Laat hij zwijgen in de gemeente. Wanneer er geen enkele gelovige van degenen die bekend staan de gave van uitlegging te bezitten, tegenwoordig is en de talenspreker zelf niet uitlegt, dan moest de laatste in de vergadering het stilzwijgen bewaren.

Een laat hij tot zichzelf spreken en tot God. Toch wil de apostel niet dat de talenspreker in zich deze werking van de Geest onderdrukt; hij kan voor zichzelf zich overgeven aan de opwelling van dank en gebed in een andere taal, die zich van hem meester heeft gemaakt, hem opvoerend tot God.

29—38 Regels voor het profeteren

Nu volgen de regels met betrekking tot de uitoefening van de gave der profetie. Paulus stelt weer drie regels: de eerste ziet op het getal; de tweede regel betreft de wijze; de derde regel (vs. 30) ziet op de orde.

29

1Co 14:29 En laten twee of drie profeten spreken en laten de anderen het beoordelen. (Telos)

En. Het woordje ειτε, eite, = hetzij dat, doet verwachten dat bij de volgende soort uiting, de profetie, opnieuw met ειτε wordt begonnen. Hetzij dat iemand in een taal spreekt ... hetzij dat iemand profeteert. Er staat echter nu niet ειτε, maar δε, de = maar, bovendien, en, wat betreft. Volgens Godet[1] is de reden dat de tegenwoordigheid van glossolalen toevallig is, on­zeker is, die van profeten een feit is waaraan niet valt te twijfelen.

Laten twee of drie profeten spreken. Dit is de eerste regel betreffende het profeteren.

Door bepaald "twee of drie" te noemen, met weglating van de woorden το πλειστον = ten hoogste, ten meeste (vgl. vs. 27), toont Paulus dat hij het getal van drie veel gemakkelijker aanvaardt in het geval van de profeten, dan in het geval van de talensprekers.

Sommigen zijn van mening dat de beperking van 'ten hoogste drie' alleen bij het spreken in talen wordt gegeven, niet voor het profeteren[4]. Dat allen kunnen profeteren (vers 24, 31) is echter geen reden om aan te nemen dat er geen beperking geldt, want allen kunnen ook in talen spreken (vers 23). Als er helemaal geen beperking zou gelden, zou Paulus "twee of drie" evengoed kunnen weglaten.

Laten de anderen het beoordelen. De tweede regel voor de profeten in de samenkomst van de gemeente betreft de wijze: de profetie heeft, evenals de talen, haar noodzakelijke aanvulling: het onderscheidingsver­mogen, het oordeel waardoor de onzuivere elementen, die daar ongemerkt zouden kunnen ingeslopen zijn, als zodanig zouden moeten worden aangeduid en verwijderd.

1Th 5:20  Veracht de profetieen niet,  1Th 5:21  maar beproeft alles, behoudt het goede. (Telos)

Men herinnere zich dat er het Nieuwe Testament nog niet (geheel) geschreven was. De profetie zelf bracht mogelijk nieuwe elementen die het onderricht vervolgens moest uitwerken en rangschikken. Daarom was het onderscheidingsvermogen (Gr. diakrisis) van zo'n belang, van een schifting, gedaan met het oog op de gedachte die in de profetieën, gericht tot de vergadering, werden uitgesproken.

De anderen. Sommige handschriften hebben "anderen" in plaats van "de anderen", dus zonder "de"[1].

Wie zijn die 'anderen'? Door wie werd dit oordeel geoefend? Antwoorden die gegeven zijn:

  1. de andere profeten, de anderen die willen profeteren,
  2. al de toehoorders, want allen kunnen profeteren.
  3. in de praktijk zullen dat de meest bevoegden, in het bijzonder de leraren zijn geweest[1]
  4. zij die de gave van onderscheidingsvermogen hebben

Ad. 1. Voor deze uitleg pleit:

1Co 14:30 En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat de eerste zwijgen.

Als de hele gemeente moet beoordelen, zou "laat de gemeente het beoordelen" meer voor de hand liggen. Vele uitleggers zijn van gedachte geweest dat de woorden "de anderen" (Gr. οι αλλοι), niet anders kan betekenen dan de andere profeten; maar zou er in dit geval niet eerder gestaan hebben οι λοιποιot = de overigen, van de profeten?

Ad 2. Voor deze uitleg, dat "de anderen" op al de leden van de gemeente ziet, pleit:

1Co 14:31 Want u kunt allen, een voor een, profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden.

De laatste twee antwoorden (3. en 4.) beperken de betekenis van "de anderen" zonder voldoende grond.

Beoordelen. Het gebruikt Griekse werkwoord is diakrino. Sommige handschriften hebben anakrino = onderzoek doen[1]. Deze woorden komen van dezelfde taalstam als „kritiek"[5].

De uitspraken moeten beoordeeld, getoetst worden. Vgl. 12:10, onderscheiden van geesten.

Naar welk richtsnoer werd dit oordeel geoefend? Het is zeer zeker niet voor niets dat de apostel heel dit betoog over de geestelijke gaven (hoofdstukken 12-14) begonnen is met de aanwijzing van het juiste karakter waardoor de ware van de valse ingevingen onderscheiden worden, door er aan te herinneren dat de eersten als gemeenschappelijke en wezenlijke karaktertrek hebben deze uitroep der aanbidding: Jezus is Heer! terwijl de anderen tot verlaging en verwerping van Jezus zijn.

1Co 12:1 Wat nu de geestelijke uitingen betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent. 1Co 12:2  U weet dat toen u van de volken was, u tot de stomme afgoden werd heengedreven, al naar u geleid werd. 1Co 12:3  Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door de Geest van God spreekt, zegt: Vervloekt zij Jezus, en niemand kan zeggen: Heer Jezus, dan door de Heilige Geest. (Telos)

De Heilige Geest, die de profeten inspireert, zal Jezus verheerlijken.

Joh 16:14  Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het mijne nemen en het u verkondigen. (Telos)

Het getuigenis omtrent Jezus is de geest van de profetie.

Opb 19:10  En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden; en hij zei tot mij: Zie toe, doe dit niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie. (Telos)

Het ware dus voldoende om iedere profetie in betrekking te stellen met dit middelpunt van heel de christelijke openharing, de persoon van de Heer Jezus Christus, en om te zien tot welk einde de gehoorde profetie strekte, Hem te verklei­nen of te verheerlijken. Bijgevolg moet, aldus verklaart Godet[1], het oordeel aangaande een profetische rede hierin in de eerste plaats alles buitensluiten dat de goddelijke soevereiniteit van de Heer Jezus over de wereld, over de gemeente en over iedere ziel ondermijnt.

30

1Co 14:30  En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat de eerste zwijgen. (Telos)

Deze derde regel betreffende het profeteren in de gemeente ziet op de orde. Wanneer, terwijl een profeet spreekt, een ander een openbaring ontvangt, dan moeten beiden niet tegelijk spreken; in dat geval zal de eerste het stilzwijgen moeten aannemen.

Aan een ander die daar zit. Deze uitdrukking toont dat de profeet stond onder zijn spreken. Godet[1] maakt hieruit op dat hij die de nieuwe profetie ontving, zijn plan om te spreken te kennen gaf door op te gaan staan.

Iets geopenbaard wordt. Iemand krijgt opeens inzicht in Gods wil of in Zijn gedachten.

Efe 1:17  opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u de geest van wijsheid en openbaring geeft in de kennis van Hem, (Telos)

In vers 6 worden openbaring en profetie onderscheiden. In vers 29vv. lijken ze bij elkaar te horen: profetie berust op openbaring door God.

1Co 14:6  En nu, broeders, als ik tot u kom en in talen spreek, welk nut zal ik u doen, als ik niet tot u spreek of in openbaring, of in kennis, of in profetie, of in leer?

Daar ligt in de onper­soonlijke en passieve vorm van "aan een ander ... iets geopenbaard wordt", iets vreemds; het is alsof men de wolk van de goddelijke openbaring van het hoofd van de een op dat van de andere ziet over­gaan.

Zwijgen. De vorm van het werkwoord wijst op een zwijgende, die zich stil houdt. Vanaf het ogenblik dat een ander te kennen geeft een openbaring te hebben ontvangen, moet de eerste het stilzwijgen bewaren.

Maar, zal men vragen, waarom moet de tweede niet veeleer wachten totdat de eerste klaar zal zijn? Een antwoord[1] zegt: zeker omdat de meest frisse openbaring ook de zuiverste profetie zal voortbrengen. De profeet loopt het gevaar, wanneer hij zijn rede verlengt, om van het zijne te mengen onder de goddelijke mededeling. Het bevel van de apostel moet nodeloze uitweidingen en het schermen met woorden voorkomen.

31

1Co 14:31  Want u kunt allen, een voor een, profeteren, opdat allen leren en allen vertroost worden. (Telos)

Het zou wel willekeur kunnen schijnen om aldus (in de verzen 29-30) de openbaringen van de profetische geest te regelen; daarom rechtvaardigt de apostel in de verzen 31v. nadrukkelijk de vrijheid die hij neemt om een bepaalde wijze van handelen te stellen op zulk een terrein, waar alles overgeleverd scheen te zijn aan de onberekenbare ingeving van de Geest.

Men zou vs. 31 in deze zin kunnen opvatten: „op deze wijze zou het kunnen gebeuren dat zij die heden zullen hebben geprofeteerd, morgen op hun beurt onderwezen en vermaand zullen worden." Ieder lid zal beurtelings de actieve of pas­sieve rol spelen. Maar Paulus zou in dit geval eerder gezegd hebben "en aldus" en plaats van "want".

Dit lijkt de ware zin te zijn: „Want zij allen, een voor een, zijn in staat en moeten de gelegenheid krijgen om te profeteren; maar dat nu zou niet kunnen tenzij men de regel volgt, die in vs. 30 gegeven is. Veronderstel dat een profeet almaar doorgesproken had, dan had hij de anderen verhinderd om uit te spreken hetgeen God hun geopenbaard had ter lering of vertroosting der ver­gadering. En zo verstaat men het tweede deel van het vers: vrij wat leden van de vergadering zouden zonder het licht zijn geweest dat God hun wilde meedelen door middel van deze andere profeten wier woord onderdrukt was geworden.

Deze schikking of regel rustte natuurlijk op een ver­onderstelling; dat namelijk de profeet de macht had om op zich zelf, op zijn eigen geest de nodige beheersing uit te oefenen, om zonodig, de uiting te bedwingen van de profetische aandrift, die hem bezielde. En deze veronderstelling stelt de apostel nu in vs. 32 als een werkelijk feit.

32

1Co 14:32  En de geesten van de profeten zijn aan de profeten onderworpen. (Telos)

En. Grieks: και, kai = en, ook, zelfs, dan ook, maar[2]. Volgens Godet[1] betekent het voegwoord hier: en inderdaad.

Geesten. Sommige handschriften[1] hebben "geest" (enkelvoud) in plaats van "geesten". Het meervoud (Grieks: pneumata) wijst hierop de bijzondere aandriften en openbaringen die de profeten ondergingen en ondervonden[1].

Van de profeten ... aan de profeten. Men heeft soms deze woorden op verschil­lende lende personen laten slaan, alsof Paulus zeggen wilde dat de profeten eenvoudig genoeg moeten zijn om zich onder andere profeten te stellen, hetzij doordat ze hun oordeel aannemen (vs. 29), hetzij doordat zij aan hen het woord afstaan (vs. 30). Maar dan zou men niet verstaan waarom Paulus eerder schreef: "de geesten van de profeten" en niet gewoon "de profeten". En in plaats van "zijn ... onderworpen" zou hij hebben moeten zeggen: "moeten zich onderwerpen". Hij zou heel eenvoudig gezegd hebben: de profeten moeten zich aan elkaar onderwerpen.

Het is niet onopzettelijk dat Paulus in het Grieks het woord 'profeten' in botsing met zich zelf laat komen, als het ware om te tekenen hoe ieder profeet bij machte is om zichzelf te beheersen. Paulus geeft hier een zielkundig iets te kennen. Hij verklaart dat de profetische beademingen of ingevingen de profeet niet overmeesteren zonder zijn instemming of tegen zijn zin. In 12:2 was hij begonnen met de Korinthiërs de staat van lijdelijkheid te herinneren, waarin zij zich eertijds bevonden, toen zij, in de boezem van het heidendom, blindelings werden overmocht door demonische invloeden.

1Co 12:1  Wat nu de geestelijke uitingen betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent. 1Co 12:2  U weet dat toen u van de volken was, u tot de stomme afgoden werd heengedreven, al naar u geleid werd. 1Co 12:3  Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door de Geest van God spreekt, zegt: Vervloekt zij Jezus, en niemand kan zeggen: Heer Jezus, dan door de Heilige Geest. 1Co 12:4  Nu is er verscheidenheid van genadegaven, maar het is dezelfde Geest; (Telos)

Gods Geest werkt anders dan de demonen. Hij berooft de profeet niet van zijn vrijheid. Deze heeft bijgevolg het recht niet om zich op de inspiratie te beroepen om te weigeren zich aan de regels te onderwerpen door de apostel gesteld.

Sommige uitleggers stellen de profeet tegenover de talenspreker die, volgens hen, geenszins de­zelfde vrijheid genoot ten opzichte van zijn ingevingen. Dat is echter geheel ten onrechte gesteld; want vs. 27 en 28, die regels voor de spreken in een vreemde taal stellen, zouden niet te verstaan zijn, als de glossolaal niet in het volle genot van zijn vrijheid was met betrekking tot de Geest. De goddelijke ingeving is onderschei­den van de demonische ingeving, juist daarin dat, aldus F. Godet[1], de laatste de mens aan zichzelf ontsteelt, terwijl de eerste hem weer in het bezit van zichzelf geeft.

Zijn ... onderworpen. Het praesens υποτασσεται, hupotassetai, betekent, niet onderworpen zijn als een gebeurtenis die eens heeft plaatsgehad, maar zich onderwerpen, en dat juist op het ogenblik zelf waarop de profeet het wil[1].

33

1Co 14:33 Want God is niet een God van verwarring maar van vrede. (CP[6])

Hier is de grond aangeduid van al de voorgaande bevelen.

Verwarring. Vergelijk vers 23.

1Co 14:23 Als dan de hele gemeente op een plaats samenkomt en allen spreken in talen, en er komen onkundigen of ongelovigen binnen, zullen zij niet zeggen dat u wartaal spreekt? (TELOS)

Het woord ακαταστασια, akatastasia, geeft de verwarring van een geheel te kennen waarvan de delen de een met de anderen in strijd zijn, en ειρηνη, vrede, de harmonie van een geheel waarvan al de delen gemeenschappelijk handelen. God woont slechts in een geheel van deze tweede soort. Deze vaststaande stelling wet­tigt de regels voor het spreken in talen en het profeteren, die Paulus pas gaf, omdat zonder hen de vergadering slechts het schouwspel van een volslagen wanorde zou bieden.

34

1 Cor 14: 34 Zoals in al de vergaderingen van de heiligen, laten de vrouwen zwijgen in de vergaderingen; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt. (CP[6])

Daar blijft nog een derde bevel, dat even wezenlijk is, over, volgens de apostel, omtrent de goede orde der gemeente, een bevel dat doelt op het spreken van de vrouwen in de vergaderin­gen. Paulus heeft dit punt misschien opzettelijk voor het laatst bewaard. Want slechts na het stilzwijgen bij voorkomende gelegenheden aan de talensprekers en aan de de profeten opgelegd te hebben, kan hij er aan denken om dat aan de vrouwen op te leggen.

Sommige handschriften plaatsen de beide verzen 34 en 35 na vers 40[1].

Zoals in al de vergaderingen van de heiligen. Alle vergaderingen elders. Enkele handschriften voegen hier toe: "ik beveel"[1].

Door verscheiden uitleggers zijn deze woorden verbonden met hetgeen voorafgaat: "Want God is niet een God van verwarring maar van vrede, zoals in al de vergaderingen van de heiligen." Maar zou Paulus in dat geval niet veeleer hebben moeten zeggen[1]: "God is bij u een God ....," of "God is een God ... zoals men ziet in al de vergaderingen." Zoals de woorden daar staan: "zoals in al de vergaderingen...", kunnen de woorden klaarblijkelijk niet afhangen van hetgeen voorafgaat, dat een algemene stelregel omtrent het wezen van God is. Bovendien staat deze zin in een zeer nauw logisch verband met hetgeen in vs. 36 staat: "Of is het woord van God van u uitgegaan? Of is het alleen tot u gekomen?" En dat nu juist heeft waarschijnlijk meerdere Latijnse overschrijvers genoopt om de verzen 34 en 35 na vs. 40 te plaatsen, om aldus de woorden "Zoals in al de vergaderingen van de heiligen" meer direct te verbinden met vs. 30.

De toevoeging van "ik beveel" in twee Grieks-Latijnse handschriften, die deze verplaatsing van de verzen 34 en 35 hebben, is mede dientengevolge. Men las van dit gezichtspunt den zin aldus: "Aldus beveel ik in al de gemeenten der heiligen"; dan ging de tekst met vs. 36 verder: "Of is het woord van God van u uitgegaan? Of is het alleen tot u gekomen?" Met andere woorden : Meent u het recht te hebben om u boven de regels te stellen die door al de andere gemeenten gevolgd worden? Zo bracht men "Zoals in al de vergaderingen ..." en vs. 36 in verband met al de regels in dit hoofdstuk gegeven voor het gebruik van de glossolalie en van de profetie; en omdat het bevel met betrekking tot de vrouwen dit verband brak, heeft dit genoopt tot de verplaatsing van de verzen 34 en 35 na vs. 40.

Toch vergete men niet dat geen enkel document deze verzen weglaat, wat hun authen­ticiteit waarborgt.

Men kan de verbinding van "Zoals in al de vergaderingen van de heiligen" met hetgeen volgt niet veel aannemelijker vinden, want het woord "vergaderingen" wijst de gemeenten der gelovigen aan, terwijl dat woord in vs. 34 slechts haar godsdienstige samenkomsten kan betekenen. Maar deze beide betekenissen van "ecclesia" grenzen zo dicht aan elkaar dat ze hier best naast elkaar gebruikt kunnen worden, „Al de vergaderingen (gemeenten, groepen van gelovigen) hebben hun gewoonten; en tot deze gewoonten behoort die van het stilzwijgen der vrouwen in de vergaderingen (godsdienstige samenkomsten)." Deze zin past volkomen.

Men kan zich afvragen waarom Paulus hier zegt „de vergaderingen van de heiligen," en niet, als in 11:16, "de vergaderingen van God". Het antwoord ligt voor de hand: de heiligen, over plaatselijke gemeenten verdeeld, vormen toch een groot geestelijk geheel; de Korintiërs moeten zich niet afzonderen van deze gemeenschap der heiligen, door ge­woonten aan te nemen die door heel de rest van het lichaam verworpen worden, zoals het spreken van de vrouwen in de ver­gaderingen. Het woord "heiligen" doet al het eerbiedwaardige van dergelijke gewoonten uitkomen. De vergaderingen van de Korinthiërs moeten lijken op die van de andere heiligen.

De vrouwen. Sommige handschriften, in twee families van manuscripten, en de Syrische vertaling (Peshitta) hebben "uw vrouwen"[1]. In dit geval komt de gedachte naar voren: laten uw vrouwen zich gedragen als die van de heiligen in al de vergaderingen.

In de vergaderingen. Dat is de samenkomsten van de gemeenten, niet alleen in Korinthe, doch ook elders, vgl. 1 Cor. 1:2.

Maar laten zij onderdanig zijn. Textus Receptus: "maar zich te onderwerpen". De Statenvertaling, die uitgaat van de Textus Receptus, heeft: "maar onderworpen te zijn". Met de Textus Receptus komt er ironie in de tekst: "Het is hun niet geoorloofd te spreken, maar zich te onderwerpen" Deze ironie past in het tekstverband. Zij gaat teloor als men met de Alexandrijnse tekst de gebiedende wijs leest: "dat ze zich onderwerpen!". In 1 Tim. 2:11 zegt Paulus dat een vrouw niet moet leren, maar zich "in alle onderdanigheid laten leren".

1Ti 2:11  Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid laten leren; 1Ti 2:12  maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn. 1Ti 2:13  Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva; 1Ti 2:14  en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding. 1Ti 2:15  Maar zij zal bewaard blijven tijdens het ter wereld brengen van kinderen, als zij blijven in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid. (Telos)

Het betaamt in de Heer Jezus dat vrouwen aan hun mannen onderdanig zijn. Over de onderdanigheid van de vrouw, zie Vrouw.

Zoals ook de wet zegt. Het is niet duidelijk waarop deze woorden zinspelen. Paulus beroept zich denkelijk op Gen. 3: 16, waar staat dat de man als gevolg van de zondeval heerschappij over de vrouw zal voeren.

Ge 3:16 Tegen de vrouw zei Hij: Ik zal uw moeite in uw zwangerschap zeer groot maken; met pijn zult u kinderen baren. Naar uw man zal uw begeerte uitgaan, maar hij zal over u heersen. (HSV)

In Num. 30:1-16 lezen wij dat een vrouw haar vader of haar man de vervulling van haar geloften mag beletten. Zij is daarin aan hen onderworpen.

Nu 30:13 Alle gelofte, en allen eed der verbintenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haar man te niet maken. (...) Nu 30:16 Dat zijn de inzettingen, die de HEERE Mozes geboden heeft, tussen een man en zijn huisvrouw, tussen een vader en zijn dochter, zijnde in haar jonkheid, ten huize haars vaders. (SV)

Het woordje 'ook' (Grieks: kai) plaatst het bevel van de apostel op dezelfde lijn als de verklaring van God in Gen. 3:16 (aangenomen dat Paulus hiernaar verwijst), zo zeker is Paulus dat sprekend als hij het hier doet, hij dat doet krachtens de wil van de Heer (vs. 37).

35

1Co 14:35  En als zij iets willen leren, laten zij in huis hun eigen mannen vragen; want het is schandelijk voor een vrouw te spreken in [de] vergadering. (CP[6])

En als. of 'en indien'. Grieks: ει δε. Hier te verstaan als: 'en bovendien als'[1]. Want de uitdrukking kondigt hier niet maar een eenvoudige verklaring aan, maar een opklimming: en als de vrouwen zelfs iets willen leren, begrijpen, dan moeten zij zich nog onthouden om vragen te doen in de vergadering; zij zullen hun vragen voor zich zelf moeten houden om die thuis aan hun mannen te doen.

In huis ... in vergadering. In huis, d.w.z. thuis. Hier is de uitdrukking 'in vergadering' tegenover­ gesteld aan 'in huis', afzonderlijk. Of dat deze tegenoverstelling ook in vs. 19 gedacht mag worden, is niet duidelijk.

Hun eigen mannen vragen. Hoe kan van toepassing kan zijn op (1) vrouwen die geen voldoend onderrichte mannen hebben, of (2) op die wier mannen nog niet-gelovig zijn, of (3) op die welke in het geheel niet getrouwd zijn? Men rekent dat de ongetrouwde vrouwen in het huis van hun ouders leven, tot wie zij zich natuurlijk kunnen wenden. En wat de anderen betreft, dat zijn bijzondere gevallen die hun oplossing in de praktijk vinden, zonder dat Paulus die behoeft aan te wijzen. Hij acht het voor zich voldoende om de zedelijke positie en de plicht van de vrouw in hoofdlijnen vast te stellen.

Schandelijk. Het woord 'schandelijk' (Grieks: αισχρον), schijnt vrij sterk, Paulus ziet in het spreken in het openbaar van de vrouw een wijze van doen die strijdt met de houding die haar aanbevolen wordt én door de natuur der dingen én door het bevel van de Schepper (vgl. 1 Kor. 11:1-16). Hij zegt niet: 'misdadig' of 'onzedelijk'; het is een kwestie van welvoeglijkheid, van eerbaarheid.

Te spreken in [de] vergadering. Meerdere uitleggers trekken uit dit vers het gevolg dat het spreken, in vs. 34 aan de vrouwen verboden, noch het onderwijs bedoelt, noch de profetie, noch het spreken in talen, maar alleen de zucht om vraagstukken in de vergadering op te werpen en om aldus onder de schijn van om ophelderingen te vragen toch eigenlijk op te treden als leraressen. Wanneer zij iets te vragen hebben, dan moeten zij die voor zich houden tot zij thuis zijn en die dan doen aan haar echtgenoten.

Maar, kan men ten eerste tegenwerpen, in deze zin zelfs zou haar het recht om te onder­richten evenzeer geweigerd worden door de apostel. Want ingeval de vrouw geen vragen stellen kan zonder buiten haar positie te gaan en de welvoeglijkheid te kwetsen, daar zal zij nog minder kunnen onderwijzen zonder een onbetamelijkheid te begaan. Maar daar is, ten tweede, nog meer: de zin die men aldus aan het verbod van vs. 34 tracht te geven, door hem te beperken naar vs. 35, strijdt met het ware verband dat er tussen deze beide verzen bestaat. 'En als zij iets willen leren' maakt de verbinding met het vorige vers en geeft een opklimming aan. De vorm 'en als' is dus het gevolg van het feit dat de vraag het minst ernstig geval was, dat juist dat geval het meest voor de hand scheen te liggen om een uitzondering toe te laten. Maar Paulus verwerpt zelfs deze uitzondering; want hij weet hoe gemakkelijk de vrouwen, onder voorwendsel dat zij vragen, het verbod konden ontkomen dat haar liet spreken in het publiek verbiedt.

Het zwijggebod (34-35)

Men ziet aan "laten zij onderdanig zijn" en het beroep op de wet (Gen. 3:16) dat de apostel het spreken in het openbaar beschouwt als een daad van gezag die men uitoefent met betrekking tot de vergadering die toehoort; vgl. 1 Tim. 2: 12.

1Ti 2:11  Een vrouw moet zich stil, in alle onderdanigheid laten leren; 1Ti 2:12  maar ik sta aan een vrouw niet toe dat zij leert of over een man heerst, maar zij moet stil zijn. 1Ti 2:13  Want Adam is eerst geformeerd, daarna Eva; 1Ti 2:14  en Adam werd niet verleid, maar de vrouw werd verleid en viel in overtreding. 1Ti 2:15  Maar zij zal bewaard blijven tijdens het ter wereld brengen van kinderen, als zij blijven in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid. (Telos)

En daar de positie van gezag tegenover de man strijdig is met die van onderdanigheid, maakt de apostel daaruit dit besluit op, dat het in het openbaar spreken van de vrouw in strijd is met de positie die haar gegeven is, door de wil van God uitgedrukt in de Wet (Thora). De wet houdt weliswaar niets in dat ziet op de rol van de vrouwen in de vergaderingen; maar waar de wet het karakter van haar leven in het algemeen genomen bepaalde, daar had zij, naar Paulus' mening, deze kwestie van openbaar spreken in de vergadering indirect uitgemaakt. Het stilzwijgen van de vrouwen bij de godsdienstoefening in de vergadering is slechts de toepassing van de algemene stand van onderdanigheid (onderworpenheid, ondergeschiktheid) die haar opgelegd is met betrekking tot de man.

De emancipatie van de vrouw ging in Korinthe wellicht wat ver.

Een moeilijkheid levert de vergelijking met 11: 5, waar de vrouw bij het bidden en profeteren een hoofdbedekking moet dragen, dus toch wel bidt en profeteert. Men heeft allerlei oplossingen gezocht.

1. Een oplossing is de gedachte dat het spreekverbod aan de vrouwen beperkt is tot de uitingen van be­wondering, die zij plachten te geven aan hen, die in vreemde talen spraken.

2. Het spreekverbod is beperkt tot het stellen van nieuwsgierige vragen, die zij de profeten deden, wat natuurlijk een stoornis gaf in de goede orde bij de samenkomsten.

3. Het spreekverbod betreft het gefluister en de private gesprekken, die hinderlijk zijn voor de aandacht bij de gods­dienstoefening.

Tegen deze drie 'oplossingen' kan worden opgeworpen dat het onmogelijk is om op deze wijze de betekenis van het Griekse woord lalein, spreken, in hoofdstuk 14 te beperken, dat toch hier in dit hoofdstuk toegepast wordt op alle manieren waarop men in het openbaar kan spreken. Boven­dien, indien een of meer van de genoemde beperkte betekenissen de bedoeling was van het verbod, dan had het evengoed aan de mannen als aan de vrouwen moeten gegeven zijn. De passage, vzn. 34-35, verbiedt aan de vrouwen niet om verkeerd te spreken of te onpas, maar om te spreken; en Paulus stelt tegenover dit woord spreken, het zwijgen of het vragen thuis.

4. Men zou de veronderstelling kunnen maken, dat de apostel het spreken der vrouwen bij wijze van profetie of gebed in hoofdstuk 11 voor het ogenblik alleen heeft willen laten passeren, voor zich het recht behoudende om het later, in hoofdstuk 14, geheel te verbieden, wanneer de beginselen, die noodzakelijk zijn om dit algehele verbod te rechtvaardigen zullen gesteld worden. Zo had hij ook in hoofdstuk 6 gedaan met het oog op de rechtsge­dingen tussen de gelovigen, waar hij begon met een een­voudige beperking te maken in vs. 4, om ze vervolgens in vs. 7 geheel te veroordelen.

1Co 6:4  Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn! (Telos)

1Co 6:7  Reeds in het algemeen nu is het een gebrek bij u, dat u rechtszaken met elkaar hebt. Waarom lijdt u niet liever onrecht? Waarom laat u zich niet liever te kort doen? (Telos)

Ook hebben wij nog het gebruik van een dergelijke methode opgemerkt bij de behandeling, die betrekking had op de deelname van de Korinthiërs aan de feest­maaltijden ter ere der afgoden. Hoofdstuk 8 vers 10 scheen die eerst te veroorloven; voorts, later, toen het ogenblik gekomen is, verbiedt hij die stellig (10: 21-22), omdat hij nu van oordeel is, dat de geesten beter voorbereid zijn om zulk een besluit te aanvaarden.

1Co 8:10  Want als iemand u, die kennis hebt, in een afgodstempel ziet aanzitten, zal zijn geweten, daar hij zwak is, niet aangespoord worden om de afgodenoffers te eten? (Telos)

1Co 10:20  Nee, maar dat wat de volken offeren, zij dat aan de demonen offeren en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen. 1Co 10:21  U kunt niet de drinkbeker van de Heer drinken en de drinkbeker van de demonen; u kunt niet deelnemen aan de tafel van de Heer en aan de tafel van de demonen. (Telos)

Maar deze oplossing - het spreken eerst toelaten maar later verbieden - kan niet voldoen, want het blijft altijd waar, dat men geen voorwaarde aan de volvoering van een handeling stelt, die men zich voorneemt om later geheel te verbieden.

5. Ook heeft men nog gemeend dat het Griekse woord lalein, spreken, in hoofdstuk 14 alleen in de betekenis van onderwijzen moest genomen worden. Volgens deze mening zou de vrouw wel hebben kunnen profeteren, bidden in vreemde talen; maar zij moet zich nooit veroorloven om te onderwijzen. T

Toch is het onmo­gelijk om deze zo beperkte zin van het woord lalein te nemen in een hoofdstuk, waarin het over zijn gehele lengte gebruikt wordt om èn het profetisch spreken èn het spreken in vreemde talen aan te duiden. In de grond is deze oplos­sing misschien niet verkeerd, maar men kan haar niet afleiden uit het gebruik van het woord spreken in hoofdstuk 14, in tegenstelling met de woorden profeteren en bidden, in hoofdstuk 11.

6. Een andere aangedragen oplossing[5] is, dat hier sprake is van het beoordelen en het vragen van ophelderingen. Dat kan thuis door de vrouwen gebeuren. Maar bidden en profeteren wordt haar niet verboden. Men denke aan de profetessen in het Oude en Nieuwe Testament.

Toch is het onmo­gelijk om deze zo beperkte zin van het woord lalein te nemen in een hoofdstuk, waarin het over zijn gehele lengte gebruikt wordt om èn het profetisch spreken èn het spreken in vreemde talen aan te duiden. In de grond is deze oplos­sing misschien niet verkeerd, maar men kan haar niet afleiden uit het gebruik van het woord spreken in hoofdstuk 14, in tegenstelling met de woorden profeteren en bidden, in hoofdstuk 11.

7. Terwijl Paulus in de regel het spreken der vrouwen in de vergaderingen verwerpt, heeft hij toch gewild dat hun een zekere vrijheid gelaten werd voor het buiten­gewone geval, waarin de vrouw, tengevolge van een plotselinge openbaring (profeteren) of onder de invloed van een machtige adem van het gebed en der dankzegging (spreken in vreemde talen), zich gedrongen gevoelde om uiting te geven aan deze buitengewone aandrift des Geestes. Alleen maar heeft hij er met te meer nadruk op gestaan, dat, op het ogenblik, waarop zij aldus uit haar natuurlijke stand van bescheidenheid en onafhankelijk­heid trad, zij niet vergat, noch de vergadering met haar, wat er voor abnormaals in deze daad lag; en daartoe nu diende de hoofdbedekking. Het schijnt overigens ook, dat Paulus niet veronder­stelde, dat deze gevallen dikwijls voor zouden komen. Want in hoofdstuk 14 worden de profetessen nergens naast de profeten genoemd, en toch wordt de naam 'profetes' in het Oude Testament gebruikt en ontbreekt zij ook niet in het Nieuwe Testament (Luk 2: 36; Opb. 2:20). Het is wel waarschijnlijk, dat de apostel in hoofdstuk 11 slechts aan de gehuwde vrouwen dacht.

Tegen deze laatste oplossing van de moeilijkheid kan worden aangevoerd, (1) dat Paulus stelt (vs. 32) dat de geesten van de profeten aan de profeten zijn onderworpen, en (2) dat Paulus zelfbeheersing bij de profeten veronderstelt dat als hij een maximum van twee of drie profetische sprekers stelt. Waarom zou Paulus dan in hoofdstuk 11 een uitzondering maken voor vrouwen die door een buitengewone aandrift van de Geest gedreven worden?

In elk geval is het een vrouw niet geoorloofd te leren, gelijk Paulus elders duidelijk leert. Een vrouwelijke predikant, die de gemeente van Christus leert, handelt in strijd met dit verbod.

37

1Co 14:37 Als iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, laat hij erkennen, dat wat ik u schrijf een gebod van de Heer is. (TELOS)

Een gebod van de Heer. Door Gods Geest ingegeven of zelfs mogelijk door de Heer hoorbaar meegedeeld.

38

1Co 14:38 Maar is iemand onwetend, hij zij onwetend. (TELOS)

Onwetend. Vgl. 12:1.

Bronnen

A. van Veldhuizen, Paulus' brieven aan de Korinthiërs (Groningen, Den Haag: J.B. Wolters' uitgeversmaatschappij, 1922. Deel van de reeks Tekst en Uitleg. Praktische Bijbelverklaring door F.M.Th. Böhl en A. van Veldhuizen). Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 20 okt. 2020.

F. Godet, Kommentaar op Paulus eersten brief aan de Corinthiërs. Utrecht: Kemink & Zoon, 1904. Enige tekst van het commentaar op 1 Kor. 11 (bidden en profeteren der vrouwen) en 1 Kor. 14:23-35 is onder wijziging verwerkt op 21-22 en 28 juni en 4, 6-7 en 13-15, 29 juli, 4 en 17 aug. 2021.

Voetnoten

  1. 1,00 1,01 1,02 1,03 1,04 1,05 1,06 1,07 1,08 1,09 1,10 1,11 1,12 1,13 1,14 1,15 1,16 1,17 1,18 1,19 1,20 1,21 F. Godet, Kommentaar op Paulus eersten brief aan de Corinthiërs. Utrecht: Kemink & Zoon, 1904. Commentaar op dit vers.
  2. 2,0 2,1 Vgl. Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.
  3. 3,0 3,1 Deze nadruk is ontleend aan ‘The Discovery Bible’ (uitgever Moody Press, 1987). De gecursiveerde, onderstreepte woord en hebben meer nadruk dan de alleen gecursiveerde woorden.
  4. Verslag van de elfde samenspreking van broeders van de "Vergaderingen' in Nederland en Vlaanderen over de grondbeginselen van het samenkomen (29 okt. 1988). Die broeders behoren tot de Vergadering van Gelovigen.
  5. 5,0 5,1 A. van Veldhuizen, Paulus' brieven aan de Korinthiërs (Groningen, Den Haag: J.B. Wolters' uitgeversmaatschappij, 1922. Deel van de reeks Tekst en Uitleg. Praktische Bijbelverklaring door F.M.Th. Böhl en A. van Veldhuizen), blz. 105.
  6. 6,0 6,1 6,2 Hertaling, vertaling of andere bewerking door Christipedia, uitgaande van de Telos-vertaling.