Hebreeën 1

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Hebreeënbrief, hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Hebreeënbrief, onderwerp: Allerlei Priester Tabernakel Verbond

Hoofdstuk Hebreeën 1 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De aandacht wordt van het begin af gericht op de Zoon van God en Zijn grootheid. Van Hem worden zeven grootse dingen genoemd, welke Hem van alle engelen en mensen onderscheiden. Hij is de "Eerstgeborene" (1:6).

1

Heb 1:1  Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon, (Telos)

In [de] Zoon. Zie ook vers 5. "Jezus, de zoon van God" (4:14), "de Zoon van God" (6:6).

Tot ons gesproken in [de] Zoon. De schrijver staat het volgende Schriftwoord voor de geest:

Heb 3:7  Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: ‘Heden, als u zijn stem hoort, Heb 3:8  verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering, in de dag van de verzoeking in de woestijn,  Heb 3:9  waar uw vaderen Mij verzochten door Mij op de proef te stellen, en zij zagen toch mijn werken veertig jaar lang. Heb 3:10  Daarom was Ik vertoornd op dit geslacht en zei: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben mijn wegen niet gekend, Heb 3:11  zodat Ik zwoer in mijn toorn: Nooit zullen zij in mijn rust ingaan!’ (Telos)

Over het spreken van Jezus op aarde, zie Jezus Christus

2

Heb 1:2  die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft. (Telos)

Erfgenaam. Zie ook vers 4: 'uitnemender naam geërfd' dan de engelen. Over Jezus als Erfgenaam, zie Erfgenaam. Over onze erfenis, zie Erfenis.

De werelden. Dit spreken van van 'werelden' (meervoud) is in overeenstemming met de opvattingen van de Joden, en hun manier van spreken, die drie werelden noemen, die zij noemen:

  • de bovenwereld of de wereld van de engelen (de woonplaats van God)
  • de middelste wereld (de lucht) of de wereld van de lichtbollen (waar de zon, maan en sterren zijn),
  • de lagere wereld[1] van het land of de benedenwereld[2] (waarop wij mensen leven)

God wordt in hun geschriften en gebedenboeken[3] vaak genoemd "Heer van alle werelden" te noemen.

Vergelijk ook de drie sferen van intelligent leven:

Flp 2:9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is, Flp 2:10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, Flp 2:11 en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader. (Telos)

De meerderheid van de natuurkundigen meent dat je moet uitgaan van meerdere werelden (een multiversum) om te komen tot een fundament van een 'allesomvattend' beeld van het universum. Dat betekent niet dat het denkbeeld van vele werelden hetzelfde is als de gedachte die de Hebreëenbriefschrijver uitdrukt.

Door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.

Col 1:16 want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen. (Telos)

God maakte de werelden niet met zijn Zoon als een instrument, maar als een bewerkende oorzaak met hem; want in of door de Zoon zijn alle dingen gemaakt (Col. 1:16). Het voorzetsel "door" duidt niet altijd op instrumentaliteit, maar soms op bewerkende oorzaak. God de Vader is Zelf ook een bewerkende oorzaak (zie Hebr. 2:10)

Heb 2:10 Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte. (Telos)

3

Heb 1:3 Deze, die de uitstraling is van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen en die alle dingen draagt door het woord van zijn kracht, is, nadat Hij door Zichzelf de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge, (Telos)

De uitstraling van zijn heerlijkheid. Jezus is de uitstraling (‘afstraling’, ‘afschijnsel’) van Gods heerlijkheid. Zowel 'uitstraling' als 'afdruk' in dit vers drukken het denkbeeld van zichtbaarmaking uit. Bepaalde aspecten van God worden door de Heer Jezus zichtbaar, zoals Gods heerlijkheid. Gods heerlijkheid is Gods majesteit, hoogheid, grootheid, macht en pracht. Die heerlijkheid schittert, straalt, in de Heer Jezus.

Gelijkenis: de zon en haar uitstraling. De zon is een kolkende gasmassa. Met het ongewapende oog zien we daarvan niets. We zien alleen een enorm stralend licht. De heerlijkheid van de zon vertoont zich in haar uitstraling. Wij zien de uitstraling. Voor ons oog is de zon gelijk aan haar zichtbare vorm en uitstraling. De uitstraling behoort ook tot de zon, is evenzeer van de zon en ‘zonnelijk’ als de voor ons oog verborgen gasmassa. Zo is ook Christus de uitstraling van de heerlijkheid van God, maar evenzeer goddelijk. De uitstraling is niet iets van een lagere orde. God verschijnt aan ons door Christus.

De afdruk van zijn wezen. Het “uitgedrukte”, “afdruksel”. De Heer Jezus maakt het wezen, de wezenlijke hoedanigheden van God, zichtbaar.

Gelijkenis: een munt. Neem een munt en leg hem onder een vel papier. Vraag aan een kind wat hij ziet: een vel papier, met een iets er onder. Iets ronds. Vgl. de verhouding tussen de schepping en God voor de natuurlijke mens. Geef het kind een potlood en laat hem arceren het vel papier, bovenop de munt. Hierdoor wordt de kop van de munt zichtbaar. Het iets krijgt een gezicht.

Gelijkenis zegelring. In het oude Griekenland droegen vrije mannen een zegelring, om daarmee hun handschrift te waarmerken. Zegelringen waren in de Romeinse keizertijd vaak versierd met portretten.

Jezus is het beeld van God. In het aangezicht van Jezus Christus glanst de heerlijkheid van God, zoals vroeger het aangezicht van Mozes glansde, nadat Hij God ontmoet had en met Hem gesproken had.

2Co 4:4 in wie de God van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld van God is, hen niet zou bestralen. (...) 2Co 4:6 Want de God die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot de lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. (Telos)

Wie Jezus heeft gezien, heeft de Vader gezien.

Joh 14:9 Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader? Joh 14:10 Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet vanuit Mijzelf, maar de Vader die in Mij blijft, Die doet de werken. (Telos)

Alle dingen draagt. vergelijk:

Col 1:17 En Hij is voor alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem. (Telos)

Hoe ze bestaan? Hij draagt ze en wel door het woord van Zijn kracht. Hij ondersteunt, onderhoudt en doet ze bestaan[4].

Hij houdt alle dingen in stand, hij ondersteunt de wereld. Hij is de ‘wereldgrond’, de drager van de wereld. Voor de levensverschijnselen en levende dingen is hij de ‘levensgrond der wereld’. Vergelijk:

Ps 75:3 (75–4) Het land en al zijn inwoners waren versmolten; [maar] ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.

Het land Israël was door de Assyrische veroveraar beroerd en verschrikt. Maar God ondersteunt het land door onzichtbare hechte en vaste zuilen, het zal niet wankelen en instorten.

God draagt ook het stofje dat u en ik zijn.

De reiniging van de zonden. God heeft toegelaten dat er zonden geschiedden, maar Hij heeft ook Zelf voor de reiniging van de mensen gezorgd. Merk op dat er alleen gesproken wordt over de taak die hij volbracht, niet over zijn lijden zoals in Hebr 12:2. Er staat wel waardoor Hij die taak heeft volbracht: door Zichzelf. Hijzelf heeft het volbracht. Hij was offer en priester tegelijk. Eens voor altijd, eenmalig. Door Zichzelf op te offeren.

Heb 7:27 die het niet dagelijks nodig heeft, zoals de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers op te offeren, daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens voor altijd gedaan door Zichzelf op te offeren. (Telos)

Door zijn eigen bloed.

Heb 9:12 ook niet door het bloed van bokken en kalveren, maar door zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom na een eeuwige verlossing verworven te hebben. Heb 9:13 Want als het bloed van bokken en stieren en de as van een jonge koe, gesprenkeld op de onheiligen, heiligt tot de reinheid van het vlees, Heb 9:14 hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen. (Telos)

Gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Aan Gods rechterhand.

Heb 10:12 Maar Hij, nadat Hij een slachtoffer voor de zonden geofferd heeft, is voor altijd gaan zitten aan Gods rechterhand (Telos)

Heb 12:2 ... wij zien op Jezus, de overste leidsman en de voleinder van het geloof, die om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God. Heb 12:3 Want let op Hem die zo’n tegenspraak door de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet moe wordt en in uw zielen bezwijkt. (Telos)

Opb 3:20 Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik ook bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij. Opb 3:21 Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met mijn Vader op zijn troon. (Telos)

4

Heb 1:4 zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender naam geërfd heeft dan zij. (Telos)

Uitnemender naam.

Flp 2:9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is, Flp 2:10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, Flp 2:11 en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader. (Telos)

Geërfd. Zie ook vers 2: 'erfgenaam van alle dingen'. Het is de Zoon die erft. Ook door 'geërfd' wordt naar Jezus verwezen als de Zoon van God.

5

Heb 1:5 Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: ‘U bent mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’? En opnieuw: ‘Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn’? (Telos)

God zegt deze dingen tót en ván Iemand die al bestaat en kan verstaan wat God zegt. Die Persoon is geen engel, maar Hij, die mens is geworden, door God verwekt in de schoot van Maria.

Zoon. Zie ook vers 1: "tot ons gesproken [in] Zoon.

U bent mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt. Zie ook:

Heb 5:5  Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om hogepriester te worden, maar Hij die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’. (Telos)

De schrijver haalt woorden uit Psalm 2 aan:

Ps 2:5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, in Zijn brandende [toorn] hun schrik aanjagen. Ps 2:6 Ik heb Mijn Koning toch gezalfd over Sion, Mijn heilige berg. Ps 2:7 Ik zal het besluit bekendmaken: De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, Ík heb U heden verwekt. Ps 2:8 Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven, de einden der aarde [als] Uw bezit.

Paulus haalt dit vers aan in Hand. 13:

Hnd 13:30 God echter heeft Hem uit de doden opgewekt, Hnd 13:31 en vele dagen lang is Hij verschenen aan hen die met Hem waren opgegaan van Galilea naar Jeruzalem, die nu zijn getuigen zijn bij het volk. Hnd 13:32 En wij verkondigen u de belofte, tot de vaderen gekomen, dat God deze heeft vervuld aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken, Hnd 13:33 zoals ook in de tweede Psalm geschreven staat: ‘U bent mijn Zoon, heden heb ik U verwekt’. Hnd 13:34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt om niet meer tot ontbinding terug te keren, heeft Hij zo gezegd’: Ik zal u de betrouwbare weldadigheden van David geven’. Hnd 13:35 Daarom zegt Hij ook in een andere Psalm: ‘U zult uw Heilige geen ontbinding te zien geven’. (Telos)

Over ‘Gods Zoon’ spreekt Paulus in Rom. 1:

Ro 1:2 (dat Hij tevoren had beloofd door zijn profeten in heilige Schriften) Ro 1:3 aangaande zijn Zoon (die geworden is uit het geslacht van David naar het vlees, Ro 1:4 die verklaard is als Gods Zoon in kracht naar de Geest van de heiligheid, door dodenopstanding), Jezus Christus onze Heer (Telos)

Niet Jozef heeft Jezus verwekt, maar God Zelf, in de schoot van Maria. Vergelijk vers 6: ‘wanneer Hij zijn eniggeborene inbrengt in de wereld’. En 2:10.

Heb 2:10  Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte. Heb 2:11  Want en Hij die heiligt en zij die geheiligd worden, zijn allen uit een; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt: (Telos)

Er zijn echter ook andere verklaringen van dat door God 'verwekt' zijn:

  1. eeuwige verwekking door de Vader
  2. als koning gesteld
  3. wanneer het volk Israël hem eindelijk als de door God aangesteld koning, de zoon van David, erkent.

De verwekking in de schoot van Maria lijkt de meest voor de hand liggende verklaring. Bedenk ook dat de Heer door de verwekking door de Heilige Geest ‘Zoon van God’ wordt genoemd, volgens de boodschap van de engel aan Maria:

Lu 1:31 en zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven. Lu 1:32 Deze zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd, en de Heer, God, zal Hem de troon van zijn vader David geven, Lu 1:33 en Hij zal over het huis van Jakob koning zijn tot in eeuwigheid en aan zijn koningschap zal geen einde zijn. (..) Lu 1:35 En de engel antwoordde en zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd. (Telos)

7

Heb 1:7  En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die zijn engelen tot geesten maakt en zijn dienaars tot een vuurvlam’, (Telos)

Dienaars. Zie ook vers 14.

Zijn dienaars tot een vuurvlam. Te denken valt aan serafs ('Brandenden').

8

Heb 1:8  maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is de scepter van uw koningschap. (Telos)

Maar van de Zoon. Zijn de engelen dienaren, de Zoon is Iemand die op de troon zit en gediend wordt.

Uw troon. Het lijkt erop dat de schrijver doelt op de troon in de hemel waarop hij nu gezeten is, naast de Vader (vgl. vers 3, Opb. 3:21).

Opb 3:21  Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met mijn Vader op zijn troon. (Telos)

Volgens sommigen echter wordt in het onderhavige vers 8 de toekomstige troon van de messias in het Vrederijk bedoeld, niet de troon in de hemel waarop Hij nu gezeten is[5]. De messiaanse troon is zijn eigen troon (Opb 3:21), de troon van zijn vader David (Luc. 1:32)[5].

Opb 3:21  Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met mijn Vader op zijn troon. (Telos)

O God. De Zoon, onze Heer Jezus, wordt met 'God' aangesproken. Zijn Godheid komt behalve op deze plaats in verscheidene Schriftwoorden naar voren.

Is tot in alle eeuwigheid. Een kenmerk van de troon van de Heer Jezus is dat zijn troon blijft tot in alle eeuwigheid, in tegenstelling tot de talloos vele tronen van aardse heersers die de geschiedenis heeft doen zien.

De scepter van de rechtmatigheid is de scepter van uw koningschap. In tegenstelling tot zovele aardse heersers is de Heer Jezus een rechtvaardige heerser.

9

Heb 1:9 U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, uw God, u gezalfd met vreugdeolie boven uw metgezellen’. (Telos)

U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat. De Heer Jezus handelde en handelt niet louter uitwendig naar het recht: zijn gerechtigheid is een hartenzaak, de gerechtigheid heeft hij hartelijk lief, en wetteloosheid is hem een gruwel, een voorwerp van haat. Hoevele onrechtvaardige heersers zijn er op deze aarde geweest! Als de nederige, getrouwe Israëliet op aarde had Christus gerechtigheid lief en haatte hij wetteloosheid[6].

Zonde is wetteloosheid, zegt de apostel Johannes in zijn eerste brief.

1Jo 3:4  Ieder die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid; en de zonde is de wetteloosheid. (Telos)

De wetteloosheid bereikt een climax in de eindtijd, wanneer de Wetteloze zal opstaan. Deze Wetteloze en zijn wetteloosheid zijn thans (anno 2020) een verborgenheid, maar zij zullen openbaar worden als de Weerhouder (waarschijnlijk de Heilige Geest met de Gemeente) wordt weggenomen.

2Th 2:7  Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen hij die nu tegenhoudt, blijft totdat hij weggenomen wordt. 2Th 2:8  En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van zijn mond en ten niet doen door de verschijning van zijn komst; (Telos)

De Heer Jezus, wanneer hij in de wereld verschijnt, zal de Wetteloze verteren (2 Thess. 2:8) en de wettelozen ten gerichte doen verzamelen (Matth. 13:41).

Mt 13:41  De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn koninkrijk verzamelen alle aanleidingen tot vallen en hen die de wetteloosheid doen, (Telos)

De Heer zal valse profeten en valse wonderdoeners afwijzen:

Mt 7:23  En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid! (Telos)

Vreugdeolie. Misschien heeft de Heer Jezus de vreugdeolie ontvangen bij zijn terugkomst in de hemel. Vreugde over het volbracht werk, dat de Vader verheerlijkt en heil voor zondaars heeft bereid.

Heb 12:2  terwijl wij zien op Jezus, de overste leidsman en de voleinder van het geloof, die om de vreugde die voor Hem lag, het kruis heeft verdragen, terwijl Hij de schande heeft veracht, en die is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God. (Telos)

Met eer en heerlijkheid is Hij in de hemel gekroond.

Heb 2:7  U hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond en hem gesteld over de werken van uw handen; (...) Heb 2:9  maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door de genade van God voor alles de dood smaakte. (Telos)

Uw metgezellen. Lett. 'deelgenoten'. Dat zijn de gelovigen en misschien ook de goede engelen.

Heb 3:14  Want wij zijn metgezellen van Christus geworden, als wij tenminste het begin van het vertrouwen tot het einde toe onwrikbaar vasthouden, (Telos)

Sommigen[6] verstaan 'uw metgezellen' door: Jezus' leerlingen, ruimer, het overblijfsel van Israël dat in de gemeente is opgenomen, ruimer alle gelovigen. Ook de gelovigen worden gezalfd met olie van de vreugde, die komt na rouw en verdrukking (Jes. 61:3).

Maar misschien mogen we de goede engelen meerekenen. Uit het verband van de verzen 5 t/m 14 mogen we misschien opmaken dat de engelen zijn bedoeld. In dit hoofstuk wordt immers steeds op de meerderheid van Jezus gewezen ten opzichte van de engelen. Hij staat hoger dan hen, hoewel hij in het oude testament verschijnt als een engel, 'de engel van Jahweh'. Maar engelen hebben deel gehad aan de missie van Jezus: ze verkondigden in de velden van Efratha de blijde boodschap van zijn geboorte, ze dienden hem in de woestijn, ze verkondigden de blijde boodschap van zijn opstanding, ze verkondigden onmiddellijk na zijn hemelvaart zijn toekomstige terugkeer.

Mr 1:13  En Hij was in de woestijn veertig dagen, verzocht door de satan; en Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem. (Telos)

Mt 4:11  Toen verliet de duivel Hem; en zie, engelen kwamen bij Hem en dienden Hem. (Telos)

Engelen zijn en worden uitgezonden ten dienste van hen die het heil zullen beërven.

Heb 1:14  Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die de behoudenis zullen beërven? (Telos)

Ze verblijden zich over een zondaar die zich bekeert.

Lu 15:10  Zo, zeg Ik u, ontstaat er blijdschap voor de engelen van God over een zondaar die zich bekeert. (Telos)

In het laatste Bijbelboek verkondigt een engel 'het eeuwig evangelie'.

Opb 14:6  En ik zag een andere engel vliegen in het midden van de hemel, die het eeuwig evangelie had, om het te verkondigen aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie en geslacht en taal en volk, (Telos)

Aanhaling uit Psalm 102 (10-12)

In de verzen 10-12 wordt een gedeelte uit Psalm. 102 aangehaald.

Ps 102:24 (102-25) Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht. Ps 102:25 (102-26) Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen; Ps 102:26 (102-27) Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Ps 102:27 (102-28) Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden. (SV)

10

Heb 1:10  En ‘U, Heer, hebt in het begin de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn werken van uw handen. (Telos)

De Heer Jezus is God de Schepper, van wie in Genesis 1 geschreven is.

Ge 1:1  In den beginne schiep God de hemelen en de aarde (CP[7]).

God heeft door Hem de werelden gemaakt (vers 2):

Heb 1:2  die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft. (Telos)

De hemelen. Dit meervoud komt ook voor in Gen. 1:1.

11

Heb 1:11  Zij zullen vergaan, maar U blijft; (Telos)

U blijft. Zie ook vers 8 (zijn troon is eeuwig) en vers 12.

12

Heb 1:12  en zij zullen alle als een kleed verouderen, en als een mantel zult U ze samenrollen en als een kleed zullen zij veranderd worden; maar U bent Dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden’. (Telos)

Als een kleed verouderen. Als een (opper)kleed slijten[5].

Mantel. Opperkleed, mantel of rok.

Als een mantel zult U ze samenrollen en als een kleed zullen zij veranderd worden. Een mantel wordt opgerold wanneer hij niet meer wordt gebruikt. Het kleed wordt veranderd door het op te rollen of om te keren. “Gelijk iemand zijn kleed omkeert om het weg te leggen,” zo vertaalt Jarchi Ps. 102:26.

Het is alsof dat samenrollen van wat voorbij gaat en veranderd wordt, begonnen is in het graf, toen Jezus herleefde en uit de doden verrees.

Joh 20:5  En hij bukte zich voorover en zag de doeken liggen; hij ging er echter niet in. Joh 20:6  Simon Petrus nu kwam ook achter hem aan en hij ging het graf binnen en zag de doeken liggen Joh 20:7  en de zweetdoek die op zijn hoofd was geweest, niet bij de doeken liggen, maar op een plaats afzonderlijk samengerold. (Telos)

De Zoon is "het begin der schepping Gods" (Opb. 3:14) ...

Opb 3:14  En schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige getuige, het begin van de schepping van God: (Telos)

... en het begin van de hérschepping van God.

Jes 34:4 En al het heir der hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, gelijk een boek, en al hun heir zal afvallen, gelijk een blad van den wijnstok afvalt, en gelijk [een] [vijg] afvalt van den vijgeboom. (SV)

U bent Dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden. Zie vers 11.

14

Heb 1:14  Zijn zij niet allen dienende geesten, die tot dienst uitgezonden worden ter wille van hen die het heil zullen beërven? (CP[8])

Dienende geesten. Zie vers 7.

Heil. Wat dit heil inhoudt, wordt hierna belicht. Zie 2:3, 5, 10. Elementen van dat heil zijn: eeuwig leven, eer, heerlijkheid, heerschappij over Gods werken en toekomstige aardrijk. De 'reiniging van de zonden' (3) behoort zeker ook tot ons heil, maar de aandacht wordt nu gevestigd op de toekomstige vervulling van het heil.

Zullen beërven. Niet: 'hebben beërfd'. Het gaat vooral om het toekomstige heil dat de gelovigen ten deel zal vallen.

Bron

John Gill's Expositor, commentaar bij Hebr. 1:2. Tekst hiervan is vertaald onder wijziging verwerkt op 13 feb. 2021.

Voetnoten

  1. Tzeror Hammor, fol. 1. 4. & 3. 2, 3. Caphtor, fol. 79. 1. Hiernaar verwijst John Gill in zijn John Gill's Expositor, commentaar bij Hebr. 1:2.
  2. Tzeror Hammor, fol. 83. 2. Caphtor, fol. 90. 1. Hiernaar verwijst John Gill in zijn John Gill's Expositor, commentaar bij Hebr. 1:2.
  3. Seder Tephillot, fol. 5. 2. & 40. 2. Ed. Amstelod. Hiernaar verwijst John Gill in zijn John Gill's Expositor, commentaar bij Hebr. 1:2.
  4. Vgl. de kanttekening in de Statenvertaling van Col. 1:17.
  5. 5,0 5,1 5,2 Zo W. J. Ouweneel, Wij zien Jezus; bijbelstudies over de Brief aan de Hebreeën. Twee delen. Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982. Blz. 28.
  6. 6,0 6,1 Zo W. J. Ouweneel, Wij zien Jezus; bijbelstudies over de Brief aan de Hebreeën. Twee delen. Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982. Blz. 27.
  7. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  8. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Telosvertaling.