Mattheüs 16

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Mattheus 16)

Mattheüs 16, een hoofdstuk van het Evangelie naar Mattheüs, wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages ervan worden becommentarieerd.

Hoofdstukken die zijn samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:
Mattheüs: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28

Samenvatting

1-4 Farizeeën en sadduceeën vragen Jezus om een teken uit de hemel. 5-12 De Heer waarschuwt zijn discipelen, die vergeten zijn brood mee te nemen, voor het zuurdeeg van de farizeeën en de sadduceeën. 13-20 Meningen van de mensen over wie Jezus is. 21-23 Eerste aankondiging van lijden, dood en opstanding. Petrus' reactie. 24-26 Jezus navolgen vereist zelfverloochening, maar leidt ten leven. 27-28 Aankondiging van de voorbeschouwing van Jezus' wederkomst in heerlijkheid.

1

1  En de farizeeën en sadduceeën kwamen naar Hem toe, en om Hem te verzoeken vroegen zij Hem hun een teken uit de hemel te tonen. (Telos) 

Een teken uit de hemel. Vergelijk de profeet Elia, die vuur uit de hemel afbad. En het optreden van de eindtijdse valse profeet, die een teken uit de hemel zal tonen. 

2

2 Hij echter antwoordde en zei tot hen: Wanneer het avond is geworden, zegt u: Mooi weer, want de hemel is rood; (Telos)  

Op de vraag naar een teken uit de hemel, wijst de Heer op voortekenen aan de hemel, atmosferische tekenen (in dit en het volgende vers), die zijn tegenstanders wél kunnen onderscheiden.

9

9 Begrijpt u nog niet, en herinnert u zich niet de vijf broden van de vijfduizend, en hoeveel korven u meenam? (Telos) 

Hoeveel korven u meenam? Twaalf korven met brood dat over was. Er was meer brood over dan het brood dat Jezus nam om te vermenigvuldigen.

10

10 Of de zeven broden van de vierduizend, en hoeveel manden u meenam? (Telos)  

Hoeveel manden u meenam? Zeven manden met brood dat over was. Er was meer brood over dan het brood dat Jezus nam om te vermenigvuldigen.

13

13 Toen nu Jezus gekomen was in de streken van Caesarea-Filippi, vroeg Hij zijn discipelen aldus: Wie zeggen de mensen dat de Zoon des mensen is? (Telos) 

In de streken van Caesarea-Filippi. Zie hieronder op de kaart, rechtsboven het woord 'Ulatha'.

Jezus bediening buiten Galilea-kaart Access Foundation.jpg

De Zoon des mensen. De Heer Jezus was zich ervan bewust dat Hij, als goddelijk Persoon, het lichaam en de natuur van een mens had aangenomen en als mens op aarde leefde.

14

14 Zij nu zeiden: Sommigen: Johannes de doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Jeremia of een van de profeten. (Telos)   

Al de genoemden waren profeten. Men noemde hem niet, althans de meerderheid van hen niet, 'de Messias' ('de Christus').

16

16 Simon Petrus nu antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. (Telos) 

Voor Petrus was Jezus meer dan een profeet, Hij was de Messias, meer nog, de Zoon van de levende God.

17

17 Jezus nu antwoordde en zei tot hem: Gelukkig ben jij, Simon, Bar-Jona, want vlees en bloed heeft je dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. (Telos) 

Gelukkig ben jij. De heer Jezus kan mensen gelukkig prijzen terwijl zij in die dag nog geen gevoelens van geluk hebben. Maar de Heer weet dat zulke mensen in een ervaren toestand van gelukzaligheid zullen komen.

Bar-Jona. D.i. zoon (Hebr. bar) van Jona. Petrus erkende Jezus als de Zoon van God. Vervolgens noemt Jezus hem 'zoon van Jona'. De oorsprong van de mens Jezus was deels goddelijk (door de Geest verwekt in de schoot van een vrouw), die van Petrus geheel menselijk, door een man en uit een vrouw.

Onze Simon was echter niet de enige van de twaalf discipelen die 'Simon' heette. Er was een tweede Simon, bijgenaamd de Zeloot.

18

18 En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen. (Telos) 

Jij Petrus bent.

Rots. Dit woord houdt verband met de naam Petrus. In het Grieks staan er twee verschillende, maar wel verwante woorden: "Petros", Grieks πετρος (= Steen) voor Petrus en "Petra", Grieks πετρα (= rots) voor rots.

Op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen. Men gaat te ver wanneer men zegt, dat Christus met 'rots' alleen zichzelf en niet Petrus zou hebben bedoeld. Waarschijnlijk doelt de Heer in de eerste plaats op Zichzelf, in insluiting van Petrus, zoals een steen een deel van een rots kan zijn. Voor deze verklaring zijn de volgende gronden aan te voeren:

1. In het Grieks staan er twee verschillende, Petros (steen) en Petra (rots).

2. Er is een vergelijkbaar geval, waarbij de Heer op Zichzelf doelt, terwijl hij op iets anders schijnt te duiden. Want bij de tempel zei Jezus: "breekt dit tempelhuis af enz". De Joden meenden dat hij doelde op de tempel van steen, maar Hij sprak van zijn lichaam.
Joh 2:19 Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten. Joh 2:20 De Joden zeiden dan: In zesenveertig jaar is dit tempelhuis gebouwd, en U zult het in drie dagen oprichten? Joh 2:21 Maar Hij sprak over het tempelhuis van zijn lichaam. (TELOS)
Jezus noemt in Matth. 16:18 niet duidelijk Petrus de rots, waarop Hij zijn gemeente bouwen zal. Hij zegt niet "op jou zal ik mijn gemeente bouwen", maar "op deze rots". 3. De Heer heeft eerder het woord "rots" voor Zichzelf, eigenlijk Zijn woorden en de naleving ervan, gedoeld:
Mt 7:24 Ieder dan die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal vergeleken worden met een wijs man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd; Mt 7:25 en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en beukten tegen dat huis; en het viel niet, want het was op de rots gegrondvest. (TELOS)
Lu 6:47 Ieder die tot Mij komt en mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen aan wie hij gelijk is. Lu 6:48 Hij is gelijk aan een mens die een huis bouwde; hij groef, diepte uit en legde een fundament op de rots. Toen er nu een stortvloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis en was niet in staat het te doen wankelen, omdat het goed gebouwd was. (TELOS)
4. Er kan maar één persoon de rots zijn, waarop het kolossale gebouw van de gemeente verrijst en dat is de Heer Zelf. Petrus schreef:
1Pe 2:7 Voor u dan die gelooft, is dit kostbare; maar voor de ongelovigen: ‘De steen die de bouwlieden hebben verworpen, deze is tot een hoeksteen geworden’, en’ een steen des aanstoots en een rots der ergernis’. (TELOS)
Paulus schreef:
Ro 9:33 zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis’; en ‘wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’. (TELOS)
1Co 10:4 en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.) (TELOS)
De apostel Paulus zegt duidelijk over het fundament van de gemeente:
1Co 3:11 Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus. (TELOS)
De Heer Jezus is het fundament, dat door Petrus, Paulus en anderen is gelegd.
1Co 3:10 Naar de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd en een ander bouwt erop. ... (TELOS)
5. In zekere zin kunnen Petrus, Paulus door hun grondleggende arbeid tot het fundament van de Gemeente gerekend worden. Dat doet Paulus:
Efe 2:19 Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, Efe 2:20 opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is, Efe 2:21 in Wie het hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in de Heer; Efe 2:22 in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in de Geest. (TELOS)
Merk op dat de Heer met de apostelen en profeten het fundament uitmaken, maar ook dan is de Heer de hoeksteen, het belangrijkste deel van het fundament. Daarom, al doelt de Heer in de eerste plaats op zichzelf, Petrus speelt wel een grondleggende rol. Door diens blijmoedige belijdenis en moedige werkzaamheid wil Hij de gemeente gronden. Op juist Petrus' toespraak op pinksterdag kwamen zo'n drieduizend zielen tot geloof
Hnd 2:41  Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. (Telos)
En toen Petrus gesproken had, nadat hij en Johannes een bekende kreupele bij de tempel genezen hadden, kwamen velen tot geloof.
Hnd 4:4  Velen echter van hen die het woord hadden gehoord, geloofden, en het getal van de mannen werd ongeveer vijfduizend. (Telos)
Hier zien wij dat de gemeente wordt gebouwd, "levende stenen" (uitdrukking van Petrus) worden toegevoegd, door de evangelisatiearbeid van deze discipel.

Dé rots van de Gemeente is niet Petrus, nog minder zijn vermeende opvolgers (de Roomse pausen). En van ondergeschiktheid aan Petrus, gelijk zijn gewaande opvolger beweert, in nergens enige sprake.

De oud-Lutherse theologen zeggen kort: het is de belijdenis van Petrus. De grondsteen der kerk is haar belijdenis van Christus. En daar Petrus deze belijdenis het eerst en met grote vreugde uitsprak, heeft hem de Heer als werktuig van de stichting der kerk verklaard en gebruikt, zoals wij dit uit de Handelingen der Apostelen zien. Maar ditzelfde boek toont, dat hij daarom niet ook later haar bestuurder zou moeten zijn. Veeleer treedt hij later kennelijk op de achtergrond en de hoofdwerkzaamheid voor de heidenen gaat over op Paulus, die meer heeft gearbeid dan de andere apostelen (1 Cor. 15).

De poorten van de hades zullen haar niet overweldigen. De dood heeft niet het laatste woord, de hades (het dodenrijk) zal niet alle gelovigen opslokken, de zware staatsvervolgingen in het Romeinse rijk hebben de gemeente van Christus niet verzwolgen, zij zal niet uitsterven, en niet alle leden van de gemeente zullen ontslapen.
1Co 15:51  Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, (Telos)
1Th 4:15  (Want dit zeggen wij u door het woord van de Heer, dat wij, levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen voorgaan. 1Th 4:16  Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; 1Th 4:17  daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer zijn. (Telos)

19

19 Ik zal je de sleutels van het koninkrijk der hemelen geven, en alles wat jij zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in de hemelen, en alles wat jij zult ontbinden op de aarde, zal ontbonden zijn in de hemelen. (Telos) 

De sleutels van het koninkrijk der hemelen. De sleutels zijn de middelen om het Koninkrijk der hemelen te openen. De sleutels zijn het evangelie van Jezus, met de oproep tot bekering en geloof. Door de verkondiging van het evangelie, gepaard met het oproep tot bekering en geloof, wordt de deur opengezet en kunnen de mensen binnengaan. Petrus gebruikte deze sleutels en opende de deur van het koninkrijk der hemelen in het boek Handelingen. Door geloof en bekering kunnen de toehoorders binnengaan.

Op juist Petrus' toespraak op pinksterdag kwamen zo'n drieduizend zielen tot geloof
Hnd 2:41  Zij dan die zijn woord aannamen, werden gedoopt, en er werden op die dag ongeveer drieduizend zielen toegevoegd. (Telos)
En toen Petrus gesproken had, nadat hij en Johannes een bekende kreupele bij de tempel genezen hadden, kwamen velen tot geloof.
Hnd 4:4  Velen echter van hen die het woord hadden gehoord, geloofden, en het getal van de mannen werd ongeveer vijfduizend. (Telos)
Binden ... ontbinden. Binden is voor onwettig verklaren, verbieden. Ontbinden is voor geoorloofd verklaren wat eerder geboden of verboden was, wettig verklaren. Deze verklaring past goed bij het Joodse gebruik van de woorden “binden” en “ontbinden”. In Hand 15 worden hoererij, het eten van bloed en het van het verstikte gebonden, verboden. De besnijdenis wordt ontbonden, d.w.z. onbesneden blijven wordt geoorloofd verklaard. Petrus zelf moest voor het binden en ontbinden worden voorbereid; men denke aan zijn visioen van het laken met reine en onreine dieren. Hij moest leren voor rein te houden wat hij eerder geleerd had voor onrein te houden. Wat hij geoorloofd of ongeoorloofd zou verklaren, zou erkend worden in de hemelen.

20

20 Toen verbood Hij zijn discipelen, dat zij iemand zouden zeggen dat Hij de Christus was. (Telos)
Want Hij was gekomen om zijn leven af te leggen (zie volgende vers) en niet om als koning het Romeinse juk af te werpen. Als mensen zouden vernemen en geloven dat Hij de Christus was, de verlosser van Israël, zouden ze van hem de verlossing van de wrede Romeinse overheersing begeren.
Joh 6:15  Daar nu Jezus wist dat zij zouden komen en Hem met geweld wegvoeren om Hem koning te maken, ontweek Hij opnieuw op de berg, Hij alleen. (Telos)

28

Mt 16:28 Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. (SV) 

Zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninkrijk. Dat gebeurt zes dagen later (17:1), zoals beschreven in 17:1v.: de verheerlijking op de berg, of eigenlijk: het 'gezicht' (17:9) van de komst van de Zoon des mensen in zijn koninkrijk. Drie discipelen ontvangen dan een voorbeschouwing van 's Heeren wederkomst.

Bron

Tekst van het commentaar op vers 18 is deels ontleend en onttrokken aan het artikel Rots.