Johannes 2

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Johannes, hoofdstuk: 123456789101112131415161718192021
Johannes, onderwerpen: TekenenDiverse onderwerpen

Johannes 2 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De bruiloft in Kana. Tempelreiniging.

  • 2:1-11   Op de derde dag verandert Jezus op een bruiloft te Kana te Galiléa, toen de wijn op was, water in wijn. Dit is het begin van zijn tekenen. 
  • 2:12      Jezus in Kapernaüm
  • 2:13-17  In de Paastijd drijft Jezus alle handelaars met hun dieren uit de tempel te Jeruzalem
  • 2:18-22  Jezus bevraagd naar aanleiding van zijn optreden
  • 2:23-25  Velen geloven in Jezus om de tekenen die Hij doet. Jezus vertrouwt zich echter niet aan hen toe.

Dit hoofdstuk geeft een voorafbeelding van de Vrederijkszegen in het bruiloftsfeest: Jezus is de bron van het 'goede wijn' - de beste vreugde - toen de wijn van Israël was opgeraakt; Zijn goddelijk recht om de tempel te reinigen zou worden bewezen door Zijn kracht om de tempel van Zijn lichaam weer op te richten, waarna, voor een tijd, de stenen tempel opzij werd gezet.

1

Joh 2:1 En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was daar. (Telos)

De derde dag. De vorige dagen zijn genoemd in 1:35 (eerste van de drie dagen) en 1:43 (tweede van de drie dagen).

Sommigen zien hierin een type van het vrederijk. Volgens Hos. 6:2 wordt Israël na tweede dagen Israël weer levend. Volgens 2 Petr 3:8 is 1000 jaar voor God één dag en omgekeerd. De 2e dag is de periode na opname tot verschijning van de Heer in heerlijkheid in de wereld. Op de 2e dag komt de Heer tot Israël. De 3e dag staat voor het Vrederijk. De 1e dag is de huidige bedeling.

Kana. De plaats waar Nathanaël vandaan kwam (21:2).

In Galilea. Een dag eerder was Jezus naar Galilea vertrokken.

Joh 1:43 (44) De volgende dag wilde Jezus weggaan naar Galilea en Hij vond Filippus en zei tegen hem: Volg Mij. (Telos)

De moeder van Jezus. Haar naam blijft ongenoemd, in tegenstelling tot die van Jezus' vader (1:45).

4

Joh 2:4 En Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen. (Telos)

Wat heb ik met u te doen, vrouw? Wat bedoelt de Heer nu? Hij spreekt zijn moeder met 'vrouw' aan en doet het voorkomen of hij zijn moeder niet gehoorzaam wenst te zijn. Het is of hij afstand van haar neemt, of hij uit de betrekking moeder-zoon treedt.

Joh 19:26 Toen nu Jezus zijn moeder zag, en de discipel de Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.

Mt 12:48 Hij antwoordde echter en zei tot hem die tot Hem sprak: Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?

Karl August Dächsel: “… waarom wilt u ook nu nog uw betrekking als moeder doen gelden, als moesten uw gedachten en wegen ook de Mijne zijn? Nu is een andere betrekking geldend en moet u integendeel op Mij letten, wat Ik wil doen. Mijn uur, waarop Ik voor het volk van Israël moet optreden en Mijn tekenen en wonderen moet openbaren, is nog niet gekomen, zoals u meent; u moet die echter niet als Mijn moeder willen bespoedigen, maar Die over Mij laten regeren, die Mijn Vader is."[1]

Lu 2:49 En Hij zei tot hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat Ik in de dingen van mijn Vader moet zijn?

August Nebe[2]: “De twaalfjarige knaap verbrak met Zijn Woord: "Moest Ik niet zijn in de dingen van Mijn Vaders?" de banden van vlees en bloed, die Hem met vader en moeder verbonden, in gehoorzaamheid aan Zijn God en Vader, om een nieuwe band van gemeenschap tussen Zich en Zijn ouders te weven. Zo verbreekt de Heere nu Hij Zijn Messiaanse loopbaan begint, met het woord: "Wat heb Ik met u te doen?" de natuurlijke banden, die tussen Hem en Zijn moeder nog hebben bestaan. Nu moet Maria in haar Zoon haar Heer erkennen; zij moet een geheel nieuwe betrekking intreden, als zij een waar deel wil hebben aan de Heer en Heiland, die zij voor de wereld gebaard heeft.”[1]

6

Joh 2:6 Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten. (Telos)

Het reinigingsgebruik van de Joden. Om zich de handen en het vaatwerk ritueel te wassen alvorens te eten.

Mr 7:2 en toen zij zagen dat sommigen van zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten, Mr 7:3 want de farizeeen en al de Joden eten niet tenzij zij hun handen grondig wassen, daar zij de overlevering van de ouden houden; Mr 7:4 en als zij van de markt komen, eten zij niet tenzij zij zich hebben gereinigd; en er zijn vele andere dingen die zij hebben aanvaard om zich daaraan te houden: reinigingen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en rustbanken- (Telos)

Metreten. Elk vat bevatte ongeveer 2 x 40 = 80 liter of 3 x 40 = 120 liter. Tesamen hadden de vaten zo’n 6 x 80 = 480 tot 6 x 120 = 720 liter water, nauwkeuriger: zo’n 500 tot 700 liter water[3]. Deze hoeveelheid veranderde de Heer Jezus in wijn, zoals uit de volgende verzen blijkt. Omgerekend in flessen à 0,75 liter: afgerond zo'n 670 tot 930 wijnflessen. Zie Metreet.

7

Joh 2:7  Jezus zei tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. (Telos)

Als wij onszelf vullen met het water van Gods woord, dan worden wij blij, dan is het woord van God als wijn voor ons.

10

Joh 2:10 Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men veel gedronken heeft, de mindere; u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. (Telos)

U hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. De ceremoniemeester heeft het mis, niet wat betreft de kwaliteit van de wijn, maar wat betreft de herkomst van de wijn.

11

Joh 2:11 Dit deed Jezus als begin van zijn tekenen in Kana in Galilea en openbaarde zijn heerlijkheid; en zijn discipelen geloofden in Hem. (Telos)

Zijn heerlijkheid. Als de Zoon van God; Joh. 1:34, 50 "de zoon van God".  

12

Joh 2:12  Daarna daalde Hij af naar Kapernaüm, Hij, zijn moeder, zijn broers en zijn discipelen, en zij bleven daar niet vele dagen. (Telos)

Daalde Hij af naar Kapernaüm. Kapernaüm, plaats gelegen aan het meer van Tiberias, lag lager dan Kana.

Zijn broers. Wellicht hebben zij met hun moeder het wonder opgemaakt. Toch geloofden zijn broers niet in hem. Zie Jezus Christus.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Joh. 2:4.
  2. Waarschijnlijk zijn deze woorden afkomstig van Johann August Nebe (1826-1895). Bij het citaat wordt alleen de naam "Nebe" genoemd in Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Joh. 2:4.
  3. Tot deze schatting van de hoeveelheid komt de Elberfelder Bibel mit Erklärungen (2011).