Johannes 11

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Johannes 11 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd. Van het Evangelie naar Johannes zijn de volgende hoofdstukken samengevat en/of becommentarieerd op Christipedia.

Johannes, hoofdstukken: 123456789101112131415161718192021
Johannes, onderwerpen: TekenenDiverse onderwerpen

Samenvatting

De opwekking van Lazarus, een vriend van de Heer. Hierdoor wordt God verheerlijkt, de zusters Martha en Maria worden getroost, het medeleven van de Heer komt openbaar en tevens zijn macht over de dood. 1-16  Het bericht over Lazarus' ziekte. Lazarus' dood. 17-27 Gesprek met Martha. 28-32 Gesprek met Maria. 33-44 Opwekking van Lazarus. 45-46 reactie van aanwezige Joden. 47-53 De Joodse Raad beraadslaagt om Jezus te doden. 54 Jezus verwijdert zich naar Efraïm. 55-57 Jezus vóór het Pascha in Jeruzalem gezocht.

Ziekte, overlijden en opwekking van Lazarus (1-44)

2

Joh 11:2  (Maria nu was het die de Heer met balsem heeft gezalfd en zijn voeten met haar haren afgedroogd, wier broer Lazarus ziek was.) (Telos)

Hier wordt de gebeurtenis vermeld die Maria in de evangelische geschiedenis zo grote bekendheid heeft gegeven. De zalving wordt vermeld in 12:3 vv.

Zijn voeten met haar haren afgedroogd. Evenals de zondares in Luk.7:37 v., die Jezus' voeten met tranen had nat gemaakt

Lu 7:37  En zie, een vrouw die in de stad een zondares was en die merkte dat Hij in het huis van de farizeeer aanlag, bracht een albasten fles met balsem,  Lu 7:38  ging wenend achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon zijn voeten met haar tranen nat te maken en droogde ze af met de haren van haar hoofd, en zij kuste zijn voeten innig en zalfde ze met de balsem. (Telos)

3

Joh 11:3  De zusters dan zonden tot Hem de boodschap: Heer, zie, hij die U liefhebt is ziek. (Telos)

Hij die U liefhebt. Zie vs. 5.

4

Joh 11:4  Toen nu Jezus dit hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood, maar ter wille van de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor wordt verheerlijkt. (Telos)

Zei hij. Zijn antwoord aan de bode is overgebracht aan de zusters.

Joh 11:40  Jezus zei tot haar: Heb Ik je niet gezegd, dat je, als je gelooft, de heerlijkheid van God zult zien? (Telos)

Niet tot de dood. En toch zou Lazarus sterven. Gezien het vervolg van deze geschiedenis bedoelt de Heer kennelijk: niet tot een blijvende dood, niet tot een definitief einde van zijn leven op aarde.

5

Joh 11:5  Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. (Telos)

En Lazarus lief. Zie vs. 3.

6

Joh 11:6  Toen Hij dan hoorde dat hij ziek was, bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was. (Telos)

Twee dagen. Mogelijk een aanduiding van tweeduizend jaar tot de komst van de Heer. Want één dag is bij God als duizend jaar, en omgekeerd (2 Petr. 3:18)

Hos 6:2  Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. (SV)

2Pe 3:8  Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag. (Telos)

In de plaats waar Hij was. De plaats waar Johannes de Doper had gedoopt.

Joh 10:40  En Hij ging opnieuw over de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerst doopte, en Hij bleef daar. (Telos)

7

Joh 11:7  Daarop zei Hij hierna tot zijn discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. (Telos)

Laten wij weer naar Judea gaan. De Heer bevond in het Overjordaanse, ter plaatse waar Johannes gedoopt had (10:40). Hij besloot nu naar Judea te gaan om Lazarus "uit de slaap te wekken" (11, 15).

8

Joh 11:8  De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen? (Telos)

Onlangs trachtten de Joden U te stenigen.

Joh 8:59  Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging uit de tempel. (Telos)

Joh 10:31  De Joden namen opnieuw stenen op om Hem te stenigen. (Telos)

9

Joh 11:9  Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag wandelt, struikelt hij niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet;  

De Heer bedoelt waarschijnlijk dat Hij, die in het licht van God wandelt, geen misstap zal doen en struikelen door, naar de wil van Zijn vader, naar Jeruzalem te gaan. De gelovigen zijn 'van de dag' (1 Thess. 5:8), 'zonen van het licht en zonen van de dag' (1Thess. 5:5).

1Th 5:2  Want u weet zelf nauwkeurig dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht.  1Th 5:4  Maar u, broeders, bent niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen; 1Th 5:5  want u bent allen zonen van het licht en zonen van de dag. Wij zijn niet van de nacht of van de duisternis. (...) 1Th 5:8  Maar laten wij die van de dag zijn, ... (Telos);

11

Joh 11:11  Dit sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap te wekken. (Telos)

Slaapt. De slaap des doods. Wie in de Heer sterft, ontslaapt in Hem.

1Th 4:13  Maar wij willen niet dat u onwetend bent, broeders, wat betreft hen die ontslapen, opdat u niet bedroefd bent, zoals ook de overigen die geen hoop hebben. (Telos)

Zie Ontslapen.

16

Joh 11:16 Thomas dan, Didymus geheten, zei tot zijn medediscipelen: Laten wij ook gaan om met Hem te sterven. (Telos)

Thomas dan, Didymus geheten. Beide namen betekenen 'tweeling'. 'Thomas' stamt via het Grieks uit het Aramees. 'Didymus' is Grieks.

Laten wij ook gaan om met Hem te sterven. Thomas voorzag, na de dreigende steniging eerder, het levensgevaar.

17

Joh 11:17  Toen Jezus dan kwam, vond Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf was. (Telos)

Vier dagen. Zie ook vers 39.

18

Joh 11:18  Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën daar vandaan. (Telos)

Vijftien stadiën. Dat is ongeveer 2,8 km. Zie Stadie.

20

Joh 11:20  Toen Martha dan hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet; maar Maria zat in huis. (Telos)

Ging zij Hem tegemoet. En op een andere plaats dan haar huis ontmoet zij Hem en spreekt met Hem.

Joh 11:30  Jezus nu was nog niet in het dorp gekomen, maar was nog op de plaats waar Martha Hem ontmoet had. (Telos)

Zoals wij Hem tegemoet gaat, als Hij wederkomt.

1Th 4:17  daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heer zijn. (Telos)

Maria zat in huis. Zij bleef achter, blijkbaar zonder geloof dat haar broer nu nog levend zou worden.

21

Joh 11:21  Martha zei tot Jezus: Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn; (Telos)

Niet gestorven zijn. Als de Heer komt, zullen de gelovigen die dan op aarde leven niet ontslapen, maar veranderd worden.

1Co 15:51  Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, (Telos)

23

Joh 11:23  Jezus zei tot haar: Je broer zal opstaan. (Telos)

Jezus gaf haar te kennen wat Hij voornemens was, maar drukt zich met opzet algemeen en onbepaald uit.

24

Joh 11:24  Martha zei tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag. (Telos)

Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag. Dat geloofde zij met vele Joden. De Sadduceeën geloofden niet aan de opstanding.

Op de laatste dag. Aan het einde der tijden.

25

Joh 11:25  Jezus zei tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al sterft hij;  

Ik ben de opstanding. De opstanding wordt verpersoonlijkt, omdat zij onlosmakelijk met Hem verbonden en van Hem afhankelijk is. De opstanding zal door Hem geschieden.

26

Joh 11:26  en ieder die leeft en in Mij gelooft, sterft geenszins in eeuwigheid. Geloof je dat? (Telos)

Dit wordt bewaarheid bij de eerste opstanding van de ontslapenen in Christus en de opname van de op aarde achtergebleven levende gelovigen (1 Thess. 4). Merk ook de volgorde van Jezus' woorden in de vzn. 25 en 26 op: de gestorvenen zullen leven, de levenden zullen niet sterven. Merk ook op dat vs. 27 zegt dat Christus tot of in de wereld komt.

Het geenszins sterven in eeuwigheid kan ook verwijzen naar het feit dat de gelovigen "de tweede dood" niet zullen zien.

Joh 5:24  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie mijn woord hoort en gelooft Hem die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven. (Telos)

27

Joh 11:27  Zij zei tot Hem: Ja Heer, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, die in de wereld zou komen. (Telos)

De Zoon van God.

Joh 1:49  (1-50) Nathanael antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israel. (Telos)

Mt 16:16  Simon Petrus nu antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. (Telos)

Joh 20:31  maar deze zijn geschreven opdat u gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat u gelovend het leven hebt in zijn naam. (Telos)

Die in de wereld zou komen. Lett. degene tot/in de wereld komende'. Men kan dit verstaan van zijn eerste komst, maar ook als zinspeling op zijn tweede komst. Vergelijk:

Joh 11:27  Zij zegt tot hem: ja, Heer,- ík ben tot het geloof gekomen dat u de Christus bent, de Zoon van God die tot de wereld komt! (NaB)

Joh 11:27  Ze zeide Hem: Ja, Heer; ik geloof, dat Gij de Christus zijt, Gods Zoon, die in de wereld komt. (Canis)

Joh 11:27   Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.’ (WV78)

Joh 1:9  Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en iedere mens verlicht. (Telos)

Opb 1:4  Johannes aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: genade zij u en vrede van Hem die is en die was en die komt, en van de zeven Geesten die voor zijn troon zijn, (Telos)

Opb 1:7  Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem zien, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen van het land zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen.  Opb 1:8  Ik ben de alfa en de omega, zegt de Heer, God, Hij die is en die was en die komt, de Almachtige. (Telos)

Opb 4:8  En de vier levende wezens hadden elk afzonderlijk zes vleugels, rondom en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, die was en die is en die komt. (Telos)

29

Joh 11:19  En velen van de Joden waren naar Martha en Maria toe gekomen om hen over hun broer te troosten. (Telos)

Troosten. Het woord komt 2x voor in dit gedeelte, ook in vers 31. Paulus schreef een brief aan de Thessalonicenzen, mede om hen te vertroosten in verband met de ontslapenen.

1Th 4:13  Maar wij willen niet dat u onwetend bent, broeders, wat betreft hen die ontslapen, opdat u niet bedroefd bent, zoals ook de overigen die geen hoop hebben. (Telos)

1Th 4:18  Vertroost daarom elkaar met deze woorden. (Telos)

31

Joh 11:31  Toen nu de Joden die met haar in het huis waren en haar vertroostten, zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen. (Telos)

Vertroostten. Het woord komt 2x voor in dit gedeelte, ook in vers 29.

37

Joh 11:37 Maar sommigen van hen zeiden: Kon Hij die de ogen van de blinde opende, niet maken dat ook deze niet stierf? (Telos)

Die de ogen van de blinde opende. Zie Joh. 9

39

Joh 11:39  Jezus zei: Neemt de steen weg. Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: Heer, hij riekt al, want hij is daar vier dagen. (Telos)

Vier dagen. Zie ook vers 17. Mogelijk staan deze dagen in allegorische zin voor de vierduizend jaren van Abraham tot de wederkomst van de Heer[1]. Lazarus was een vriend van Jezus, Abraham was een vriend en liefhebber van God.

Jes 41:8  Maar gij, Israël, Mijn knecht! gij Jakob, dien Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber! (SV)

In Jes. 41:8 hebben enige andere vertalingen: 'mijn vriend' (NBG51, Canis, WV95, NBV2004).

40

Joh 11:40  Jezus zei tot haar: Heb Ik je niet gezegd, dat je, als je gelooft, de heerlijkheid van God zult zien? (Telos)

Heb ik je niet gezegd... Dit heeft hij kennelijk gezegd in het gesprek genoemd in vzn. 21-27, of deze woorden liggen opgesloten in de woorden van vs, 25, of de woorden zijn gesproken als antwoord op de boodschap die de zusters Hem hadden gezonden (3-4).

Joh 11:4  Toen nu Jezus dit hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood, maar ter wille van de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor wordt verheerlijkt. (Telos)

42

Joh 11:42  Ik wist wel dat U Mij altijd hoort, maar ter wille van de menigte die rondom Mij staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij geloven dat U Mij hebt gezonden. (TElos)

Opdat zij geloven dat U Mij hebt gezonden. Zie vs. 45, waar staat dat velen van de aanwezige getuigen in Hem geloofden. Het wonder dat Jezus zou doen, zou een teken zijn (47), waaraan de mensen kunnen weten dat God Hem gezonden heeft en met Hem is.

43

Joh 11:43  En na dit gezegd te hebben riep Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten! (Telos)

Dit bevelend roepen door Jezus zal ook in de toekomst plaatsvinden:

1Th 4:16  Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; (Telos)

Joh 5:25  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: er komt een uur, en het is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die deze hebben gehoord, zullen leven. (Telos)

45

Joh 11:45  Velen dan van de Joden die naar Maria toe waren gekomen en hadden gezien wat Hij had gedaan, geloofden in Hem; (Telos)

Geloofden in Hem. Zie vs. 42.

Voorafbeelding van Zijn wederkomst

In de geschiedenis van de opwekking van Lazarus kunnen we een beeld zien van de toekomstige opstanding van de ontslapenen en ook van de opname van de gemeente[2].

Lazarus in het graf is een beeld van de gelovige die gestorven is, vóórdat de Heer Jezus komt.

Hij, een vriend van Jezus, lag daar vier dagen, een beeld van de tijd van Abraham, een vriend van God, tot aan de wederkomst van de Heer (aangenomen dat hij na tweeduizend jaar terugkomt).

Martha is een beeld van de gelovige, die de komst van de Heer belijdt en verwacht, 11:27, en van de levende gelovige die de Heer tegemoet gaat bij diens komst, 11:29; 1 Thess. 4:17.

Maria is een beeld van de Jood, die na het vertrek van Martha achterblijft en later tot geloof komt, en van de gelovigen die uit de verdrukking komen, Opb. 7:14.

De Heer Jezus zegt dat Lazarus slaapt, 11:11. 1 Thess. 4:13 spreekt van de gestorvenen in Christus als hen die 'ontslapen' zijn, wanneer Hij komt.

Evenals Lazarus zullen de doden worden opgewekt bij de komst van de Heer, 11:25-26.

Met een bevelend roepen riep Jezus zijn vriend ten leven, 11:43. Een bevelend roepen gaat ook bij zijn wederkomst gebeuren: "... de Heer zelf zal met een bevelend roepen ... neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan" (1 Thess. 4:16).

Als de Heer er was geweest, zegt Martha, zou Lazarus niet gestorven zijn, 11:26. Als wij nog op aarde zijn als de Heer komt, zullen wij niet sterven.

De verzen 11:25-26 geven de volgorde aan: de gestorvenen zullen leven, de levenden zullen niet sterven (maar zullen na de opwekking van de ontslapenen worden veranderd).

In het gedeelte is 2x sprake van vertroosten, 11: 29, 31. Zo ook in 1 Thess. 4:18 (zie ook vers 13 'bedroefd') en 5:11, waar in verband met de nabestaanden en de komst van de Heer sprake is van troosten.

48

Joh 11:48  Als wij Hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven; en de Romeinen zullen komen en zowel onze plaats als ons volk wegnemen. (Telos)

Zullen allen in Hem geloven. En als de Christus aannemen en volgen, wat de Romeinen als een staatsgevaarlijke ontwikkeling zullen aanmerken.

Onze plaats. De Joodse Raad vormde het hoogste orgaan van de godsdienstige overheid. Op godsdienstig terrein genoten de Joden enige zelfstandigheid.

Ons volk wegnemen. Een deel doden, een ander deel in ballingschap wegvoeren.

52

Joh 11:52 en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot één zou vergaderen. (Telos)

Verstrooide kinderen van God. Vgl.:

Joh 10:16 En Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebrengen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen een kudde, een herder worden.

Evenals de Heer Jezus in 10:16 degenen, die uit de heidenen tot Zijn Gemeente zullen vergaderd worden, schapen noemt, die Hij heeft, zo noemt hier de evangelist degenen die sedert Babels torenbouw in alle landen verstrooid zijn en die door het evangelie van de gekruisigde Christus tot een gemeente zouden vergaderd worden, kinderen van God. De verstrooide kinderen van God zijn allen, die onder de verschillende volken en geslachten van de aarde tot het kindschap verordend waren (Efeze 1:5) en die nu ook door het geloof in Zijn naam macht zou worden gegeven om kinderen van God te worden (Joh. 1:12). In het hart van God waren zij reeds kinderen, die, op zichzelf beschouwd, nog dwalende en verloren schapen waren. Kinderen van God noemt hij hen naar de verkiezing, nog vóór zij geroepen werden.

Opdat Hij ... tot één zou vergaderen. Ze moesten door die dood tot één kudde onder één Herder worden gemaakt (Joh 10.16; Hand.10:34 vv.; 13:4; 18:10; Rom.9:24 vv.). Verre ervan dat Christus aan het Joodse volk verderf zou aanbrengen, zoals de overpriesters en Farizeeën meenden, heeft Hij ook degenen, die geen volk waren, die niet tot Gods verbondsvolk behoorden (1 Petr.2:10), aan het ware Israël toegevoegd.

54

Joh 11:54 Jezus dan wandelde niet meer vrijuit onder de Joden, maar ging vandaar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en bleef daar met de discipelen. (Telos)

Het land bij de woestijn. Vermoedelijk de woestijn van Bethaven, die juist ten zuidoosten en oosten van Efraïm werd gevonden. Deze woestijn was met hoge klippen bezaaid, door oneffen dalen afgewisseld, die hier en daar een vreselijke wildernis vormden.[3]

Efraïm. Een stad gelegen in het noorden van Judea, ongeveer halverwege tussen Jeruzalem en Sichem. Zie Efraïm.

55

Joh 11:55 Het pascha van de Joden nu was nabij, en velen uit het land gingen op naar Jeruzalem voor het pascha, om zich te reinigen. (Telos)

Om zich te reinigen. De wet van Mozes gebood geen bepaalde reinigingen voor het Paasfeest. Wel waren er wettelijke onreinheden die wettelijke reiniging vereisten. Onder meer geboorte, vloeiing, aanraking van een kruipend gedierte en aanraking van een dode maakten volgens de wet onrein. Ook het verkeer met de heidenen werd door de Joden geacht te verontreinigen. En in onderscheidene plaatsen van het Oude Testament werd het volk gelast, als enige belangrijke gebeurtenis aanstaande was, zich daags tevoren te reinigen, te heiligen (Gen.35:2; Ex.19:10 v.; Joz.3:5).

Nu 9:6 Nu waren er mensen die vanwege [het aanraken van] het dode lichaam van een mens onrein waren, en op die dag het Pascha niet konden houden. Daarom kwamen zij die dag naar voren, vóór Mozes en vóór Aäron. (HSV)

2Kr 30:18 Want een groot deel van het volk, velen uit Efraïm, Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd. Toch aten zij het Pascha, [maar] niet zoals het voorgeschreven was. Hizkia bad echter voor hen en zei: Laat de HEERE, Die goed is, verzoening doen voor [hem] (JSV)

Joh 18:28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas naar het pretorium; en het was ‘s morgens vroeg. En zij gingen niet in het pretorium, opdat zij niet zouden worden verontreinigd maar het pascha zouden eten.

Ter voorbereiding voor het paasfeest wilde men zich van wettelijke onreinheid zuiveren door wassingen of offeranden. De onreinheid opgelopen door het aanraken van een dode vereiste zeven dagen tot reiniging. Het brengen van offers tot reiniging was lastig voor hen die ver van Jeruzalem af woonden. Daarom trokken velen eerder heen om zich daar te reinigen.

Nabeschouwing

De heerlijkheid van de Zoon van God wordt geopenbaard door de opwekking van Lazarus: Jezus is de opstanding en het leven. Tegelijkertijd ontstaat een crisis als gevolg van zijn invloed op de Joden. De leiders van het volk zweren daarom samen. De voorzitter van de Raad, de hogepriester, beslist dat het nuttig was, dat één mens sterft voor het volk en niet het hele volk omkomt. De hogepriester sprak dit onder ingeving van Boven, en de Geest voegt toe: "en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot een zou vergaderen" (Joh. 11:52).

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Joh. 11:52, 55. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 20 nov. en 2 dec. 2021.

Voetnoten

  1. Douglas Stauffer meent dat de vier dagen die symbolische betekenis hebben, zie Doug Stauffer: The Pre-Trib Rapture. Vanaf 15 min. 31 sec. Youtube.com: Prophecy Watchers, 23 dec. 2014. Gesprek van Gary Stearman met Douglas Stauffer.
  2. Doug Stauffer: God's Wrath vs. The Pre-Tribulation Rapture. Vanaf 28 min. 25 sec. Youtube.com: Prophecy in the News, 28 jan. 2015. Gesprek van Kevin Clarkson met Douglas Stauffer. Doug Stauffer: The Pre-Trib Rapture. Vanaf 14 min. 5 sec. Youtube.com: Prophecy Watchers, 23 dec. 2014. Gesprek van Gary Stearman met Douglas Stauffer.
  3. Aldus Van Oosterzee, aangehaald in het commentaar van Dächsel, Van Lingen en Van Griethuijsen bij Joh. 11:54.