Romeinen 9

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Romeinen 9 is een hoofdstuk van de Brief van Paulus aan de Romeinen. Het wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd. De volgende hoofdstukken zijn samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Romeinenbrief: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16.

Samenvatting

In 't kort: Israël heeft helaas, op een overblijfsel na, niet geloofd in Christus. — 1-3 Paulus heeft smart om het ongeloof van zijn volksgenoten. 4-5 Het voorrecht van Israel. 6-9 Gods belofte aan Israel is niet vervallen. Door geloof ontvangen wij (gelovig overblijfsel) de belofte. Vergelijk Abraham en Izaak (nageslacht door geloof = zegen) en Ismael (nageslacht zonder geloof = geen (wel andere) belofte). 10-13 En op grond van Gods verkiezing. Vergelijk Jacob (aangenomen) en Ezau (verworpen). 9:14- Verdediging (recntvaardiging) van Gods soevereine verkiezing. God roept en verkiest de gelovige heidenen tot volk en de israelieten (de ongelovige meerderheid) tot niet-volk.

3

Ro 9:3  Want zelf heb ik gewenst door een vloek gescheiden te zijn van Christus ter wille van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees. (Telos)

Ro 10:1  Broeders, de wens van mijn hart en mijn gebed voor hen tot God is, dat zij behouden worden. (Telos)

Mozes zocht bij God verzoening voor de grote zonde van het volk (afgoderij met het gouden kalf):

Ex 32:32  Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt. (SV)

4

Ro 9:4 Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften; (Telos)

Van hen is het zoonschap. Het zoonschap is hier de staat (positie) van een zoon[1]. De Israelieten waren geroepen zonen van God te zijn. Zoonschap op grond van roeping. Vergelijk:

2Co 6:18 en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Almachtige’. (Telos)

Ro 9:8 dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend. (Telos)

Israël, gezamenlijk, wordt door God genoemd 'Mijn zoon'.

Ex 4:22  Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Ex 4:23  En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden! (SV)

Hos 11:1 Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. (SV)

God is de Vader van het volk Israël.

De 32:6 Zult gij dit den HEERE vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft? (SV)

De Israëlieten, afzonderlijk, zijn kinderen van Jahweh.

De 14:1 Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode. (SV)

Eens zullen de Israëlieten, bekeerd zijnde, weer genoemd worden 'kinderen van de levende God'.

Hos 1:10 Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. (SV)

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. Ro 9:26 ‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. Ro 9:27 En Jesaja roept over Israel uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israel als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden. (Telos)

De verbonden.

Efe 2:12  dat u in die tijd zonder Christus was, vreemd aan het burgerschap van Israel en vreemdelingen van de verbonden der belofte, terwijl u geen hoop had en zonder God was in de wereld. (Telos)

De heerlijkheid. De heerlijkheid van God die in hun midden was en in het verschiet opnieuw zal wezen.

Ps 63:2 Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, ziende uw sterkte en uw heerlijkheid. (NBG51)

5

Ro 9:5 tot hen behoren de vaderen, en uit hen is naar het vlees de Christus, die over alles God is, gezegend tot in eeuwigheid. Amen. (CP[2])

Die over alles God is. Over alles of over allen. Indien 'allen', kan dit verwijzen naar de Israëlieten. De Heer Jezus is immers de God van Israël. Onze Heer is mens èn God. Over zijn Godheid → Godheid van Jezus Christus.

6

Ro 9:6  Maar het is niet zo, dat het woord van God vervallen zou zijn. Want niet allen zijn Israël die uit Israël zijn; (Telos)

Vervallen zou zijn. Alsof het woord van God was 'uitgevallen' (Statenvertaling), alsof wat in het Oude Testament staat en waarbij God aan Israël als volk de eeuwige zaligheid en verlossing in Christus beloofd heeft, onvervuld zou blijven en teniet gedaan zou zijn.[3]

Niet allen zijn Israël. Ware Israëlieten, die 'kinderen van God' (vers 8) zijn, door Hem geroepen (vgl. vers 11), het overblijfsel (vers 29).

Ga 6:16  En allen die naar deze regel zullen wandelen, vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israël van God. (Telos)

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. Ro 9:26 ‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. Ro 9:27 En Jesaja roept over Israel uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israel als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden. (Telos)

Die uit Israël zijn. Die naar het vlees uit Israël zijn, nakomelingen van Jakob zijn.

7

Ro 9:7  evenmin, omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen; maar ‘in Izaäk zal uw nageslacht worden genoemd’; (Telos)

Abrahams nageslacht. Ook Arabische moslims rekenen zich tot Abrahams nageslacht via diens zoon Ismaël.

Kinderen. In de grondtekst een ander woord dan 'zoonschap' (4). Het gaat om kinderen van God (8).

8

Ro 9:8 dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend. (Telos)

De kinderen van het vlees. De nakomelingen van Abraham en Hagar.

Kinderen van God. Vergelijk:

Ro 9:4 Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften; (Telos)

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. Ro 9:26 ‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. Ro 9:27 En Jesaja roept over Israel uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israel als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden. (Telos)

De belofte. Zie vs. 9.

De kinderen van de belofte. De kinderen van Abraham en Sarah.

11

Ro 9:11 zelfs toen de kinderen nog niet geboren waren en niets goeds of kwaads bedreven hadden, (opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet op grond van werken, maar uit Hem die roept,) (Telos)

Hem die roept.

Ro 8:28  Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar zijn voornemen zijn geroepen. (Telos)

Ro 8:30 En hen die Hij tevoren heeft bestemd, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, die heeft Hij ook verheerlijkt. (Telos)

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. (Telos)

17

Ro 9:17 Want de Schrift zegt tot Farao: ‘Juist hiertoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn macht betoon en opdat mijn naam verkondigd wordt op de hele aarde’. (Telos)

Mijn macht betoon. Vergelijk:

Ro 9:22 Als nu God, daar Hij zijn toorn wilde betonen en zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van de toorn, tot het verderf toebereid; (Telos)

21

Ro 9:21  Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem om uit dezelfde klomp te maken het ene vat tot eer en het andere tot oneer? (Telos)

Tot eer. Tot edel gebruik[4].

Tot oneer. Tot onedel gebruik[4].

22

Ro 9:22 Als nu God, daar Hij zijn toorn wilde betonen en zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van [de] toorn, tot [het] verderf toebereid; (Telos)

Zijn toorn wilde betonen. Evenals aan Farao, vers 17.

De vaten van de toorn. De mensen door Hem gemaakt en tot voorwerpen van Zijn toorn toebereid.

Verderf. Tegengesteld aan de heerlijkheid. (23).

23

Ro 9:23 en om bekend te maken de rijkdom van zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij tevoren tot heerlijkheid heeft bereid …  (Telos)

Heerlijkheid. Tegengesteld aan het verderf (22).

De vaten van de barmhartigheid. De gelovigen in Christus uit Joden en heidenen (24).

Tot heerlijkheid bereid.

Ro 8:17 En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus, als wij inderdaad met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. (Telos)

Ro 8:30 En hen die Hij tevoren heeft bestemd, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, die heeft Hij ook verheerlijkt. (Telos)

24

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit [de] Joden, maar ook uit [de] volken? (Telos)

Ons. De "vaten van de barmhartigheid" (23)

Geroepen.

Ro 9:11 zelfs toen de kinderen nog niet geboren waren en niets goeds of kwaads bedreven hadden, (opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet op grond van werken, maar uit Hem die roept,) (Telos)

Ro 8:28  Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, hun die naar zijn voornemen zijn geroepen. (Telos)

Ro 8:30 En hen die Hij tevoren heeft bestemd, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, die heeft Hij ook verheerlijkt. (Telos)

25

Ro 9:25  Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. (Telos)

In Hosea zegt. Dat is Hos. 1:10.

Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen. Dit heeft betrekking op heidenen.

Hos 1:8  Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. Hos 1:9  En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik [ook] de uwe niet zijn. Hos 1:10  Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. Hos 1:11  En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn. (SV)

De niet-geliefde geliefde. Dit heeft betrekking op Joden (26, 27).

Hos 2:23  (2-22) En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! (SV)

De oude Joodse vertaling in het Grieks (Septuagint) heeft: "Ik zal haar liefhebben die niet-geliefd werd". Paulus verwijst naar dit woord naar deze vertaling.

26

Ro 9:26  ‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. (Telos)

De plaats waar tot hen gezegd werd. Dat is Hos. 1:10.

Zullen zij zonen van de levende God worden genoemd. Dit duidt op de Joden, die geroepen zijn (24, 27).

29

Ro 9:29 En zoals Jesaja tevoren heeft gezegd: ‘Als de Heer Zebaoth ons geen nageslacht had gelaten, dan zouden wij als Sodom geworden zijn en aan Gomorra gelijk gemaakt’. (Telos)

Heer Zebaoth. Dit is Jahweh der legerscharen.

Nageslacht. Een gelovig overblijfsel (vers 27).

Als Sodom geworden zijn en aan Gomorra gelijk gemaakt. Verdelgd gelijk deze zondige steden.

31

Ro 9:31  Maar Israël, dat naar [een] wet van de gerechtigheid jaagde, is tot [een] wet niet gekomen. (CP[2])

[Een] wet van de gerechtigheid. Niet 'dé wet'. Een wet die haar vervullers gerechtigheid schenkt[5]. Israël zocht een manier, een regel, een methode om zijn eigen gerechtigheid op te bouwen (10:3); een zodanige regel die, gevolgd en vervuld, tot gerechtigheid leidt. Als ik zus en zo doe, word ik rechtvaardig. Paulus gebruikt 'wet' omdat de Joden op grond van de werken der wet ('wet' in een andere betekenis, de wet van Mozes) trachten rechtvaardig te worden.

Jaagde. Met grote ijver trachtte te vinden, te bereiken. Ze deden dat op grond van werken (32).

Tot [een] wet niet gekomen. Een wet die gerechtigheid zou verschaffen, daartoe is men niet geraakt. Er was wel een regel gegeven, maar die kon men niet vervullen, niet met succes naleven. Het gaat om deze regel:

Ro 10:5  Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van de wet is: ‘De mens die deze dingen heeft gedaan, zal daardoor leven’. (Telos)

Ro 11:7  Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen; en de overigen zijn verhard, (Telos)

33

Ro 9:33  zoals geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis’; en ‘wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’. (Telos)

Een rots der ergernis. Een rotsblok waardoor men ten val komt. 'Ergernis' is, in het Grieks, eigenlijk het kromme houtje in de val, waaraan het aas bevestigd is, zodat het dier gevangen wordt[5].

Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. Ook aangehaald in 10:11. 'In Hem gelooft', of: 'op Hem vertrouwt'. NBG51: 'op Hem zijn geloof bouwt'. 'Op' (Gr. 'epi') past bij de gedachte van een rots waarop je bouwt.

1Pe 2:6  Want er staat in de Schrift: ‘Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren, kostbare hoeksteen, en wie in Hem gelooft, zal geenszins beschaamd worden’. (Telos)

Voetnoten

  1. Het Nieuwe Testament; herziene Voorhoeve-uitgave (Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982), voetnoot dit vers.
  2. 2,0 2,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Telos-vertaling.
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op dit vers is onder wijziging verwerkt.
  4. 4,0 4,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  5. 5,0 5,1 W.H. Gispen e.a. (red.), Beknopt commentaar op de Bijbel in de nieuwe vertaling (Kampen: J.H. Kok, 1985)