Romeinen 9

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Romeinen 9 is een hoofdstuk van de Brief van Paulus aan de Romeinen. Het wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd. De volgende hoofdstukken zijn samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Romeinen 1, Romeinen 2, Romeinen 3, Romeinen 4, Romeinen 5, Romeinen 6, Romeinen 7, Romeinen 8, Romeinen 9, Romeinen 11, Romeinen 12, Romeinen 13, Romeinen 16.

Samenvatting

Israël heeft helaas, op een overblijfsel na, niet geloofd in Christus.

Rom. 9:4

Ro 9:4 Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften; (Telos)

Van hen is het zoonschap. Het zoonschap is hier de staat (positie) van een zoon[1]. Vergelijk:

Ro 9:8 dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend. (Telos)

Israël, gezamenlijk, wordt door God genoemd 'Mijn zoon'.

Ex 4:22  Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Ex 4:23  En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden! (SV)

Hos 11:1 Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. (SV)

De Israëlieten, afzonderlijk, zijn kinderen van Jahweh.

De 14:1 Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode. (SV)

Eens zullen de Israëlieten, bekeerd zijnde, weer genoemd worden 'kinderen van de levende God'.

Hos 1:10 Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods. (SV)

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. Ro 9:26 ‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. Ro 9:27 En Jesaja roept over Israel uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israel als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden. (Telos)

De heerlijkheid. De heerlijkheid van God die in hun midden was en in het verschiet opnieuw zal wezen.

Ps 63:2 Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, ziende uw sterkte en uw heerlijkheid. (NBG51)

Rom. 9:5

Ro 9:5 tot hen behoren de vaderen, en uit hen is naar het vlees de Christus, die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid. Amen. (Telos)

Die God is over alles. Onze Heer is mens èn God. Over zijn Godheid → Godheid van Jezus Christus.

Rom. 9:6

Ro 9:6  Maar het is niet zo, dat het woord van God vervallen zou zijn. Want niet allen zijn Israel die uit Israel zijn; (Telos)

Vervallen zou zijn. Alsof het woord van God was 'uitgevallen' (Statenvertaling), alsof wat in het Oude Testament staat en waarbij God aan Israël als volk de eeuwige zaligheid en verlossing in Christus beloofd heeft, onvervuld zou blijven en teniet gedaan zou zijn.[2]

Niet allen zijn Israël. Ware Israëlieten, die 'kinderen van God' (vers 8) zijn, door Hem geroepen (vgl. vers 11), het overblijfsel (vers 29).

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. Ro 9:26 ‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. Ro 9:27 En Jesaja roept over Israel uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israel als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden. (Telos)

Die uit Israël zijn. Die naar het vlees uit Israël zijn, nakomelingen van Jakob zijn.

Rom. 9:8

Ro 9:8 dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend. (Telos)

Kinderen van God. Vergelijk:

Ro 9:4 Israëlieten zijn zij, van hen is het zoonschap, de heerlijkheid, de verbonden, de wetgeving, de dienst en de beloften; (Telos)

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. Ro 9:26 ‘En het zal zijn op de plaats waar tot hen gezegd werd: U bent mijn volk niet, daar zullen zij zonen van de levende God worden genoemd’. Ro 9:27 En Jesaja roept over Israel uit: ‘Al was het getal van de zonen van Israel als het zand van de zee, het overblijfsel zal behouden worden. (Telos)

Rom. 9:11

Ro 9:11 zelfs toen de kinderen nog niet geboren waren en niets goeds of kwaads bedreven hadden, (opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet op grond van werken, maar uit Hem die roept,) (Telos)

Hem die roept.

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de volken? Ro 9:25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-mijn-volk mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’. (Telos)

Rom. 9:17

Ro 9:17 Want de Schrift zegt tot Farao: ‘Juist hiertoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u mijn macht betoon en opdat mijn naam verkondigd wordt op de hele aarde’. (Telos)

Mijn macht betoon. Vergelijk:

Ro 9:22 Als nu God, daar Hij zijn toorn wilde betonen en zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van de toorn, tot het verderf toebereid; (Telos)

Rom. 9:22

Ro 9:22 Als nu God, daar Hij zijn toorn wilde betonen en zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van [de] toorn, tot [het] verderf toebereid; (Telos)

Zijn toorn wilde betonen. Evenals aan Farao, vers 17.

De vaten van de toorn. De mensen door Hem gemaakt en tot voorwerpen van Zijn toorn toebereid.

Rom. 9:23

Ro 9:23 en om bekend te maken de rijkdom van zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij tevoren tot heerlijkheid heeft bereid …  (Telos)

Tot heerlijkheid bereid.

Ro 8:17 En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus, als wij inderdaad met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. (Telos)

Ro 8:30 En hen die Hij tevoren heeft bestemd, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij heeft geroepen, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij heeft gerechtvaardigd, die heeft Hij ook verheerlijkt. (Telos)

Rom. 9:24

Ro 9:24 Ons die Hij ook heeft geroepen, niet alleen uit [de] Joden, maar ook uit [de] volken? (Telos)

Geroepen.

Ro 9:11 zelfs toen de kinderen nog niet geboren waren en niets goeds of kwaads bedreven hadden, (opdat het voornemen van God naar verkiezing zou blijven, niet op grond van werken, maar uit Hem die roept,) (Telos)

Rom. 9:29

Ro 9:29 En zoals Jesaja tevoren heeft gezegd: ‘Als de Heer Zebaoth ons geen nageslacht had gelaten, dan zouden wij als Sodom geworden zijn en aan Gomorra gelijk gemaakt’. (Telos)

Heer Zebaoth. Dit is Jahweh der legerscharen.

Nageslacht. Een gelovig overblijfsel (vers 27).

Als Sodom geworden zijn en aan Gomorra gelijk gemaakt. Verdelgd gelijk deze zondige steden.

Voetnoten

  1. Het Nieuwe Testament; herziene Voorhoeve-uitgave (Vaassen: uitgeverij H. Medema, 1982), voetnoot dit vers.
  2. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op dit vers is onder wijziging verwerkt.