Oude kerkgeschiedenis

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De oude kerkgeschiedenis is hier de geschiedenis van de christelijke Kerk, of de geschiedenis van de christenheid, vanaf haar ontstaan bij de komst van de Heilige Geest rond het jaar 30, tot paus Gregorius I 590 na Chr. 

Voor een inleidend artikel over de kerkgeschiedenis, zie art. Kerkgeschiedenis

Perioden

Van de oude kerkgeschiedenis man men de volgende tijdsindeling maken[1]:

1. c. 30 - c. 100 n.C.: de Apostolische eeuw
    De stichting van de gemeente en haar ontwikkeling in de tijd der apostelen.

2. 100 – 323: De tijd van de vervolging en de wording van de katholieke kerk
    Het ontstaan en de ontwikkeling van de katholieke kerk tot op Constantijn de Grote (323 na Chr.)

3. 323 – 590[2]: De dogmatische tijd in de Grieks-Romeinse rijkskerk (of Grieks-Romaanse Staatskerk)
    Van het jaar 323 tot Gregorius I 590 na Chr..

De apostolische eeuw (c. 30 - c. 100 n.C.)

Het eerste tijdvak van de Oude Kerkgeschiedenis is de apostolische eeuw (30 - c. 100 n.C.), van de geboortedag van Christus' gemeente op de Pinksterdag tot circa 100. Deze periode heeft door het werk van de apostelen en de teboek­stelling van de Nieuw-Testamentische geschriften een grondleggend karakter gehad. Het boek „De Handelingen van de apostelen", dat naast de apostolische brieven de oudste bron van de Kerkgeschiedenis is, tekent met sobere doch treffende woorden het ontstaan en het leven van de Jeruzalemse gemeente. De kerkgeschiedenis begint met de geboorte van de gemeente van Jezus Christus: de samenvoeging van de gelovigen, door de Heilige Geest, tot één lichaam, met als Hoofd de verheerlijkte Heer in de hemel. 

± 30 n.C. Stichting van de Christelijke kerk. 
44 n.C. Jacobus, de broeder van johannes, gedood.
50 n.C. Apostelconvent te Jeruzalem.
48-50 n.C. Eerste zendingsreis van Paulus. 
52-54 n.C.Tweede zendingsreis van Paulus. 
55-58 n.C. Derde zendingsreis van Paulus. 
54-68 n.C. Nero, keizer te Rome.
61 n.C. Paulus komt te Rome. 
62 n.C. Steniging van Jacobus de Rechtvaardige.
64 n.C. Vervolging der Christenen onder Nero. Paulus en Petrus (?) gedood.
70 n.C. Verwoesting van jeruzalem.
81-96 n.C. Domitianus, keizer te Rome.

Verbreiding. In het Bijbelboek "De Handelingen van de apostelen" wordt ons verhaald van de arbeid der apostelen en hun helpers tot verbreiding van het Evangelie eerst onder de Joden en daarna ook onder hen, die buiten het Jodendom stonden (de heidenen). Vooral het zendingswerk van Paulus onder de heidenen wordt uitvoerig geschetst en de heerlijke zegen, waarmee God deze arbeid kroonde. Gedurende deze eerste eeuw heeft zich het Christendom uitgebreid over het gehele Romeinse rijk. Spanje en Brittannië (Engeland) beweren het zelfs van de apostel Paulus ontvangen te hebben. Klein-Azië was het brandpunt der evangelisatie die zich naar Europa, Africa en Azië uitstrekte.

Apostelen. De werkzaamheden van de apostelen zijn, behalve wat het boek Handelingen meldt, weinig bekend. Overleveringen van welke enige weinig geloof verdienen, doen Petrus te Rome sterven, Mattheus in Ethiopië (Abyssinië) met de kamerling van Candacé arbeiden, Marcus Egypte evangeliseren, Andreas naar Scythië reizen, Stachys aanstellen als eerste bisschop van Byzantium (Constantinopel) en te Patras in Achaïa de marteldood ondergaan, Filippus van Bethsaïda in Gallië prediken, en te Hiërapolis in Phrygië gedood worden, Bartholomeus naar Indië (anderen zeggen Arabië) reizen en te Albanopolis in Armenië gekruisigd worden, Thomas Didymus, te Edessa in Mesopotamië de Koning Abgar bekeren, naar Arabië, Perzië, Indië ja tot Ceylon toe het evangelie brengen, en de kerken stichten van de zogenoemde Christenen van St. Thomas op de kust van Malabaar, Jacobus de zoon van Alpheus in Spanje arbeiden, Judas Thaddeus na Arabië en Mesopotamië geëvangeliseerd te hebben, in Perzië de marteldood ondergaan, Matthias Macedonië en Simon de Kanaäniet het noorden van Afrika tot arbeidsveld kiezen. Er zijn er die menen dat de Simon de zoon van Cleopas die gedood werd in 106, deze Simon de Kaäniet geweest is. 

'Kerkvaders'. Naast en na de apostelen zijn de oudste 'kerkvaders' en bepaaldelijk de vijf 'apostolische kerkvaders' tot deze eeuw te brengen, namelijk

  • Clemens (Filip. 4:3), ouderling te Rome, onder wiens naam wij twee brieven aan de Corinthiërs bezitten van welke de eerste waarschijnlijk echt is,
  • Hermas (Rom. 16:14) onder wiens naam een later geschreven boek de herder bekend is,
  • Barnabas, Paulus reisgenoot, onder wiens naam mede een brief tot ons is gekomen
  • Ignatius bisschop van Antiochië, ontslapen in 106
  • en Polycarpus bisschop van Smyrna, discipel van Johannes, ontslapen in 167

Zij zijn schrijvers van brieven (waarvan sommigen voor onecht zijn aangemerkt).

Dwalingen, ketters en sekten. Het was niet enkel licht en groei in de eerste eeuw ; de schaduwzijden vertoonden zich toen ook reeds. Er kwam verschil van mening. Er waren onder de christenen mensen, die meenden dat men verplicht was de Joodse wetten te onderhouden. Dat waren de joods-christenen, die tamelijk scherp stonden tegenover Paulus en zijn volgelingen, de christenen uit de Heidenen, die deze noodzakelijkheid ontkenden.

Uit de apostolische brieven van het Nieuwe Testament blijkt, dat reeds in de eerste eeuw ketterijen en dwalingen de Kerk waren binnengeslopen, waartegen de apostelen met ernst en kracht optraden. Reeds tot deze eeuw behoren ketters en ketterse sekten, als Doceten, Gnostieken van verschillende benamingen, Ebionieten, Nazareërs, Nazoreërs, Nicolaïeten.

Vervolging. Ook wordt in dit eerste tijdvak reeds het voorspel gezien van de bloedige vervolging, waaraan de Kerk in de volgende eeuwen zou blootstaan. Men denke aan Stefanus, Jacobus, Paulus, Petrus en Johannes. Paulus was eerst zelf een vervolger van de Gemeente. De eerste vervolging, in de eerste eeuw, kwam van de vijandige Joden, onder wie Saulus van Tarsus, en duurde betrekkelijk kort, maar daarop, reeds in de tweede helft van de eerste eeuw, volgde de vervolging door de heidenen, en deze vervolging was veel vreselijker. In drie perioden kan de vervolging door de heidense Romeinen verdeeld worden. De eerste periode valt in de 1e eeuw en is meer te beschouwen als uitbarstingen van persoonlijke wreedheid en willekeur van sommige Keizers, zoals Nero en Domitianus.

Vervolging; wording van de Katholieke kerk (100-323 n.C.)

Het tweede tijdvak van de oude kerkgeschiedenis kenmerkt zich door strijd. Het oude Jodendom en het oude Heidendom riepen een strijd in het leven binnen de kerk en het geweld van de Romeinse staat en de hei­dense wetenschap bekampten haar van buiten. Het is de tijd van vervolgingen van de christenen, vervolgingen die reeds in het eerste tijdvak waren begonnen. Dit tweede tijdvak duurde ruim twee eeuwen (100-323).

Uit deze strijd kwam de kerk als de Katholieke zegevierend te voorschijn. Haar overwinning werd bekroond, toen Constantijn (later bijgenaamd de Grote) aan de regering kwam. Het is dan ook de tijd van de wording van de Katholieke kerk: het ontstaan en de ontwikkeling van deze kerk.

Vond de eerste periode van vervolging in de eerste eeuw plaats, de tweede periode van vervolging begint tijdens de regering van keizer Trajanus (98-117) en duurt ongeveer anderhalve eeuw met grotere of kleinere tussenpozen voort. Deze periode bevat min of meer talrijke processen in verschillende delen van het uitgestrekte Romeinse rijk en op onderscheiden tijden. Reeds toen was het christendom een verboden godsdienst. De meest bekende martelaren en martelaressen waren gedurende deze periode Ignatius, Polycarpus, Justinus, Blandina, Ponticus en Perpetua.

98-117 n.C. Trajanus, keizer te Rome.
115. Ignatius van Antiochië martelaar geworden.
117-138. Hadrianus keizer te Rome.
± 130. Gnosticisme.
138-161. Antoninus Pius, keizer te Rome.
± 150. Celsus.
154. Strijd tusschen Polycarpus en Anicetus over het Paasfeest.
155 (?) Polycarpus de marteldood gestorven.
± 160. Montanus treedt als profeet op.
161-180. Marcus Aurelius, keizer te Rome. Vervolging in Zuidelijk-Gallië.
166. Justinus de Martelaar ondergaat de marteldood.
174-189. Eleutherus, bisschop van Rome.
177. Christenvervolging te Lugdunum.
178. Irenaeus wordt bisschop te Lugdunum.
189-199. Victor, bisschop te Rome.
± 190 Minucius Felix. Tertullianus. Clemens van Alexandrië.
192-194. Strijd over het Paasfeest tussen Victor en Polycrates.
193-211. Regering van Romeins keizer Septimius Severus. Vervolging in Africa.
± 200. Origenes. 
203. Dood van Perpetua en Felicitas.

Uitbreiding. Uit de getuigenissen van Justinus Martyr, Irenaeus, Tertullianus blijkt dat zich het Christendom gedurende de tweede eeuw niet slechts in het Romeinse rijk maar ook in de omliggende landen heeft uitgebreid, ofschoon de stichting van de meeste gemeenten in duisterheid ligt. Niettegenstaande de zware vervolgingen vermeerdert het aantal Christenen steeds en vormt in de staat een zeer machtige minderheid, zoals de Israëlieten door natuurlijke aanwas in Egypte.

Dwalingen. In de gemeente zelf ontstaan echter behalve de nagenoemde sekten, verscheidene dwaalbegrippen en verkeerde praktijken, als:

  • een overdreven zucht naar het martelaarschap, waardoor in de 4e vervolging Christenen genoopt worden zich zelven aan te klagen;
  • en daartegenover, het afkopen van vervolging door rijke gemeenten en particulieren bij heidense magistraten;
  • het gebruik maken van onedele wapenen in de strijd voor de waarheid als van ondergeschoven en onechte boeken, drogredenen die men zelf weet vals te zijn, het beroep op de zogenoemde Sibyllynse orakels enz.

Hiërarchie. Langzamerhand sluipt een meer uitgebreide hierarchie in de kerk; er wordt onderscheid gemaakt tussen Episcopus (bisschop of opziener) en Presbyter (priester of ouderling); vier orden van geestelijken ontstaan, bisschop, priester, diaken en lector (voorlezer.)

Metropolitanen. Tegen het einde van de tweede eeuw verheffen zich de bisschoppen der hoofdsteden van provinciën, metropolitanen genaamd boven de opzieners van andere steden en plaatsen.

Concilies. De reden hiervan ligt in de concilies of synoden, kerkelijke vergaderingen, die van het midden der eeuw af eerst in Griekenland, daarna in geheel de Christenheid, in de hoofdplaatsen (metropolen) plegen samen te komen, en door de bisschop van die plaats worden voorgezeten en geleid. Deze concilies zijn tevens een stap tot de centralisatie van bestuur die in de volgende eeuwen zo sterk in de kerk toeneemt.

Plechtigheden. Ook beginnen enige uiterlijke plechtigheden in de kerk te sluipen, bijzondere dagen als Pasen en Pinksteren worden voor de doop afgezonderd, daarbij geschiedt afzwering van de duivel, indompeling, het teken van het kruis, handoplegging, zalving, en tenslotte het nuttigen van melk en honig. Sponsoren, of doopgetuigen zijn bij de plechtigheid aanwezig. Waarschijnlijk geraakt de kinderdoop in deze eeuw in zwang; het geven van het avondmaal ook aan kinderen schijnt mede gebruikelijk geweest te zijn misschien reeds in de eerste eeuw.

Bidden. Bij het bidden neemt men de gewoonte aan zich naar het Oosten te keren.  

Gnostieken. Onder de sekten bekleden de gnostieken (of gnostici) een eerste plaats, zie artikel Gnostiek over de gnostieken in de 2e eeuw. 

Vervolging. In de derde en laatste periode van christenvervolgingen, die met keizer Decius (249-251) aanving, werd de strijd tussen christendom en heidendom op leven en dood gevoerd. Toen was de vervolging het hevigst, maar de worsteling eindigde met de volledige zegepraal van het christendoms. De meest bekende martelaar uit die tijd is Cyprianus. De vervolgingen in dit tweede tijdvak (100 -323) waren voor de Gemeente van Christus als een louterend vuur, waarin de geloofsmoed van de martelaars vaak helder aan het licht trad, maar ook het kaf van het koren werd gescheiden.

± 240. Bisschop Fabianus verdeelt de gemeente van Rome in zeven gemeenten.  
± 242. Manicheïsme.
249-251. Eerste algemene Christenvervolging onder Decius.
251. Schisma van Novatianus.
251-253. Cornelius, bisschop van Rome.
252-356 Antonius, kluizenaar in Egypte.
253-260. Valerianus, keizer te Rome.
254. Origenes gestorven.
254-257. Stefanus I, bisschop van Rome.
257-258. Vervolging onder Valerianus.
± Diaken Laurentius.
258. Cyprianus gemarteld. 
259-268. Dionysius, bisschop van Rome.
260-268. Galliennus, keizer te Rome.
260 Maatregel van Gallienus leidt een 40-jarige tijd van vrede in voor de christenen
263-339 Eusebius, kerkelijk-geschiedschrijver. 
276. Mani gestorven.
284-305. Diocletianus, keizer te Rome.
295-373 Athanasius. Hij bestrijdt de leer van Arius. 
297 Diocletianus ordent het Romeinse rijk.

300. Synode te Elvira.
303-311. Algemene christenvervolging onder keizer Diocletianus.
310-314. Melchiades, bisschop te Rome.
312. Constantijns veldtocht tegen Maxentius. Donatisten.
313. Edict van Milaan. Keizer Konstantijn geeft volledige vrijheid van godsdienst en gelijke rechten aan de christenen
314-335. Sylvester I, bisschop van Rome.
317-397 Martinus van Tours. 
323-337. Constantijn, eerste christelijke keizer; alleenheerser.

De uitbreiding van het christendom in deze periode

De heiden Plinius, stadhouder van Bithynië (Klein-Azië), meldt in een klaagschrift aan keizer Trajanus (keizer van 98 - 117): „Er is een groot aantal personen van elke ouderdom, stand en geslacht, dat deze godsdienst aanhangt. Dit kwaad bestaat niet alleen in de steden, maar is ook in de dorpen en op het platteland verbreid. Bij mijn aankomst in Bithynië zag ik onze tempels eenzaam en verlaten, de godsdienstige feesten geschorst, en nauwelijks vindt men er iemand, die de goden offers brengt.”[3]

Zelfs gedurende de hevigste vervolgingen breidde de Kerk van Christus zich immer verder uit. Zo kon reeds Justinus de Martelaar (ca. 100 — ca. 165) de heidenen triomfantelijk toeroepen: „Er is geen volk, waarbij niet in naam van de gekruisigde Christus gebeden en dankzeggingen aan de Vader en Schepper van de wereld opgedragen worden.”[4] Op dezelfde wijze sprak vijftig jaar later Tertullianus (ca. 160 — 220): "Wij bestaan eerst sinds gisteren en reeds vervullen wij alles: uw steden, eilanden, kastelen, dorpen, paleizen; slechts uw tempels laten we u behouden.”

Ook in West- en Midden-Europa waren vóór Constantijn, die in 306 keizer werd, vele christengemeenten. In Spanje o.a. te Leon, Saragossa, Merida, Terracona. In Gallië was Lyon, de hoofdstad van Gallië Lugdunensis, reeds in de tweede eeuw een bloeiende christengemeente. Te Arles vergaderden in 314 vele Gallische bisschoppen o.a. die van Arles, Lyon, Autun, Reims, Rouen, Bordeaux, Marseille. Ook Trier, Sens, Vienne, Bourges waren bisschopssteden. In Brittannië was in de vóór-Constantijnse tijd het christendom reeds doorgedrongen. Op de synode van Arles verschenen in 314 de bisschoppen van York, Londen en Lincoln. In 313 was Maternus bisschop van Keulen. De kerken van Mainz, Maastricht, Tongeren, Straatsburg zijn waarschijnlijk van vóór-Constantijnse oorsprong. Te Petovio in de Romeinse provincie Pannonië stierf opziener Victorinus in 303 de marteldood. Sirmium in Pannonië was een zeer belangrijk bisdom.

Deze roemrijke verbreiding van Jezus' leer is niet het werk van de mensen alleen, maar bovenal van God. De snelle aanwas der gelovigen, ondanks de hardnekkigste vervolging, levert het bewijs, dat de gemeente van Christus van goddelijke oorsprong is. De snelle en verre uitbreiding van het christendom blijft, ondanks de vele zowel innerlijke als uiterlijke beletselen en het gemis aan voldoende menselijke middelen, een onwraakbaar getuigenis van de goddelijke zending van de gelovigen in deze wereld.

Toch is er, behalve de wondervolle bescherming en ondersteuning door God, veel wat de zegepraal van de ware godsdienst krachtig bevorderd heeft. En wel vooral:

1. Inhoud van de christelijke leer. De verhevenheid en reinheid van de christelijke leer, welke verstand en gemoed van de mensen in alle opzichten bevredigen. Inzonderheid ook trokken de troostvolle beloften voor dit en het andere leven alle edel-denkende heidenen in hoge mate aan.

2. Heilige levenswandel. Nog meer echter was het de buitengewoon heilige levenswandel (levensstijl) van de eerste gelovigen, welke de heidenen met achting jegens de christelijken godsdienst vervulde. Want waar deze verkondigd werd, greep een wondervolle omkering van de zeden plaats. Daar werden de trotsen ootmoedig, de gierigen mild, de ontuchtigen kuis, de onmatigen ingetogen, de wraakzuchtigen vredelievend; daar vielen de ketenen van de slaven, de boeien van de gevangenen, daar eindigde de nood van de armen en lijdenden, daar werden allen „een van hart en een van ziel" (Hand. 4:32).

Plinius, de bovengenoemde landvoogd van Bythinië, legt het volgende loffelijke getuigenis van hen af: „Op een vastgestelde dag komen ze vóór zonsopgang bijeen en heffen lofzangen aan ter ere van Christus, hun God; ook verplichten ze zich bij eede, geen roof of echtbreuk, noch enig andere misdaad te bedrijven, hun beloften te houden, geen goed van anderen ten eigen bate aan te wenden.”[5] enz.

In de brief aan Diognetus (± 150) staat te lezen: „Zij (de christenen) zijn in het vlees, leven echter niet naar het vlees. Zij vertoeven op aarde, doch hun wandel is in de hemel... Waar is onder de misdadigers de naam van een christen te lezen? In de kerker is de christen niet, tenzij enkel omdat hij christen is. Zelf arm, maken ze velen rijk. Zegenen is hun wraak.”

ln 259 woedde de pest te Alexandrië, een stad in het noorden van Egypte. De geschiedschrijver Eusebius verhaalt, hoe velen, die het lichaam van hun christenbroeders in hun armen of op hun schoot namen, hun ogen en mond toedrukten en ze met alle zorg begroeven, hen weldra in den dood volgden. Ook tot niet-christenen strekte hun mededogen zich uit.

Niets heeft er zoveel toe bijgedragen, om na de ineenstorting van de oude wereld de mensen uit de zinnelijke verwarring en het zedenbederf te redden en hen weer voor het geestelijke terug te winnen, als de aanblik van vrouwelijke reinheid, die met heldhaftige doortastendheid en volharding weerstand bood aan een hele wereld van verdorvenheid.

De kerkhistoricus Adolf van Harnack (1851-1930) zegt dan ook: „Men mag gerust aannemen, dat zulke daden op niet-christenen een diepe indruk maakten en de propaganda machtig bevorderden.”[5] Ook hun heldhaftige vergevingsgezindheid stemde de volksmening steeds gunstiger: de christenen peinsden niet op wraak, maar vergolden kwaad met goed.

3. Standvastigheid van de martelaren. Ook de standvastigheid van de martelaren wekte de verbazing en bewondering van de heidenen. „Kruisigt ons — roept Tertullianus (leefde ca. 160-220) uit — foltert ons, verbrijzelt ons! Wij winnen in aantal, naarmate we door u worden weggemaaid: een záád is het bloed van de christenen”[5]

Zelfs Jean Jacques Rousseau (18e eeuw) moest getuigen: „De christenen snellen naar het martelveld, en de volken stromen naar de doopvont. De geschiedenis van de eerste eeuwen van het christendom is een onafgebroken wonder.”[6] „Graag - zegt Pascal - gelooft men een mens die voor zijn getuigenis sterft.”[7]

4. Talrijke wonderen. Daarbij komen nog de talrijke wonderen, waardoor God zelf de waarheid van de christelijke godsdienst bezegelde. Ignatius (ca. 40 - ca. 115) verhaalt dat de wilde dieren, welke op de martelaren losgelaten en aangehitst werden, voor hen neervielen en hun de voeten likten. Dikwijls verwierven bij de relikwieën van de bloedgetuigen zieken de gezondheid, blinden het gezicht, doden het leven weer[8]. Augustinus (354-430) schrijft in zijn „De civitate Dei": „Deze uitbreiding is door wonderen bewerkt, of ze is zelf een enig groot wonder".

5. De toestanden. De uitgestrektheid van het Romeinse rijk, de door de Romeinen aangelegde heerbanen, het algemeen gebruik van de Griekse taal en de algemene wereldvrede (pax romana) vergemakkelijkten het verkeer van de geloofsboden met de onderscheiden landen en volken.

De ongelovige wijsgeer Friedrich Paulsen (1846-1908) getuigt: „Onder al de gebeurtenissen, waarvan de wereldgeschiedenis gewag maakt, is er geen, die zozeer de verbazing wekt als de bekering van de oude wereld tot het christendom. Nooit is er een beweging geweest, waaraan zozeer alles ontbrak, wat volgens de gewone loop van de dingen geschikt maakt om de wereld te veroveren, als het christendom”[9].

Strijd met heidense wetenschap en dwaalleer

Tijdens de gruwzame vervolgingen had de gemeente van Christus nog een andere, weliswaar onbloedige, doch daarom niet minder gevaarlijke strijd te doorstaan. Het was de drievoudige kamp (1) tegen de aanvallen van de heidense wetenschap, (2) tegen dwaalleer en (3) scheuring.

Heidense geleerden versus geloofsverdedigers

In dit tweede tijdvak werd de Gemeente echter niet alleen met brandstapel en moordbijl door de heidenen bestreden, maar ook de pen bleek in hun hand een scherp wapen te zijn. Reeds vroeg stonden er heidense geleerden op, die door woord en schrift, door spot en hoon, door leugen en laster de christelijken godsdienst bestreden en de wereldlijke overheid tot vervolging ophitsten.

Tegen zulke aanvallers stelden zich spoedig talrijke Apologeten of „Verdedigers van het geloof” te weer, die in hun voor een deel nog bewaard gebleven geschriften de lasteringen van de heidenen weerlegden, de dwalingen van het Heidendom aantoonden en de waarheid van Jezus' leer overtuigend bewezen. De beroemdste apologeten waren Justinus, Ireneüs, Cyprianus, Tertullianus, Clemens van Alexandrië en Origenes. Te Alexandrië in Egypte werd in de tweede eeuw zelfs een zogenaamde Katechetenschool gesticht met het doel, bekwame verdedigers van de christelijke waarheid te vormen.

Met de verdediging van de waarheid door de Apologeten werd tevens de kerkleer meer tot ontwikkeling gebracht.

Ketterijen

De gevaarlijkste vijanden van het christendom waren ten allen tijde de dwaalleraars, welke uit hoogmoed hun verstand niet aan de het geloof wilden onderwerpen en daarom de leer van Christus vervalsten, en vele anderen meesleepten. Zulke dwaalleraars waren er reeds in de eerste eeuw, naar het woord van de apostel Paulus:

1Co 11:19  Want er moeten ook sekten onder u zijn, opdat ook de beproefden onder u openbaar worden. (Telos)

Men houde in het oog, dat niet allen die dwaalden, formele ketters waren. Tot de gewichtigste ketterijen van de eerste eeuwen behoren

  • de gnostieke leer van Cerinthus, welke vermoedelijk door de apostel Johannes is bestreden;
  • de Ebionieten, die de Godheid van Christus loochenden;
  • de Nazareërs;
  • de Eskesaïeten, die Jodendom en christendom met astrologie en tovenarij vermengden.

Cerinthus en de andere genoemde ketters waren Joden-christenen. Zij wilden zich niet losmaken van de Mozaïsche Wet en dwaalden weldra geheel af.

Gnostieken. Een gewichtige dwaalleer kwam van de Gnostieken, die het stoffelijke en lichamelijke als iets slechts voorstelden. Volgens hen wil de geest Christus ons leren hoe wij de stof, het lichaam kunnen overwinnen. Het lichaam van Christus was een schijn-lichaam. Van Christus' kruisdood en verrijzenis is geen sprake. De Gnostieken waren, uit haat tot de stof, overdreven streng (onthouding van wijn, vlees of zelfs van het huwelijk) of geringschatten en schonden de zedenwetten. Zij stelden apocriefe evangeliën en apostelgeschiedenissen samen, waarin de gnostische leerstellingen in uitspraken van de Heer en van de apostelen gekleed waren. Het Gnosticisme is bestreden door Irenaeus, Clemens van Alexandrië, Tertullianus, Origenes e.a. Zo leidde deze strijd tot het vormen van een geloofswetenschap.

Zie Gnostiek voor het hoofdartikel.

Manicheeërs. Nauw verwant met het Gnosticisme is de ketterij van de manicheeërs of het Manicheïsme. Volgens staat de god van het licht tegenover die van de duisternis, het rijk van het licht tegenover dat van de duisternis. Lichamen komen uit het rijk van de duisternis. De mensenzielen zijn daarin opgesloten. Deze vereniging van ziel en lichaam is de bron van alle kwaad. De mens moet het stoffelijke bestrijden en doden door versterving en onthouding of door mateloze zedeloosheid.

Zie Manicheïsme voor het hoofdartikel.

Dwalingen op het gebied der zedenleer. In het midden van de 2de eeuw traden de montanisten op, die overdreven streng waren en grote misdadigers nooit meer wilden toelaten in de kerk. In de 3de eeuw leerden de Novatianen dat een zondaar nooit meer in de gemeenschap der kerk mocht worden opgenomen. Het verst gingen de Enkratieten (d. i. beoefenaars der onthouding). Zij verboden het gebruik van vlees en wijn, en zelfs het huwelijk. Zogenaamde profeten of geïnspireerden plaatsten zich, als door God gezonden, boven het door kerkelijk leergezag.

Veroordeling van deze dwalingen. De Pausen en de, in gewestelijke Synoden vergaderde, bisschoppen veroordeelden al deze dwalingen, ook het chiliasme (zie volgende paragraaf), en sloten de verbreiders en aanhangers buiten de gemeenschap der Kerk. Zij beriepen zich daarbij niet zozeer op de Heilige Schrift (want deze werd door elke ketter op zijn manier uitgelegd), als op de Traditie of „Overlevering”: “Zó is het ons door de apostelen over overgeleverd”

Twisten. Behalve de dwaalleringen waren er in de gemeente van God ook scheuringen en twisten. Volgens een geschiedschrijver liet God ze toe, "opdat de waarheid des te schoner zou uitblinken"[10].

a) Inzonderheid was het de tijd der viering van het Paasfeest, welke tot tweespalt aanleiding gaf. Terwijl namelijk de meeste gemeenten, met name die van Rome, het Paasfeest steeds op een zondag vierden, en wel op de eerste zondag na de volle maan, welke volgt op de 21ste maart, werd het feest ook wel in sommige gemeenten van het Oosten, evenals bij de Joden, op een andere dag gevierd. Deze 'afwijking' werd, omdat ze niet de kern van het christendom raakte, in het begin geduld. Later echter eisten de pausen het volgen van het Romeins gebruik. Zo ontstond er een hooggaande twist, welke eerst op het Concilie van Nicéa (325) werd beslecht, toen werd vastgesteld dat ook de Oosterse kerken het Paasfeest moesten vieren op dezelfde dag als de pausen vroeger hadden beslist.

b) Veel gewichtiger was een andere strijd, welke omstreeks 250 tussen paus Stephanus I (paus 254-257) en bisschop Cyprianus (bsscip 248-258) ontbrandde. Het gold de vraag, of de doop door ketters toegediend, geldig was of niet, een vraag waaromtrent de Kerk destijds destijds nog geen eindbeslissing had genomen. Cyprianus beweerde dat deze doop ongeldig was, en dat allen, welke uit de dwaling weer in de schoot der Kerk terugkeerden, opnieuw gedoopt moesten worden. De paus daarentegen verklaarde, dat iedere doop, in de naam van de Drieëenheid goed toegediend, geldig was en daarom niet herhaald mocht worden. Dit werd echter eerst in de vierde eeuw als geloofspunt vastgesteld.

Chiliasten

De Chiliasten of Millenarii (van mille = duizend) beweerden, dat na een zesduizendjarig bestaan van deze wereld de Antichrist zal komen en zegepralen. Na een heerschappij van drie en een half jaar zal de Christus overwinnen. Dan begint het duizendjarige rijk, dat zijn zetel te Jeruzalem heeft. Christus beheerst de wereld, die in een paradijs-toestand zal verkeren. Al die tijd blijft satan machteloos. Na die tijd hervat hij de strijd, die eindigt met zijn volslagen nederlaag en het Laatste Oordeel.

Helaas rekende de paus en andere bisschoppen ook het chiliasme, dat het Schriftgedeelte over het duizendjarig rijk letterlijk neemt, tot de dwalingen.

Zie Chiliasme voor het hoofdartikel.

313

In het voorjaar van 313 vaardigde keizer Constantijn met zijn zwager Licinius het edikt van Milaan uit. Dit bevatte de volgende bepalingen:

  1. de vervolging van de Christenen moet gestaakt worden;
  2. alle staatsburgers mogen het Christendom omhelzen. Wie een anderen cultus willen volgen (op z'n minst 9/10 van de bevolking was niet-christen), genieten dezelfde vrijheid;
  3. alle geannexeerde kerken, begraafplaatsen en goederen moeten worden teruggegeven;
  4. de kerken en gemeenten moeten het recht van bezit en het erfrecht hebben.

Zó trad de kerk van Christus, na een verdrukking van drie eeuwen, glorierijk en zegepralend uit de strijd te voorschijn naar de belofte van haar Goddelijke Stichter: „Houdt moed! Ik heb de wereld overwonnen!” Christenen verlieten de catacomben.

Licinius overwon Maximinus in de slag van Adrianopel (april 313).

316

Licinius begon de Kerk weer te vervolgen (o.a. de veertig Martelaren van. Sebaste), doch hij wordt in 323 verslagen.

323

Licinius werd op 3 juli bij Byzantium door Constantijn verslagen. Constantijn was nu alleenheerser.

De Grieks-Romeinse rijkskerk (323-590 n.C.)

Het derde tijdvak van de oude kerkgeschiedenis is de tijd van de Grieks-Romeinse rijkskerk en duurt ruim twee en een halve eeuw (323-590 n.C.), van christenkeizer Constantijn de Grote tot paus Gregorius de Grote. Daarin zien we de Katholieke kerk zich huwen aan de staat. Ze wordt daardoor Grieks-Romeinse rijkskerk. In die kerk ontwikkelt zich het dogma, wordt het leven veruitwendigd, neemt de leer van de dubbele moraal vaste vormen aan en komt de hiërarchie tot meerdere ontplooiing. Wegens de ontwikkeling van het dogma wordt deze tijd ook genoemd "de dogmatische tijd in de Grieks-Romaanse Staatskerk"[11].

Een christen-keizer. Constantijn is na zijn overwinning op Maxentius christen geworden, hoewel hij eerst kort voor zijn dood zich liet dopen. Hij begunstigde de christenen en de kerk werd van nu aan rijkskerk.

Verheffing tot rijkskerk. Bij 't begin van dit tijdperk, met Constantijn de Grote, was een heel andere tijd voor de Kerk gekomen. Was ze tot hiertoe bloedig vervolgd en in de gunstigste omstandigheden hoogstens oogluikend geduld, thans kwam zij in hoge ere en werd door de keizers met weldaden overladen.

Het heidendom trad op de achtergrond en het christendom breidde zich onder Constantijn en zijn opvolgers steeds meer uit, totdat Theodosius I omstreeks 380 het christendom tot staatsgodsdienst verhief. De heidense tempels werden geslecht en terugkeer tot het heidendom werd op straffe des doods verboden. Het nog altoos machtige heidendom kon geen weerstand bieden. Martelaren kon het niet voortbrengen. Het christendom werd de godsdienst van de toekomst.

Voor- en nadelen. De kerk was rijkskerk geworden, wat in menig opzicht voordelige, maar niet minder nadelige gevolgen had. Voordelen:

  1. De vervolging hield op.
  2. De kerk kreeg uitwendige voorspoed. Zij ontving terug, wat haar ontnomen was en mocht erflatingen aanvaarden.
  3. De 'geestelijken' werden uit de staats- en gemeentekas bezoldigd.
  4. De kerk ontving een eigen rechtspraak.
  5. De Zondag werd algemeen gevierd, zodat hij een officieel karakter kreeg.

De Christelijke Kerk genoot uiterlijk niet weinig voorrechten. Ze mocht bezittingen verwerven; ze had haar eigen rechtspraak en haar 'geestelijken' werden van vele belastingen vrijgesteld. Prachtige tempels verrezen allerwegen, schitterend van goud, doch het innerlijke goud begon bij de uitwendige glans langzamerhand te verdonkeren.

Bovendien waren er aan die uiterlijke voorspoed vele schaduwzijden verbonden. De verheffing tot rijkskerk bracht nadelen mee:

  1. De kerk werd verwereldlijkt. Gehele scharen voegden zich bij haar, maar enkel om het voordeel. Het naamchristendom nam gaandeweg toe.
  2. Weelde en prachtlievendheid vermeerderden op onrustbarende wijze.
  3. De staat mengde zich in zaken, die de kerk alleen mocht regelen.
  4. De bisschoppelijke macht werd steeds groter, vooral nadat rechtspraak in de kerk geduld werd. Zo ontstond de hiërarchie.

De Kerk was niet vrij meer; de Keizer oefende grote invloed uit op de gang van zaken; hij riep de synoden bijeen en de uitspraken van de synoden moesten aan zijn goedkeuring worden onderworpen om kracht van wet te krijgen; zodoende werden de besluiten van een synode met staatswetten gelijk gesteld. De Keizer benoemde de bisschoppen of oefende althans grote invloed uit op de keuze van die hoge voorgangers. Want de christelijke Kerk was nu geworden de Grieks-Romaanse Staatskerk. Haar vrijheid had ze bij die uiterlijke glans ingeboet.

Organisatie. Dat de kerk rijkskerk geworden was, bleek al aan­stonds daaruit, dat de organisatie van de kerk zich geheel en al aansloot bij de organisatie van de staat, wat niet weinig heeft bijgedragen tot de bloei van de kerkelijke hiërarchie.

De indeling in burgerlijke gemeente was in de Romeinse staat grondregel. Een diocees in het Romeinse rijk was een bestuurlijk gebied. Ook het gebied van de kerk werd in diocesen ingedeeld. In de kerk trad nu de bisschop op, om toezicht te houden over alle gemeenten in een diocees (of diocese) oftewel bisdom. Boven de burgerlijke gemeenten stond in de Romeinse staat de provincie, met een stadhouder aan het hoofd. De kerk sloot zich hierbij aan en maakte kerkelijke provincies, aan welker hoofd de bisschop van de hoofdstad der provincie kwam te staan. Verschillende provinciën bij elkaar heetten in een staat een rijksprovincie. Ook op kerkelijk gebied kwamen er rijksprovincies. Sinds de 4e eeuw kwam aan het hoofd van zulk een rijksprovincie op kerkelijk terrein een patriarch te staan. In de 4e eeuw werden 5 patriarchen erkend, namelijk die van Rome, Alexandrië, Antiochië, Constantinopel en Jeruzalem. In de staat werd alle macht samengevat in het rijksconcilie, zo vatte de kerk haar regering samen in de oecumenische concilies.

Kerkvaders. Een brede rij van 'kerkvaders' arbeidde, om de leer van de Kerk uiteen te zetten en haar te verdedigen tegen de dwaalleer, die insloop.

Ook in dit tijdperk waren er drie groepen of scholen van kerkvaders.

  1. De Nieuw-Alexandrijnse school. Vertegenwoordigers dezer school waren o.a. Athanasius, genoemd „de vader der rechtzinnigheid", Basillus, Gregorius Nazianzus en Gregorius van Nyssa.
  2. De school van Antiochië. Vertegenwoordigers van deze school waren o.a. Chrysostomus, de gevierde prediker, bijge­naamd „de gulden mond", die om zijn niemand-sparende prediking verbannen werd en in ballingschap stierf, Theodorus en Theodoretus.
  3. De Westerse school. Vertegenwoordigers van deze school waren o.a. Ambrosius, als stadhouder te Milaan op het geroep van een kind tot bisschop gekozen, Hiëronymus, die de Heilige Schrift vertaalde uit de grondtaal in het Latijn, en Augustinus, de beroemdste van de kerkvaders, die eerst in de dienst van de zonde leefde, maar later tot waarachtige bekering kwam en in 387 door Ambrosius gedoopt werd. Hij heeft veel geschreven en heeft de leer van het heil met grote helderheid uiteengezet. Zijn godvruchtige moeder Monnica had hem in haar gebed gedurig aan God opgedragen.

Dogmatische tijd. Dit tijdperk wordt genoemd 'de dogmatische tijd', want in dit tijdvak ontstonden hevige twisten over de leer, die veel beroeringen in de Kerk veroorzaakten. In de zich steeds uitbreidende rijkskerk kwamen gevaar­lijke dwalingen op, die door de 'kerkvaders' werden bestreden en die aanleiding waren, dat de algemene (oecumenische) concilies gehouden werden, waarop de kerk haar geloof uitsprak. In de kerkelijke beroeringen kwam de waarheid steeds duidelijker aan het licht en kon langzamerhand de leer van de Kerk worden vastgesteld; men denke bijv. aan het zogenaamde Symbolum van Nicea.

Strijd over Jezus' Godheid. De opgekomen dwalingen hadden allereerst betrekking op het wezen van God. De eerste van de kerkelijke twisten was de Ariaanse strijd, zo genoemd naar Arius, ouderling te Alexandrië. Deze leerde dat er een tijd geweest was, dat de Zoon er niet was, want de Zoon was het voornaamste schepsel van de Vader. Volgens Arius is de Zoon van God niet in wezen gelijk met de Vader, maar het eerst geschapen schepsel. Daardoor werd de God­heid van den Zoon geloochend en het drieënig Wezen ont­kend. Eerst trad bisschop Alexander tegen Arius op en de laatste werd veroordeeld te Alexandrië (321), maar het volk en vele bisschoppen gevoelden veel voor Arius' leer.

Toen riep Keizer Constantijn een oecumenisch concilie tezamen te Nicea (325). Een jeugdige diaken Athanasius, de grootste tegenstander van Arius, veroorzaakte, dat ook hier Arius veroordeeld werd. De Zoon was volgens het concilie van Nicea uit het wezen van de Vader geboren, niet ge­maakt, en in wezen aan de Vader gelijk. Na die tijd heeft de leer van Arius nog wel schijnbaar ge­zegepraald en is Athanasius zelfs verbannen, maar de Arianen werden onderling verdeeld. De leer van Nicea heeft de overhand behouden. Keizer Theodorus de Grote riep een tweede oecumenisch concilie bijeen te Constantinopel (381) en daar werd de leer van Arius voor goed veroordeeld en het uitgesprokene op het concilie van Nicea bevestigd. Kortom, op meer dan één Kerkvergadering werd de leer van Arius veroordeeld en de leer van de Godheid van Christus als de leer der Kerk gehandhaafd, evenals Zijn ware mensheid.

Strijd over Jezus' mensheid. Er was niet alleen verschil over de Godheid van Jezus Christus, maar evenzeer over diens waarachtige mensheid. Apollinaris, de bisschop van Laodicea, leerde dat de Heiland geen volledige, dus geen waarachtige menselijke natuur gehad had. Tot een ware menselijke natuur behoort een menselijke geest, maar Apollinaris leerde, dat de menselijke geest in Jezus ontbroken had. De godheid had de plaats daar­ voor ingenomen. Op het reeds genoemde tweede oecumenische concilie te Constantinopel (382) werd de leer van Apollinaris veroordeeld. Hij zelf had zich, voor het concilie gehouden werd, met zijn volgelingen reeds van de kerk afgekeerd.

Strijd over de verhouding van Jezus' twee naturen. Nadat door de kerk de waarachtige godheid en de waarachtige mensheid van Christus waren vastgesteld, kwam de vraag op, hoe men zich de verhouding moest voorstellen tussen de goddelijke en de menselijke natuur.

Nestorius, presbyter te Antiochië, later patriarch te Constantinopel (428-431), scheidde de beide naturen in Christus, de Goddelijke en de menselijke natuur, geheel van elkaar en hief daardoor de eenheid van Christus' persoonlijkheid op. Na eindeloze twisten werd de leer van Nestorius veroordeeld op het derde oecumenische concilie te Efeze (431). De onverzoenlijke Nestorianen vluchtten naar Perzië en verbreidden hun leer daar en in Indië. In Indië werden ze naar een van hun leraars 'Thomas-christenen' genoemd. In Perzië heetten ze 'Chaldeeuwse christenen'. Heden ten dage bestaan de Nestorianen nog.

Eutyches, het hoofd van een klooster te Constantinopel, ver­viel in een ander uiterste. Deze vermengde de naturen van Christus zó, dat er eigenlijk maar één natuur bleef.

Op het vierde oecumenische concilie te Chalcedon (451) werden Nestorius en Eutyches beiden veroordeeld. Als leer van de Kerk werd in 451 de formule van Leo I, bisschop van Rome, aangenomen, welke aldus luidt: „ln Christus zijn twee naturen, onvermengd en onveranderd, ongedeeld en ongescheiden." Het concilie sprak uit, dat de eenheid van de persoon na de menswording bestaat in twee naturen, die onvermengd en onveranderd, maar ook ongedeeld en ongescheiden verenigd zijn.

Daarmede was de strijd nog niet beslecht. In het Oosten kon men zich met de besluiten van het concilie te Chalcedon niet verenigen. Die in Christus maar één natuur wilden erkennen, werden nu monofysieten genoemd. Op het vijfde oecumenische concilie te Constantinopel (553) werden de besluiten van Chalcedon bekrachtigd. De monofysieten begonnen nu in het Oosten eigen kerken te stichten. In Syrië en Mesopotamië ontstond de kerk der Jacobieten. In Armenië werd de monofysitische kerk de heersende.

Strijd over het verband van zonde en genade. Intussen was ook een heftige strijd ontbrand over het verband van zonde en genade, doch deze strijd werd voornamelijk in het Westen gestreden.

Pelagius, een Britse monnik, had zonderlinge opvattingen over zonde en genade. Hij leerde, dat er geen erfzonde was. Ieder mens werd nog geboren, zoals Adam geschapen was. De zonde ontstaat alleen door het kwade voorbeeld en de macht der verleiding. De genade Gods bestaat daarin, dat de Heere de mens helpt bij het bereiken van zijn doel, d.i. de zaligheid. Christus is alleen geboren om door zijn leer en voorbeeld de mensch aan te moedigen op de weg van de deugd. Pelagius loochende de uitverkiezing en al wat met deze leer samenhangt

Pelagius vond een geducht bestrijder in Augustinus, de beroemdste van de 'kerkvaders', wiens opvattingen over de 'predestinatie' (uitverkiezing, voorbeschikking) als de leer der Kerk werd erkend. Augustinus leerde, dat de mens in zonde ontvangen en geboren wordt, onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. God moet uit genade aan de mens de schuld der zonde kwijtschelden en moet hem reinigen van de smet der zonde. Dat doet God om Christus' wil, die voor zijn volk leed en stierf. Die genade bewijst God, niet omdat de mens gelooft, maar opdat hij gelooft. Heel de bedeling van de genade is de vrucht van het eeuwig raads­besluit, volgens hetwelk God sommigen uit het menselijk geslacht tot glorie van Zijn genade wil redden en anderen tot glorie van Zijn rechtvaardigheid in hun val laat liggen.

Pelagius werd op het derde oecumenische concilie te Efeze (431) veroordeeld tegelijk met Nestorius.

Daarna hebben Cassianus en Lerinensis moeite gedaan, om de leer van Augustinus te verzwakken. Volgens hen was de mens door zonde wel verzwakt, maar niet dood. Daarom moet Gods genade slechts helpen (semi-pelagianen). Wel werd dit semi-pelagianisme op de synode te Orange (529) veroordeeld, maar het bleef in de kerk voortleven en het heeft later over het gevoelen van Augustinus de overhand behaald.

Strijd over Origenes. Er werd niet alleen strijd gevoerd over de leer, maar men streed ook over een persoon, nl. over Origenes, die in het Westen om zijn afwijkende standpunten niet in hoge achting stond, maar die in het Oosten vele warme aanhangers had. Origenes, een der leraren van de Alexandrijnse school, had, gedreven door zijn wijsgerige geest, vele dingen geleerd, die door de kerk als onrechtzinnig werden aangemerkt, zoals een tijdloze schepping, het voorbestaan der zielen, de looche­ning van de wederopstanding van het vlees en de herstelling van alle dingen, d.i. de herstelling van alle geesten in de staat vóór de zondeval.

De strijd over Origenes werd in het Oosten gestreden tussen Johannes, bisschop van Jeruzalem, aanhanger van Origenes, en Epiphanius, bisschop van Salamis. In het Westen ontbrandde de strijd tussen Hiëronymus en Rufinus, die beiden in Jeruzalem vertoefd hadden. Rufinus be­schuldigde Hiëronymus van Origenisme, wat deze zich niet wilde laten gezeggen. In Constantinopel werd de strijd gevoerd tussen Theophilus en Chrysostomus. De eerste trachtte het hof tegen Chrysostomus op te zetten. Dat gelukte. Chrysostomus werd verbannen, voor­namelijk omdat hij vrijmoedig de zonden van het hof ontdekt had. Wel werd Chrysostomus teruggeroepen en door het volk met gejuich begroet, maar korte tijd daarna werd hij weer verbannen en hij stierf in ballingschap.

Priscillianisme. Het is zeer opmerkelijk, dat in dit tijdvak ook de oude heidense invloed zich weer liet gelden. In de Priscillianisten, vernoemd naar de Spaanse bisschop Priscillianus (gestorven 385) zien we een wederopleven van de vroegere dwaling der Gnostieken. In 385 werden Priscillianus met de zijnen te Bordeaux op een synode veroordeeld, maar Priscillianus beriep zich op de keizer. Deze droeg het onderzoek op aan de prefect Evodius. Priscillianus werd met zes volgelingen ter dood veroordeeld. Hij was de eerste ketter, die zijn leer met zijn leven moest boeten. De voormannen in de kerk, zoals Ambrosius en Martinus van Tours, waren zeer tegen dit doodvonnis geweest. De Priscillianen bleven nog tot in de 6e eeuw voort­bestaan.[12]

Evangelisatie. Gedurende deze leerstellige twisten werd het Evangelie steeds meer onder de Germaanse volken verbreid.

Verwereldlijking. Op het gebied van de leer hield de kerk zich aan het Woord van God en trachtte alle dwalingen te weren, doch op het gebied van het leven was er geen vooruitgang, maar inzinking. Toen de tijd van de vervolging voorbij was, en de kerk publiek door de staat erkend werd, en zelfs vele voorrechten genoot, werd het leven meer uitwendig en verwereldlijkt. Eensdeels werd dit veroorzaakt, doordat de begeerten van het boze hart zich gemakkelijker konden openbaren en anderdeels om­dat tot de kerk honderden toetraden uit de wereld van de heidenen, die niet door de begeerte naar Christus gedreven werden, maar die de kerk beschouwden als het beste middel, om vooruit te komen in het maatschappelijke leven. [12]

Christelijke barmhartigheid. Het is wel waar, dat hier en daar het echte christelijke leven bloeide, en dat de invloed van de kerk op menig gebied duidelijk merkbaar was. Men hielp armen, verpleegde zieken, verzorgde weduwen en weezen, bekampte de zucht tot woeker en drong aan op barmhartigheid tegenover de slaven. Het hospitaal werd het middenpunt van de christelijke liefde. Vrouwen als Olympias, Paula, Fabiola, Nonna, (moeder van Gregorius Nazianzus), Anthusa (moeder van Chrysostomus), Monnica (moeder van Augustinus), waren door hun godsvrucht een levende prediking van wat de genade Gods vermag, maar overigens was de invloed van de wereld in de kerk zeer groot. [12]

Tucht. Het is dan ook geen wonder, dat in de kerk de tucht gaande­ weg slapper werd. De openbare tucht, die in het midden van de gemeente geoefend werd, maakte langzamerhand plaats voor een verborgen tucht, die de priester uitoefende. [12]

Donatisme. Het was geen vreemd verschijnsel, dat in de Noord-Afrikaanse kerk een beweging ontstond, om de kerkelijke tucht strenger te handhaven en aldus de kerk te beveiligen tegen de invloeden van de wereld. Deze beweging werd op touw gezet door Donatus. Zijn volgelingen heetten Donatisten. Dotanus met zijn volgelingen wilden, dat de tucht streng geoefend zou worden. Dat was nodig met het oog op de wereldsgezindheid in de kerk. Ongetwijfeld was in deze be­weging iets goeds. De Donatisten wilden waken voor de „heiligheid" van de kerk, maar nu vervielen zij in een ander uiterste en eisten, dat de kerk uit „louter heiligen" zou bestaan. Augustinus vond het nodig tegen hen op te treden. Eerst wilde hij ze door overreding winnen. In 411 werd een twist­gesprek met hen gehouden te Carthago. Dat gesprek duurde drie dagen. De Donatisten waren volgens de keizerlijken commissaris Marcellinus, die het twistgesprek bijwoonde, over­wonnen. Toen zij zich nog niet gewonnen gaven, werd hun leven bemoeilijkt, burgerrechten werden hun ontnomen en ze mochten zelfs niet meer vergaderen. [12] Zie Donatisme.

Clerus. De clerus (kerkelijke ambtsdragers) verkreeg in de kerk hoe langer hoe groter invloed, en men zocht, door de clerus te verheffen, de afstand steeds groter te maken tussen ambtsdragers en leken. In de eerste tijd werden de functionarissen door de bisschop gewijd en deze wijding geschiedde door handoplegging. In het onderhavige tijdvak kwam de zalving met olie erbij, en die zalving kreeg een onvernietigbaar karakter: wie eenmaal tot priester was gezalfd, was voor altijd priester; eens priester, altoos priester.

Men ging de geestelijken ook door een tonsuur (= geschoren kruin, teken van ootmoed) onderscheiden.

Zelfs gingen er al stemmen op, dat de clerici ongehuwd moesten blijven, maar op het concilie van Nicea (325) was een asceet met name Paphnutius voor het huwelijk, dat eerlijk is onder allen, opgekomen. In 385 eiste echter Siricius, bisschop van Rome, reeds het celibaat. Dat was echter toen nog niet algemeen.

Monnikenstand. Tussen de clerus ('geestelijkheid') en de leken ontstond nu een derde stand, nl. die der monniken, welke stand berustte op de grove dwaling van de tweevoudige zedelijkheid (dubbele moraal); zie Monnik.

Hiërarchie. Toen de clerus in de kerk zich eenmaal boven de leken verheven had en de waarheid van het algemeen priesterschap onder een korenmaat verborgen was, kwam de hiërarchie op, d.w.z. de zucht om over anderen te heersen in plaats van te dienen, en onder degenen die heersten werd gestreden om de hoogste plaats. De patriarchen waren de clerici die boven alle anderen stonden. Er waren er vijf, waaronder de patriarchen van Constantinopel, Alexandrië en Rome. Die van Constantinopel en Rome kwamen tegenover elkaar te staan. Rome nam langzamerhand de kerkelijke leiding nam en de weg werd gebaand tot de pauselijke stoel. Voorname bisschoppen van Rome in dit tijdvak waren o.a. Leo de Grote (440—461) en Gregorius I de Grote (590-615).

Samenkomst en kerkgebouwen. De eredienst werd in deze tijd met grote luister geoefend. De dagen der verdrukking waren voorbij en de voor­spoed van de kerk was niet bevorderlijk aan haar geestelijk welzijn.

Men kon al aanstonds, nadat de kerk door de staat be­schermd en bevoordeeld werd, zien, dat de vroegere eenvoud week. De gewone vergaderplaatsen werden verwisseld door prachtige kerkgebouwen. In deze gebouwen zag men een af­spiegeling van het kerkelijk leven. De troon van de bisschop stond in het midden en daaromheen stonden de tronen van de presbyters. In het schip van de kerk mochten de leken zitten.

De vroegere avondmaalstafel werd nu vervangen door een altaar, met zilver of goud overtrokken.

Naast het kerkgebouw had men velerlei nevengebouwen, waaronder voornamelijk de baptistaria of doophuizen genoemd moeten worden. Daar werden de volwassenen gedoopt.

De prediking, die eerst bestond in het lezen en een­voudig verklaren van de Heilige Schrift, nam vooral in het Oosten soms de vorm aan van een redevoering. De prediking was aan de bisschop opgedragen, en deze hield dan ook predicaties van zijn troon. In het Westen duurde de predicatie niet lang. Ze bestond daar in korte toe­spraken, maar in het Oosten kreeg de prediking het karakter van een redevoering, die door de verzamelde menigte zelfs met handgeklap werd toegejuicht. In het Westen waren ge­liefde predikers Ambrosius, Augustinus en Leo de Grote, en in het Oosten Basilius de Grote, Gregorius Nazianzus en vooral de welsprekende Chrysostomus.

De inrichting van de openbaren godsdienst (liturgie) werd na Constantijns optreden niet meer plaatselijk geregeld, maar zij geschiedde naar aangenomen regels (liturgieën). Men had verschillende van deze liturgieën. In het Oosten de Jeruzalemse, de Alexandrijnse en vooral de Byzantijnse. In het Westen bestonden de Gallische, de Milaanse en de Roomse. Vele dezer liturgieën werden aan de apostelen toe­geschreven, maar ze waren van veel latere oorsprong. Uit deze liturgieën blijkt, dat de gemeente aan de dienst een werkzaam aandeel had. Vooral in de Gallische komt dit uit.

Priester: de Heere zij met u; 
Gemeente: en met uwe geest. 
Priester: verheft uw harten tot God! 
Gemeente: wij verheffen ze tot de Heere. 
Priester: laat ons danken! 
Gemeente: dat is passend en recht. 

Het voornaamste in de dienst werd langzamerhand het avondmaal.

325. Eerste oecumenische concilie (bisschoppenvergadering), te Nicea.
330-379 Basilius. Hij sticht kloosters in Klein-Azië.
336. Athanasius verbannen. Arius gestorven.
337-352. Julius I, bisschop van Rome.
344. Synode te Sardica.
350-361. Constantius alleenheerser.
354-430. Augustinus.
± Keizer Constantius II wil de leer van Arius doorvoeren.
361-363. Julianus de Afvallige ('Julianus Apostata'). Hij wil de heidense godsdienst weer invoeren.
362. Synode te Alexandrië onder Athanasius.
366-384. Damasus I, bisschop van Rome.
368. Hilarius Pictaviensis gestorven.
373. Athanasius gestorven.
375-568. Grote volksverhuizing. Sommige volkeren dringen het verzwakte Romeinse rijk binnen.[13]
379. Basilius de Grote gestorven.
379-385. Theodosius de Grote, keizer.
380. Synode te Saragossa.
381. Tweede oecumenische concilie, te Constantinopel. De geloofsbelijdenis van Constantinopel. 
384-398. Siricius, bisschop van Rome.
385. Priscillianus te Trier onthoofd.
390. Gregorius Nazianzus gestorven.
397. Ambrosius gestorven.
399. Rufinus te Rome als Origenist veroordeeld.
400. Martinus van Tours gestorven.
402-417. Innocentius I, bisschop van Rome.
407. Chrysostomus gestorven.
408-450. Theodosius II in het Oosten.
411. Collatio cum Donatistis te Carthago.
412. Synode te Carthago tegen Coelestinus.
415. Synode te jeruzalem en Diospolis tegen Pelagius.
416. Synode te Carthago tegen Pelagius.
420. Hieronymus gestorven.
422-432. Coelestinus I, bisschop van Rome.
428. Nestorius, patriarch te Constantinopel.
429. Theodorus van Mopsuestia gestorven. De Vandalen in Noord-Afrika.
430. Augustinus gestorven.
431. Derde oecumenische concilie te Efeze.
432. Patricius in Ierland.
440-461. Leo I, de Grote, bisschop van Rome.
444. Cyrillus van Alexandrië gestorven.
448. Eutyches te Constantinopel geëxcommuniceerd.
449. Roversynode te Efeze.
451. Vierde oecumenische concilie te Chalcedon.
457. Theodoretus gestorven.
482. Henotikon van Zeno.
484-519. 35-jarig schisma tussen het Oosten en het Westen.
490. Langobarden vestigen zich in Neder-Oostenrijk. Hier nemen velen onder hen het Ariaanse christendom over. 
496. Clovis gedoopt.
527-565. Justianus I, keizer.
529. Benedictus van Nursia geeft zijn regelen. De geleerdenschool te Athene opgeheven.
544. Veroordeeling der drie kapittels.
550. Omstreeks deze tijd vestigen de Germaanse Langobarden zich tussen de Donau en de Tisza in Hongarije en stichten er een eerste rijk.
553. Vijfde oecumenische concilie te Constantinopel.
563. Concilie te Braga. Columba onder de Picten en Scoten.
567. De Langobardenkoning Alboïn vernietigt het rijk van de Gepiden.
568. De Langobarden vallen Italië binnen en bezetten een groot deel van het land, waar ze een staat stichten.[14] 
572. De Langobarden veroveren de Noorditaliaanse stad Pavia en maken ze tot hoofdstad van hun nieuw rijk. — Gregorius (30 jaar) wordt burgemeester van Rome. 
577. De paus vraagt Gregorius een van zijn zeven diakens van Rome te worden.
579-590. Paus Pelagius II. 
585-589. Wapenstilstand tussen de Langobarden en de Byzantijnen. 
589. Concilie van Toledo onder Rekkared. Tijdens deze bisschoppenconferentie gaan verscheidene ariaanse bisschoppen tot het katholicisme over. — De river de Tiber treedt aan het eind van dit jaar uit zijn oevers en overstroomt grote gebieden. In Rome breekt een pestepidemie uit. 
590. Paus Pelagius II overlijdt aan de pest.
590-604. Gregorius I, de Grote, bisschop te Rome.

Bronnen

  • J.H. Landwehr, Handboek der Kerkgeschiedenis. Vier delen. Kampen: J.H. Kok, 1922, 2e druk. Hieruit is tekst onder wijziging verwerkt.
  • J. H. Landwehr, Kort overzicht van de kerkgeschiedenis. Kampen: J.H. Kok, 3e herz. druk 1922. Hieruit is tekst onder wijziging verwerkt.
  • J. W. van Loon, Beknopt chronologisch overzigt der Kerkgeschiedenis. Amsterdam, 1863. Google e-book. Hieruit is tekst onder wijziging verwerkt.
  • H.A. van der Mast, Beelden en schetsen uit de kerkgeschiedenis. Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1924. Hieruit is tekst onder wijziging verwerkt.
  • H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 47-57. Tekst hiervan, onder andere betreffende de jaren 313, 316 en 323, is onder wijziging verwerkt.
  • H.P. Hoffmann, D.A.M. Timmermann, J.B. Uytterhoeven, De jonge Kerk. De geschiedenis van het christendom, voor jonge mensen verhaald en getekend. Beveren: Orbis Boekhandel, Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982. Hieraan zijn enkele tijdaanduidingen en gebeurtenissen ontleend.
  • H.P. Hoffmann, D.A.M. Timmermann, J.B. Uytterhoeven, De tijd van de volksverhuizingen. De geschiedenis van het christendom, voor jonge mensen verhaald en getekend. Beveren: Orbis Boekhandel, Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982. Hieraan zijn enkele tijdaanduidingen en gebeurtenissen ontleend.

Voetnoten

  1. Naar J.H. Landwehr, Kerkgeschiedenis, artikel in: Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk. Kampen: Kok, 1925-1931.
  2. H.A. van der Mast, Beelden en schetsen uit de kerkgeschiedenis (Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1924) laat dit tijdvak eindigen in 594.
  3. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 51-52.
  4. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 50.
  5. 5,0 5,1 5,2 Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 52.
  6. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 52-53.
  7. Aangehaald in: H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 53.
  8. H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 53.
  9. System der Ethik (1889), blz. 78. Aangehaald in H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 53. Citaat is qua spelling gemoderniseerd op Christipedia.
  10. H.M.H. Bartels, Geschiedenis der Katholieke Kerk (Venloo: G. Mosmans senior, 1926) blz. 58.
  11. H.A. van der Mast, Beelden en schetsen uit de kerkgeschiedenis (Amsterdam: H.A. van Bottenburg, 1924), blz. 580.
  12. 12,0 12,1 12,2 12,3 12,4 J. H. Landwehr, Kort overzicht van de kerkgeschiedenis. Kampen: J.H. Kok, 3e herz. druk 1922. Hieruit is tekst onder wijziging verwerkt.
  13. H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 4: De tijd van de volksverhuizingen, hoofdstuk 1.
  14. H.P. Hoffmann, G.A.N. Andries, D.A.M. Timmermans, J.B. Uytterhoeven, De geschiedenis van het christendom voor jonge mensen verhaald en getekend (Orbis en Orion Uitgevers N.V., 1982), deel 4: De tijd van de volksverhuizingen, hoofdstuk 2.