Ezechiël 33

Uit Christipedia

Ezechiël 33 is een hoofdstuk van Ezechiël, een geschrift in de Bijbel, en telt 33 verzen.

Hoofdstukken van Ezechiël samengevat en/of becommentarieerd: · 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 29 · 30 · 31 · 32 · 33 · 38
Verzen van Ezechiël 33 becommentarieerd: · 21

Samenvatting

De wachter waarschuwe, en wie zijn leven liefheeft luistere naar hem! 1-9 Ezechiël moet aan zijn volk verkondigen: wanneer een wachter gewaarschuwd heeft dat de vijand nadert, is het eigen schuld van de gewaarschuwde, indien hij zich niet redt; maar verzuimt de wachter het, dan komt het bloed van de niet gewaarschuwde op zijn hoofd; zo is de profeet als verantwoordelijk wachter over Israël gesteld en moet hij aan zijn volk Gods woord overbrengen. 10-11 Wordt het volk wanhopig bij de gedachte aan zijn zonden, dan moet Ezechiël prediken dat Jahwe niet graag de dood van de goddeloze ziet, maar zijn bekering wenst. 12-16 Het verleden van de rechtvaardige en dat van de goddeloze worden niet herdacht: God richt hen naar de weg die zij ten slotte bewandelen. 17-20 Vindt men dit niet recht, het gedrag van die bedillers zelf is niet recht; Gods regel is: de afval wordt gestraft, de bekering beloond. 21-22 Op de avond voordat het bericht van Jeruzalems val aan Ezechiël wordt gebracht, heeft Jahweh hem de mond geopend en zweeg hij niet langer. 23-29 Aan de bewoners van het ontredderde land Israël, die vertrouwen dat hun het land zal gegeven worden, moet hij zeggen dat zulke goddeloze lieden het niet zullen verkrijgen; integendeel, zij zullen te gronde gaan. 30-33 Ezechiëls volksgenoten gaan naar de profeet luisteren, maar doen niet wat hij zegt: hij is in hun schatting slechts een minnezanger; wanneer het onheil komt, zullen zij zien dat een profeet in hun midden geweest is.

21

Ezechiël 33:21 En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende [maand], op den vijfden der maand, [dat] [er] een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. (SV)

In het twaalfde jaar. D.i. het 12e jaar na de wegvoering van Ezechiël met koning Jojachin in 597 v.C.: het jaar 585/584 v.Chr.

== In de tiende maand. D.i. december 586 of januari 585 v.Chr., ongeveer 5 maanden na de val van Jeruzalem[1].

650 — 600 v.C. < Israël 600 — 550 v.C.[2] > 550 — 500 v.C.
BelsazarKoresEvilmerodachHofraEzechiël (Bijbelboek)ZedekiaJojachinRechabietenNebukadnezarJojakimNechoDaniël (profeet)Jeremia (profeet)
27 ==
Ezechiël 33:27  Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: [Zo] [waarachtig] [als] Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en [zo] Ik [niet] dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven! (SV)

Zwaard ... wild gedierte ... pestilentie. Drie strafgerichten die God gewoonlijk uitvoert. Een vierde is hongersnood.

Bron

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van Ezechiël 33 is onder wijziging verwerkt op 8 april 2024.

Voetnoten

  1. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  2. De jaartallen zijn merendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).