Ezechiël 7

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Ezechiel 7)

Ezechiël 7 is een hoofdstuk van Ezechiël, een geschrift in de Bijbel, en telt 27 verzen.

Hoofdstukken van Ezechiël samengevat en/of becommentarieerd: · 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 29 · 30 · 31 · 32 · 33 · 34 · 38
Verzen van Ezechiël 7 becommentarieerd: · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 14 · 15 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 27

Samenvatting

1- Onheilsprofetie over het land Israël, waarover het einde is gekomen, om de gruwelen van zijn inwoners.

2

2 Verder, gij mensenkind, zo zegt de Heere HEERE, van het land Israëls: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken des lands. (SV) 

Het einde is er. Zie vs. 3, 6.

3

3 Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen. (SV) 

Nu is het einde over u. Vs. 2, 6.

Ik zal Mijn toorn tegen u zenden. Vs. 8, 12, 14.

En Ik zal u richten naar uw wegen. Vs. 8, 9.

Ik zal op u brengen al uw gruwelen. Vs. 8, 9. Vs. 4: "Ik zal uw wegen op u brengen".

4

4 En Mijn oog zal u niet verschonen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en ulieden zult weten dat Ik Jahweh ben. (CP[1]) 

Mijn oog zal u niet verschonen. Vs. 9.

Ik zal niet sparen. Vs. 9.

Ik zal uw wegen op u brengen. Vs. 3: 'Ik zal op u brengen al uw gruwelen".

Uw gruwelen. Zie vs. 3, 8, 9.

En ulieden zult weten dat Ik Jahweh ben. Vs. 9.

Eze 6:7  En de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat gij weet, dat Ik de HEERE ben. (SV)

5

5 Zo zegt de Heere HEERE: Een kwaad, een enig kwaad, ziet, is gekomen; (SV)

Een kwaad, een enig kwaad, is gekomen. Zie vs. 6

6

6 Een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, het is opgewaakt tegen u; ziet, het is gekomen! (CP[1]) 

Een einde is er gekomen. Vs. 2, 3.

7

7 De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner des lands, de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en er is geen vreugdekreet der bergen. (CP[1]) 

De morgenstond is tot u gekomen. Die van "de dag der beroerte". Vs. 10.

De tijd is gekomen. Vs. 12.

De dag der beroerte is nabij. Vs. 12.

8

8 Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen. (SV) 

Mijn toorn tegen u volbrengen. "Ik zal mijn toorn tegen u zenden" (3). Vs. 12, 14.

En u richten naar uw wegen. Vs. 3.

En zal op u brengen al uw gruwelen. Vs. 3.

9

9 En Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en ulieden zult weten dat Ik Jahweh ben, Die slaat. (CP[1]) 

Mijn oog zal u niet verschonen. Vs. 4.

Ik zal niet sparen. Vs. 4.

Ik zal u geven naar uw wegen. Vs. 4

Uw gruwelen zullen in het midden van u zijn. Vs. 3, 4, 8.

Ulieden zult weten dat Ik Jahweh ben. Vs. 4.

10

10 Ziet, de dag, ziet, is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend. (CP[1]) 

De dag ... is gekomen. Vs. 7: "de dag der beroerte".

De morgenstond is voortgekomen. Vs. 7.

De roede. Of 'stam' (meestal) , 'staf', 'scepter'. Zie vs. 11.

11

11 Het geweld is opgerezen tot een roede der goddeloosheid; niets van hen zal [overblijven], noch van hun menigte, noch van hun gedruis, en geen klage zal over hen zijn. (SV) 

Een roede. Zie vs. 10.

12

12 De tijd is gekomen, de dag is genaderd; de koper zij niet blijde, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over zijn gehele menigte. (CP[1]) 

De tijd is gekomen. Vs. 7.

De dag is genaderd. Vs. 7.

Een brandende toorn. Vs. 14, 3, 8.

14

14 Zij hebben met de trompet getrompet, en hebben alles bereid, maar niemand trekt ten strijde; want Mijn brandende toorn is over de gehele menigte van het [land]. (SV) 

Mijn brandende toorn. Vs. 12, 3, 8.

15

15 Het zwaard is buiten, en de pest, en de honger van binnen; die op het veld is, zal door het zwaard sterven, en die in de stad is, dien zal de honger en de pest verteren. (SV) 

Zwaard ... pest ... honger.

Eze 5:12  Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. (...) Eze 5:17  Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen beroven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan; en het zwaard zal Ik over u brengen; Ik, de HEERE, heb [het] gesproken! (SV)

Eze 6:11  Zo zegt de Heere HEERE: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen der boosheden van het huis Israëls; want zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie vallen. Eze 6:12  Die verre af is, zal door de pest sterven, en die nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is, zal door honger sterven; alzo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbrengen. (SV)

Eze 12:16  Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. (SV)

Eze 14:21  Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien! (SV)

Het zwaard is buiten. Buiten de stad.

De honger van binnen. Binnen in de stad.

17

17 Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen gaan [als] water. (CP[1]) 

Alle handen zullen slap worden. Zie vs. 27; 21:7, "alle handen zullen verslappen".

Gaan [als] water. Statenvertaling: "henenvlieten [als] water". Onbestendig, knikkend, gelijk stromend water, dat golft en zich een weg slingert. Vgl. vs. 27: bevende handen.

Anderen denken aan water dat langs de knieën loopt. Herziene Statenvertaling: "water loopt [langs] alle knieën". NBG51-vertaling: "alle knieën van water druipen". Deze vertaling doet vreemder aan. Waar komt het water vandaan? Welk verband is er in deze vertaling met knieën?

18

18 Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid. (SV) 

Ook zullen zakken aangorden. Als uiting van rouw; zakken als treurgewaad dragend.

Kaalheid. Men zal zich kaal scheren ten teken van rouw.

19

19 Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten dage der verbolgenheid des HEEREN; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot van hun ongerechtigheid zijn. (SV) 

Hun goud zal tot onreinigheid zijn. Ze houden het voor iets vuils. Dit gaat verder dan iets voor waardeloos houden.

Flp 3:8  Jazeker, ik acht ook alles schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, om Wie ik de schade van alles heb geleden en het als vuilnis acht, opdat ik Christus mag winnen (Telos)

De aanstoot van hun ongerechtigheid. Hetgeen hen doet vallen tot ongerechtigheid. Hun zilver en goud is hun een aanleiding tot zonde.

20

20 En Hij heeft de schoonheid van zijn sieraden tot heerlijkheid gesteld; maar zij hebben daarin beelden van hun gruwelen [en] van hun verfoeiselen gemaakt; daarom heb Ik dat hun tot onreinheid gesteld. (CP[1]) 

Goud en zilver, door God gemaakt, zijn Zijn sieraden die tot heerlijkheid aangewend kunnen worden. Men zie hun gebruik in de tabernakel. Maar de afgodendienaars hebben er afgodsbeelden van gemaakt. Daarom heeft God goud en zilver hun tot vuilnis gemaakt.

21

21 En Ik zal het in de hand der vreemden overgeven ten roof, en aan de goddelozen der aarde ten buit, en zij zullen het ontheiligen. (CP[1]) 

Ik zal het. Het zilver en goud, de zilveren en gouden afgodsbeelden.

Zullen het ontheiligen. De zilveren en gouden beelden hadden hun waarde al verloren, ze worden ook nog eens door vreemden en goddelozen ontwijd.

22

22 Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen. (SV) 

Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden. Hen niet gadeslaan, maar mijn aangezicht van hen afwenden, hen toelatend uit de tempel goud en zilver te roven.

Mijn verborgen plaats. Het tempelhuis of het Allerheiligste, waarin niemand mocht komen, uitgezonderd de hogepriester eenmaal in het jaar.

23

23 Maak een keten; want het land is vol van bloedgerichten, en de stad is vol van geweld. (SV) 

Maak een keten. Ter aankondiging van de aanstaande gevangenneming en wegvoering in ketenen, door de Chaldeeën.

Bloedgerichten. Veroordelingen tot een (bloedige) dood; bloedige wraakoefeningen. Sommige vertalingen hebben 'bloedschulden', doch de Hebreeuwse tekst bevat de woorden 'oordelen' (mispat) en 'bloeden' (damim).

24

24 Daarom zal Ik de kwaadste der heidenen doen komen, die hun huizen erfelijk bezitten zullen, en zal den hoogmoed der sterken doen ophouden, en die hen heiligen, zullen ontheiligd worden. (SV) 

De kwaadste der heidenen. De Chaldeeën of de kwaadsten onder hen.

Die hen heiligen. De priesters, die hen heiligen. Of: "hun heilige plaatsen".

27

27 De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk van het land zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechten zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben. (SV) 

De handen van het volk van het land zullen beroerd zijn. Ze zullen beven.

Met hun rechten zal Ik ze richten. Naar hun eigen oordelen zullen ze veroordeeld worden. Hun rechten zullen op henzelf worden toegepast.

Mt 12:37  Want op grond van uw woorden zult u gerechtvaardigd en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden. (Telos)

Lu 19:22  Hij zei tot hem: Uit je eigen mond zal ik je oordelen, boze slaaf. Je wist dat ik een streng mens ben, die wegneem wat ik niet neergelegd en maai wat ik niet gezaaid heb. (Telos)

Mt 12:36  Ik zeg u echter, dat van elk zinloos woord dat de mensen zullen spreken, zij rekenschap zullen geven in de dag van het oordeel. Mt 12:37  Want op grond van uw woorden zult u gerechtvaardigd en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden. (Telos)

Job 15:6  Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u. (SV)

2Sa 1:16  En David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb den gezalfde des HEEREN gedood. (SV)

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 1,8 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.