Ezra (boek)/Hoofdstuk 4

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Ezra (boek):


Hoofdstuk 4 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Ezr. 4:2

Ezr 4:2 Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken. (SV)

Wij zullen uw God zoeken. Interreligie. Zij dienden God en andere goden, 2 Kon. 17:24v.

Esar-Haddon. Was 681-669 v.C. koning van het Assyrische rijk. Hij was de opvolger van Sanherib en werd opgevolgd door Assurbanipal.

Ezr. 4:5

Ezr 4:5 En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzie, tot aan het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie. (SV)

Tot aan … Darius. Darius I de Grote, koning van Perzië 522-486  v. Chr. Organisator van het perzische rijk. Een van de allergrootste heersers uit de Oudheid. De periode van moeilijkheden duurde van 537-522 v.C.

Ezr. 4:6

Ezr 4:6  En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. (SV)

Ahasveros. Koning van Perzië 485-465 v. Chr. Zoon en opvolger van Darius I. Zijn moeder was Atossa, de dochter van Kores.

Ezr. 4:7

Ezr 4:7 En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeel, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzie; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd. (SV)

Arthasasta. Een ander schrijven richtten de tegenstanders aan Arthachsasta (= Artaxerxes I). Zoon en opvolger van Ahasveros of Xerxes. Regeerde 465-424 v.C.

Syrisch. D.w.z. Aramees, de officiële taal in het rijk. Het volgende gedeelte Ezr 4:8-6:18 is in het Aramees gesteld.

Ezr. 4:14

Ezr 4:14 Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en [dit] den koning bekend gemaakt; (SV)

Salaris uit het paleis trekken. Lett. ‘zout van het paleis eten’, di. in dienst van de koning staan (vgl. salaris, van sal (= zout)).

Ezr. 4:24

Ezr 4:24 Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem [woont], ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie. (SV)

Van het huis Gods. In dit vers keert de schrijver weer terug tot zijn geschiedverhaal dat hij in Ezr 4.5 had afgebroken. Na de eerste steenlegging van de nieuwe tempel kwam het werk al spoedig stil te liggen (536 v. Chr.). In het tweede jaar van Darius, 520 v. Chr., komt daarin verandering.