Openbaring 2

Uit Christipedia

Openbaring 2 van de Openbaring van Johannes wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd. De volgende hoofdstukken zijn samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Openbaring van Johannes: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22.

Samenvatting

Dit hoofdstuk bevat korte brieven, door de Heer Jezus gedicteerde en door Johannes opgeschreven boodschappen aan drie christelijke gemeenten: 1-7 Boodschap voor de gemeente te Efeze. 8-11 Boodschap voor gemeente te Smyrna. 12-17 Boodschap voor gemeente te Pergamus. 18-29. Boodschap voor gemeente te Thyatira.

Ligging van de zeven gemeenten

De ligging van de zeven gemeenten die in de hoofdstukken 2 en 3 worden aangeschreven, wordt op de onderstaande kaart aangegeven.
Ligging van de zeven christelijke gemeenten.

Boodschap voor Efeze (1-7)

1

Opb 2:1 Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt Hij die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt, die in het midden van de zeven gouden kandelaars wandelt: (Telos)

Zeven sterren. Dat zijn de engelen (boden, boodschappers) van de zeven gemeenten, zie 1:20.

Zeven gouden kandelaren. Dat zijn de zeven gemeenten, 1:20.

2

Opb 2:2 Ik weet uw werken en uw arbeid en uw volharding en dat u de bozen niet kunt verdragen; en u hebt op de proef gesteld hen die zeggen dat zij apostelen zijn en het niet zijn, en hebt hen leugenaars bevonden; (Telos)

Opvallend is het gebruikte enkelvoud: "Ik weet uw (enkelvoud) werken en uw (enkelvoud) arbeid en uw (enkelvoud) volharding en dat u (enkelvoud) de bozen niet kunt verdragen; en u hebt op de proef gesteld hen die zeggen dat zij apostelen zijn en het niet zijn, en hebt (enkelvoud) hen leugenaars bevonden;"

3

Opb 2:3 en u hebt volharding en hebt verdragen terwille van mijn naam en u bent niet moe geworden. (Telos)

Ook hier weer het enkelvoud: "en u (enkelvoud) hebt volharding en hebt verdragen terwille van mijn naam en u bent niet moe geworden".

Volharding. Zie vs. 2.

Verdragen. De bozen echter konden zij niet verdragen.

Niet moe. Niet mentaal moe.

4

Opb 2:4 Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten. (Telos)

Ook hier weer de enkelvoudsvorm: "Maar Ik heb tegen u (enkelvoud), dat u (enkelvoud) uw (enkelvoud) eerste liefde hebt verlaten".

5

Opb 2:5 Bedenk dan waarvan u afgevallen bent en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, Ik kom tot u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert. (Telos)

Ook hier weer het enkelvoud: "Bedenk dan waarvan u (enkelvoud) afgevallen bent en bekeer u (enkelvoud) en doe de eerste werken. Maar zo niet, Ik kom tot u (enkelvoud) en zal uw (enkelvoud) kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u (enkelvoud) zich niet bekeert."

Bedenken → bekering → arbeid.

Kandelaar wegnemen. De gemeente verspreidt geen licht meer, en/of houdt op te bestaan. Vgl. de gelijkenis van de boze pachters: de wijngaard werd van hen weggenomen.

6

Opb 2:6 Maar dit hebt u, dat u de werken van de Nicolaïeten haat, die ook Ik haat. (Telos)

Ook hier weer het enkelvoud: "Maar dit hebt u (enkelvoud), dat u (enkelvoud) de werken van de Nicolaïeten haat, die ook Ik haat."

Nicolaïeten. Deze aten afgodenoffers en pleegden ontucht, zie Nicolaïeten.

7

Opb 2:7 Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is. (Telos)

De Geest. De woorden van de Heer Jezus waren woorden van de Geest. De profeten en leraars in een gemeente kunnen, door de Geest geleid, de geschreven worden overbrengen, verklaren en toepassen op de hoorders.

Tot de gemeenten. De boodschap voor de gemeente te Efeze bevat ook lessen voor de andere gemeenten.

Die zal ik te eten geven. Tegenover de afgodische offers, waartoe de Nicolaïeten verleidden, stelt de Heer Jezus het voedsel dat hij zal verstrekken, voedsel dat tot eeuwig leven strekt.

Boodschap aan Smyrna (8-11)

8

Opb 2:8 En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weer levend geworden: (Telos)

De Heer grijpt terug op zijn woorden aan Johannes gesproken, 1:18.

Opb 1:17  En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste, Opb 1:18  en de levende; en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades. (Telos)

Die dood geweest is en weer levend geworden. Zie vs. 10: 'dood ... leven'.

9

Opb 2:9 Ik weet uw verdrukking en uw armoede — maar u bent rijk —, en de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan. (Telos)

Enkelvoudvorm: "Ik weet uw (enkelvoud) verdrukking en uw armoede-maar u bent rijk-,en de laster van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar een synagoge van de satan."

Uw armoede — maar u bent rijk. Rijk in Christus, rijk door de schatten die voor hen in de hemel zijn weggelegd. Een tegenstelling met deze gemeente vormt die van Laodicea. De gelovigen in Laodicea waren in eigen ogen 'rijk', maar in Christus' ogen arm.

Opb 3:17  Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent, Opb 3:18  raad Ik u aan goud van Mij te kopen, gelouterd door vuur, opdat u rijk wordt; en witte kleren, opdat u bekleed wordt en de schande van uw naaktheid niet openbaar wordt; en ogenzalf om uw ogen te zalven, opdat u kunt kijken. (Telos)

Joden. 'Jood' betekent letterlijk 'Godlover'. De ware dienaars en lovers waren die Joden te Smyrna niet.

Ro 9:6  Maar het is niet zo, dat het woord van God vervallen zou zijn. Want niet allen zijn Israel die uit Israel zijn; (Telos)

Ga 6:16  En allen die naar deze regel zullen wandelen, vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israel van God. (Telos)

Synagoge van de satan. De satan had er bij die Joden grote invloed. Hij zette de Joden tegen de gelovigen op.

10

Opb 2:10 Vrees niets van wat u zult lijden. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u op de proef gesteld wordt, en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven. (Telos)

Enkelvoud- en meervoudsvorm: "Vrees niets van wat u (enkelvoud) zult lijden. Zie, de duivel zal sommigen van u (meervoud) in de gevangenis werpen, opdat u (meervoud) op de proef gesteld wordt, en u (meervoud) zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot de dood, en Ik zal u (enkelvoud) de kroon van het leven geven."

Vrees niets. Zie ook vs. 17: “Vrees niet, ik ben de Eerste en de Laatste.”

Duivel. Hij gebruikt mensen als zijn werktuigen om gelovigen gevangen te zetten.

Tien dagen. Dit moet letterlijk gebeurd zijn.

Trouw tot de dood. De Heer Zelf is de trouwe getuige (1:15) die trouw geweest is tot de dood, zie 1:18

Opb 1:17  En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste, Opb 1:18  en de levende; en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades. (Telos)

Kroon van het leven geven. Dood versus leven, zie ook vs. 8. De Heer is dood geweest en weer levend geworden. Hij is de levensvorst, die de kroon van het leven schenkt.

11

Opb 2:11 Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, zal geenszins van de tweede dood schade lijden. (Telos)

Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, ... Vgl. 2:7.

Zal geenszins van de tweede dood schade lijden. De Heer sluit aan bij zijn eerste woorden aan deze gemeente (8). Wie trouw is tot de dood (10), zal van de tweede dood geen schade lijden. Deze tweede dood is de toestand van de ziel in de hel, gescheiden van de Levensbron.

Nabeschouwing Smyrna (8-11)

De gemeente te Smyrna leed door de verdrukking, haar door de wereld, inzonderheid door de Joden, aangedaan. Sommige geloven zullen als martelaar gestorven zijn.

Boodschap aan Pergamus (12-17)

12

Opb 2:12  En schrijf aan de engel van de gemeente in Pergamus: Dit zegt Hij die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft: (Telos)

Hij die het scherpe, tweesnijdende zwaard heeft. De Heer grijpt terug op zijn verschijning, 1:16.

Opb 1:16  En Hij had in zijn rechterhand zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard, en zijn gezicht was zoals de zon schijnt in haar kracht. (Telos)

Met dat zwaard kan de Heer oorlog voeren, ook tegen ongehoorzame en boze mensen die zich in de gemeente bevinden (vs. 16).

13

Opb 2:13 Ik weet waar u woont, daar waar de troon van de satan is; en u houdt vast aan mijn naam en het geloof in Mij hebt u niet verloochend, zelfs niet in de dagen waarin Antipas mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij u waar de satan woont. (Telos)

Enkelvoud en meervoud: "Ik weet waar u (enkelvoud) woont, daar waar de troon van de satan is; en u (enkelvoud) houdt vast aan mijn naam en het geloof in Mij hebt u niet verloochend, zelfs niet in de dagen waarin Antipas mijn trouwe getuige was, die gedood werd bij u (meervoud) waar de satan woont."

Antipas. Stierf de marteldood, zie Antipas.

Troon van de satan. Vgl. synagoge van de satan in Smyrna (9). Pergamus was een plaats waar de satan, de aanklager, zich gevestigd had[1]; zie bij Pergamus.

14

Opb 2:14 Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren. (Telos)

Enkelvoud: "Maar Ik heb enkele dingen tegen u (enkelvoud): dat u (enkelvoud) daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israel een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren."

De leer van Bileam. 'De leer van Bileam' is een benaming, door de Heer Jezus gekozen, voor de leer van de Nicolaïeten (vs. 15).

Vasthouden. Zie vs. 15.

Die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren. Hoewel door God gedwongen Israël te zegenen, raadde Bileam daarna Balak aan het volk te verleiden door middel van de Moabitische en Midianitische vrouwen (Num. 31:16; 2 Petr 2:15), wat leidde tot afgoderij. Nu 25:1 Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab. Nu 25:2 Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer. (HSV) Te hoereren: ontucht te plegen.

15

Opb 2:15 Zo hebt ook u er die op dezelfde wijze aan de leer van de Nicolaïeten vasthouden. (Telos)

Enkelvoud: "Zo hebt ook u (enkelvoud) er die op dezelfde wijze aan de leer van de Nicolaïeten vasthouden."

De leer van de Nicolaïeten. Te midden van de gemeente zelf was het heidendom binnengedrongen door de sekte van de Nicolaïeten, die zich aan de haar omgevende wereld gelijkvormig stelden en heidense wellusten en afgodische offermaaltijden met het Christendom wilden verenigen[2].

16

Opb 2:16 Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond. (Telos)

Enkelvoud: "Bekeer u (enkelvoud) dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u (enkelvoud) toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond."

Oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond. Is de reformatie niet ook een oorlog van het Woord geweest?

17

Opb 2:17 Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt. (Telos)

Verborgen manna. In plaats van afgodenoffers te eten (vs. 14). Het verborgen manna is de Heer Jezus. Verborgen: onzienlijk voor aardse ogen + toekomstig (“zal”). Manna = brood der wereld = Christus. “Ik ben het brood der wereld”. Tegenover de zichtbare afgodenoffers in het heden is het onzichtbare manna in de toekomst. De gelovige geniet nu al in de gemeenschap met Christus.  

Witte steen geven. Een in het oordeel vrijsprekende witte steen. Met 'een witte steen geven' verwijst de Heer Jezus misschien naar het toenmalige gebruik in de rechtspraak om voor vrijspraak te stemmen met een witte steen en voor schuldigverklaring met een zwarte stem. De Heer geeft een witte steen, rechtvaardigt 'wie overwint' (vers 17).[2]

18

Opb 2:18 En schrijf aan de engel van de gemeente in Thyatira: Dit zegt de Zoon van God, die zijn ogen heeft als een vuurvlam en zijn voeten aan blinkend koper gelijk: (Telos)

Zoon van God. Dit lijkt te wijzen op Zijn hoogheid en gezag. In Thyatira waren er christenen die, helaas, afgodenoffers aten en misschien ontucht pleegden in verband met de afgodendienst.

Ps 2:12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij [op] den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. (Telos)

Ogen als een vuurvlam. Beproevend en beoordelend.

Opb 1:14  en zijn hoofd en haar als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam.  Opb 1:15  en zijn voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven, en zijn stem als een gedruis van vele wateren. (Telos)

Daniël zag eens een engel/Engel met de volgende gedaante:

Da 10:4 En op den vier en twintigsten dag der eerste maand, zo was ik aan den oever der grote rivier, welke is Hiddekel. Da 10:5 En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz. Da 10:6 En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem Zijner woorden was gelijk de stem ener menigte. (SV)

Blinkend koper. Zie het zojuist aangehaalde vers Dan. 10:6.

Eze 1:7 En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de verf van glad koper. (SV)

19

Opb 2:19 Ik weet uw werken, uw liefde, uw geloof, uw dienst en uw volharding, en dat uw laatste werken meer zijn dan uw eerste. (Telos)

Enkelvoudsvormen van 'uw': "Ik weet uw (enkelvoud) werken en liefde en geloof en dienst en uw (enkelvoud) volharding en uw (enkelvoud) werken, en dat de laatste werken meer zijn dan de eerste."

De Heer prijst hiermee de goede dingen bij hen.

20

Opb 2:20 Maar Ik heb tegen u, dat u de vrouw Izebel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en misleidt mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten. (Telos)

Enkelvoudsvormen van 'u': "Maar Ik heb tegen u (enkelvoud), dat u (enkelvoud) de vrouw Izebel, die zich een profetes noemt, laat begaan; en zij leert en misleidt mijn slaven om te hoereren en afgodenoffers te eten."

Izebel. Haar naam is van Hebreeuwse oorsprong en betekent mogelijk "onkuis"[3] of, integendeel, "kuis"[4]. De Izebel in het OT was de Sidonische vrouw van de goddeloze koning Achab. Zij was een immorele en wrede koningin, die de Baälsdienst beschermde en de profeten van God vervolgde. Ze bracht eertijds het volk Israël tot de afgoderij van Baäl. Zij bracht het volk vervolgens ook tot hoererij. Met zulke afgoderij was gewoonlijk hoererij gemengd.

1Kon 16:31 En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth–baal, den koning der Sidoniers, en heenging, en diende Baal, en boog zich voor hem. (SV)

2Kon 9:22 Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn? (SV)

Die zich een profetes noemt. Zij beweert goddelijke ingevingen te hebben. Ook vandaag de dag zijn er mannen en vrouwen die zich als profeten voordoen, maar verkeerde dingen leren.

1Th 5:20 Veracht de profetieën niet, 1Th 5:21 maar beproeft alles, behoudt het goede. 1Th 5:22 Onthoudt u van elke vorm van kwaad. 1Th 5:23 Moge nu de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen en moge geheel uw geest en ziel en lichaam onberispelijk worden bewaard bij de komst van onze Heer Jezus Christus. (Telos)

Laat begaan. Permissiviteit. In contrast met Thyatira kon de gemeente te Efeze de bozen niet verdragen (vs. 2). Efeze schoot echter tekort in liefde tot de Heer, terwijl de Heer van Thyatira zegt: "Ik weet uw liefde" (20). Ook de gelovigen in Korinthe lieten iemand onterecht begaan, een in ontucht levende man:

1Co 5:1 Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet bestaat, dat iemand de vrouw van zijn vader heeft. 1Co 5:2 En u bent opgeblazen, en hebt niet veeleer getreurd, opdat hij die deze daad begaan heeft, uit uw midden werd weggedaan? 1Co 5:3 Want ik, naar het lichaam afwezig maar naar de geest aanwezig, heb reeds, alsof ik aanwezig was, hem geoordeeld die dit zo bedreven heeft, in de naam van onze Heer Jezus Christus 1Co 5:4 (als u en mijn geest vergaderd zijn met de kracht van onze Heer Jezus) 1Co 5:5 zo iemand aan de satan over te geven tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden wordt in de dag van de Heer Jezus. 1Co 5:6 Uw roemen is niet goed. Weet u niet, dat een beetje zuurdeeg het hele deeg doorzuurt? 1Co 5:7 Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons pascha, Christus, is geslacht. 1Co 5:8 Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid. 1Co 5:9 Ik heb u in de brief geschreven, dat u geen omgang moet hebben met hoereerders; 1Co 5:10 niet in het algemeen met de hoereerders van deze wereld, of de hebzuchtigen en rovers, of afgodendienaars, want dan zou u wel de wereld moeten uitgaan. 1Co 5:11 Maar nu heb ik u geschreven, dat als iemand die broeder genoemd wordt, een hoereerder is, of een hebzuchtige, afgodendienaar, lasteraar, dronkaard of rover, u met hem geen omgang moet hebben, dat u met zo iemand zelfs niet moet eten. 1Co 5:12 Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn? 1Co 5:13 Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg. (Telos)

Zij leert en misleidt. Het is bovendien niet aan een vrouw om mannenbroeders te leren.

Om te hoereren en afgodenoffers te eten. 'Gewijde' ontucht in de vorm van tempelprostitutie kwam veel voor. Waarschijnlijk is zulks ook hier het geval.

21

Opb 2:21 En Ik heb haar tijd gegeven om zich te bekeren en zij wil zich niet bekeren van haar hoererij. (Telos)

Bekering heeft soms tijd nodig. Zij echter wilde zich niet bekeren van haar hoererij.

22

Opb 2:22 Zie Ik werp haar op een bed en werp hen die met haar overspel bedrijven in grote verdrukking, als zij zich niet bekeren van haar werken. (Telos)

Ik werp haar op een bed. De Heer straft haar door ziekte.

“Namelijk in een zware en kwellende ziekte, opdat het bed, dat haar tevoren tot wellust diende, haar nu diene tot straf en verdriet, en zij nog tijd hebbe om zich met hare kinderen te bekeren, gelijk volgt.” (KANT)

Overspel. “Die met haar overspel bedrijven” is een zinnebeeldige uitdrukking voor afgodendienaars. “Dat is, afgoderij en hoererij, als voren. Want afgoderij is ook geestelijk overspel, omdat zij den mens van God, den waren man van zijn gemeente, afkeert.” (KANT)

In grote verdrukking. “Namelijk òf door de straf der overheid, òf door ziekte, òf ook door wroeging van hun geweten over hun boos leven.” (KANT)

Haar werken. Hoererij en afgoderij.

23

Opb 2:23 En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten dat Ik het ben die nieren en harten doorzoek, en Ik zal u geven ieder naar uw werken. (Telos)

Meervoudvorm van 'u': "En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten dat Ik het ben die nieren en harten doorzoek, en Ik zal u (meervoud) geven ieder naar uw werken."

Haar kinderen. “Sommigen verstaan hierdoor haar discipelen. Doch daar tevoren daarvan gesproken is, zo verstaan anderen hier de kinderen, die uit deze vrouw en haar navolgers waren voortgekomen; en hier wordt zonder twijfel gezien op de kinderen, die afkomstig waren van Achab en Jezebel, die allen door het zwaard van Jehu zijn omgebracht, gelijk te lezen is {#2Kon 9:22}, en {#2Kon 10:6}, enz.

2Kon 10:11 Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te Jizreel, en al zijn groten, en zijn bekenden, en zijn priesteren; totdat hij hem geen overigen liet overblijven. (SV)

24

Opb 2:24 Maar tot u zeg Ik, tot de overigen in Thyatira, allen die deze leer niet hebben, die de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet hebben gekend: Ik leg u geen andere last op; (Telos)

Meervoudvorm van 'u': "Maar tot u (meervoud) zeg Ik, tot de overigen in Thyatira, allen die deze leer niet hebben, die de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet hebben gekend: Ik leg u (meervoud) geen andere last op;" (Telos)

25

Opb 2:25 wat u echter hebt, houdt dat vast totdat Ik kom. (Telos)

Meervoudvorm van 'u': "wat u (meervoud) echter hebt, houdt dat vast totdat Ik kom." (Telos)

26

Opb 2:26 En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, die zal Ik macht geven over de volken; (Telos)

Macht geven over de volken. Om hen te hoeden en zo nodig te tuchtigen (27).

27

Opb 2:27 en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf; als pottenbakkersvaten worden zij verbrijzeld, zoals ook Ik die macht van mijn Vader heb ontvangen; (Telos)

Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf. Samen met de Heer Jezus, die voornaamste Hoeder.

Opb 12:5  En zij baarde een zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. (Telos)

Opb 19:15  En uit zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige. (Telos)

Ps 2:1 Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid? Ps 2:2 De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, [zeggende]: Ps 2:3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. Ps 2:4 Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten. Ps 2:5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken. Ps 2:6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid. Ps 2:7 Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Ps 2:8 Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde [tot] Uw bezitting. Ps 2:9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. Ps 2:10 Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde! Ps 2:11 Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving. Ps 2:12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij [op] den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgeluk zalig zijn allen, die op Hem betrouwen. (SV)

28

Opb 2:28 en Ik zal hem de morgenster geven. (Telos)

De morgenster gaat vooraf aan de opgang van de zon der gerechtigheid in de wereld. De gelovige zal deel hebben aan de opname van de gemeente, waardoor hij in het licht komt.

Opb 22:16 Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster. (SV)

Meer weten

Je hebt Mij niet meer zo lief als eerst! | Henk Jan Leijendekker | 28 okt 2018. Youtube.com: De Schaapskooi Ouderkerk, 4 nov. 2018. Duur: 38 min. 31 sec. Over de brief van de Heer Jezus aan de gelovigen te Efeze, bijzonder over de eerste liefde.

Voetnoten

  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  2. 2,0 2,1 Enige tekst is ontleend aan: Pergamus.
  3. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.
  4. Grieks-Nederlands Lexicon, onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.