Ezechiël 1

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Ezechiel 1)

Ezechiël 1 is een hoofdstuk van Ezechiël, een geschrift in de Bijbel, en telt 28 verzen.

Hoofdstukken van Ezechiël samengevat en/of becommentarieerd: · 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 29 · 30 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Verzen van Ezechiël 1 becommentarieerd: · 1 · 2 · 4 · 5 · 6 · 7 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 18 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28

Samenvatting

Op zijn dertigste, terwijl hij onder de Joodse ballingen aan een rivier is, worden aan Ezechiël de hemelen geopend en aanschouwt hij de heerlijke troonwagen van God, welke door door vier levende wezens en wielen bewogen wordt door de Geest.

1

1 In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op den vijfden derzelve maand, als ik in het midden der weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, [dat] de hemelen werden geopend, en ik gezichten Gods zag. (SV) 

In het dertigste jaar. Van zijn leven, de leeftijd waarop hij in Israël priester (vgl. vers 3) zou zijn geworden[2][3], 593 of 592 v.C.[2]

650 — 600 v.C. < Israël 600 — 550 v.C.[4] > 550 — 500 v.C.
BelsazarKoresEvilmerodachHofraEzechiël (Bijbelboek)ZedekiaJojachinRechabietenNebukadnezarJojakimNechoDaniël (profeet)Jeremia (profeet)

Bij de rivier Chebar. Vs. 3. Ook de profeet Daniël kreeg gezichten bij een rivier.

2

2 Op de vijfde van de maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), (CP[1]) 

Het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin. Dat jaar was 597 v.C.

4

4 Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur [daarin] vervangen, en een glans was rondom die [wolk]; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs. (SV)

Van het noorden af. Ten opzichte van Ezechiëls standpunt aan de Chebar-rivier.

Hasmal. Zie ook vers 26. HSV-vertaling: 'edelmetaal', zie verder bij Hasmal.

5

5 En uit het midden daarvan [kwam] de gelijkenis van vier levende wezens; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens; (CP[1]) 

Vier levende wezens. In Opb. 4:6 zijn ook vier levende wezens, in en rond de troon van God.

Opb 4:6  En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon en rond de troon vier levende wezens, vol ogen van voren en van achteren. (Telos)

Levende wezens. In het Hebreeuws één woord, lett. 'levenden', van het Hebreeuwse naamwoord 'chay'.

6

6 En elkeen had vier aangezichten; insgelijks had elkeen van hen vier vleugels. (CP[1])  

Vier vleugels. De vier levende wezens in en rond de troon van God in Opb. 4 hebben elk afzonderlijk zes vleugels.

Opb 4:8  En de vier levende wezens hadden elk afzonderlijk zes vleugels, rondom en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, die was en die is en die komt. (Telos)

7

7 En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de aanblik van glad koper. (CP[1]) 

Hun voeten. Sommige vertalingen hebben 'hun benen', maar het Hebreeuwse woord wordt bijna overal in het Oude Testament vertaald door 'voeten'.

Rechte voeten. Waarschijnlijk niet haaks staande op de benen, zoals bij een mens, maar rechtop staande[5], misschien zoals een balletdanser die op zijn tenen loopt. Sommigen echter vertalen "rechte benen", benen zonder kniegewricht.

Voetplanten. Of voetzolen. Datgene van de voet waarmee men de aarde aanraakt.

Aanblik. Lett. oog.

Glad koper. Glad gemaakt, gepolijst koper.

9

9 Hun vleugels waren samengevoegd, de een aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elkeen recht uit voor zijn aangezicht heen. (CP[1])  

Hun vleugels waren samengevoegd, de een aan de ander. Zie ook vs. 11, 23.

Recht uit voor zijn aangezicht heen. Zie vs. 12.

10

10  De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht eens leeuws hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier eens arends aangezicht. (SV) 

De hele aardse wereld der levende wezens is vertegenwoordigd in de vier aangezichten: de mensheid, de wilde dieren, de getemde dieren en het gevogelte van de hemel. Iets dergelijks zien wij ook bij de vier levende wezens in het midden en rond de troon van God (Opb. 4:6).

11

11 Ook waren hun aangezichten en hun vleugels opwaarts verdeeld; elkeen had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen. (SV)  

Ook waren hun aangezichten en hun vleugels opwaarts verdeeld. De aangezichten waren niet aan een enkel hoofd, maar gescheiden aan vier, door even zo vele halzen gedragen hoofden. De vleugels verdeelden zich in twee paren: een paar met naar boven gerichte vleugels en een paar van naar beneden gerichte vleugels.

Elkeen had er twee samengevoegd aan de andere. De beide naar boven gerichte vleugels waren met elkaar verbonden

En twee bedekten hun lichamen. De beide andere vleugels bedekten hun lichaam.

12

12 En zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarheen de Geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen. (CP[1]) 

Rechtuit voor zijn aangezicht heen. Zie vs. 9.

De Geest. Of 'de geest'. Zie ook vs. 20-21. Wellicht de Heilige Geest die in hen was, door Wie zij geleid werden.

13

13 Aangaande de gelijkenis van de levende wezens, hun gedaante was als brandende kolen van vuur, als de gedaante van de fakkels; dat [vuur] ging steeds tussen die levende wezens; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. (CP[1])  

Als de gedaante van de fakkels.

Heb 1:7  En van de engelen zegt Hij wel: ‘Die zijn engelen tot geesten maakt en zijn dienaars tot een vuurvlam’, (Telos)

18

18  En hun velgen, die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en hun velgen waren vol ogen rondom aan die vier [raderen]. (SV)  
Tijgeroog

Vol ogen rondom aan die vier [raderen]. Vermoedelijk gaat het om een soort van edelstenen zoals ook het verwante assyrische en babylonische woord voor ‘oog’ kan betekenen[2]. Sommige edelstenen hebben 'oog' in hun Nederlandse namen: De (rode) Kattenoog, de (blauwe) Valkenoog en de (gele) Tijgeroog[6].

De ogen kunnen letterlijke ogen zijn. In onze tijd worden overal 'ogen' in de vorm van kleine camera's opgehangen, om huizen, gebouwen en straten te bewaken. Auto's worden aan de achterkant van een oog voorzien om achteruit rijden te vergemakkelijken.

Een derde mogelijkheid is "spijkers van glanzend metaal met dikke koppen"[2].

20

20 Waarhenen de Geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de Geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover hen opgeheven; want de Geest van de levende wezens was in de raderen. (CP[1])

De Geest van de levende wezens was in de raderen. Zie ook vs. 12 en het volgende vers. Later komt de Geest in Ezechiël en stelt hem, die neergevallen was, op de voeten (2:2).

21

21 Als die gingen, gingen [deze]; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want de Geest van de levende wezens was in de raderen. (CP[1]) 

De Geest van de levende wezens was in de raderen. Zie ook vs. 12 en het vorige vers.

22

22 En over de hoofden van de levende wezens was de gelijkenis van een uitspansel, gelijk het aanzien van het hel lichtende kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid. (CP[1]) 

Een uitspansel. Het uitspansel is hier niet het gewone uitspansel van de hemel, maar het fundament van de troon Gods (vs. 26), waaronder de levende wezens vertoefden.

Hel lichtende. Hebr. 'vreselijk': het was als het ware oogverblindend[5], zoals het licht van de zon 'vreselijk' is als je er recht inkijkt. Een andere verklaring heeft: "Het is ontzagwekkend en lijkt op hard ijs of kristal"[2].

Vergelijk:

Opb 4:6  En voor de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon en rond de troon vier levende wezens, vol ogen van voren en van achteren. (Telos)

Over de hoofden. Zie vs. 25, 26. Niet liggend op hun hoofden, maar vrij over deze zwevend[5].

23

23  En onder dat uitspansel waren hun vleugelen rechtop, de een aan de ander; ieder had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee, die ze derwaarts bedekten. (CP[1])  

De een aan de ander. Zie vs. 9.

24

24 En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugels, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, [als] de stem van een geroep, als het gedreun van een heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugels neer. (CP[1])  

Als het geruis van vele wateren. Een geweldig gedruis als van een waterval.

[Als] de stem van een geroep. Dit doet denken aan het geroep en de stem bij de komst van de Heer om ons weg te halen.

1Th 4:16  Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; (Telos)

25

25 En er geschiedde een stem van boven het uitspansel, dat boven hun hoofden was, als zij stonden, [en] hun vleugelen neergelaten hadden. (CP[1])  

Het uitspansel, dat boven hun hoofden was. Zie vs. 22, 26.

26

26 En boven het uitspansel, hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante van een mens, daarbovenop. (SV)  

De gelijkenis van een troon. In Opb. 4 ziet ook Johannes de troon van God en vier levende wezens.

Een saffiersteen. is een fonkelende edelsteen, meestal in blauwe kleur te zien. Zie Saffiersteen.

Een mens. Hebr. adam.

27

27 En ik zag als de verf van Hasmal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante Zijner lenden en opwaarts; en van de gedaante Zijner lenden en nederwaarts, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem rondom. (SV)  

Hasmal. Zie ook vers 4. HSV-vertaling: 'edelmetaal', zie verder bij Hasmal.

De gedaante van vuur. Zie ook vers 4.

En glans aan Hem rondom.

28

28 Gelijk de gedaante van de boog die in de wolk is ten dage van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid van Jahweh; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een Die sprak. (CP[1])

De boog die in de wolk is ten dage van de plasregen. De regenboog. Vergelijk wat Johannes zag in Opb. 4:

Opb 4:3  en die daarop zat, was van aanzien een jaspissteen en sardiussteen gelijk; en rondom de troon was een regenboog, van aanzien een smaragd gelijk; (Telos)

Een stem van Een Die sprak. Vgl. vers 24.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van dit commentaar is onder wijziging verwerkt.

Voetnoten

  1. 1,00 1,01 1,02 1,03 1,04 1,05 1,06 1,07 1,08 1,09 1,10 1,11 1,12 1,13 1,14 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Ook dit commentaar onderstelt dat het om de leeftijd van Ezechiël gaat.
  4. De jaartallen zijn merendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).
  5. 5,0 5,1 5,2 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  6. Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Tijgeroog