Ezechiël 19

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Ezechiel 19)

Ezechiël 19 is een hoofdstuk van Ezechiël, een geschrift in de Bijbel, en telt 14 verzen.

Hoofdstukken van Ezechiël samengevat en/of becommentarieerd: · 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 29 · 30 · 31 · 32 · 33 · 34 · 38
Verzen van Ezechiël 19 becommentarieerd: · 1 · 2 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 13 · 14

Samenvatting

1 God beveelt Ezechiël een weeklacht over de vorsten van Israël aan te heffen. 2-9 Eerste deel van de weeklacht: de gelijkenis van een leeuwin (hun moeder) en haar twee welpen. 10-14 Tweede deel van de weeklacht: de gelijkenis van een wijnstok (hun moeder) en zijn ranken (haar zonen).

1

1 Verder, hef gij een weeklage op over de vorsten van Israël, (SV) 

Een weeklage. Zie vs. 14

De vorsten van Israël. In het bijzonder schijnen, in de volgende beeldspraak, Joahaz en Jojakim te worden aangeduid.

2

2 En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden der jonge leeuwen. (SV) 

Uw moeder. Waarschijnlijk Hamutal, een vrouw van de vrome koning Josia en de moeder van de koningen Joahaz en Zedekia. Of anders een van de aartsmoeders? Of Jeruzalem? Of het koningshuis van David? Of het volk Israël?

4

4 Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland. (SV)  

Hun groeve. Hun vangkuil, ook in vs. 8.

Zij brachten hem met haken naar... Haken of neusringen. Waarschijnlijk wordt gedoeld op Jóahaz. Deze deed wat kwaad is in de ogen van de Heer, en werd afgezet door farao Necho, die hem in ketenen naar Egypte zond, waar hij stierf. Zie 2 Koningen 23:30-34; 2 Kronieken 36:1-4; Jer. 22:11-12.

2Kon 23:32  En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden. (...) 2Kon 23:34  Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar. (SV)

Ook de Assyrische koning Sanherib werd met een haak in zijn neus afgevoerd.

2Kon 19:28  Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt. (SV)

5

5 Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, [doch] haar verwachting verloren was, zo nam zij een [ander] van haar welpen, hetwelk zij [tot] een jongen leeuw stelde. (SV) 

Een [ander] van haar welpen. Waarschijnlijk wordt gedoeld op haar zoon Zedekia, de laatste koning van Juda. Ezechiël was een tijdgenoot van hem.

650 — 600 v.C. < Israël 600 — 550 v.C.[1] > 550 — 500 v.C.
BelsazarKoresEvilmerodachHofraEzechiël (Bijbelboek)ZedekiaJojachinRechabietenNebukadnezarJojakimNechoDaniël (profeet)Jeremia (profeet)

6

6 Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op. (SV)  

Hij at mensen op. Dit wordt alleen van de tweede zoon gezegd. Kennelijk misdraagt hij zich nog erger.

7

7 Hij bekende hun weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem van zijn gebrul. (CP[2]) 

Eze 19:7  Hij onteerde hun weduwen en verwoestte hun steden; de gehele aarde werd van schrik vervuld om zijn machtig gebrul. (NBG51)

Eze 19:7  Hij verwoestte hun paleizen, legde elke stad in puin. Als zijn gebrul weerklonk werd het land stil, en huiverde. (NBV'04)

Bekende. Had geslachtsgemeenschap met hen. Sommigen denken aan verkrachting en vertalen 'onteerde' of iets dergelijks (NBG51-vertaling, zie boven).

Weduwen. Het Hebreeuwse woord almanah wordt meestal door 'weduwe' vertaald, maar kan ook 'paleis' betekenen (NBV'04-vertaling, zie boven).

Mr 12:40  die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lang bidden. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen. (Telos)

De stem van zijn gebrul. Zie ook vs. 9.

8

8 Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen. (SV) 

In hun groeve. Hun vangkuil, ook in vs. 4.

9

9 En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot den koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord wierde op de bergen Israëls. (SV) 

Zijn stem. Zie vs. 7.

10

10 Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; zij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren. (CP[2]) 

Uw moeder. D.i. de moeder van Zedekia, Hamútal[3] of het volk Israël[4].

In uw stilheid. Lett. "in uw bloed", dit zou volgens Gill[4] verwijzen naar het gebruik van bloed te sprengen bij de wortels van de wijnstok, waardoor ze vruchtbaarder zouden worden.

11

11 En zij had sterke roeden tot scepters der heersers, en de stam van elke [roede] werd hoog tussen de dichte takken; en zij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijner takken. (CP[2]) 

13

13  En nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land. (SV)  

In een woestijn enz. In plaats van aan vele wateren (10).

14

14 Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede zijner ranken, [dat] zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is [tot] een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden. (SV) 

Dit is een weeklage. Zie vs. 1.

En is tot een weeklage geworden. Dit lied, dat als klaagzang gedicht werd, is werkelijk als zodanig door het volk, dat zijn vorstenhuis beweende, gebruikt[5].

Voetnoten

  1. De jaartallen zijn merendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).
  2. 2,0 2,1 2,2 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  3. Aantekening bij de Leidse vertaling.
  4. 4,0 4,1 John Gill's Expositor.
  5. Leidsche Vertaling (1914). Enige tekst van het commentaar is verwerkt.