Hooglied/Hoofdstuk 8

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Hooglied:


Hoofdstuk 8 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Hoogl. 8:1

Hoogl.8:1  Och, dat Gij mij als een Broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten. (SV)

Ze had hem van jongs af aan willen meemaken en als broer en zus willen leven in hun ouderlijk huis. Als zij hem op straat, dus in eenvoudige omstandigheden, gevonden zou hebben, ze zou hem kussen, zonder dat zij daarom veracht zou worden.

Merk op dat de Heer Jezus werkelijk de broeder van het toekomstige gelovige overblijfsel is, d.w.z. uit dezelfde moeder (=Israël) is voortgekomen. De Heer is naar het vlees een bloedverwant van de Joden.

Vergelijk:

Opb 12:4 ... En de draak stond voor de vrouw die zou baren, om zodra zij haar kind zou baren, het te verslinden. Opb 12:5 En zij baarde een zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. (Telos)

Dit kind, dat Jezus voorstelt, wellicht als de messiaanse koning die eens door het volk Israël erkend wordt, zuigt niet de borsten van zijn moeder, het toekomstige Israël. Zal Israël hem, in wie zij nu de Verlosser ziet, niet graag in zijn kindsheid hebben meegemaakt?

Dat ik U op straat vond. In een droom, die ze eerder had, vond ze hem ook buiten.

Hoogl.3:4 Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. Hoogl.3:5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! (SV)

Hoogl. 8:2

Hoogl.8:2  Ik zou U leiden, ik zou U brengen in mijner moeders huis, Gij zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen. (SV)

Ik zou U brengen in mijner moeders huis. Daarvan had zij eerder gedroomd!

Hoogl.3:4 Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. Hoogl.3:5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! (SV)

Gij zoudt mij leren. Zij zou zich graag door hem, al ware hij nog een kind, laten onderwijzen. Zij zou daarvoor open staan. Zoals Maria van Bethanië geleerd werd door de Heer Jezus. Denk ook aan de 12-jarige Jezus in de tempel, die moest zijn in de dingen van Zijn Vader.

Ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen. In plaats van de wijn gemengd met gal die Hem als pijn verzachtend middel op Golgotha werd aangeboden.

Mt 27:34 gaven zij Hem wijn met gal gemengd te drinken; en toen Hij die had geproefd, wilde Hij niet drinken. (Telos)

Vóór zijn kruislijden heeft Hij nog gedronken van de vrucht van de wijnstok. Eens zal hij die nieuw drinken.

Mr 14:25 Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik geenszins meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op die dag wanneer Ik die nieuw zal drinken in het koninkrijk van God. (Telos)

Hoogl. 8:3

Hoogl.8:3  Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. (SV)

Dit is haar wens: innige gemeenschap; terwijl zij ligt, tot rust gekomen, door hem omhelsd te worden. Dit verlangen heeft zij eerder uitgedrukt.

Hoogl.2:4 Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij. Hoogl.2:5 Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Hoogl.2:6 Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. Hoogl.2:7 Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!

Hoogl. 8:4

Hoogl.8:4  Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve lust! (SV)

Vergelijk:

Hoogl.2:4 Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij. Hoogl.2:5 Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Hoogl.2:6 Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. Hoogl.2:7 Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!

Hoogl.3:4 Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. Hoogl.3:5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! (SV)

Hoogl. 8:5

Hoogl.8:5 Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder de appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft uw moeder u met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft. (CP[1])

Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn. Zij die daar aankomt is de bruid.

Vergelijk:

Hoogl.3:5 Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste! Hoogl.3:6 Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers? (SV)

Wie doet deze vraag? De antwoorden verschillen. 1) De dochters van Jeruzalem. 2) De landslieden in de plaats van het ouderlijk huis van de bruid. Zij werken op het land en zien de stoet aankomen.

In de toekomst zal het gelovig overblijfsel van Israël "1260 dagen" oftewel "een tijd en tijden en een halve tijd" (= 3,5 jaren) worden onderhouden in de woestijn.

Opb 12:6 En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat men haar twaalfhonderdenzestig dagen voedde. (TELOS)

Opb 12:14 En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang. (TELOS)

Maar zij zal weer tevoorschijn komen uit de woestijn.

Wanneer de Heer Jezus Christus eenmaal Zijn gemeente zal verlossen (Ef. 4:30) en haar zal voeren in het Vaderhuis, waar Hij haar plaats bereidt, zullen Gods engelen ook haar vol bewondering van haar heerlijkheid met jubelzang begroeten. Maar ook haar zal men het aanzien, dat zij door een woestijn is getrokken en slechts op de almachtige arm van haar Bruidegom steunend tot dit doel is geraakt.

Liefelijk leunt op haar Liefste. Haar steun en toeverlaat. Dit drukt tweeërlei uit; niet alleen dat zij in de onafscheidelijke nabijheid van haar Liefste, de Herder-Koning, verkeert, maar ook dat zij al haar kracht en heerlijkheid aan Hem ontleent.

De 144.000 duizend Israëlieten in Openbaring zullen "het Lam volgen waar het ook heengaat".

Opb 14:4 Dezen zijn het die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het die het Lam volgen waar het ook heengaat. Dezen zijn uit de mensen gekocht als eerstelingen voor God en het Lam. (Telos)

Heerlijk en treffend beeld ook van de Gemeente van Christus, de Kerk van alle eeuwen. Opkomend uit de woestijn, de woestijn van de wereld, van de verdrukkingen, en toch niet verlaten, niet alleen, maar er altijd op aan kunnend en het steeds ervarend, dat haar machtige Heer aan haar rechterhand staat, dat zij al haar hulp om staande te blijven, van Hem ontvangt, dat zijn kracht in haar wordt uitgestort en Zijn liefde haar omringt.

Onder de appelboom heb ik u opgewekt. Wie spreekt dit? De antwoorden zijn verschillend:

1) dit woord is van de bruid, want zij was aan het woord en gezien de grammatica: de voor- en achtervoegsels zijn mannelijk, evenals in het volgende vers[2]. Eerder heeft zij hem met een appelboom vergeleken:

Hoogl.2:3 Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb grote lust in zijn schaduw, en zit er onder, en zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. (CP[1])

Het Hebreeuwse woord voor 'appel, appelboom' is tappoeach. Het betekent letterlijk iets als 'de welriekende'[3], van een werkwoord dat (uit)blazen, ademen, snuiven betekent[4].

De Heer Jezus noemt zichzelf een wijnstok en ons, gelovigen, de ranken (Joh. 15).

De Heer Jezus werd eenmaal opgewekt, wakker gemaakt, toen hij tijdens een storm lag te slapen.

Mr 4:38 En Hij lag in het achterschip op het kussen te slapen; en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan? Mr 4:39 En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte. Mr 4:40 En Hij zei tot hen: Waarom bent u zo angstig? Hebt u nog geen geloof? (Telos)

2) Dit woord is van de bruidegom. Het herinnert aan het begin, de omstandigheid van de bruid en het begin van zijn liefde tot haar. Hij wijst zijn bruid op de eerste tijden van haar aanneming, op de eerste dagen, toen hij zich aan haar zich openbaarde in de volheid van zijn liefde. En dit alles opdat, bij de herinnering, aan wie zij geweest is en wie zij nu is, haar liefde des te sterker toeneemt, en haar gehechtheid aan Hem te inniger wordt.[5]

Vergelijk:

Joh 1:48 (1-49) Nathanael zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat Filippus je riep, terwijl je onder de vijgeboom was, zag Ik je. (...) Joh 1:50 (1-51) Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat Ik je gezegd heb: Ik zag je onder de vijgeboom, geloof je? Je zult grotere dingen zien dan deze. (Telos)

Op de gemeente van Christus toegepast: de Heer herinnert haar in het algemeen en zijn gelovigen in het bijzonder, dat Hij het is, die het eerst haar opzocht. Gelijk God zijn volk door Ezechiël laat herinneren (Ezech. 16) dat Hij hen zag, vertreden in hun bloed, liggend op de vlakte van het veld, opdat Hem de eer van alle zaligheid zou gegeven worden, maar ook Hem de dank daarvoor zou worden toegebracht, zo doet God de Heer altijd. Hij is de eerste en Hij is de laatste, de Alfa en de Omega.

Daar heeft uw moeder u met smart voortgebracht. Dit zegt de bruid, gezien het gebruik van mannelijke voor- en achtervoegsels in dit en het volgende vers[2]. Over zijn moeder spreekt ook:

Hoogl.3:11 Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten. (SV)

Toegepast op Christus: Maria is met smart van hem bevallen, toen er geen plaats voor haar en haar man was in de herberg te Bethlehem. Ook en vooral: het gelovige Israël zal Christus met smart voorbrengen, vergelijk:

Opb 12:1 En er werd een groot teken gezien in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon en de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Opb 12:2 En zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren. (...) Opb 12:4 .... En de draak stond voor de vrouw die zou baren, om zodra zij haar kind zou baren, het te verslinden. Opb 12:5 En zij baarde een zoon, een mannelijk kind, die alle naties zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggerukt naar God en naar zijn troon. Opb 12:6 En de vrouw vluchtte de woestijn in, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat men haar twaalfhonderdenzestig dagen voedde. (Telos)

Hoogl 8:6

Hoogl.8:6  Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. (SV)

Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm. Maak dat ik vast, onafscheidelijk, onvervreemdbaar aan u verbonden blijf, in altijddurende, onverbreekbare gemeenschap. Bewaar mij vast en trouw als uw eigendom. Zodat ik steeds aan uw hart en steeds aan uw zijde (want aan uw arm) ben. Zij wenst met Hem, zowel in liefdesgezindheid als in gemeenzaamheid, ten opzichte van het levenspad, onlosmakelijk verenigd en verbonden te wezen.

Én het hart én de arm zijn levendige zinnebeelden van getrouwe zorg; het hart als de grond waaruit en de arm als het middel waardoor. Deze beelden drukken de wens van de bruid uit met alle verzekerdheid en onder een hartelijke en onder een dadelijk (actieve) zorg van haar liefste te zijn. Door op zijn hart en op zijn arm als een zegel gedrukt te zijn, wenst zij te zijn het grote doel en voorwerp van zijn zorgdragend hart en van zijn zorgdragende arm.

De liefde is sterk als dood. De liefde werpt alle hinderpalen neer en is overwinnend als de dood. Er zijn geen hoogten of diepten waarvoor zij blijft staan; geen gevaren waar zij niet doorheen breekt, geen wateren die haar kunnen uitblussen.

De ijver is hard als het graf. 'IJver' is hier in het Hebr. קנאה (kin’ah), ijver, maar in de zin van brandende, vurige liefde, die het geliefde voorwerp met alle kracht vasthoudt en niet duldt dat iets van hem verwijdert, en daarom vergeleken wordt bij het graf, dat ook wat het ontvangt niet los laat. [5]

Job 7:9 Een wolk vergaat en verdwijnt; zo komt degene die in het graf neerdaalt, er niet weer uit omhoog. (HSV)

Haar kolen zijn vurige kolen. Nu en in vers 7 wordt de liefde vergeleken met een vuur. Haar gloed is een helbrandende vuurgloed, die zijn vlammen in de harten zendt.

"Er is niets zo hard en ijverig, dat door het vuur der liefde niet verwonnen wordt. Zij is het enige dat zich schaamt iets moeilijk te noemen." (Augustinus)[6]

Vlammen des HEEREN. Haar gloed is niet te blussen is, en dat, omdat zij niet van aardse oorsprong is, maar een vlam is, of vlammen van Jahweh, die Hij zelf aangestoken heeft en ook onderhoudt en voedt.

1Pe 1:22 Daar u uw zielen hebt gereinigd door de gehoorzaamheid aan de waarheid, tot ongeveinsde broederliefde, hebt elkaar vurig lief uit een rein hart, (Telos)

Ro 12:11 Weest niet traag in de ijver; weest vurig van geest; dient de Heer. (Telos)

Hnd 18:25 Deze was onderwezen in de weg van de Heer, en vurig van geest sprak en leerde hij nauwkeurig de dingen betreffende Jezus, hoewel hij alleen de doop van Johannes kende. (Telos)

Lu 22:15 En Hij zei tot hen: Ik heb vurig begeerd dit pascha met u te eten voordat Ik lijd. (Telos)

Jezus' liefde tot ons is sterker dan de dood, want Hij gaf zich voor ons ter dood, en brak zegevierend door deze heen, opdat wij voor de banden daarvan niet meer vrezen zouden. De liefde van Jezus' echte navolgers is ook zo sterk als de dood, omdat deze hen ongevoelig, als dood maakt voor alles buiten Hem. [7] Het waarlijk wedergeboren hart kan geen andere voldoening vinden dan in de liefde en omhelzing van Christus. Die eenmaal de liefde van God in Christus heeft ervaren, weet dat hij met onverbrekelijke banden aan zijn Heere en Zaligmaker is verbonden. Daarom kon ook een Paulus zeggen, dat niets ter wereld hem van deze liefde kon scheiden.

Ro 8:35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard? (...) Ro 8:39 noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer. (Telos)

Hoogl. 8:7

Hoogl.8:7  Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten. (SV)

Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde... Om ze kunstmatig in een hart te verwekken. Driemaal worden de dochters van Jeruzalem bezworen om de liefde niet op te wekken of wakker te maken tot het haar lust (2:7; 3:5; 8:4).

... men zou hem te enenmale verachten. Het zou alles niets, niets baten; zo in wezen onderscheiden is de ware liefde van de vleselijke schijnliefde![5]

De liefde heeft zich in haar hoogste goddelijke voleinding alleen in de Gods- en mensenzoon geopenbaard, Wiens liefde uit Zijn innerlijk voortsproot en Hem met onweerstaanbare goddelijke kracht drong tot deze wereld met haar duizend plagen en grote jammerlast neer te dalen, om er dood en duivelsmacht te overwinnen. Hij had lief omdat Hij moest liefhebben, maar de liefde was tegelijkertijd Zijn zoetste willen, de wederliefde van verloste zielen Zijn innigst verlangen. In de macht van Zijn liefde, in de hevigheid van Zijn liefdesijver, die door Zijn gemeente, Zijn bruid, in duizende van liefde gloeiende liederen bezongen is geworden, en toch nooit kan worden uitgezongen, zien wij ook nu de ware gestalte van de liefde tussen man en vrouw.

Hoogl. 8:8

Hoogl.8:8  Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal? (SV)

Hier lijkt de bruid te spreken. Zij geeft haar bezorgdheid te kennen over haar kleine zuster.

In dien dag, als men van haar spreken zal? Wanneer zij de huwbare leeftijd bereikt zal hebben. De bruid weet welk een macht en welk een ontferming haar Liefste bezitten. Daarom is het haar behoefte om ook haar zuster aan hem toe te vertrouwen, opdat hij ook haar zijn koninklijke gunst en bescherming verleent.[5]

Ps 22:30 (31) Het nageslacht zal Hem dienen, en aan de Heere toegeschreven worden tot in generaties. (HSV)

Ps 22:30 Het nakroost zal Hem dienen, er zal van de Here verteld worden aan het komende geslacht; (NBG51)

Ps 102:28 (102-29) De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. (SV)

Hoog. 8:9

Hoogl.8:9  Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken. (SV)

De bruidegom antwoordt.

Zo zij een muur is. Zo zij zich als een muur betoont vol krachtige weerstand tegen alle indringende aanzoeken; als men staat op haar kan maken. [5]

Wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen. Wij zullen haar tot een zilveren paleis stellen, een bouwwerk dat van verre prachtig in het land schittert. Wij zullen haar alle eer en vrijheid geven. [5]

En zo zij een deur is. Als dat paleis voltooid is en de muurpoorten opgetrokken en ingezet zijn; als men gemakkelijk kan openen om er door in en uit te gaan, d.i.: als zij aan de verzoekingen en verleidingen blootgesteld is. [5]

Wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken. Met sterke planken van cederhout. Men zal haar als met slagbomen en sterke borstweringen behoeden en beveiligen en haar tevens kracht en ook sieraad bijzetten. Wij zullen haar steeds zo bewaken, dat zij voor elke verleider ongenaakbaar is. [5]

Toepassing op Christus en Zijn Gemeente. Het goede werk, dat Christus in Zijn gemeente begonnen is, zal een zijn volmaaktheid bereiken, en als zij eens met Hem verenigd is, zal zij een heilige tempel en woonstede van God in de Geest zijn (Ef. 2:22; 1 Petr 2:5).

1Pe 2:5 en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. (Telos)

Het heilrijk genadewerk van de Heer zal in haar, Zijn Gemeente, zijn volle beslag verkrijgen. Wat er aan ontbreekt zal ten volle in orde gebracht, en dus het werk van het geloof met kracht in haar voortgezet en volmaakt worden.

Het hemelse Jeruzalem heeft een muur en poorten. Van haar wordt gezegd:

Opb 21:27 En geenszins zal iets onheiligs binnengaan, noch wie gruwel en leugen doet, behalve zij die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam. (Telos)

Hoogl. 8:10

Hoogl.8:10  Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt. (SV)

Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. De bruid vermeldt haar eigen staat met dankbare vreugde. Ook zij is een muur en is of zal worden uitgebreid tot een prachtig bouwwerk. Als muur staat ze pal en vat en houdt zij verkeerde invloeden buiten. Ze vergelijkt haar borsten met hoge, eerbiedwekkende muurtorens, die geen dief of rover kan bestijgen. Hier worden verhoudingen met verhoudingen vergeleken. De borsten zijn voor haar persoon wat voor de muur de torens zijn, die uit kracht van het weerstandsvermogen, dat zij in zich bergen, de vijand afhouden. [5]

Opb 2:2 Ik weet uw werken en uw arbeid en uw volharding en dat u de bozen niet kunt verdragen; en u hebt op de proef gesteld hen die zeggen dat zij apostelen zijn en het niet zijn, en hebt hen leugenaars bevonden; (Telos)

God zei tot de profeet Jeremia:

Jer 1:18 Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesteren, en tegen het volk van het land. (SV)

Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt. Daarom, toen of omdat ik zulk een ben, was, of ben geworden, ben ik in zijn ogen als een, die bij hem gemeenzame vriendschap en liefde en daarbij vrede vindt. Zij acht zich in deze gunst van haar Liefste ten hoogste gezegend en gelukkig.

Lu 2:14 Heerlijkheid zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen van zijn welbehagen. (Telos)

Hoogl. 8:11

Hoogl.8:11  Salomo had een wijngaard, te Baäl-hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht duizend zilverlingen. (SV)

Baäl-hamon. Zie artikel Baäl-Hamon.

Zilverlingen. Zie artikel Zilverling.

Hoogl. 8:12

Hoogl.8:12  Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht. (SV)

Mijn wijngaard. De wijngaard die zij voor Salomo beheerde. Haar broers waren eens kwaad op haar en hadden haar aangesteld als bewaakster van wijngaarden, maar zij heeft haar wijngaard niet bewaakt (1:6).

Sommige uitleggers[8] menen dat de bruidegom hier spreekt.

De duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht. De hele wijngaard kwam aan Salomo toe, die 1000 zilverlingen zijn voor Hem en voor Hem alleen, maar van hetgeen Zijn eigendom, volkomen eigendom was, geef ik 200 zilverlingen aan de hoeders.[5]

Toepassing op de gemeente van Christus. Al wat de opzieners, de ouderlingen van Christus' gemeente ontvangen, is van het kapitaal van de grote Koning en Heer.

1Co 9:7 Wie doet ooit dienst als soldaat op eigen kosten? Wie plant een wijngaard en eet niet zijn vrucht? Of wie hoedt een kudde en eet niet van de melk van de kudde? (Telos)

1Co 4:5 Oordeelt daarom niets voor de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God. (Telos)

Hoogl. 8:13

Hoogl.8:13   O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen. (SV)

Bewoonster der hoven. Van de tuinen. De bruidegom noemt haar zo, omdat zij veilig en welbewaard in lusthoven is, omdat zij aan een plaats van vrede en pracht is.

De metgezellen merken op uw stem. Waar zij tot haar metgezellen spreekt, daar vermaant Hij haar, dat zij ook tot hem spreekt. "De metgezellen" kan ook betrekking hebben op de metgezellen, de vrienden van de bruidegom.

Hoo 1:7  Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen? (SV)

Toepassing op de gemeente van Christus. Het is goed onze gedachten en wensen, noden en vreugden aan medegelovigen bekend te maken, maar het allermeest en allereerst aan onze Heiland, die alleen al onze beden kan vervullen.

Hoogl. 8:14

Hoogl.8:14  Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen. (SV)

Kom haastelijk, mijn Liefste! Nu doet zij haar stem horen, wat de bruidegom wenst (vers 13).

Hoogl.2:17 Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether. (SV)

Het Hooglied begint en eindigt met de woorden van de bruid. Haar laatste woorden doen denken aan de woorden in de laatste verzen van de Bijbel:

Opb 22:17 En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, het levenswater nemen om niet. (...) Opb 22:20 Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen, kom, Heer Jezus! (Telos)

Een welp der herten. Een jong hert.

De bergen der specerijen. De met geurige bloemen en planten bedekte bergen.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Hoogl. 8. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Christipedia's hertaling van de Statenvertaling.
  2. 2,0 2,1 John Gill's Expositor, commentaar bij Hoogl. 8:5-6
  3. H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Appel, Appelboom.
  4. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.
  5. 5,0 5,1 5,2 5,3 5,4 5,5 5,6 5,7 5,8 5,9 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Hoogl. 8. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.
  6. Aangehaald in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Hoogl. 8.
  7. Naar Matthew Henry's commentaar bij dit vers
  8. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).