Hooglied/Hoofdstuk 6

Uit Christipedia
Hooglied > Hoofdstuk 6
Oude Testament: Ge · Ex · Le · De · Joz · Ri · Ru · 1Sa · 2Sa · 1Ko · 2Ko · 1Kr · 2Kr · Ezr · Ne · Est · Job · Ps · Sp · Pr · Hgl · Jes · Jer · Kla · Eze · Da · Hos · Joë · Am · Ob · Jon · Mi · Na · Hab · Zef · Hag · Za · Mal.
Nieuwe Testament: Mt · Mr · Lk · Jh · Hn · Rm · 1Ko · 2Ko · Gl · Ef · Fp · Col · 1Th · 2Th · 1Tm · 2Tm · Tit · Fm · Hb · Jk · 1Pe · 2Pe · 1Jh · 2Jh · 3Jh · Jd · Opb.

Hooglied:


Hoofdstuk 6 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Hoogl. 6:1

Hoo 6:1  Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken? (SV)

Zij wist in haar droom niet waar hij was heengegaan (5:6, vergelijk 5:8).

Hoogl. 6:2

Hoo 6:2  Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. (SV)

Is afgegaan in zijn hof. Dat zei hijzelf:

Hoo 5:1  Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! (SV)

De bruid weet nu waar haar liefste is. Eens komt de tijd dat het gelovig overblijfsel van Israël doorkrijgt waar de Messias is.

Hoogl. 6:4

Hoo 6:4  Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als [slagorden] met banieren. (SV)

Schoon ... gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem. De steden die de grootste sieraden van Salomo's rijk zijn, dienen hem als maatstaf van haar schoonheid. Tirza was vroeger een Kanaänitische koningsstad en zou later de koningsstad van het Noordrijk (Tienstammenrijk) worden. Jeruzalem was de hoofdstad van het onverdeelde rijk van Israël. Het is alsof de bruid beide latere rijken verenigd. De Bijbelse profetie zegt ons dat Israël in de toekomende tijd een herenigd rijk zal zijn, zie Toekomst van Israël.

De bruid is 'liefelijk' (Statenvertaling) of 'bekoorlijk' (Herziene Statenvertaling) als de hoofdstad Jeruzalem.

Schrikkelijk als [slagorden] met banieren. De Herziene Statenvertaling heeft "schrikwekkend als zij die vaandels opheffen." NBG51-vertaling: "geducht als krijgsscharen met banieren". Leidse vertaling: "geducht als legerbenden". Luther vertaalde: "schrecklich wie Heerspitzen". De Nederlandse Luthervertaling: "verschrikkelijk als een slagorde." NaB: "schrikwekkend ook als vliegende vaandels" WV95: "ontzagwekkend als een leger in slagorde". NBV2004: "zo ontzagwekkend als een vaandelvrouw."

De bruid is schrikwekkend "als in triomf binnentrekkende slagorden met banieren"[1]. Het schijnt zonderling om de bevallige vriendin aldus te vergelijken. Men bedenke echter dat Israël, met Gods hulp, eens zijn vijanden zal onderwerpen.

Jes 11:10  Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn. Jes 11:11  Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrie, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. Jes 11:12  En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks. Jes 11:13  En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen.  Jes 11:14  Maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. (SV)

Men denke ook aan de invasie door het hemelse leger onder aanvoering van Christus. De hemelse bruid van Christus zal met Hem geopenbaard worden aan deze wereld. Zij verschijnt als een leger van ruiters.

Opb 19:14 En de legers die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen. (TELOS)

De bruidegom heeft haar ook vergeleken met zijn merrie aan de wagens van Farao (1:9). Deze wagens zijn misschien ook strijdwagens geweest.

Hoogl. 6:5

Hoo 6:5  Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren. (SV)

Haar ogen en haar had hij al eerder beschreven in 4:1.

Hoo 4:1  Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren. (SV)

Zij doen mij geweld aan. Zij brengen een sterke aandoening in mijn binnenste teweeg, zij brengen mijn hart in beroering.[1]

Dit gebeurde bij Petrus, toen hij in de hof van de hogepriester zijn gebonden meester aanzag.

Hoogl. 6:6

Hoo 6:6  Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen jongeloos. (SV)

Een vergelijking die hij eerder heeft gemaakt:

Hoo 4:2  Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos. (SV)

Hoogl. 6:7

Hoo 6:7  Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. (SV)
Granaatappels uit Israël

Vergelijk:

Hoo 4:3  Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. (SV)

Hoogl. 6:8

Hoo 6:8  Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal. (SV)

In deze woorden komt koning Salomo naar voren. Er zijn zestig koninginnen, zijn eigenlijke gemalinnen, en tachtig bijvrouwen, die tot zijn dienst zijn, en verder maagden zonder getal, die de beide eerste dienen, en die hij ook tot zijn bijvrouwen kan nemen.[2]

De vermelding van de koninginnen en bijwijven dient alleen om te doen uitkomen, dat zijn vriendin die alle overtreft, wat meer zegt, dat zij de uitverkorene van zijn hart is.[2]

In 1 Kon. 11:3 worden andere getallen betreffende Salomo aangegeven:

1 Kon 11:3  En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven en zijn vrouwen neigden zijn hart. (SV)

Van dit verschil in getallen zijn verschillende verklaringen te geven[1]:

1. De kleinere getallen van het Hooglied hebben betrekking op den betere, vroegere tijd van Salomo’s leven, toen zijn hart nog niet geheel in wellust en afgodendienst verzonken was, de grotere getallen van het Boek der koningen daarentegen op de zeer bedroevende tijd tegen het einde van zijn leven.

2. De kleinere getallen van het Hooglied geven de bestendige vrouwen aan, de grotere van het Boek der Koningen daarentegen het gezamenlijke aantal van alle vrouwen, die Salomo achtereen volgens gehad heeft.

Hoogl. 6:9

Hoo 6:9  Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen. (SV)

Een enige... Uniek ten opzichte van de andere genoemde vrouwen.

... is Mijn duive, Mijn volmaakte. Vergelijk:

Hoo 5:2 Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.

De enige harer moeder. De enige dochter van haar moeder.

Als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen. Als de dochters, de maagden van Salomo's hof haar voor de eerste maal zien (of zagen), zo zullen zij haar welgelukzalig noemen; de koninginnen en de bijvrouwen zullen haar prijzen en haar schoonheid en lieflijkheid roemen.

Hoog. 6:10

Hoo 6:10  Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als [slagorden] met banieren? (SV)

Wie is zij? Het is alsof hij op een andere vrouw wijst. Deze heeft een lichtgestalte en ziet er ontzagwekkend uit. Dit doet denken aan deze vrouw in Openbaring:

Opb 12:1  En er werd een groot teken gezien in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon en de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. (Telos)

Dit doet ook denken aan de gemeente, de bruid van Christus, die met Hem in heerlijkheid verschijnt.

Col 3:4  Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. (Telos)

Schrikkelijk als [slagorden] met banieren. Vergelijk:

Hoo 6:4  Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als [slagorden] met banieren. (SV)

Zie het commentaar bij vers 4.

Hoogl. 6:10

Hoo 6:11  Ik ben tot den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten. (SV)

Hij zoekt vrucht, bloei, groei.

Notenhof. Een tuin waar planten met noten groeien.

Ik ben tot den notenhof afgegaan. Zijn vriendin had al eerder gezegd:

Hoo 5:1  Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten! (SV)

Hoo 6:2  Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. (SV)

Om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, enz. Vergelijk:

Lu 13:6  Hij nu sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgeboom die in zijn wijngaard was geplant, en hij kwam om vrucht daaraan te zoeken en vond die niet. (Telos)

Mt 21:19  En toen Hij een vijgeboom langs de weg zag, ging Hij er naar toe en vond niets daaraan dan alleen bladeren. En Hij zei tot hem: Laat van u in eeuwigheid geen vrucht meer komen! En de vijgeboom verdorde onmiddellijk. (Telos)

Hoogl. 6:12

Hoo 6:12  Eer ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk. (SV)

Eer ik het wist. In der haast, onvermoed, onvoorziens[3].

Mt 24:36  Van die dag en dat uur echter weet niemand, ook de engelen van de hemelen niet, ook de Zoon niet, behalve de Vader alleen. (Telos)

Mr 13:32  Van die dag of dat uur echter weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, behalve de Vader. (Telos)

Zette mij mijn ziel. Zette ik mijzelf op de wagens.

Wagens. Ook Jahweh heeft wagens:

Jes 66:15  Want ziet, de HEERE zal met vuur komen, en Zijn wagenen als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn schelding met vuurvlammen.

Ps 68:17  (68-18) Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid!

Hemelse gezichten tonen of laten soms wagens horen.

2Kon 6:15  En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen. (...) 2Kon 6:17  En Elisa bad, en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie! En de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa. (SV)

En later in de tijd:

2Kon 7:6  Want de HEERE had het heir der Syriërs doen horen een geluid van wagenen, en een geluid van paarden, het geluid ener grote heirkracht; zodat zij zeiden de een tot den ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten, en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons te komen. (SV)

Mijn vrijwillig volk. Of: mijn edel (prinselijk, vorstelijk) volk. Sommigen verstaan hier de heilige engelen[3].

In het visioen van Ezechiël (hoofdstuk 1) heeft Gods troonwagen vier wezens. De Heer Jezus komt met al zijn heilige engelen.

Mt 25:31 Wanneer nu de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van zijn heerlijkheid; Mt 25:32 en voor Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt; (TELOS)

2Th 1:7 ... bij de openbaring van de Heer Jezus van de hemel met de engelen van zijn kracht, (TELOS)

Voor hemelwagens, zie Wagen.

Hoogl. 6:13

Hoo 6:13  Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren. (SV)

In den Hebreeuwse Bijbel begint met dit vers hoofdstuk 7. Het past dan ook geheel bij het volgende hoofdstuk.[2]

Keer weder... Wordt 4x gezegd. Anderen vertalen: "keer terug" (HSV), "kom terug" (WV95) "wend u" (NBG51), "keer om" (NaB), "draai rond" (NBV2004). De vertaling "draai rond" doet denken aan dansbeweging.

De bruidegom spreekt hier uit, dat zijn liefde geen ogenblik is verkoeld, al was zijn vriendin ook enigszins van hem afgeweken. Hij roept haar nu om weer bij hem te blijven, geheel en al zich af te wenden van haar verkeerde weg. Ja, in dat "keer weer", tot vier maal toe herhaald, legt de bruidegom zijn geheel liefdehart voor haar open. Hij is dezelfde gebleven ook bij haar ontrouw.[2]

Dit is een heerlijk beeld van de liefde van Christus voor Zijn gemeente. Ook dan als zij in een afgezakte toestand verkeert, wordt Zijn trouw niet teniet gedaan. De meerdere dan Salomo blijft tot al de zijnen immer door roepen "Keer terug"!

Opb 3:19  Allen die Ik liefheb, bestraf en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u.  Opb 3:20  Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik ook bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij. (Telos)

Ook de Sulammitische heeft gewenst dat haar vriend terugkwam:

Hoo 2:17  Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether. (SV)

Het boek Hooglied eindigt zelfs met haar roepstem:

Hoo 8:14  Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen. (SV)

Sulammith. Dit is de enige plaats in Hooglied, waar zij met deze naam genoemd wordt. Juist uit deze omstandigheid reeds kan men opmaken, dat "Sulamith" niet de eigenlijke naam van de bruid en ook geen zuiver vrouwelijke naam is. Zij noemde de hofvrouwen "dochters van Jeruzalem"; dezen noemen háár op dezelfde wijze naar de plaats van haar herkomst. Zij, een Sulamittische, is afkomstig uit Sulem. Haar naam betekent 'de volmaakte' of 'de vredige'. Misschien is de aanduiding 'Sulamittische' (Hebr. Sjoelamiet) een toespeling op de naam Salomo en op de buitengewoon schone maagd uit Sunem, een Sunamietische, Abisag geheten, die David in zijn ouderdom koesterde. Zie Sulammith voor het hoofdartikel.

.... dat wij u mogen aanzien. Wie zijn die 'wij'? De bruidegom en de zijnen, zo schijnt het. Sommigen echter [4] lezen hier de oproep door de meisjes, koninginnen en bijvrouwen van Salomo, of door het koor[5].

Wat ziet gijlieden ... aan. 'Gijlieden' duidt op anderen die de bruid wellicht medelijdend of verachtelijk of enigszins permanent aanzien. Uit de volgende woorden, 7:1v, waarin de bruid op het meest verheerlijkt wordt en waarmee de bruidegom al haar smaadheid wegneemt, blijkt dat in deze woorden ligt, een bedekt verwijt over een meer of min verachtelijke blik, waarmee de omstanders de Sulamittische aanzien. Denken jullie, wil de bruidegom misschien zeggen, dat zij mij niet meer dierbaar is, dat mijn liefde verkoeld is, nu zij van mij afzwierf? Neen.[2]

Sommigen [4] lezen hier het antwoord door de bruidegom aan de oproep door hofvrouwen om terug te komen.

Toegepast op de gemeente van Christus, kan men zeggen dat de Heer voor zijn verloofde opkomt. Al wordt zij door de wereld veracht en ziet de wereld in haar niets, zij is Hem als een reidans van legers. Met Hem zal zij overwinnen en triomfantelijk feestvieren.

1Co 5:7 ... u bent immers ongezuurd. Want ook ons pascha, Christus, is geslacht. 1Co 5:8  Laten wij daarom feestvieren, niet met oud zuurdeeg, ook niet met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid. (Telos)

Als een rei van twee heiren. Van twee legers. Het Hebreeuwse woord, dat hier in het meervoud voorkomt, wordt bijna overal vertaald door 'legerplaats' (meestal) of 'leger'.

Men kan hier ook denken aan de tien en twee stammen van Israël. Eerder is de bruid vergeleken met Thirza en Jeruzalem en slagorden.

Hoo 6:4  Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als [slagorden] met banieren. (SV)

Hoo 6:10  Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als [slagorden] met banieren? (SV)

De bruid wordt in Hooglied voorgesteld als een enkeling en als een groep.

Anderen[6] lezen het meervoud 'twee legers' als een plaatsnaam: Machanaïm (Mahanaim), dat 'twee legers' betekent.

Ge 32:1  Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem. Ge 32:2  En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim. (SV)

De bruid staat daar voor haar vriend in haar vernieuwde gestalte, teruggekeerd tot hem. En daarom zal Hij nu ook weer haar schoonheid beschrijven. Ongetwijfeld moet deze uitdrukking 'een reidans van twee legers' dienen om de schoonheid in het algemeen van de bruid uit te drukken, om haar ongemene schoonheid met een enkel woord te zeggen.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 Parafrase door Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt.
  3. 3,0 3,1 Kanttekeningen bij de Statenvertaling
  4. 4,0 4,1 Zoals de herzieners van de Statenvertaling (2004).
  5. Zoals de Willibrord-vertaling uit 1995.
  6. Zo de NBG51-vertaling.