Titus 1

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Titus, hoofdstuk: 1 2 3

Hoofdstuk Titus 1 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Afzender en zegenwens (1-4). Titus moet in elke stad op Kreta oudsten aanstellen. Ze moeten aan bepaalde eisen voldoen (5-9). Hij moet brengers van een valse leer aan de kaak stellen (10-16).

1

Tit 1:1  Paulus, slaaf van God alsook apostel van Jezus Christus, naar het geloof van de uitverkorenen van God en de kennis van de waarheid die naar de godsvrucht is, (Telos)

Slaaf van God. Andere Nederlandse vertalingen hebben "dienstknecht" of "dienaar" in plaats van "slaaf". Het Griekse woord is δουλος, d.i. slaaf, een dienstknecht die eigendom is van een heer. Tegenover de slaaf staat de vrije. Zie Dienaar voor vijf Griekse woorden in het Nieuwe Testament begrippen die het denkbeeld van 'dienaar' gemeenschappelijk hebben.

Ro 1:1 Paulus, slaaf van Christus Jezus, geroepen apostel, afgezonderd tot het evangelie van God (Telos)

Flp 1:1  Paulus en Timotheus, slaven van Christus Jezus, aan alle heiligen in Christus Jezus die in Filippi zijn, met de opzieners en dienaars; (Telos)

Ook Jakobus, de biologische broer (!) van Jezus, noemt zichzelf "slaaf van God en van de Heer Jezus Christus".

Jak 1:1 Jakobus, slaaf van God en van de Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: gegroet! (Telos)

Ook de apostel Petrus noemt zichzelf een slaaf van Jezus Christus.

2Pe 1:1 Simon Petrus, slaaf en apostel van Jezus Christus, aan hen die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben door de gerechtigheid van onze God en Heiland Jezus Christus: (Telos)

Naar het geloof van de uitverkorenen van God. Vgl. vers 4: "naar het gemeenschappelijk geloof".

7

Tit 1:7  Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit, (Telos)

Niet op schandelijke winst uit. Even verderop verwijst Paulus naar mensen die wel zijn (2:11).

9

Tit 1:9  vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen. (TElos)

Betrouwbare woord. In tegenstelling tot "joodse fabels en geboden van mensen" (1:14)

Gezonde leer. Zie vers 13: "opdat zij gezond zijn in het geloof".

10

Tit 1:10  Want er zijn vele en weerspannige zwetsers en bedriegers, vooral zij die uit de besnijdenis zijn. (Telos)

Bedriegers. Elders schrijft Paulus van 'valse broeders'.

2Co 11:26  Dikwijls op reis, in gevaren van rivieren, in gevaren van rovers, in gevaren door volksgenoten, in gevaren door de volken, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders; (Telos)

Ga 2:4  en dat vanwege de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen. (Telos)

11

Tit 1:11  Men moet hun de mond stoppen, daar zij hele huizen omkeren, door te leren wat niet behoort ter wille van schandelijke winst. (Telos)

Ter wille van schandelijke winst. Zie vers 7.

12

Tit 1:12  Iemand van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: Kretenzen zijn altijd leugenaars, kwade beesten, luie buiken. (Telos)

Hun eigen profeet. Een valse Joodse profeet.

Kretenzen. Mensen woonachtig op of afkomstig van het eiland Kreta.

13

Tit 1:13  Dit getuigenis is waar. Stel hen daarom scherp aan de kaak, opdat zij gezond zijn in het geloof (Telos)

Gezond in het geloof. Vgl. vers 9.

Stel hen daarom scherp aan de kaak. Zie vers 9 ("vermanen ... weerleggen")

15

Tit 1:15  Voor de reinen is alles rein, maar voor de besmetten en ongelovigen is niets rein, maar zowel hun verstand als hun geweten is besmet. (Telos)

Paulus lijkt te verwijzen naar Joden die vasthouden aan spijswetten en geboden van mensen (vers 14).

Besmetten. Besmette christenen, daar ze worden genoemd naast 'ongelovigen'.