Lukasevangelie/Hoofdstuk 11

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Lukasevangelie:


Hoofdstuk 11 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Luk. 11:15

Lu 11:16  Anderen nu verlangden van Hem een teken uit de hemel, om Hem te verzoeken. (Telos)

Een teken uit de hemel. Een wonderteken in de vorm van verschijnsel dat zijn oorsprong zichtbaar of hoorbaar in de hemel heeft.

Mt 16:1  En de farizeeën en sadduceeën kwamen naar Hem toe, en om Hem te verzoeken vroegen zij Hem hun een teken uit de hemel te tonen. (Telos)

Misschien dachten ze aan een zonsverduistering, een komeet, een aangekondigde windvlaag of zoiets. Zo'n teken kon bewijzen dat hij de Christus was; genezingen bewezen, volgens sommigen, niets of niet genoeg. Misschien dachten ze aan een teken als van Elia. Deze profeet Elia op de berg bad vuur van de hemel af, dat vervolgens het kletsnatte offer verteerde - ten teken dat niet Baäl maar de God van Israël de ware God is (1 Kon. 18: 36-38). In de toekomst zal de Valse Profeet een dergelijk teken doen, om de mensen te misleiden.

Opb 13:13  En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen. (Telos)

De Heer Jezus Zelf is een teken uit de hemel: zijn woorden en wonderen, zijn doen en laten. Zijn teken zal bij zijn wederkomst verschijnen in de hemel.

Mt 24:30  En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in de hemel; en dan zullen alle stammen van het land weeklagen en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel met kracht en grote heerlijkheid. (Telos)

Luk. 11:19

Lu 11:19  Als Ik nu door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen die uw rechters zijn. (Telos)

Uw zonen. Wellicht de discipelen of anders andere Joden. De discipelen hadden eerder de macht gekregen om demonen uit te drijven (Luk. 9:1; 10:17). Maar ook anderen dreven demonen uit.

Mr 9:38  Johannes zei tot Hem: Meester, wij zagen iemand die ons niet volgt, in uw naam demonen uitdrijven, en wij hebben het hem verhinderd, omdat hij ons niet volgde. Mr 9:39  Jezus echter zei: Verhindert het hem niet; want er is niemand die een kracht zal doen in mijn naam en kort daarna smadend van Mij zal kunnen spreken.  Mr 9:40  Want wie niet tegen ons is, is voor ons. (Telos)

Zullen die uw rechters zijn. Dat de discipelen rechters zullen zijn, wordt ons meegedeeld:

Mt 19:28  Jezus nu zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op de troon van zijn heerlijkheid, u ook op twaalf tronen zult zitten om de twaalf stammen van Israel te oordelen. (Telos)

Luk. 11:20

Lu 11:20  Als Ik echter door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God tot u gekomen. (Telos)

Dat uitdrijven was een teken van Gods koninkrijk. Het was een teken uit de hemel, waar God woont.

Heb 2:4  terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest naar zijn wil. (Telos)

Het koninkrijk van God, van Zijn Christus, zal het rijk van de satan vernietigen. Denk aan de steen die het statenbeeld van Daniël vernietigt. In het Vrederijk zal kennelijk geen bezetenheid meer voorkomen.

Luk. 11:21

Lu 11:21  Wanneer de sterke welbewapend zijn hofstede bewaakt, zijn zijn bezittingen in vrede. (Telos)

Hofstede. Grieks: αυλη, aule. De open binnenplaats van een huis, binnen de muren van het huis, of een open ruimte, binnen de 'tuinmuren', tussen het huis en de straat.

Bezittingen. Die in de macht van Satan zijn, zijn diens bezittingen. Bezetenen zijn bezittingen van de duivel.

In vrede. Een satanische vrede.

De ruiter op het witte paard (het eerste gerichtszegel in de Openbaring van Johannes) brengt kennelijk vrede, die bij het volgende zegel wordt weggenomen van de aarde.

Luk. 11:22

Lu 11:22  Als echter iemand op hem af komt die sterker is dan hij en hem overwint, neemt die zijn hele wapenrusting waarop hij vertrouwde, en verdeelt zijn buit. (Telos)

Dat overwinnen en verdelen gebeurt bij het winnen en "bijeenbrengen" (vers 23) van de mensen onder de vleugels van de Heiland.

Zijn buit. De tot buit genomen 'bezittingen' (vers 21).

Verdeelt zijn buit. Vertrouwt de bevrijden toe aan de zorg van 's Heren discipelen.

Luk. 11:23

Lu 11:23  Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, verstrooit. (Telos)

Bijeenbrengt.

Mt 23:37  Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot u zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. (Telos)

Luk. 11:27

Lu 11:27  Het gebeurde nu, toen Hij dit zei, dat een vrouw uit de menigte haar stem verhief en tot Hem zei: Gelukkig de schoot die U heeft gedragen en de borsten die U hebt gezogen. Lu 11:28 Hij echter zei: Jawel, maar veeleer gelukkig zij die het woord van God horen en bewaren. (TELOS)

Veeleer gelukkig. Deze woorden moeten ons ervoor bewaren Maria op een voetstuk te zetten. Vergelijk:

Lu 8:20 En men berichtte Hem: Uw moeder en uw broers staan buiten en willen U zien. Lu 8:21 Hij antwoordde echter en zei tot hen: Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen die het woord van God horen en doen. (TELOS)

Maria was de lichamelijke moeder. Ook deze opmerking van de Heer moet ons bewaren voor oververheffing van Maria, zoals in de Rooms-Katholieke Kerk is gebeurd.

Luk. 11:28

Lu 11:28  Hij echter zei: Jawel, maar veeleer gelukkig zij die het woord van God horen en bewaren. (Telos)

In vers 31 stelt de Heer de koningin van het Zuiden als voorbeeld, omdat zij van ver kwam om de wijsheid van Salomo te horen.

Luk. 11:33

Lu 11:33  Niemand die een lamp ontsteekt, zet die op een verborgen plaats of onder de korenmaat maar op de kandelaar, opdat zij die binnenkomen het licht zien. (Telos)

Een lamp wordt ontstoken om licht te geven. Dat licht hebben de mensen nodig. Daarom moet de lamp niet verborgen worden, maar op een zichtbare plaats gezet worden.

Luk. 11:34

Lu 11:34  De lamp van uw lichaam is uw oog; wanneer uw oog eenvoudig is, is ook uw hele lichaam verlicht; als het echter boos is, is ook uw lichaam duister. (Telos)

Het oog laat het licht door dat het ziet. Zo komt er licht in ons en kunnen we van binnen verlicht worden. Als het oog op duistere dingen staart, gericht is op boze dingen, worden wij van binnen duister. Als we op Jezus, het licht der wereld zien, worden we van binnen verlicht.

Luk. 11:35

Lu 11:35  Zie dan toe, dat het licht dat in u is, geen duisternis is. (Telos)

Wij hebben dus dat inwendige licht te bewaren door op het Licht der wereld te blijven zien.

Heb 2:9  maar wij zien Jezus, die een weinig minder dan de engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door de genade van God voor alles de dood smaakte. (Telos)

Luk. 11:36

Lu 11:36  Als dan uw hele lichaam verlicht is, zonder enig duister deel te hebben, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar stralen verlicht. (Telos)

De lamp verlicht ons van buiten, het Licht der wereld, als wij daarop zien, verlicht ons van binnen en doet duistere delen uit ons binnenste verdwijnen.

Luk. 11:41

Lu 11:41  Geeft evenwel hetgeen erin is als aalmoes, en zie, alles is u rein. (CP[1])

Dit vers is moeilijk te verstaan. "Hetgeen erin is" kan slaan op hetgeen in de drinkbeker en de schotel is. Belangrijker dan het reinigen van de buitenkant van de drinkbeker en de schotel is het schenken van hetgeen erin is. Als ze dat als aalmoes geven aan de armen, dan zouden minder bezig zijn met het reinigen van de buitenkant en meer dingen voor rein houden. Maar de Heer kan het ook ironisch bedoelen: aalmoezen maakt jullie - anders dan jullie menen - juist niet rein. In dit geval verwoordt hij het denken van de farizeeën.

"Hetgeen erin is" kan ook slaan op wat in hun binnenste is: roof en boosheid, of liever de voorwerpen van hun hebzucht. Bij boosheid denken we aan hebzucht, afgunst en eerzucht. Wat de farizeeën begeren (geld, goed) en in hun hart is, zouden ze juist moeten geven als aalmoes. Zouden ze dat doen, dan zouden ze blijk geven van een betere kijk op rein en onrein en niet zo licht uitwendige dingen voor onrein houden.

Luk. 11:42

Lu 11:42  Maar wee u, farizeeën, want u geeft tienden van de munt, de wijnruit en alle groente, en u gaat voorbij aan het oordeel en de liefde van God. Deze dingen nu zou men moeten doen en de andere niet nalaten. (Telos)

De eerste aanmerking van de Heer (vers 39-40) betreft de tegenstelling buitenkant en binnenste, ding en hart, rein en onrein. De tweede aanmerking nu betreft de tegenstelling bijzaak en hoofdzaak. Zelfs van de geringste dingen gaven de farizeeën tienden. Het belangrijkste echter, daaraan gingen zij voorbij.

Luk. 11:47

Lu 11:47  Wee u, want u bouwt de graftomben van de profeten, maar uw vaderen hebben hen gedood. (Telos)

U bouwt de graftomben. Doden - begraven - graftombe bouwen. De Heer Jezus ziet het als één gebeuren van mensen die de profeten allesbehalve geëerd hebben. Ook de Heer, die een profeet is, zal gedood worden.

Luk. 11:52

Lu 11:52  Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; zelf bent u niet binnengegaan en hen die wilden binnengaan, hebt u verhinderd. (Telos)

De sleutel van de kennis weggenomen. De sleutel van de kennis is datgene wat toegang geeft tot kennis en tot het koninkrijk van God. Wat bedoelt de Heer? Er zijn verschillende verklaringen, als:

1. De wetgeleerden hebben de Wet voor zich in beslag genomen en dulden naast zichzelf geen andere leraars van de wet. Zij alleen onderrichten en laten het volk slechts zoveel licht toekomen als hun goeddunkt.

2. De sleutel van de kennis is de liefde tot God en de kennis van Hem uit de Schrift, de omgang met God, de wandel met Hem. Vgl. vers 42, waarin van de farizeeën gezegd wordt dat zij voorbijgaan aan het oordeel en de liefde van God.

3. De sleutel tot de kennis is de kennis aangaande de Christus. Deze sleutel hadden de Schriftgeleerden in de hand en zij hadden voor het volk de Schrift moeten openen (vgl. Luk. 24:32 en Hand. 17:3) en uit de profeten moeten bewijzen dat Jezus de Christus was; maar zij deden het tegendeel, zij sloten door hun menselijke leringen voor zichzelf en voor hun toehoorders de Schrift toe en daarmee het Koninkrijk der hemelen.

In de kerkgeschiedenis is iets dergelijks gebeurd. In de voetstappen van deze wetgeleerden zijn helaas de priesters van de Roomse kerk getreden, die aan het arme volk de Schrift, de sleutel van de kennis, onthielden.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op Lukas 11 is onder wijziging verwerkt op 6 mei 2020.

Voetnoot

  1. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Telos-vertaling