Lukasevangelie/Hoofdstuk 15

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Lukasevangelie:


Hoofdstuk 15 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Naar aanleiding van gemopper door farizeeën en Schriftgeleerden over Jezus' omgang met tollenaars en zondaars vertelt de Heiland drie gelijkenissen, van het verloren schaap (1-7), de verloren munt (8-10), en de verloren zoon (11-32). In de drie gelijkenissen komt naar voren de blijdschap over het terugvinden, terugkrijgen van wat verloren was.

Luk. 15:13

Lu 15:13  En na niet vele dagen pakte de jongste zoon alles bijeen en ging op reis naar een ver land en bracht daar zijn bezit door in een losbandig leven. (Telos)

Een ver land. Ver verwijderd van het huis van zijn vader en zijn broer.

Bracht ... zijn bezit door. Verspilling, onverstandig gebruik van middelen. Zie Luk. 13: 28-29, 31.

Luk. 15:14

Lu 15:14  Toen hij nu alles had verteerd, kwam er een zware hongersnood in dat land en hij begon gebrek te lijden. (Telos)

Nu alles had verteerd. En geen reserve meer had.

Gebrek lijden. Ook toen hij een baantje had (verzen 15-17). Dat gebrek toont zich ook later voor ons, wanneer zijn vader sandalen voor hem laat halen.

Luk. 15:15

Lu 15:15  En hij ging heen en vervoegde zich bij een van de burgers van dat land, en die zond hem op zijn velden om varkens te weiden. (Telos)

Varkens te weiden. Varkens zijn onreine dieren volgens de wet van Mozes, zie Varken.

The Prodigal Son (= De verloren zoon). Schilderij door John Maccallan Swan, 1888.

Luk. 15:17

Lu 15:17  Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger. (Telos)

Toen kwam hij tot zichzelf. Toen hij zozeer aan lager wal was geraakt en gebrek leed.

Luk. 15:18

Lu 15:18  Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, (Telos)

Ik heb gezondigd tegen de hemel. In het losbandige leven dat hij geleid had. Zijn geweten klaagde hem aan. De stem van het geweten leidt mede tot bekering.

En voor u. Wellicht voelde hij zich schuldig (1) over de verspilling van het vermogen dat de vader hem geschonken had, (2) over een leven dat in strijd was met de opvoeding en de tucht van zijn vader, (3) over het verlaten van zijn familie, met wie hij geen contact onderhield. "Ik ben niet meer waard uw zoon te heten" (19).

Luk. 15:19

Lu 15:19  ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij als een van uw dagloners. (Telos)

De jongste zoon wilde zich vernederen.

Luk. 15:20

Lu 15:20  En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig. (Telos)
"Viel hem om de hals en kuste hem innig".

Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem. We kunnen niet afleiden dat de vader al "op de uitkijk" stond vóórdat hij zijn zoon zag. Wel is zeker dat de vader zijn verloren zoon zag toen deze nog veraf was.

2Kr 16:9  Want [aangaande] de HEER, Zijn ogen doorlopen de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan [degenen], wier hart volkomen is tot Hem ... (CP[1]).

Veel zondaars zijn veraf ten opzichte van God, maar Hij ziet hen wanneer zij tot Hem naderen, zich in Zijn richting begeven.

Zag ... met ontferming bewogen ... liep snel op hem toe. Waarneming → (Denken →) Gemoedsbeweging → Handeling.

Luk. 15:21

Lu 15:21  De zoon nu zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten. (Telos)

Uit het vervolg blijkt dat de zoon niet tot de voorgenomen bede, om hem tot een dagloner van zijn vader te maken, kon komen. De vader, opgewonden van blijdschap, geeft zijn slaven meteen een opdracht (vers 22).

Luk. 15:22

Lu 15:22  De vader echter zei tot zijn slaven: Haalt vlug het beste kleed tevoorschijn en trekt het hem aan, en doet een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten, (Telos)

Haalt vlug het beste kleed tevoorschijn. Het beste kleed? Kan het niet wat minder? Dat zou onze begrijpelijke reactie, in de geest van de oudste zoon, kunnen zijn geweest. De vader echter heeft iets kostbaars terug gekregen. Op deze manier wil hij uitdrukking geven aan zijn vreugde en dankbaarheid.

En trekt het hem aan. De vader bekleedt zijn zoon. Zo bekleedde God Adam en Eva, nadat zij in de zonde gevallen waren en Hij hen had opgezocht en met hen gesproken had.

Jes 61:10  Ik ben zeer vrolijk in de HEER, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; (CP[1]).

Een ring aan zijn hand. Aan een vinger van zijn hand. De ring drukt twee dingen uit: 1. eenheid, verbondenheid, 2. liefde, genegenheid.

Sandalen aan zijn voeten. Het gebrek van de zoon bleek ook daaruit dat hij geen schoeisel, anders versleten schoeisel, droeg.

Handen en voeten zijn leden van ons lichaam, instrumenten van onze handel en wandel.

Ro 6:13  En stelt uw leden niet voor de zonde tot werktuigen van de ongerechtigheid, maar stelt uzelf voor God als uit de doden levend geworden, en uw leden voor God tot werktuigen van de gerechtigheid. (Telos)

Luk. 15:23

Lu 15:23  en haalt het gemeste kalf, slacht het en laten wij eten en vrolijk zijn; (Telos)

Gemeste kalf. Vee mesten is het "vet, of althans slachtrijp maken door het geregeld (bepaald) voedsel te geven"[2]. Merk op dat de vader om een 'kalf', een jong rund vraagt. Het was kennelijk bestemd voor de slacht, niet voor de ploeg.

Slacht het en laten wij eten. Is dat nu niet jammer, dat een kalf gedood moest worden? De zoon was als dood en werd levend (24), het kalf daarentegen was levend en werd gedood.

Wij, gelovigen, leven van het vlees en bloed van het Godslam. Jezus heeft gezegd:

Joh 6:54  Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag. (...) Joh 6:56  Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. (Telos)

En vrolijk zijn. In alle drie de gelijkenissen (verloren schaap, verloren munt, verloren zoon) is er blijdschap: blijdschap bij de herder en in de hemel (7), blijdschap bij de vrouw en voor de engelen (10), blijdschap bij de vader (23). Er is in de laatste gelijkenis geen verwijzing naar de hemel, maar de verwijzing is impliciet, ligt er zeker 'dik bovenop'. Het is onze hemelse Vader die verheugd is over elke zondaar die zich bekeert!

Luk. 10:24

Lu 15:24  want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn. (Telos)

Dood. Van hem was lange tijd geen teken van leven vernomen. Een dode communiceert niet meer.

Verloren. Dood en verloren zijn is de toestand van een onverloste zondaar ten opzichte van God.

Luk. 10:27

Lu 15:27  Deze nu zei tot hem: Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond heeft teruggekregen. (Telos)

Uw vader heeft het gemeste kalf geslacht. Volgens vers 23 láát de vader het slachten. Beide is waar. Wat betreft de dood van Christus: de mensen doden hem, de Vader offerde Hem, de Zoon gaf zichzelf en legde zijn leven af. Alle drie is waar.

Luk. 10:29

Lu 15:29  Hij antwoordde echter en zei tot zijn vader: Zie, zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw gebod overtreden, en mij hebt u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn. (Telos)

Nooit heb ik uw gebod overtreden. De farizeeën en de Schriftgeleerden (15:2) namen, in tegenstelling met de zondaars en tollenaars (15:1), Gods geboden en verboden nauwlettend in acht.

Luk. 15:30

Lu 15:30  Nu echter die zoon van u gekomen is, die uw vermogen met hoeren heeft opgemaakt, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht. (Telos)

Uw vermogen. Wat de vader hem geschonken had. Zo besteden ook wij, voor zover wij nog zondaars zijn, onze door God gegeven middelen en gaven vaak verkeerd.

Luk. 15:32

Lu 15:32  Wij nu moesten vrolijk en blij zijn, want deze broer van jou was dood en is levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. (Telos)

Wij nu moesten vrolijk en blij zijn. In plaats van te "mopperen", wat de farizeeën en Schriftgeleerden deden over Jezus: "deze ontvangt zondaars en eet men hen" (15:3).

Opvallend is dat de vader geen enkel geluid van misnoegdheid laat horen over de verkwisting van het vermogen dat hij aan de jongste zoon had geschonken noch over diens wangedrag. De blijdschap van de vader staat voorop. Deze gelijkenis en de beide vorige moeten de farizeeën en schriftgeleerden bewegen om hun gemopper op te geven en blij te zijn over Jezus' heilzame omgang met zondaars.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.