Onderwerpenregister bij de Bijbel/B

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

Onderwerpen die beginnen met de letter B:

Hos. 11 : 2 Baäl aan de -s offeren
2 Kon. 21 : 3 Baäl altaar voor - oprichten: door Manasse
2 Kron. 23 : 17 Baäl altaren van -
Jer. 11 : 13 Baäl altaren voor -
Richt. 3 : 7 Baäl Baäls dienen
Richt. 2 : 11 Baäl Baäls dienen door de kinderen Israëls
2 Kon. 3 : 2 Baäl beeld van -: weggedaan
2 Kron. 23 : 17 Baäl beelden van -
2 Kron. 28 : 2 Baäl beelden voor de -s maken
Richt. 10 : 10 Baäl belijden de -s gediend te hebben
1 Kon. 22 : 53 Baäl buigen voor
2 Kron. 17 : 3 Baäl de -s niet zoeken: Josafat
2 Kon. 10 : 19 Baäl dienaren: profeten en priesters
Richt. 2 : 13 Baäl dienen
1 Kon. 22 : 53 Baäl dienen
1 Kon. 16 : 31 Baäl dienen van -
2 Kon. 17 : 16 Baäl dienen: door Israël
2 Kron. 24 : 7 Baäl geheiligde dingen van Gods huis besteden aan de Baals
Hos. 2 : 15 Baäl gezegd van God
Jer. 32 : 35 Baäl hoogten van -
2 Kon. 10 : 21 Baäl huis van -
2 Kron. 23 : 17 Baäl huis van -: afgebroken
2 Kon. 10 : 26 Baäl huis: bevatte beelden
Hos. 2 : 7 Baäl kostbaarheden gebruiken ter ere van -
1 Kron. 14 : 11 Baäl naam toegepast op God
Richt. 8 : 33 Baäl nahoereren van -s
Zef. 1 : 4 Baäl overblijfsel van -
2 Kron. 23 : 17 Baäl priester van - gedood
2 Kon. 10 : 19 Baäl priesters van -
2 Kon. 10 : 19 Baäl profeten van -
Jer. 23 : 27 Baäl profeten van -
Jer. 23 : 13 Baäl profeteren door -
Jer. 7 : 9 Baäl roken aan -
Jer. 11 : 13 Baäl roken aan -
Jer. 11 : 17 Baäl roken aan -
Rom. 11 : 4 Baäl weigeren - te vereren
Richt. 8 : 33 Baäl-Berith
Joz. 11 : 16 Baäl-Gad
Ps. 106 : 28 Baäl-Peor
2 Kon. 1 : 2 Baäl-Zebub de god van Ekron
2 Kon. 1 : 15 Baäl-Zebub de god van Ekron
Spr. 16 : 17 baan van de oprechte is van het kwaad af te wijken
Jes. 49 : 11 baan van God: Mijn banen zullen verhoogd zijn
Jes. 59 : 7 baan verstoring en verbreking is op hun banen
Lev. 19 : 27 baard behouden
1 Sam. 21 : 13 baard David
2 Sam. 20 : 9 baard Joab vatte de baard van Amasa om hem te kussen
1 Kron. 19 : 5 baard mannen droegen een -
Lev. 21 : 5 baard niet afscheren
2 Sam. 10 : 4 v baard
Gen. 29 : 31 baarmoeder door God geopend
Spr. 30 : 16 baarmoeder gesloten -
Job 31 : 15 baarmoeder God heeft ons bereid in de -
Gen. 30 : 22 baarmoeder openen: door God: bij Rachel
Jes. 46 : 3 baarmoeder opnemen van de – af: door God: Israël
Gen. 20 : 18 baarmoeder toesluiten: door God
Pred. 7 : 21 baas niet alles willen horen van zijn personeel
Mark. 5 : 26 baat geen - vinden van behandelingen
Neh. 5 : 14 v baatzuchtig on-heid: Nehemia's -
1 Tim. 5 : 13 babbelachtig
Jer. 51 : 32 Babel aan wateren gelegen
Jes. 47 : 12 Babel arbeid in toverijen en bezweringen
Jer. 51 : 52 Babel dodelijk verwonde
Ez. 19 : 13 Babel dor en dorstig land
Jes. 48 : 20 Babel en de Chaldeeën
Jes. 48 : 20 Babel gaat uit van -
Jes. 13 : 19 Babel geen woonplaats meer
Jer. 51 : 47 Babel gesneden beelden van –
Jer. 51 : 52 Babel gesneden beelden van –
Gen. 10 : 10 Babel gesticht door Nimrod
Jes. 13 : 19 Babel karakter
Jer. 27 : 6 Babel landen door God aan - gegeven
Jes. 13 : 1 v Babel last van -
Jer. 51 : 6 Babel middel in Gods hand
Jes. 21 : 1 v Babel ondergang van - voorzegd
Jes. 47 : 1 v Babel ondergang van – aangezegd
Jer. 51 : 48 Babel ondergang van –: hemelen en aarde juichen daarover
Jer. 25 : 12 Babel ondergang van babylonische rijk voorzegd
Jer. 51 : 53 Babel ondergang: door God bewerkt
Jer. 51 : 6 Babel ongerechtigheid van –
Jes. 14 : 5 Babel oordeel over -
Jes. 13 : 19 Babel oordeel van -
Jer. 50 : 1 v Babel profetie over -
Jer. 51 : 11 Babel profetie over –: Babel verdorven door de Meden
Jer. 27 : 7 Babel rijk van - vastgestelde duur
Jer. 51 : 13 Babel rijkdom van –
Jes. 13 : 19 Babel sieraad der koninkrijken
Jes. 48 : 14 Babel tegen -: God handelt
Jer. 51 : 25 Babel verdervende berg
Jes. 48 : 20 Babel verlossing uit de Babylonische ballingschap
Jer. 51 : 48 Babel verstoorders van – komen van het Noorden
Jer. 51 : 50 Babel weggaan uit – bevolen
Jer. 51 : 13 Babel woonde aan vele wateren
Ex. 2 : 6 baby huilende –
Ex. 2 : 2 baby verbergen
Opb. 14 : 8 Babylon grote -
Opb. 17 : 5 Babylon het grote -
Opb. 16 : 19 Babylon het grote - werd voor God in herinnering gebracht
Opb. 14 : 8 Babylon hoererij
Opb. 18 : 23 Babylon toverij die alle naties misleid
Opb. 18 : 20 , 24 Babylon vervolgster der heiligen, 19:2
Opb. 18 : 10 Babylon
Jer. 5 : 16 Babyloniërs eten alles op
Jer. 5 : 16 Babyloniërs helden allemaal
Jer. 6 : 22 Babyloniërs opgewekt door God
Jer. 5 : 16 Babyloniërs pijlkoker als een open graf
Jer. 5 : 15 Babyloniërs sterk volk
Jer. 5 : 15 Babyloniërs van verre komend
Jer. 5 : 15 Babyloniërs vreemde spraak
Jer. 6 : 22 Babyloniërs wreed volk
Jer. 5 : 15 Babyloniërs zeer oud volk
Dan. 7 : 4 Babylonische rijk
Ex. 1 : 16 babymoord
Ex. 1 : 22 babymoord
Hebr. 10 : 22 baden geheel baden en wassen in rein water
Hos. 7 : 4 bakoven
Deut. 28 : 5 baktrog
Deut. 28 : 17 baktrog
Jes. 39 : 1 Baladan
Luk. 6 : 41 balk en splinter
1 Kron. 5 : 6 ballingschap Assyrische -
Jer. 5 : 19 ballingschap Babylonische - voorzegd
Micha 4 : 10 ballingschap Babylonische - voorzegd
Zef. 1 : 2 ballingschap Babylonische - voorzegd
1 Kron. 9 : 3 ballingschap bewoners van Jeruzalem na de -
2 Kon. 17 : 7 ballingschap der Joden: omwille van hun afgoderij, wereldgelijkvormigheid, eigen inzettingen
Ez. 11 : 16 ballingschap door God teweeggebracht
Jer. 25 : 11 ballingschap Israël: 70 jaar voorzegd
1 Kon. 14 : 15 ballingschap Israël: oorzaak: afgoderij
2 Kon. 21 : 10 v ballingschap Juda's - voorzegd
Ezra 9 : 13 ballingschap oorzaak
Ezra 6 : 12 ballingschap oorzaak: door volk erkend
Neh. 1 : 8 ballingschap oorzaak: overtreden
2 Kon. 17 : 7 v ballingschap oorzaak: zonde
Ezra 5 : 12 ballingschap oorzaak: zonde
Deut. 28 : 36 ballingschap straf
Ezra 4 : 1 ballingschap uit babylonische ballingschap: Juda en Benjamin
Luk. 7 : 37 balsem albasten fles met -
Luk. 23 56 balsem bereiden
Gen. 50 : 2 balsemen Jakobs lijk werd gebalsemd
Gen. 50 : 26 balsemen Jozef gebalsemd
Jes. 3 : 24 balsemgeur versus stank
Joz. 7 : 13 ban een - in het midden van het volk
Jes. 43 : 28 ban ten - overgeven: Israël: door God
Ps. 18 : 5 band -en des doods hadden mij omvangen
Ps. 116 : 16 band -en losgemaakt: door God
Ps. 116 : 16 band banden losmaken: door God, vgl. vs. 3
Luk. 14 : 26 band familie-
Ps. 107 : 14 band God breekt banden
Ps. 66 : 11 band God had een enge - om de lendenen van het volk gelegd
Jer. 5 : 5 band goede -en verscheurd
Col. 3 : 14 band liefde is de band van de volmaaktheid
Ef. 4 : 3 band vrede, - van de
Ps. 2 : 3 bandeloos -heid: in toekomst
Luk. 8 : 29 bandeloos door een demon
Hos. 4 : 16 bandeloosheid onbandige koe: Israël
Jer. 5 : 5 bandeloosheid verkozen -
1 Thess. 3 : 11 banen weg - door God
Mark. 10 : 32 bang - zijn: discipelen
Ps. 18 : 6 bang als mij -e was, riep ik den HERE aan
Luk. 2 : 9 bang buitengewoon -
Mark. 5 : 33 bang en bevend
Luk. 24 : 37 bang erg – worden
2 Sam. 22 : 7 bang God aanroepen als mij bange was
Richt. 10 : 9 bang Israël werd zeer -
Ex. 23 : 27 bang maken: door God: van de vijanden
Ps. 69 : 18 bang mij is -
Mark. 9 : 32 bang om iets aan Jezus te vragen
Luk. 9 : 45 bang om iets aan Jezus te vragen
Matth. 17 : 7 bang staat op en weest niet -
Luk. 9 : 34 bang toen zij de wolk ingingen
Joh. 14 : 27 bang uw hart worde niet -
Matth. 21 : 46 bang voor de menigten zijn
Luk. 22 2 bang voor het volk
Luk. 20 19 bang voor het volk: bij de overpriesters en schriftgeleerden, vgl. vers 6
Hand. 9 : 26 bang voor Paulus
Hand. 18 : 9 bang wees niet - maar spreek en zwijg niet
Matth. 10 : 26 bang wees niet - voor mensen
Luk. 8 : 50 bang wees niet -, geloof alleen
Luk. 12 : 32 bang wees niet -, kleine kudde
Luk. 5 : 10 bang wees niet bang, Simon
Luk. 12 : 4 bang weest - voor God
Matth. 10 : 28 bang weest -: voor God
Mark. 6 : 50 bang weest niet -
Luk. 12 : 7 bang weest niet -
Matth. 10 : 31 bang weest niet -: reden
Matth. 10 : 28 bang weest niet -: voor vervolgers
Matth. 14 : 27 bang weest niet bang
Luk. 12 : 4 bang weest niet bang voor hen die het lichaam doden
Matth. 14 : 30 bang worden na het zien van gevaar
Matth. 17 : 6 bang zeer - worden: door hemelse stem
Richt. 2 : 15 bang zeer –: door verliezen en vijanden
Jes. 8 : 12 - 13 bang zijn voor mensen of voor God
Mark. 16 : 8 bang
Opb. 21 : 8 bange
Matth. 14 : 26 bangheid discipelen: om een vermeend spook
2 Tim. 1 : 7 bangheid geest van -
Luk. 21 26 bangheid in de eindtijd
Luk. 1 : 12 bangheid overviel Zacharias
Matth. 14 : 26 bangheid schreeuwen van -
Matth. 17 : 6 bangheid wegnemen door Jezus
Jes. 59 : 19 banier de Geest des HEEREN richt de - op tegen de vijand
Jes. 5 : 26 banier God zal een - opwerpen
Jes. 11 : 12 banier opgericht onder de heidenen
Jes. 49 : 22 banier opsteken: door God
Hgl 6 : 4 banier slagorden met -en
Jes. 11 : 10 banier van de volkeren: Christus
Num. 1 : 52 banier
Jes. 13 : 2 banier
Jes. 30 : 17 banier
Luk. 19 23 bank geld uitzetten bij een -
Opb. 1 : 9 banneling Johannes
Joh. 12 : 42 bannen gebannen worden uit de synagoge
Joh. 9 : 22 bannen uit de -
Joh. 16 : 1 bannen uit de synagoge -
Luk. 23 24 Barabbas aanklacht
Joh. 18 : 40 Barabbas rover
Luk. 23 18 Barabbas verkozen boven Jezus
Luk. 23 19 Barabbas wegens oproer en moord gevangen gezet
Matth. 27 : 15 Barabbas
Mark. 15 : 7 Barabbas
Richt. 4 : 6 Barak
Rom. 1 : 14 barbaar
Col. 3 : 11 barbaar
Gen. 4 : 2 baren door Eva
Deut. 32 : 18 baren door God
Jes. 45 : 10 baren doorde moeder
Jes. 54 : 1 baren Israël heeft niet gebaard
Joh. 16 : 21 baren met droefheid
Hgl 8 : 5 baren met smart -
1 Kron. 4 : 9 baren met smart: Jabez
Job 39 : 6 baren met smarten: bij dieren
Gen. 16 : 1 baren niet -: door Sarai
Jes. 42 : 14 baren onder geschreeuw
Jes. 59 : 4 baren ongerechtigheid –
Ps. 29 : 9 baren ontijdig -
Ps. 48 : 7 baren smart als van een barende vrouw
Gen. 3 : 16 baren smartelijk
Micha 4 : 9 v baren smartelijk
Hos. 13 : 13 baren smartelijk gebeuren
Jer. 13 : 21 baren smarten
Jes. 33 : 11 baren stoppelen -
Jes. 26 : 18 baren wind -
Opb. 12 : 5 baren
Jes. 54 : 1 barensnood Israël heeft geen – gehad
Rom. 8 : 22 barensnood schepping in - tot nu toe
Jes. 21 : 3 barensnood
Jes. 26 : 17 barensnood
Jes. 26 : 17 v barensnood
Jes. 37 : 3 barensnood
Jer. 4 : 31 barensnood
Joh. 16 : 21 barensnood
Opb. 12 : 2 barensnood
Opb. 12 : 2 barenssmart
Hand. 13 : 6 Barjezus jood, valse profeet, tovenaar
Neh. 9 : 31 barmhartig en genadig
2 Kron. 30 : 9 barmhartig God -
Ps. 103 : 8 barmhartig God is -
Ps. 145 : 8 barmhartig God is -
Hebr. 2 : 17 barmhartig Jezus een – hogepriester
Ps. 112 : 4 barmhartig oprechte is -
Ps. 112 : 5 barmhartig oprechte is -
Neh. 9 : 17 barmhartig God is -
Matth. 5 : 7 barmhartige gelukkig de -n
Matth. 5 : 7 barmhartige zal barmhartigheid verkrijgen
Neh. 1 : 11 barmhartigheid bewerken door God
Matth. 9 : 12 barmhartigheid bewijs van -: door Jezus: eten met zondaars
Luk. 10 : 37 barmhartigheid bewijzen
Rom. 12 : 8 barmhartigheid bewijzen in blijmoedigheid
1 Tim. 1 : 16 barmhartigheid bewijzen: door God
Rom. 11 : 32 barmhartigheid bewijzen: door God: aan allen, Jood en heiden
Rom. 12 : 8 barmhartigheid bewijzen: genadegave
1 Tim. 1 : 13 barmhartigheid bewijzen: reden
Spr. 31 : 20 barmhartigheid daden van -
1 Sam. 30 : 23 barmhartigheid Davids -
1 Sam. 15 : 6 barmhartigheid doen: door de Kenieten
Deut. 5 : 10 barmhartigheid doen: door God: aan die Hem liefhebben
Luk. 1 : 71 barmhartigheid doen: door God: aan onze vaderen
Ps. 106 : 45 barmhartigheid door God gegeven aan Israël
1 Kon. 8 : 50 barmhartigheid door God gewerkt in de harten van mensen
Deut. 13 : 17 barmhartigheid en erbarming
Hebr. 4 : 16 barmhartigheid en hulp
Spr. 28 : 13 barmhartigheid gemis van - van Gods wege
Jes. 47 : 6 barmhartigheid gemis van – bij Babel
1 Sam. 20 : 8 barmhartigheid geval van -
Ex. 2 : 6 barmhartigheid geval van -: dochter van Farao: over huilende baby
Job 31 : 34 barmhartigheid geval: Job
Deut. 13 : 17 barmhartigheid geven
2 Tim. 1 : 16 barmhartigheid geven: door God
Dan. 1 : 9 barmhartigheid God gaf Daniel genade en - voor de overste
Gen. 43 : 14 barmhartigheid God geve u – voor het aangezicht van die man
Ef. 2 : 4 barmhartigheid God is rijk aan -
Ps. 103 : 4 barmhartigheid God kroont ons met -en
Luk. 1 : 58 barmhartigheid God maakte zijn - groot aan Elizabeth
Jer. 16 : 5 barmhartigheid God neemt zijn - weg van het volk
Spr. 12 : 10 barmhartigheid goddelozen: hun -en zijn wreed
Neh. 9 : 31 barmhartigheid Gods -
Deut. 4 : 31 barmhartigheid Gods - : begrip
Deut. 23 : 24 barmhartigheid Gods - jegens de armen
Deut. 23 : 15 barmhartigheid Gods - jegens een ontkomen slaaf
1 Pe 2 : 10 barmhartigheid Gods - verkrijgen
1 Pe 2 : 10 barmhartigheid Gods -: daaraan hadden wij vroeger geen deel
Ps. 51 : 3 barmhartigheid Gods -: de grootheid van Uw -en
1 Pe 1 : 3 barmhartigheid Gods -: groot
1 Pe 2 : 10 barmhartigheid Gods -: hebben wij verkregen
1 Pe 1 : 3 barmhartigheid Gods -: werken van
Ps. 145 : 9 barmhartigheid Gods -en zijn over al zijn werken
Ps. 69 : 17 barmhartigheid Gods -en: grootheid van Uw -en
Ps. 119 : 77 barmhartigheid Gods -en: Laat mij Uw -en overkomen, opdat ik leve
Neh. 9 : 27 barmhartigheid Gods grote -en
Luk. 1 : 78 barmhartigheid innerlijke -
1 Kon. 8 : 50 barmhartigheid leidt tot ontferming
Matth. 9 : 13 barmhartigheid meer dan een offer
Matth. 12 : 7 barmhartigheid meer dan offerdienst
Ex. 2 : 6 barmhartigheid met - bewogen
2Jo : 3 barmhartigheid met ons
2 Cor. 4 : 1 barmhartigheid ons is - bewezen
Hebr. 4 : 16 barmhartigheid ontvangen
Jac. 2 : 13 barmhartigheid roemt tegen oordeel
1 Tim. 1 : 2 barmhartigheid van Christus Jezus zij u
1 Cor. 7 : 25 barmhartigheid van de Heer krijgen: Paulus
1 Tim. 1 : 2 barmhartigheid van God zij u
2 Tim. 1 : 2 barmhartigheid van God: zij u
Rom. 9 : 23 barmhartigheid vaten van -
Spr. 28 : 13 barmhartigheid verkrijgen
Jac. 3 : 17 barmhartigheid vol -: is de wijsheid van boven
Matth. 9 : 13 barmhartigheid wil God
Gal. 6 : 16 barmhartigheid zij over u
Jud : 2 barmhartigheid zij u vermenigvuldigd
Luk. 11 : 41 barmhartigheid
Hand. 11 : 24 Barnabas goed man
Gal. 2 : 13 Barnabas meegesleept door huichelarij van anderen
Hand. 9 : 27 Barnabas
Jes. 20 : 3 barrevoets Jesaja - wandelend
Jer. 45 : 5 Baruch gespaard door God
Ps. 68 : 16 Basan bultige berg
Ps. 68 : 16 Basan de berg - is een berg Gods
Jes. 2 : 12 Basan eiken van -
Joz. 22 : 7 Basan erfdeel van Manasse
1 Kron. 6 : 62 Basan gelegen in Manasse
Jes. 59 : 5 basiliskusei uitbroeden
Deut. 23 : 2 bastaard geen - zal in de vergadering des HEEREN komen
Matth. 16 : 26 baten kosten en - afweging
Ez. 45 : 14 bath is tiende homer
Ps. 51 : 2 Bathséba
Jes. 27 : 13 bazuin aankondiging van verzameling
Joel 2 : 1 bazuin blaast de bazuin te Sion
Joel 2 : 15 bazuin blaast de bazuin te Sion
Richt. 3 : 27 bazuin blazen met de – om het volk te verzamelen
1 Kon. 1 : 34 bazuin blazen: bij troonsopvolging
1 Kon. 1 : 39 bazuin blazen: bij troonsopvolging
Neh. 4 : 18 bazuin blazer van de -
Ps. 150 : 3 v bazuin geklank der -: looft Hem met geklank der -
Ps. 47 : 6 bazuin geklank van de -: Jhwh vaart op met geklank der -
2 Sam. 6 : 15 bazuin geluid der - bij optocht ark
Ex. 20 : 18 bazuin geluid op Sinaï
Ps. 47 : 6 bazuin geluid van de - bij hemelvaart
Matth. 24 : 31 bazuin geschal
Hebr. 12 : 18 bazuin geschal
Neh. 4 : 20 bazuin geschal: teken om te verzamelen
Richt. 7 : 20 bazuin in de rechterhand de -en
1 Cor. 15 : 51 bazuin laatste -
1 Cor. 15 : 52 bazuin laatste -: daarbij zullen wij allen veranderd worden
Richt. 6 : 34 bazuin met de – blazen
Jes. 58 : 1 bazuin stem als een –: dermate verheffen
Opb. 1 : 10 bazuin stem als van een -
Opb. 4 : 1 bazuin stem als van een -
2 Sam. 18 : 16 bazuin strijd afblazen met de -
Jes. 58 : 1 bazuin verhef uw stem als een –
Opb. 8 : 6 bazuin zeven -en
Richt. 7 : 16 bazuin
Ps. 98 : 6 bazuinengeklank
Ez. 37 : 7 bazuingeschal vergelijk met -: geluid bij profeteren over dorre doodsbeenderen
Luk. 11 : 28 beamen door Jezus
Jes. 29 : 1 beangstigen door God
Jes. 29 : 2 beangstigen door God: Jeruzalem
Ps. 143 : 12 beangstigen door mensen: breng hen om
Jes. 8 : 23 beangstigen land dat beangstigd was
Hebr. 6 : 7 bebouwen
1 Kron. 5 : 1 bed ontheiligen
Mark. 6 : 55 bed rust-
Hgl 3 : 7 bed van Salomo
Spr. 7 : 16 bed versierd
Ps. 63 : 7 bed op - aan God denken
Joz. 23 : 2 bedaagd wel- geworden: Jozua
Spr. 5 : 2 bedachtzaamheid behouden: door de wijsheid
Spr. 3 : 21 bedachtzaamheid bewaar ze
Spr. 2 : 11 bedachtzaamheid en wijsheid
Spr. 1 : 4 bedachtzaamheid geven
Spr. 2 : 10 bedachtzaamheid wacht houdende over u
Spr. 15 : 28 bedachtzaamheid
Jes. 56 : 7 bedehuis God zal de vromen verheugen in Zijn –
Jes. 56 : 7 bedehuis Gods –: de tempel
Gen. 38 : 15 bedekken aangezicht -
Spr. 12 : 16 bedekken de schande -: kloekzinnigheid
Jes. 51 : 16 bedekken door God: onder de schaduw van Zijn hand
Spr. 11 : 13 bedekken een zaak -: goed hier
Matth. 10 : 26 bedekken er is niets bedekt dat niet ontdekt zal worden
2 Cor. 4 : 3 bedekken evangelie bedekt
Luk. 22 64 bedekken Jezus' gezicht -
Jes. 59 : 6 bedekken kleding van ongerechtigheid bedekt niet
Richt. 4 : 18 bedekken met een deken
Lev. 17 : 13 bedekken met stof: vergoten bloed van dieren die gejaagd waren
Deut. 23 : 13 bedekken uitwerpselen te bedekken buiten de legerplaats
Luk. 12 : 2 bedekken versus ontdekken
Spr. 12 : 23 bedekken wetenschap te -
Hgl 1 : 7 bedekken zich -: door de vrouw
Ps. 32 : 1 bedekken zonde -
2 Cor. 5 : 3 bedekking door kleding nodig, hier fig. bedoeld
Ex. 34 : 34 bedekking Mozes' -: nam hem af voor de HEERE
Ex. 34 : 33 bedekking op Mozes' aangezicht
2 Cor. 3 : 15 bedekking over het hart
2 Cor. 3 : 14 bedekking wordt in Christus tenietgedaan
Jes. 30 : 1 bedekking zich met een - bedekken
Deut. 15 : 4 bedelaar God wil niet dat er -s zijn
Luk. 18 35 bedelen door een blinde, langs te weg naar Jericho
Luk. 16 : 3 bedelen zich schamen om te -
Hand. 3 : 2 bedelen
2 Cor. 6 : 2 bedeling dag van de behoudenis
Mark. 2 : 21 v bedeling nieuwe -
Num. 1 : 49 bedeling tempeldienst in andere periode dan tabernakeldienst
Ef. 1 : 10 bedeling van de volheid der tijden
Hebr. 9 : 10 bedeling
Filip. 3 : 19 bedenken aardse dingen -
Ef. 2 : 11 bedenken bedenkt dat
Col. 3 : 2 bedenken bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn
Opb. 3 : 3 bedenken bedenkt hoe u het ontvangen en gehoord hebt
Mark. 8 : 33 bedenken dingen van God
Filip. 2 : 2 v bedenken hetzelfde -
Spr. 16 : 30 bedenken verkeerdheden
Filip. 4 : 8 bedenken wat te bedenken
2 Tim. 3 : 8 bederven denken: bedorven van denken
Jes. 32 : 7 bederven met valse redenen
Deut. 26 : 5 bederven mijn vader (= Jakob ) was een bedorven Syriër
Luk. 12 : 33 bederven schat kan bedorven worden
Rom. 15 : 16 bedienen priesterlijk –: het evangelie van God
Hand. 20 : 24 bediening door Paulus ontvangen van de Heer Jezus
1 Tim. 1 : 13 bediening in de bediening stellen degene die trouw wordt geacht
2 Cor. 6 : 3 bediening lasteren van de -: voorkomen
Col. 4 : 17 bediening ontvangen in de Heer
Hand. 1 : 16 bediening van de apostelen
2 Cor. 3 : 7 bediening van de dood
2 Cor. 3 : 8 bediening van de Geest
Filip. 2 : 17 bediening van uw geloof
1 Tim. 1 : 12 bediening vereist trouw
1 Cor. 12 : 5 bediening verscheidenheid van -en
Col. 4 : 17 bediening vervullen
Ef. 4 : 12 bediening werk van de -
2 Cor. 4 : 1 bediening
Job 7 : 3 bedlegerig door ziekte (toepassing)
Filip. 1 : 14 bedoeling goede -en
Filip. 1 : 15 bedoeling goede -en
Filip. 1 : 15 bedoeling motief
2 Tim. 3 : 10 bedoeling navolgen
1 Sam. 16 : 2 bedoeling verbergen
Filip. 1 : 17 bedoeling verkeerde -
Jes. 10 : 7 bedoeling voorbeeld
2 Cor. 11 : 3 bedorven gedachten
Matth. 13 : 48 bedorvene wierpen zij weg
Gen. 20 : 3 bedreigen door God
Hand. 9 : 1 bedreigen door Saulus
Jer. 11 : 21 bedreigen met de dood -: aan Jeremia
Neh. 13 : 21 bedreigen Nehemia bedreigde de kooplieden
Matth. 26 : 47 bedreiging Jezus bedreigd
Jer. 4 : 10 bedriegen door God: aldus Jeremia's klacht
Jer. 14 : 14 bedriegen door het hart
Jer. 37 : 9 bedriegen jezelf -
2 Thess. 2 : 3 bedriegen laat niemand u -
Ef. 5 : 6 bedriegen met zinloze woorden
Spr. 21 : 6 bedriegen om rijk te worden
Spr. 26 : 19 bedriegen voor de grap: verkeerd
Jac. 1 : 26 bedriegen zichzelf -
1Jo 1 : 8 bedriegen zichzelf -
2 Kron. 32 : 15 bedriegen
Ps. 120 : 2 bedriegen
2 Tim. 3 : 13 bedrieger bedriegers zullen van kwaad tot erger voortgaan
Spr. 14 : 25 bedrieger die leugens blaast is een -
Tit. 1 : 10 bedrieger vele -s zijn er
Spr. 12 : 24 bedrieger zal onder - wezen
Spr. 14 : 25 bedrieger
Spr. 24 : 8 bedrieger
Spr. 14 : 8 bedriegerij dwaasheid der zotten is -
Job 31 : 5 bedriegerij snel tot -
Ef. 4 : 14 bedriegerij van de mensen
2 Pe 2 : 13 bedriegerij zwelgen in hun -en
Mark. 4 : 19 bedriegijk rijkdom
Gen. 34 : 13 v bedrieglijk antwoorden: door Jakobs zonen
2 Cor. 11 : 13 bedrieglijk bedrieglijke arbeiders
Lev. 19 : 13 bedrieglijk beroven
Spr. 19 : 15 bedrieglijk een -e ziel zal hongeren
Ex. 8 : 29 bedrieglijk handelen: door Farao; dat hij zulks niet meer doe
Gen. 31 : 7 bedrieglijk handelen: door Laban
Mark. 4 : 19 bedrieglijk het bedrieglijke van de rijkdom
Matth. 13 : 22 bedrieglijk rijkdom
Lev. 19 : 13 bedrieglijk verdrukken
Matth. 7 : 15 bedrieglijk voorkomen: valse profeten
Hebr. 3 : 13 bedrieglijk zonde: het -e van de zonde
2 Kon. 4 : 25 bedroefd bitter -
2 Cor. 6 : 10 bedroefd maar altijd blij: Paulus
Spr. 31 : 6 bedroefd van ziel zijn
2 Cor. 6 : 10 bedroefd versus blij
Mark. 6 : 21 bedroefd zeer - worden
Jes. 54 : 6 bedroefde van geest
2 Cor. 7 : 9 bedroeven bedroefd geworden tot bekering toe
Luk. 18 : 23 bedroeven bedroefd worden door de woorden van Jezus
Matth. 18 : 31 bedroeven bedroefd worden om wat een ander doet
Neh. 8 : 11 bedroeven bedroeft u niet (geval)
Matth. 26 : 22 bedroeven de discipelen werden zeer bedroefd
Ef. 4 : 30 bedroeven de Heilige Geest -
2 Cor. 7 : 8 bedroeven door een brief
Klg. 3 : 33 bedroeven door God
Mark. 10 : 22 bedroeven door Jezus: door een woord
Matth. 17 : 23 bedroeven door slecht nieuws
1 Pe 1 : 6 bedroeven door verzoekingen worden wij bedroefd
Ez. 13 : 22 bedroeven het hart -
2 Cor. 2 : 2 bedroeven iemand -
Jes. 51 : 23 bedroeven Jeruzalem –
Matth. 19 : 22 bedroeven Jezus woorden bedroefden de jongeman
1 Pe 2 : 1 bedrog afleggen
Spr. 21 : 6 bedrog arbeiden met bedrog voert tot de dood
Spr. 31 : 30 bedrog bevalligheid is -
Spr. 12 : 17 bedrog bij vals getuige
Jer. 5 : 27 bedrog door - rijk en groot worden
Spr. 20 : 17 bedrog door - verkregen brood
Gen. 27 : 35 bedrog door Jakob
Spr. 13 : 5 bedrog en goddeloze
Joh. 1 : 48 bedrog geen – in Nathanaël
Spr. 11 : 1 bedrog gruwel den HEERE
Spr. 12 : 22 bedrog gruwel voor God
Spr. 20 : 10 bedrog gruwel voor God
Col. 2 : 8 bedrog ijdel - volgens de overlevering van de mensen
Hos. 12 : 8 bedrog in de handel
Spr. 12 : 20 bedrog in het hart
Spr. 20 : 23 bedrog in het wegen
Ps. 43 : 1 bedrog man des -s
Spr. 24 : 8 bedrog meester in -
Ps. 109 : 2 bedrog mond van het -
Spr. 21 : 6 bedrog om rijk te worden
Mark. 7 : 21 bedrog oorsprong: hart
Jer. 5 : 27 bedrog rijk worden door -
1 Pe 3 : 10 bedrog spreken van -
1 Thess. 2 : 3 bedrog uit - spreken
Job 27 : 4 bedrog uitspreken
Joz. 9 : 8 bedrog van de Gibeonieten
2 Thess. 2 : 10 bedrog van de ongerechtigheid
Jer. 8 : 5 bedrog vasthouden aan -
Hand. 13 : 10 bedrog vol van alle -
Ps. 101 : 7 bedrog wie - pleegt zal binnen mijn huis niet blijven
Jer. 9 : 6 bedrog wonen temidden van -
1 Pe 2 : 22 bedrog zonder -: Jezus
Jes. 53 : 9 bedrog zonder -: zijn Jezus mond is geen bedrog geweest
Joz. 9 : 22 bedrog
Jer. 9 : 8 bedrog
Ps. 65 : 13 bedruipen de weiden der woestijn -
Job 30 : 11 bedrukken door God: Job
Ps. 18 : 28 bedrukt -e volk: Gij verlost het -
2 Sam. 22 : 28 bedrukt volk: Gij verlost het bedrukte volk
Ps. 116 : 10 bedrukt zeer -
Jes. 58 : 10 bedrukt ziel: -e ziel verzadigen
Spr. 15 : 15 bedrukte al de dagen van de - zijn kwaad
Jes. 51 : 21 bedrukte
Ezra 9 : 5 bedruktheid
Mark. 5 : 4 bedwingen niet te -
Esth. 5 : 10 bedwingen zich -
Jes. 48 : 9 bedwingen zich –: door God
Gen. 43 : 31 bedwingen zich –: Jozef
Gen. 45 : 1 bedwingen zich niet langer kunnen –: Jozef
1 Kon. 2 : 42 beëdigen bij Jahweh
2 Kron. 36 : 13 beeedigen bij God: door een heidense koning
Pred. 1 : 7 beek de beken gaan in de zee
Ez. 47 : 7 beek Gods: geboomte aan beide zijden
Ez. 47 : 12 beek Gods: geboomte aan beide zijden
Jes. 30 : 28 beek overlopende -
Ex. 34 : 13 beeld afgodische -en te verbreken
2 Kron. 31 : 1 beeld afgodsbeelden afgebroken
2 Kron. 23 : 17 beeld beelden van Baäl: verbreken
Micha 5 : 12 beeld beeldendienst
2 Thess. 3 : 15 beeld broeder-: niet als een vijand
Gen. 1 : 26 beeld en gelijkenis
Deut. 27 : 15 beeld gegoten -
Ps. 106 : 19 beeld gegoten -
Hab. 2 : 18 beeld gegoten -
Richt. 17 : 3 v beeld gegoten - maken
Jes. 42 : 17 beeld gegoten -en
Jes. 41 : 28 beeld gegoten -en: wind, ijdel ding
Ex. 32 : 8 beeld gegoten –
Jes. 48 : 5 beeld gegoten –
Jer. 51 : 17 beeld gegoten beeld is leugen
Hos. 13 : 2 beeld gegoten beeld van zilver maken
1 Kon. 14 : 9 beeld gegoten beelden
2 Kon. 17 : 16 beeld gegoten beelden maken
2 Kron. 28 : 2 beeld gegoten beelden maken: Achaz
2 Kon. 17 : 16 beeld gegoten beelden van kalveren
Jes. 41 : 29 beeld gegoten beelden zijn wind
Deut. 27 : 15 beeld gesneden -
Richt. 18 : 30 beeld gesneden -
Hab. 2 : 18 beeld gesneden -
2 Kon. 17 : 41 beeld gesneden - dienen
Richt. 17 : 3 v beeld gesneden - maken
2 Kron. 33 : 22 beeld gesneden -en
Jes. 42 : 8 beeld gesneden -en
Jes. 42 : 17 beeld gesneden -en
Jes. 21 : 9 beeld gesneden -en verbroken
Jes. 44 : 9 beeld gesneden -en: de formeerder van deze zijn ijdelheid
Hos. 11 : 2 beeld gesneden -en: hieraan reukoffers brengen
Jes. 48 : 5 beeld gesneden –
Ex. 20 : 4 beeld gesneden –: verboden
2 Kon. 21 : 7 beeld gesneden beeld
Jes. 45 : 20 beeld houten gesneden –: dragen
Joh. 16 : 25 beeld in -en spreken: door de Heer Jezus
Jes. 40 : 19 v beeld maken
Opb. 13 : 15 beeld maken
Deut. 4 : 23 beeld maken: verboden
Deut. 4 : 25 beeld maken: verboden
Deut. 5 : 8 beeld maken: verboden
Col. 3 : 10 beeld naar het beeld van de Schepper
1 Sam. 19 : 12 beeld niet-afgodisch -
Jac. 2 : 5 beeld omtrent armen veranderen
2 Kron. 14 : 3 beeld opgerichte beelden breken: door Asa
2 Kon. 18 : 4 beeld opgerichte beelden breken: door Hizkia
Deut. 12 : 2 beeld opgerichte beelden te verbreken
Ex. 23 : 24 beeld opgerichte beelden te vermorzelen
2 Kon. 3 : 2 beeld van Baäl
Luk. 7 : 34 beeld van Christus: bij de oversten
Hebr. 10 : 1 beeld van de dingen zelf tegenover de schaduw van die dingen
1 Cor. 15 : 49 beeld van de hemelse dragen
1 Cor. 15 : 49 beeld van de stoffelijke dragen
Ex. 32 : 4 beeld van een kalf: door Aaron gemaakt
2 Sam. 6 : 2 beeld van engelen: toegestaan op de ark
Col. 1 : 15 beeld van God: Christus
Deut. 4 : 16 beeld van God: verboden te maken
Opb. 15 : 2 beeld van het beest
Opb. 20 : 4 beeld van het beest
Opb. 13 : 15 beeld van het Beest
2 Kron. 33 : 7 beeld van het beest (toepassing)
Opb. 14 : 9 beeld van het beest: aanbidden
Opb. 14 : 11 beeld van het beest: aanbidden
Opb. 19 : 20 beeld van het beest: aanbidden
Dan. 3 : 1 beeld van Nebukadnezar
Rom. 8 : 29 beeld van Zijn Zoon
Ez. 20 : 7 beeld verfoeiselen der ogen waren de afgodsbeelden
Jes. 48 : 5 beeld verklaren uit gesneden of gegoten beeld
Lev. 19 : 4 beeld vgl. heiligenbeeld
Deut. 5 : 8 beeld waarvan geen gesneden beeld gemaakt mocht worden
Jer. 10 : 15 beeld werk: verleidend
Deut. 9 : 12 beeld zich een - maken
beeld zie ook Afbeelding
Gen. 5 : 3 beeld zoon naar even- vader
Deut. 4 : 15 v beeldendienst afgemaand van -
Lev. 26 : 1 beeldendienst tegen -
Deut. 4 : 24 beeldendienst verboden: want God is naijverig
Ps. 106 : 20 beeldendienst verval tot -
Lev. 19 : 4 beeldendienst waarom verkeerd: afgoderij
1 Sam. 15 : 23 beeldendienst wederstreven is -
2 Kon. 10 : 26 beeldendienst
Ex. 23 : 24 beeldenstorm
Joh. 10 : 6 beeldspraak door Jezus: niet verstaan
Gen. 4 : 11 beeldspraak mond van de aardbodem
Joh. 10 : 7 beeldspraak verklaard door Jezus
Joh. 16 : 29 beeldspraak
Jes. 44 : 13 beeltenis maken naar de - van een man
Matth. 10 : 25 Beëlzebul de Heer - genoemd
Luk. 11 : 15 Beëlzebul overste der demonen
Matth. 12 : 24 Beëlzebul overste van de demonen
2 Sam. 19 : 12 been en vlees
2 Sam. 19 : 12 been mijn - zijt gij
Jes. 58 : 11 beenderen vaardig maken: door God
Amos 5 : 19 beer gevaarlijk dier
Hos. 13 : 7 beer God werd Efraïm als een -
2 Kon. 2 : 24 beer verscheurende beren
Richt. 9 : 21 Beër
Mark. 10 : 17 beerven eeuwig leven
Spr. 28 : 10 beerven vromen zullen het goede -
Hebr. 6 : 12 beërven beloften -: door geloof en geduld
1 Pe 3 : 9 beërven door christen: geroepen om zegen te -
Spr. 3 : 35 beërven eer -: door de wijzen
Luk. 18 18 beërven eeuwig leven -
Gal. 5 : 21 beërven Gods koninkrijk -
Opb. 21 : 7 beërven wie overwint zal deze dingen beërven
Ps. 49 : 13 beest -en vergaan
Ps. 49 : 21 beest als de -en gelijk worden: bij het sterven
Deut. 16 : 22 beest beeld van het -
Opb. 15 : 2 beest beeld van het -
Opb. 20 : 4 beest beeld van het -
Opb. 19 : 20 beest beeld van het - aanbidden
Opb. 11 : 7 beest dat uit de afgrond opstijgt
Opb. 19 : 19 v beest einde van het beest
Ps. 73 : 22 beest fig. gebruikt v.e. mens
Job 18 : 3 beest geacht worden als beesten
Opb. 19 : 20 beest gegrepen
Opb. 13 : 18 beest getal van het -
Opb. 17 : 13 beest gezag en macht aan het - gegeven
Opb. 16 : 13 beest het - is een persoon
Opb. 15 : 2 beest het beest uit de zee -
Opb. 17 : 7 beest het beest: stijgt op uit de afgrond
Opb. 16 : 10 beest koninkrijk van het -
Tit. 1 : 12 beest kwade -en: fig. gezegd van mensen
Opb. 19 : 20 beest merkteken van het -
Opb. 16 : 13 beest mond van het -
Deut. 32 : 24 beest oordeel in de vorm van wilde -en
Opb. 19 : 20 beest tekenen in zijn tegenwoordigheid gedaan
Opb. 16 : 10 beest troon van het -
Opb. 13 : 11 beest uit de aarde
Opb. 13 : 1 v beest uit de zee
Opb. 17 : 7 beest uit de zee
Opb. 14 : 9 beest uit de zee: aanbidden
Opb. 14 : 11 beest uit de zee: aanbidden
Opb. 13 : 11 beest uit de zee: gezag
Opb. 13 : 7 beest uit de zee: gezagsdomein wereldwijd
Opb. 14 : 11 beest uit de zee: naam: merkteken van zijn naam
Deut. 28 : 4 beest vrucht van uw -en
Opb. 20 : 10 Beest het - in de hel
Opb. 17 : 16 Beest is een persoon
Dan. 7 : 11 Beest spreekt grote woorden
Matth. 15 : 14 begaan laat hen begaan, de farizeeen
1 Kon. 20 : 6 begeerlijk begeerlijke der ogen
Gen. 3 : 6 begeerlijk de boom der kennis van goed en kwaad
Gen. 2 : 9 begeerlijk voor het gezicht
Spr. 31 : 30 begeerte bedrieglijke -
Ef. 4 : 22 begeerte bedrieglijke -n
Rom. 6 : 12 begeerte begeerten van de het sterfelijk lichaam
Jac. 1 : 15 begeerte bevruchten: baart zonde
Amos 5 : 14 begeerte boze -
Ef. 4 : 19 begeerte boze -n
Hos. 12 : 8 begeerte boze: beminnen te verdrukken
Col. 3 : 5 begeerte boze: doodt die
3Jo : 9 begeerte de eerste willen zijn
Gen. 39 : 7 begeerte der ogen
Luk. 14 : 18 begeerte der ogen
1 Kon. 20 : 6 begeerte der ogen: gevalleh
Ps. 119 : 37 begeerte der ogen: wend mijn ogen af
Spr. 10 : 24 begeerte der rechtaardigen: zal God geven
1 Sam. 23 : 17 begeerte der ziel
Deut. 18 : 6 begeerte der ziel: komen naar alle - zijner ziel
Spr. 21 : 25 begeerte dodelijke -
Matth. 5 : 29 begeerte doden
Joh. 8 : 44 begeerte duivel: -n van de duivel
Mark. 10 : 44 begeerte eerste willen zijn
1 Pe 1 : 14 begeerte en onwetendheid
Ps. 106 : 15 begeerte en toch onvoldaan
1 Tim. 6 : 9 begeerte en verderf
Jac. 1 : 14 begeerte en verzoeking
1 Pe 4 : 3 begeerte en wil
Jac. 1 : 15 begeerte en zonde
2 Tim. 3 : 6 begeerte gedreven worden door allerlei -n
Ps. 107 : 30 begeerte God vervult onze -
Jud : 18 begeerte goddeloze -
Spr. 11 : 23 begeerte goede -: der rechtvaardigen
1 Sam. 14 : 32 begeerte grote - vergroot kan op zondigen
Ps. 106 : 15 begeerte iemand zijn - geven
1 Tim. 6 : 9 begeerte in -n vallen
Spr. 1 : 17 v begeerte kan in strik voeren
Deut. 14 : 26 begeerte kiezen naar -: accoord hier
Mark. 4 : 19 begeerte naar dingen
2 Tim. 4 : 3 begeerte naar eigen - iets doen
Jud : 16 begeerte naar je -n wandelen maakt niet gelukkig
1 Kon. 9 : 1 begeerte naar zijn eigen - doen: in neutrale zin
Ps. 119 : 36 begeerte neig mijn hart niet tot gierigheid
2 Pe 2 : 10 begeerte onreine -
2 Tim. 2 : 22 begeerte ontvluchten
1 Tim. 6 : 9 begeerte onverstandige -n
Spr. 13 : 4 begeerte onvervulde -
Jac. 4 : 2 begeerte onvervulde -
1 Tim. 6 : 9 begeerte oorsprong
Rom. 7 : 8 begeerte opwekken: door de zonde
Rom. 1 : 24 begeerte overgeven in de - van hun harten
Matth. 5 : 28 begeerte overspelige -
1 Tim. 6 : 9 begeerte schadelijke begeerten
1 Cor. 7 : 9 begeerte seksuele -
Jac. 1 : 14 begeerte sleept mee, verlokt
Jes. 56 : 11 begeerte sterk van –
Amos 4 : 4 begeerte tot afgodendienst
Ps. 119 : 40 begeerte tot Uw bevelen
Jac. 4 : 5 begeerte van de Geest: zonder afgunst
Ps. 140 : 9 begeerte van de goddeloze
2 Tim. 2 : 22 begeerte van de jeugd
1Jo 2 : 16 begeerte van de ogen
2 Pe 2 : 14 begeerte van de ogen (toepassing)
Richt. 14 : 2 begeerte van de ogen: geval
Spr. 11 : 23 begeerte van de rechtvaardigen is alleen het goede
1Jo 2 : 17 begeerte van de wereld: gaat voorbij
Spr. 18 : 2 begeerte van de zot: doen wat zijn hart gelust
Rom. 1 : 24 begeerte van het hart
1Jo 2 : 16 begeerte van het het vlees
Gal. 5 : 16 begeerte van het vlees
Luk. 14 : 20 begeerte van het vlees: lichaam
Opb. 18 : 14 begeerte van je ziel
1 Pe 4 : 2 begeerte van mensen: versus de wil van God
2 Kron. 8 : 6 begeerte van Salomo
1 Pe 1 : 14 begeerte van vroeger
2 Pe 1 : 4 begeerte verderf door de begeerte in de wereld
Tit. 3 : 3 begeerte verslaafd aan allerlei -
2 Tim. 4 : 3 begeerte versus liefde tot de waarheid
Ps. 20 : 6 begeerte vervullen: God vervulle al uw -n
Spr. 13 : 12 begeerte vervulling
Spr. 13 : 12 begeerte vervulling uitgesteld
1 Pe 2 : 12 begeerte vleselijke -: voert strijd tegen uw ziel
2 Pe 2 : 18 begeerte vleselijke -n en losbandigheden
2 Pe 2 : 18 begeerte vleselijke -n: hierdoor verlokken
Mark. 15 : 15 begeerte voldoen aan verkeerde - van de menigte
Spr. 13 : 19 begeerte voldoening: zoet
1 Kon. 3 : 11 begeerte voorwerpen van -
1 Kon. 3 : 13 begeerte voorwerpen van -
1 Pe 4 : 3 begeerte wandelen in -n
2 Pe 3 : 3 begeerte wandelen naar hun eigen begeerten
Tit. 2 : 12 begeerte wereldse -
Joh. 8 : 44 begeerte willen doen
Pred. 6 : 7 begeerte wordt niet vervuld
1 Pe 2 : 11 begeerte zicht onthouden
Spr. 28 : 16 begeerte zie ook Gierigheid
begeerte zie ook Hunkering
Hos. 4 : 8 begeerte zie ook Verlangen
Spr. 30 : 15 begeerte zie ook Verzadigen
Jer. 5 : 8 begeerte zondige seksuele -
Richt. 6 : 34 begeesteren Gideon
2 Kron. 24 : 2 begeleiding geval: Joas door Jojada
Luk. 1 : 28 begenadigde Maria
Ef. 1 : 6 begenadigen begenadigd in de Geliefde zijn wij door God
Spr. 21 : 26 begeren begeerlijke dingen -
Rom. 1 : 27 begeren branden
Spr. 12 : 12 begeren de goddeloze begeert het net der bozen
Pred. 2 : 10 begeren door de ogen
Spr. 21 : 10 begeren door de ziel
Deut. 14 : 26 begeren door uw ziel
Ps. 27 : 4 begeren één ding heb ik van de HEERE begeerd
1 Kon. 21 : 2 begeren eigendom van een andere: wijngaard
Matth. 5 : 28 begeren en hart
Jac. 4 : 2 begeren en niet hebben
1 Tim. 3 : 1 begeren en streven
Pred. 6 : 2 begeren en ziel
Ex. 20 : 17 begeren gij zult niet begeren iets dat van uw naaste is
1 Kron. 4 : 10 begeren God vervult -
1 Kon. 11 : 37 begeren Gof geeft iems. -
Deut. 5 : 21 begeren huis van een ander: verboden
Matth. 5 : 28 begeren iets aanzien om te begeren
Luk. 17 : 22 begeren iets toekomstigs
Deut. 5 : 21 begeren iets van een ander: verbonden
Hebr. 6 : 11 begeren in goede zin
Spr. 6 : 25 begeren in het hart
Micha 2 : 1 begeren kwaad - te doen te kwaad doen
Ex. 34 : 24 begeren land -: van de naaste: verkeerd
Jac. 4 : 5 begeren met afgunst -
Joz. 7 : 21 begeren na zien
2 Sam. 11 : 4 begeren na zien
2 Kron. 1 : 11 begeren niet -: rijkdom, goederen, eer, de ziel uws haters, vele dagen (Salomo)
Rom. 13 : 9 begeren niet -: verbod van de wet
Spr. 21 : 26 begeren onafgebroken -: door de luiaard
1 Tim. 3 : 1 begeren opzienerschap
Spr. 6 : 25 begeren schoonheid -
Matth. 13 : 17 begeren te horen: Jezus woorden
Matth. 13 : 17 begeren te zien: Jezus werken
Rom. 7 : 7 begeren u zult niet - (verbod van de wet)
Spr. 30 : 7 begeren van God
Deut. 5 : 21 begeren vrouw van een ander: verboden
Spr. 8 : 11 begeren wat
2 Kron. 1 : 11 begeren wijsheid, wetenschap (Salomo)
2 Kon. 2 : 10 begeren
1 Thess. 4 : 5 begerig begerige hartstocht
Luk. 16 : 21 begerig zich te verzadigen
1 Kon. 8 : 57 begeven door God: Hij begeve ons niet
Hebr. 13 : 5 begeven God zal ons geenszins -
1 Kron. 28 : 20 begeven God zal u niet -
Deut. 31 : 6 begeven God zal u niet begeven
Deut. 31 : 8 begeven God zal u niet begeven
Ps. 94 : 14 begeven God zal zijn volk niet -
Joz. 1 : 5 begeven God zou Jozua niet -
1 Cor. 3 : 6 begieten fig.
1Jo 1 : 1 begin Christus vanaf het begin
Matth. 19 : 5 begin der schepping
Pred. 7 : 8 begin einde van een ding is beter dan zijn begin
Opb. 21 : 6 begin God is het - en het Einde
Gen. 1 : 1 begin in het - schiep God de hemelen en de aarde
Joh. 1 : 1 begin in het -: van mijn geestelijk leven
Joh. 1 : 1 begin in het -: van mijn natuurlijk leven
Joh. 1 : 1 begin in het -: was het Woord
Opb. 22 : 13 begin Jezus is het -
1Jo 3 : 8 begin van - af zondigt de duivel
2 Pe 3 : 4 begin van de schepping
Hebr. 1 : 10 begin van de schepping van de aarde en het hemelen
Hebr. 3 : 14 begin van het vertrouwen
Joh. 15 : 27 begin vanaf het - bij Jezus zijn: de apostelen
Hebr. 5 : 12 begin elementen van het begin van de uitspraken van God
Hebr. 5 : 12 begin van de uitspraken van God
Col. 2 : 8 beginsel beginselen van de wereld
Hebr. 5 : 12 beginsel leren van de beginselen: nodig
Gal. 4 : 9 beginsel wettische - dienen
2 Kron. 28 : 27 begraafplaats eervol of niet
2 Kon. 8 : 24 begraafplaats in de stad Davids
2 Kon. 9 : 28 begraafplaats in de stad Davids
2 Kon. 13 : 13 begraafplaats koningen van Israël: Samaria
2 Kon. 12 : 20 begraafplaats koningen: in stad van David
2 Kron. 24 : 25 begraafplaats onthouden een begrafenis in de graven der koningen
2 Kon. 14 : 19 begraafplaats van de koningen
Gen. 49 : 30 begraafplaats
Opb. 11 : 9 begrafenis beletten, niet toestaan
Hand. 8 : 2 begrafenis dragen door Godvrezende mannen
2 Kron. 24 : 16 begrafenis eervolle -
2 Kron. 32 : 33 begrafenis eervolle -
2 Kron. 22 : 8 begrafenis iemand een - gunnen
Mark. 14 : 9 begrafenis Jezus spreekt over Zijn -
Matth. 26 : 12 begrafenis Jezus' - voorzegd
Pred. 7 : 2 begrafenis leerzaam
Col. 2 : 11 begrafenis met Christus in de doop begraven
Mark. 6 : 29 begrafenis van Johannes de Doper
Gen. 47 : 30 begrafenis wens:van Jakob
1 Kon. 2 : 10 begraven David werd begraven in de stad Davids
Deut. 34 : 6 begraven door God zelf: van Mozes
Gen. 15 : 15 begraven God spreekt van - worden
2 Kon. 9 : 10 begraven Izebel zou niet - worden
Col. 2 : 11 begraven met Christus begraven in de doop
Gen. 15 : 15 begraven worden: Abraham zou in goede ouderdom - worden
Job 5 : 26 begraven worden: gelijk de korenhoop opgevoerd wordt
Ps. 49 : 15 begraven
Pred. 9 : 1 begrijpen als doel
2 Pe 3 : 16 begrijpen Bijbel: hierin zijn sommige dingen moeilijk te begrijpen
Hebr. 11 : 3 begrijpen door het geloof -
1 Sam. 20 : 1 begrijpen gedrag, niet -: David tov Saul
Joh. 13 : 7 begrijpen later -
Jes. 1 : 3 begrijpen niet -
Jes. 44 : 18 begrijpen niet -
Matth. 15 : 17 begrijpen niet -
Mark. 7 : 18 begrijpen niet -
Mark. 8 : 17 begrijpen niet -
Joh. 16 : 19 begrijpen niet -
1 Tim. 1 : 7 begrijpen niet -
2 Pe 2 : 12 begrijpen niet -
Matth. 16 : 7 v begrijpen niet - : woord van Jezus
Joh. 7 : 36 begrijpen niet - van Jezus' woorden
Spr. 29 : 7 begrijpen niet - vanwege goddeloosheid
Joh. 12 : 16 begrijpen niet -, later wel
Joh. 1 : 5 begrijpen niet -: Christus niet -: door de wereld
Matth. 13 : 36 begrijpen niet -: een gelijkenis
Joh. 8 : 27 begrijpen niet -: Gods woord
Joh. 10 : 6 begrijpen niet -: Jezus' beeldspraak: door de discipelen
Luk. 9 : 45 begrijpen niet -: Jezus' woorden
Tit. 3 : 11 begrijpen niet -: vers als dit: `door zichzelf veroordeeld`
Luk. 18 34 begrijpen niet -: woord van Jezus
Joh. 16 : 19 begrijpen samen trachten te -
Ef. 3 : 18 begrijpen voorwaarde
Hand. 8 : 30 begrijpen wat je leest
Job 37 : 5 begrijpen weersverschijnselen begrijpen wij niet
Spr. 19 : 25 begrijpen wetenschap -
Joh. 13 : 29 begrijpen woorden niet -
begrijpen zie ook Beseffen
1 Kon. 4 : 29 begrip des harten
2 Kron. 29 : 12 begripsomvang "Eden" verwijst naar plaats en persoon
Gen. 19 : 2 begroeting door Lot
Joh. 4 : 29 begronden
Rom. 15 : 1 behagen ander te –
Ef. 5 : 10 behagen de Heer -
Mark. 6 : 21 behagen door dans: Salome
Matth. 11 : 26 behagen God -
1 Thess. 2 : 4 behagen God -
1 Thess. 4 : 1 behagen God -
2 Tim. 2 : 4 behagen God -
Hebr. 11 : 5 behagen God –: door Henoch
Jes. 55 : 11 behagen God –: Zijn uitgezonden woord zal doen hetgeen Hem behaagt
Hebr. 10 : 38 behagen God heeft geen behagen in wie zich onttrekt aan Hem
1 Thess. 2 : 15 behagen God niet -: door de Joden
Ps. 51 : 18 behagen Gods -: in brandoffers heb U geen -
Jes. 53 : 10 behagen het behaagde Jahweh Jezus te verbrijzelen
Gal. 1 : 10 behagen mensen -
1 Thess. 2 : 4 behagen mensen -
Mark. 15 : 15 behagen mensen -: verkeerd geval
Ef. 6 : 6 behagen mensenbehagers
Rom. 15 : 2 behagen naaste -: ten goede, tot opbouwing
Hebr. 10 : 6 behagen van God: niet in brandoffers en zondoffers
1 Thess. 2 : 4 - 5 behagen vleien: - door te vleien
Rom. 15 : 1 behagen zichzelf
behagen zie ook Welbehagen
Luk. 23 11 behandelen verachtelijk –: Jezus: door Herodes met zijn soldaten
1 Tim. 4 : 15 behartigen behartig deze dingen
Matth. 20 : 8 beheerder van de wijngaard
Jer. 27 : 6 beheersing God beheerst alles: ook Nebukadnezar is Zijn knecht
Matth. 1 : 25 beheersing zelf-
Job 40 : 10 v Behemoth
Spr. 4 : 23 behioeden hart -: behoed uw hart
Ex. 23 : 20 behoeden door Christus
Spr. 2 : 11 behoeden door de verstandigheid
Gen. 28 : 15 behoeden door God
2 Sam. 8 : 14 behoeden door God
2 Sam. 8 : 6 behoeden door God: David
2 Pe 2 : 5 behoeden door God: Noach
1 Kron. 18 : 6 , 13 behoeden door God: van David
1 Kron. 18 : 13 behoeden door God: van David
Spr. 6 : 22 behoeden door Gods woord
Spr. 4 : 6 behoeden door wijsheid
Ex. 8 : 22 behoeden Gosen – voor de plaag van ongedierte
Spr. 16 : 17 behoeden zijn ziel -
2 Cor. 9 : 12 behoefte -n van de heiligen
Lev. 26 : 4 v behoefte -n: voorbeelden
Joh. 6 : 34 behoefte aan brood dat leven geeft
Joh. 5 : 39 - 40 behoefte aan eeuwig leven
Matth. 4 : 6 behoefte aan erkenning: en verzoeking
Hebr. 13 : 25 behoefte aan genade hebben wij, blijkens de groet
Amos 8 : 11 behoefte aan Gods woord
Gen. 2 : 20 behoefte Adams -
Filip. 2 : 25 behoefte bedienaar in mijn -n
Rom. 12 : 13 behoefte behoeften van de heiligen
Joh. 4 : 14 behoefte dorst, geestelijke -: door Jezus gelest
Pred. 6 : 2 behoefte geen gebrek hebben
Gen. 30 : 1 behoefte geestelijke -
1 Pe 2 : 2 behoefte geestelijke -: aan Gods woord
2 Sam. 18 : 18 behoefte geestelijke -: een naam die blijft
Matth. 5 : 6 behoefte geestelijke -: en verzadiging
Opb. 22 : 17 behoefte geestelijke -: levenswater
Filip. 1 : 2 behoefte genade, vrede
Ps. 73 : 25 behoefte God vervult al onze -n
Jes. 58 : 11 behoefte God verzadigt mijn ziel
Hebr. 13 : 5 behoefte God voorziet
Deut. 2 : 7 behoefte God voorziet in -en
Deut. 28 : 12 behoefte God voorziet in al onze behoeften
Jer. 5 : 24 behoefte God voorziet in onze -
Jac. 5 : 3 behoefte goddeloos voorzien in
Opb. 3 : 17 behoefte Ik heb aan niets gebrek"
Hand. 20 : 34 behoefte in -n voorzien
Spr. 12 : 11 behoefte in eigen - voorzien
Joh. 6 : 35 behoefte Jezus voorziet in onze -
Ex. 22 : 26 behoefte levens -: kleding: Gods zorg daarvoor
Ex. 21 : 10 behoefte levens -n
Col. 2 : 10 behoefte levens- vervuld in Christus (associatie)
Spr. 18 : 19 behoefte levens-: verzadigd door vrucht der lippen
Gen. 28 : 20 behoefte levens-n
Job 31 : 19 behoefte levens-n
Matth. 25 : 35 behoefte levens-n
1 Tim. 6 : 8 behoefte levensbehoeften
Jac. 2 : 15 behoefte levensbehoeften: kleding, voedsel
Jac. 2 : 16 behoefte lichamelijke -n
Jes. 33 : 16 behoefte mondbehoeften zeker
Matth. 6 : 8 behoefte nodig hebben
Tit. 3 : 14 behoefte noodzakelijke -n
Hos. 4 : 10 behoefte onvervuld: als straf
Ez. 7 : 19 behoefte onvervulde -
Filip. 2 : 25 behoefte van de heilige: Paulus
Pred. 6 : 7 behoefte van de mens: onvervuld
Ps. 42 : 2 v behoefte verlangen naar God
Deut. 28 : 38 v behoefte verscheidene -n gefrustreerd
Mark. 8 : 8 behoefte verzadigen: door Christus
Joel 2 : 19 behoefte verzadiging: door God
Filip. 4 : 16 behoefte voor iem. - iets zenden naar hem
Filip. 4 : 19 behoefte voorzien in: door God: in al uw behoeften
Jac. 1 : 5 behoefte vraag God erin te voorzien!!
Joh. 6 : 35 behoefte zie ook Dorst
Deut. 28 : 48 behoefte zie ook Gebrek
Pred. 4 : 8 behoefte zie ook Gebrek
Joh. 6 : 35 behoefte zie ook Honger
Ps. 145 : 15 behoefte zie ook Verzadigen
Pred. 4 : 8 behoefte zie ook Verzadigen
Joh. 6 : 32 behoefte zie ook Voedsel
Joh. 4 : 14 behoefte
Mark. 8 : 2 behoeften stoffelijke -: acht Christus ook belangrijk
Jes. 29 : 19 behoeftige zal zich in God verheugen
behoeftige zie ook Nooddruftige
Luk. 17 : 10 behoren doen wat wij behoren te doen
2 Thess. 2 : 13 behoren te danken
Col. 4 : 4 behoren te spreken
Hebr. 10 : 39 behoud van de ziel: toekomstige zaak
Hand. 27 : 44 behouden allen kwamen - aan land
1 Tim. 4 : 16 behouden ander -
1 Cor. 7 : 16 behouden ander behouden, door de gelovige
1 Tim. 4 : 16 behouden anderen -
Hos. 14 : 4 behouden Assur zal ons niet -
Matth. 8 : 25 behouden behoud ons!
Gen. 19 : 17 behouden behoud u!
1 Thess. 5 : 21 behouden behoudt het goede
Luk. 8 : 35 behouden bezetene -
Luk. 8 : 35 behouden bezetene was -
Gen. 45 : 7 behouden bij het leven –, door een grote verlossing
Jes. 63 : 9 behouden door een engel
Luk. 8 : 48 behouden door geloof
Jac. 2 : 14 behouden door geloof met werken
Mark. 5 : 34 behouden door geloof: geval
Luk. 17 : 19 behouden door geloof: uw geloof heeft u behouden, gezond gemaakt
Jac. 4 : 12 behouden door God
Luk. 8 : 12 behouden door te geloven
Luk. 6 : 9 behouden een leven -
2 Tim. 4 : 7 behouden geloof
1 Tim. 1 : 19 behouden geloof -; vgl. 1:5
Hand. 14 : 9 behouden geloof om - te worden
Mark. 5 : 28 behouden genezen
Luk. 8 : 48 behouden gezond maken
2 Tim. 1 : 9 behouden God heeft ons -
1 Tim. 2 : 4 behouden God wil dat alle mensen - worden en tot kennis van waarheid komen
Gen. 7 : 2 behouden God wil de rechtvaardige -
Jes. 33 : 22 behouden God zal ons -
Tit. 3 : 4 behouden God: door God: ons
1 Tim. 1 : 19 behouden goed geweten -
Tit. 3 : 5 behouden grond
Hand. 27 : 20 behouden hoop dat wij - zouden worden werd ons benomen
Joh. 5 : 34 behouden iets zeggen dat de toehoorders behouden worden
Rom. 8 : 24 behouden in de hoop
Joz. 14 : 10 behouden in het leven -
Dan. 5 : 19 behouden in het leven - versus doden
Ez. 3 : 18 behouden in het leven –
Richt. 10 : 1 behouden Israël -: als doel
Matth. 14 : 30 behouden Jezus aanroepen om behouden te worden: geval
Luk. 7 : 3 behouden Jezus verzoeken een dierbare slaaf te -
Gen. 47 : 25 behouden Jozef behield het leven van de Egyptenaren
Gen. 33 : 18 behouden komen tot de stad Sichem
Hand. 2 : 40 behouden laat u behouden van dit verkeerde geslacht
Mark. 3 : 4 behouden leven -
Matth. 16 : 25 behouden leven (zichzelf) willen behouden
1 Pe 4 : 18 behouden met moeite - worden: de rechtvaardige
Ef. 2 : 9 behouden niet op grond van werken
1 Thess. 2 : 16 behouden spreken opdat de volken - worden
2 Tim. 4 : 18 behouden toekomstig -
Ef. 2 : 5 behouden uit genade -
Ef. 2 : 8 behouden uit genade -
Luk. 7 : 50 behouden uw geloof heeft u behouden
Mark. 5 : 23 behouden van de dood: geval
Matth. 1 : 21 behouden van zonden
Mark. 3 : 4 behouden versus doden
Mark. 3 : 4 behouden versus doden
Jac. 4 : 12 behouden versus verderven
Mark. 8 : 35 behouden versus verliezen
Luk. 9 : 24 behouden versus verliezen
Luk. 6 : 9 behouden versus verloren laten gaan
Mark. 16 : 15 behouden versus veroordeeld
Mark. 13 : 20 behouden vlees -
Hebr. 7 : 25 behouden volledig -: door de Heer Jezus
Joh. 3 : 17 behouden wereld –: doel
Matth. 10 : 22 behouden wie volhardt tot het einde
Matth. 24 : 13 behouden wie volhardt tot het einde
Hand. 4 : 12 behouden wij moeten - worden door Jezus alleen
Hand. 28 : 1 behouden wij waren behouden
Rom. 5 : 10 behouden wij worden - door Christus' leven
Rom. 5 : 9 behouden wij worden door Christus behouden van de toorn van God
Ef. 2 : 8 behouden wij zijn behouden (tegenw. tijd)
Hand. 11 : 14 behouden woorden waardoor u zult - worden
Luk. 13 : 23 behouden worden
Luk. 18 26 behouden worden
Mark. 13 : 13 behouden worden door te volharden tot het einde
Luk. 8 : 50 behouden worden uit de dood: door geloof van anderen: geval
2 Cor. 2 : 15 behouden worden vs. verloren gaan
Joh. 10 : 9 behouden worden: als iemand door Jezus de Deur binnengaat
Matth. 19 : 25 behouden worden: belemmering: waar je aan vastzit
Hand. 2 : 47 behouden worden: de Heer voegde bijeen die behouden werden
Hand. 15 : 11 behouden worden: door de genade van de Heer Jezus
2 Thess. 2 : 10 behouden worden: door liefde tot de waarheid aan te nemen
Jes. 30 : 15 behouden worden: door wederkering en rust
Mark. 16 : 16 behouden worden: na geloofd te hebben en gedoopt te zijn
Mark. 10 : 27 behouden worden: onmogelijk bij mensen, mogelijk bij God
Jer. 4 : 14 behouden worden: zijn hart wassen, om behouden te worden
Jes. 45 : 22 behouden wordt – al u einden van de aarde
1 Tim. 4 : 16 behouden zelf: jezelf -
Gen. 19 : 19 behouden ziel -
Mark. 8 : 35 behouden zijn eigen leven willen -
Luk. 9 : 24 behouden zijn leven willen -
Spr. 13 : 3 behouden zijn ziel - door zijn mond te bewaren
1 Tim. 1 : 15 behouden zondaars -: Jezus' doel
2 Tim. 4 : 18 behouden voor het hemels koninkrijk van de Heer
Jes. 26 : 18 behoudenis aandoen: wij deden het land geen - aan
Luk. 3 : 6 behoudenis alle vlees zal de - van God zien
1 Pe 1 : 9 behoudenis als toekomstig
1 Pe 1 : 5 behoudenis als toekomstig: ligt klaar om geopenbaard te worden
2 Cor. 7 : 10 behoudenis bekering tot
Filip. 1 : 28 behoudenis bewijs van -
2 Tim. 3 : 15 behoudenis Bijbel kan je wijs maken tot -
Ef. 4 : 30 behoudenis blijvend
2 Cor. 6 : 2 behoudenis dag van de -
Tit. 3 : 7 behoudenis doel
1 Tim. 1 : 15 - 16 behoudenis door geloof
2 Tim. 3 : 15 behoudenis door geloof
Hebr. 5 : 9 behoudenis eeuwige -: door Jezus
Filip. 2 : 12 behoudenis eigen - bewerken met vrees en beven
Jes. 33 : 2 behoudenis en benauwdheid
Hand. 16 : 31 behoudenis en geloof
2 Tim. 1 : 9 behoudenis en roeping
Luk. 1 : 77 behoudenis en vergeving van zonden
2 Thess. 2 : 13 - 14 behoudenis en verheerlijking
Tit. 3 : 5 behoudenis en wedergeboorte
Ef. 1 : 13 behoudenis evangelie van uw -
Ef. 2 : 8 behoudenis gave van God
Jud : 3 behoudenis gemeenschappelijke -
1 Pe 1 : 10 behoudenis genade
Jes. 33 : 2 behoudenis God, wees onze -
Luk. 2 : 30 behoudenis Gods - : Jezus
2 Pe 3 : 15 behoudenis Gods lankmoedigheid te houden voor -
Rom. 10 : 9 behoudenis grond
Hebr. 2 : 3 behoudenis grote -: veronachtzamen
Ef. 6 : 17 behoudenis helm van de -
Luk. 1 : 69 behoudenis hoorn van -
Spr. 11 : 14 behoudenis in de veelheid der raadslieden
Luk. 1 : 69 behoudenis in het huis van David
Hand. 4 : 12 behoudenis in niemand anders is de - dan in Jezus Christus
2 Tim. 2 : 10 behoudenis is in Christus
Opb. 19 : 1 behoudenis is van onze God
Luk. 1 : 77 behoudenis kennis van de - geven
Rom. 1 : 16 behoudenis kracht tot -: evangelie
Rom. 11 : 12 behoudenis maakt rijk, geeft rijkdom
Matth. 12 : 41 behoudenis mannen van Ninevé?
2 Tim. 2 : 10 behoudenis met eeuwige heerlijkheid
Matth. 19 : 25 v behoudenis mogelijk of onmogelijk
Mark. 13 : 13 behoudenis na volharding tot het einde
Hebr. 1 : 14 behoudenis omvang
Rom. 1 : 16 behoudenis op grond van geloof
1 Pe 1 : 5 behoudenis openbaring van -
1 Pe 2 : 2 behoudenis opgroeien tot behoudenis
Hebr. 2 : 10 behoudenis overste leidsman van onze -: Jezus
Filip. 1 : 19 behoudenis strekken tot - (vermoedelijk bevrijding uit gevangenis)
Luk. 19 9 behoudenis ten deel vallen: aan een huisgezin
Hebr. 1 : 14 behoudenis toekomstig
Mark. 16 : 16 behoudenis toekomstige
1 Pe 1 : 5 behoudenis toekomstige
1 Thess. 5 : 8 v behoudenis toekomstige -
2 Tim. 2 : 10 behoudenis toekomstige -
1 Pe 2 : 2 behoudenis toekomstige -
Opb. 12 : 10 behoudenis toekomstige -: te komen
Rom. 13 : 11 behoudenis toekomstige –
1 Cor. 5 : 5 behoudenis toekomstige –
Hebr. 9 : 28 behoudenis tot - zal Christus verschijnen aan hen die Hem verwachten
Rom. 11 : 11 behoudenis tot de volken gekomen: om Israëls jaloersheid op te wekken
Luk. 1 : 71 behoudenis uit de hand van haters
Joh. 4 : 22 behoudenis uit de Joden
2 Tim. 1 : 9 behoudenis uit genade
Joh. 3 : 17 behoudenis van de wereld: Gods doel
1 Pe 1 : 9 behoudenis van de ziel
Hand. 28 : 28 behoudenis van God: tot de volken gezonden
Gen. 45 : 5 behoudenis van het leven: Jozef gezonden tot -
Luk. 1 : 71 behoudenis van onze vijanden
Hebr. 11 : 7 behoudenis van zijn huisgezin: hiertoe maakte Noach aan ark
2 Cor. 1 : 6 behoudenis verdrukking die tot - van anderen strekt
Joh. 8 : 24 behoudenis vereist geloven dat
2 Thess. 2 : 13 behoudenis verkoren tot -
2 Tim. 2 : 10 behoudenis verkrijgen
Filip. 1 : 28 behoudenis versus verderf
Hebr. 6 : 9 behoudenis versus verwerping, vervloeking, verbranding, vgl. vers 8
Luk. 21 18 behoudenis volledige -
Rom. 10 : 1 behoudenis voorbede om -
Hand. 15 : 1 behoudenis voorwaarde voor -: valse voorwaarde
Hand. 16 : 17 behoudenis weg van de -
Hand. 13 : 26 behoudenis woord van deze -
Hand. 27 : 34 behoudenis
Ef. 5 : 23 behouder Christus is de - van het Lichaam
Ef. 5 : 23 behouder Christus is de - van het Lichaam, de Gemeente
2 Pe 3 : 14 beijveren beijvert u onbesmet en onberispelijk voor Hem te worden gevonden in vrede
Hebr. 4 : 11 beijveren om in Gods rust in te gaan
2 Tim. 2 : 15 beijveren zich -
2 Tim. 4 : 21 beijveren zich -
Gal. 2 : 10 beijveren zich - iets te doen
2 Tim. 4 : 9 beijveren zich -: geval
Tit. 3 : 12 beijveren zich –: beijver je tot mij (Paulus) te komen
2 Sam. 19 : 35 bejaarde
1 Tim. 3 : 5 bekeerde pas-
Ef. 4 : 28 bekeerling dief
1 Thess. 1 : 8 bekeerling evangelie meedelen door bekeerlingen
Opb. 3 : 9 bekeerling gift van Christus
Jes. 56 : 6 v bekeerling pas-: Gods weg met -
Ruth 3 : 14 bekend het worde niet -
Spr. 12 : 16 bekend maken: soms niet goed
Luk. 12 : 2 bekend versus verborgen
1 Kron. 16 : 8 bekend maken maakt Zijn daden bekend onder de volken
Mark. 5 : 43 bekendheid beletten: door Jezus
Ef. 6 : 21 bekendmaken dingen betreffende Paulus
Ps. 143 : 8 bekendmaken door God: de weg die ik te gaan heb
Ps. 147 : 19 bekendmaken door God: Zijn woorden
Joh. 15 : 15 bekendmaken door Jezus: aan zijn apostelen: al wat hij van de Vader heeft gehoord
Col. 1 : 8 bekendmaken geval
Ps. 105 : 1 bekendmaken God: maakt Zijn daden bekend onder de volken
Jes. 12 : 4 bekendmaken maakt Gods daden bekend onder de volkeren
Ezra 1 : 1 bekendmaken mondeling en schriftelijk
Joh. 17 : 26 bekendmaken Vaders naam -: door Christus
Col. 4 : 7 v bekendmaken wat Christus aangaat aan een ander - (toepassing)
Matth. 10 : 27 bekendmaken wat Christus ons zegt in de duisternis
Jes. 33 : 13 bekennen bekent Mijn macht
Jes. 41 : 20 bekennen dat God iets gewerkt heeft
Richt. 11 : 39 bekennen geslachtsgemeenschap hebben
Gen. 24 : 16 bekennen geslachtsverkeer
Gen. 38 : 26 bekennen ingeval van seksuele omgang buiten het huwelijk
Hos. 11 : 3 bekennen niet -
1 Kon. 1 : 4 bekennen seksuele omgang
Gen. 4 : 1 bekennen
Ps. 16 : 3 beker de HERE is het deel mijns bekers
Ps. 116 : 13 beker der verlossingen
Jes. 51 : 17 beker der zwijmeling
Jes. 51 : 22 beker der zwijmeling
Ez. 23 : 31 v beker fig.
Jes. 51 : 23 beker Gods – der grimmigheid voor de heidenen die Sion verdrukt hebben
Jes. 51 : 17 beker van Gods grimmigheid
Jes. 51 : 22 beker van Gods grimmigheid
Jer. 25 : 15 beker van Gods toorn
Ez. 23 : 33 beker van verwoesting en der eenzaamheid
Hand. 17 : 30 bekeren alle mensen moeten zich bekeren
Jer. 3 : 7 bekeren bekeer u tot Mij
Hos. 12 : 7 bekeren bekeer u tot uw God
Hos. 14 : 2 v bekeren bekeer u, o Israël, naar de HEERE uw God toe
Jer. 3 : 12 bekeren bekeer u!
Opb. 3 : 3 bekeren bekeer u!
Joel 2 : 13 bekeren bekeert u tot Jhwh uw God
Joel 2 : 12 bekeren bekeert u tot Mij
2 Kon. 17 : 13 bekeren bekeert u van uw boze wegen
Jer. 3 : 14 bekeren bekeert u!
Matth. 3 : 2 bekeren bekeert u!
Mark. 1 : 15 bekeren bekeert u!
Opb. 2 : 21 bekeren betekenis
Opb. 2 : 21 bekeren betekenis: van iets, hier hoererij
Opb. 2 : 21 bekeren doe je zelf ook
Luk. 1 : 16 bekeren doen terugkeren: door Johannes
Jer. 31 : 18 bekeren door God
Mal. 2 : 6 bekeren door Levi: anderen
Matth. 3 : 6 bekeren en belijdenis van zonden
Mark. 1 : 15 bekeren en geloven
2 Kron. 15 : 3 bekeren en God zoeken
Jer. 18 : 11 bekeren en handelingen goed maken
Ez. 14 : 6 bekeren en zich afkeren
2 Kron. 30 : 9 bekeren gevolg
Mal. 2 : 6 bekeren iemand - van ongerechtigheid
Ez. 18 : 30 bekeren keert weder en bekeert u
Matth. 3 : 2 bekeren motiveren om zich te -
Opb. 2 : 5 bekeren onbekeerlijkheid: gevolgen
Klg. 5 : 21 bekeren ons –: door God: gevraagd
Opb. 2 : 16 bekeren oproep tot - en waarschuwen voor onbekeerlijkheid
Matth. 3 : 2 bekeren oproep tot bekering
Luk. 22 32 bekeren Petrus: zou eens bekeerd zijn
Mark. 6 : 12 bekeren prediken dat men zich moest bekeren
Hos. 5 : 4 bekeren proces van -
Matth. 3 : 2 bekeren reden om zich te -
Opb. 2 : 21 bekeren tijd gegeven om zich te bekeren
Opb. 2 : 5 bekeren tot een eerdere wandel
Ez. 3 : 20 bekeren versus afkeren
Jer. 5 : 3 bekeren weigeren zich te -
2 Kron. 6 : 37 bekeren zich -
Luk. 15 : 7 bekeren zich -
Zach. 1 : 4 bekeren zich - van boze wegen en boze handelingen
Jer. 18 : 8 bekeren zich - : door een volk
Neh. 1 : 9 bekeren zich - : door Israël
Matth. 11 : 21 bekeren zich - in zak en as
1 Kon. 8 : 48 bekeren zich - met ganse hart en ziel
1 Sam. 7 : 3 bekeren zich - met zijn ganse hart
Opb. 2 : 5 bekeren zich - na zich te hebben bedacht
2 Kron. 6 : 24 bekeren zich - na zonde
Opb. 16 : 9 bekeren zich - om God heerlijkheid te geven
Matth. 12 : 41 bekeren zich - op prediking
Job 22 : 23 bekeren zich - tot de Almachtige
Hand. 9 : 35 bekeren zich - tot de Heer
Hand. 11 : 21 bekeren zich - tot de Heer
Jes. 55 : 7 bekeren zich - tot de HEER
Deut. 30 : 10 bekeren zich - tot God
1 Kon. 8 : 48 bekeren zich - tot God
2 Kron. 15 : 4 bekeren zich - tot God
2 Kron. 30 : 9 bekeren zich - tot God
2 Kron. 36 : 13 bekeren zich - tot God
Neh. 1 : 9 bekeren zich - tot God
Jes. 31 : 6 bekeren zich - tot God
Hand. 15 : 19 bekeren zich - tot God
2 Kon. 23 : 25 bekeren zich - tot God: door Josia
Jona 3 : 8 bekeren zich - van : zijn boze weg, vs. 10
Hand. 14 : 15 bekeren zich - van afgoden, tot God
Jer. 44 : 5 bekeren zich - van boosheid
2 Kron. 7 : 14 bekeren zich - van boze wegen
1 Thess. 1 : 9 bekeren zich - van de afgoden en tot God
Hand. 26 : 18 bekeren zich - van de duisternis tot het licht
Hand. 26 : 18 bekeren zich - van de macht van de satan tot God
Job 36 : 10 bekeren zich - van de ongerechtigheid
Opb. 9 : 20 bekeren zich - van de werken van zijn handen
Ez. 14 : 6 bekeren zich - van drekgoden
Ez. 18 : 28 bekeren zich - van gedane overtredingen
Ez. 14 : 6 bekeren zich - van gruwelen
Opb. 9 : 21 bekeren zich - van moord
Jes. 59 : 20 bekeren zich - van overtredingen
Opb. 2 : 22 bekeren zich - van werken
Jer. 18 : 11 bekeren zich - van zijn boze weg
Jer. 36 : 3 bekeren zich - van zijn boze weg
Ez. 33 : 9 bekeren zich - van zijn weg
Ez. 33 : 11 bekeren zich - van zijn weg
Ez. 18 : 23 bekeren zich - van zijn wegen
Opb. 16 : 11 bekeren zich - van zijn werken
Ez. 18 : 21 bekeren zich - van zijn zonden
1 Kon. 8 : 35 bekeren zich - van zonden
Opb. 3 : 3 bekeren zich -, door een Christen
Luk. 16 : 30 bekeren zich -: aanleiding of niet
Matth. 11 : 21 bekeren zich -: aanleiding: krachten
Jona 3 : 10 bekeren zich -: begrip: behelst werken
Hand. 2 : 38 bekeren zich -: bekeert u
Jer. 25 : 5 bekeren zich -: Bekeert u toch!
Matth. 4 : 17 bekeren zich -: bekeert u!
Hos. 3 : 5 bekeren zich -: de kinderen Israëls
Neh. 9 : 28 bekeren zich -: door de Israëlieten
Ps. 51 : 15 bekeren zich -: door de zondaars
Jer. 3 : 10 bekeren zich -: met ganse hart: vs. valselijk
Deut. 30 : 10 bekeren zich -: met zijn ganse hart en ganse ziel
2 Pe 2 : 18 bekeren zich -: ontvluchten aan hen die in dwaling wandelen
Luk. 11 : 32 bekeren zich -: op iem. prediking
Hand. 28 : 27 bekeren zich -: op inzicht
1 Kon. 13 : 33 bekeren zich -: synoniem van
Ps. 51 : 15 bekeren zich -: tot God
Jer. 4 : 1 bekeren zich -: tot God
Jer. 3 : 10 bekeren zich -: valselijk
Jer. 18 : 8 bekeren zich -: van zijn boosheid
Opb. 2 : 16 bekeren zich -: voorbeeld: verkeerde leer loslaten
Hos. 11 : 5 bekeren zich -: weigeren
Jer. 5 : 3 bekeren zich -: weigeren zich te -
Ez. 18 : 30 bekeren zich – van al zijn overtredingen
Jes. 59 : 20 bekeren zich – van de overtreding in Jakob
Ez. 33 : 12 bekeren zich – van goddeloosheid
Ez. 18 : 27 bekeren zich – van zijn goddeloosheid
Ez. 33 : 19 bekeren zich – van zijn goddeloosheid
Ez. 33 : 14 bekeren zich – van zijn zonde
2 Kron. 6 : 26 bekeren zich bekeren: van zijn zonden
Mark. 6 : 12 bekeren zich moeten -
Hos. 7 : 10 bekeren zich niet -
Luk. 13 : 3 bekeren zich niet -
Opb. 16 : 9 bekeren zich niet -
Opb. 16 : 11 bekeren zich niet -
Amos 4 : 8 bekeren zich niet - bekeren tot God ondanks droogte
Amos 4 : 9 bekeren zich niet - bekeren tot God ondanks natuurrampen
Jer. 18 : 12 bekeren zich niet - en geen hoop hebben
Opb. 16 : 9 bekeren zich niet - om God heerlijkheid te geven
Neh. 9 : 35 bekeren zich niet - van boze werken
Ps. 7 : 13 bekeren zich niet -: gevolg
Opb. 2 : 16 bekeren zich niet -: gevolgen
1 Kon. 13 : 33 bekeren zich niet -: ondanks wonderteken
Matth. 11 : 20 bekeren zich niet -: verweten door Jezus
Jer. 3 : 7 bekeren zich niet bekeren ondanks oproep
Opb. 2 : 21 bekeren zich niet willen - van iets
Jes. 19 : 22 bekeren zich tot de HEER -
Opb. 3 : 19 bekeren zich: wees dan ijverig en bekeer u
Ps. 119 : 59 bekeren zich: zijn voeten keren tot
Jer. 8 : 5 bekeren zie ook Wederkeren
bekeren zie ook Wenden, zich
2 Kron. 6 : 24 bekering aanleiding: nederlaag
Spr. 5 : 6 bekering afhouden van -: door de duivel
Ez. 18 : 8 bekering afkeren: zijn hand van onrecht afkeren
2 Cor. 7 : 9 bekering bedroefd tot - toe
Luk. 15 : 16 bekering begin van -
Hand. 2 : 37 bekering begin: bereidheid anders te handelen
Hand. 2 : 37 bekering begin: in het hart getroffen worden hier
Hos. 5 : 15 bekering begint met schuldbesef, moeilijkheden
Deut. 30 : 8 bekering begrip
Deut. 30 : 10 bekering begrip
Jes. 1 : 16 bekering begrip
Jes. 55 : 7 bekering begrip
Jer. 35 : 15 bekering begrip
Zach. 1 : 3 v bekering begrip
1 Pe 3 : 11 bekering begrip
1 Sam. 7 : 3 v bekering begrip (!)
Luk. 15 : 7 bekering begrip: zich afwenden van een zondig leven en rechtvaardig voor God leven
Ez. 18 : 32 bekering bekeert u en leeft!
Jes. 6 : 10 bekering beletten: door God
Matth. 11 : 21 bekering berouw en -
Jer. 7 : 3 v bekering betekenis: handelingen goed maken
Jer. 36 : 3 bekering bevorderen: door God
Ex. 32 : 12 bekering bij God: oproep door Mozes
Opb. 2 : 16 bekering Christen opgeroepen tot -
Jac. 4 : 9 bekering christen: soms nodig
Matth. 3 : 8 bekering daarna vruchtdragen
Jes. 55 : 7 bekering daarna: ontferming van God
Jes. 55 : 7 bekering daarna: vergeving door God
Joh. 6 : 45 bekering de rol van de Vader erin
Matth. 3 : 3 bekering doel: weg voor God openen
Hand. 19 : 4 bekering doop van -
Luk. 3 : 3 bekering doop van - gepredikt door Johannes
Luk. 3 : 3 bekering doop van - tot vergeving van zonden
Joel 2 : 13 - 14 bekering door de mens en een zich wenden door God
Jer. 24 : 7 bekering door God gewerkt
Hand. 3 : 19 bekering en berouw
Jer. 26 : 3 bekering en daarna berouw bij God
Hand. 26 : 20 bekering en daarna werken doen de bekering waardig
Hand. 2 : 38 bekering en doop
Deut. 4 : 30 bekering en gehoorzaamheid
Deut. 30 : 8 bekering en gehoorzaamheid
2 Kon. 17 : 13 bekering en gehoorzaamheid
Neh. 1 : 9 bekering en gehoorzaamheid
Hand. 11 : 18 , 17 bekering en geloof
Hand. 20 : 21 bekering en geloof
Hebr. 6 : 1 bekering en geloof
Rom. 1 : 5 bekering en geloof: geloofsgehoorzaamheid
Jes. 19 : 22 bekering en genezing
Jer. 3 : 22 bekering en genezing
Hand. 28 : 27 bekering en gezondheid
Joh. 12 : 40 bekering en gezondmaking
2 Kron. 30 : 6 bekering en God keert zich tot de bekeerling
Ez. 18 : 31 bekering en inwendige vernieuwing
Ez. 33 : 11 bekering en leven
Jer. 24 : 7 bekering en nieuw hart
Luk. 22 32 bekering en nieuwe taak
Jes. 19 : 22 bekering en nood
Hand. 2 : 39 bekering en roeping door God
Jer. 31 : 19 bekering en schaamte
Jer. 5 : 3 bekering en tucht
Hand. 3 : 19 bekering en uitwissing van zonden
Jer. 4 : 1 bekering en verfoeiselen wegdoen
Jer. 36 : 3 bekering en vergeving
2 Kon. 23 : 25 bekering en werken
Opb. 22 : 17 bekering en wil
Matth. 11 : 20 bekering en wonder, kracht
Hand. 3 : 26 bekering en zegen
Jer. 31 : 19 bekering en zelfkennis
2 Kron. 6 : 37 bekering en zondebelijdenis
Hand. 11 : 21 bekering geloven en -
2 Kron. 33 : 15 bekering geval: Manasse
2 Tim. 2 : 25 bekering geven: door God
Jer. 3 : 12 bekering gevolg: geen toorn van God
Job 22 : 23 bekering gevolg: goed
2 Kron. 6 : 14 bekering gevolg: verhoring, vergeving, genezing
1 Sam. 7 : 3 bekering gevolg: verlossing, bevrijding
Ez. 33 : 14 v bekering gevolgd door het doen van recht en gerechtigheid
Opb. 2 : 5 bekering gevolgd door werken
Jes. 22 : 12 bekering God roept tot -
2 Pe 3 : 9 bekering God wil dat allen tot - komen
Joh. 12 : 32 bekering Gods werk: Jezus trekt
Matth. 13 : 21 bekering halve -: vreugde zonder wortel
Jer. 26 : 13 bekering handelingen goed maken
Jer. 4 : 1 bekering heeft een positieve kant
2 Kron. 15 : 4 bekering in nood
2 Kron. 15 : 3 bekering in nood, tot God
Hand. 8 : 22 bekering innerlijk hier
Ez. 20 : 43 bekering innerlijke -
1 Kon. 8 : 47 bekering inwendig aspect: een zaak van het hart
Joh. 10 : 16 bekering Jezus' aandeel in onze bekering: toebrengen
Hand. 3 : 26 bekering leiden tot -: afbrengen van boosheden
Amos 4 : 6 v bekering leiden tot -: door ellende
Ez. 18 : 31 bekering maakt u een nieuw hart, een nieuwe geest
Hand. 2 : 41 bekering massa-
Joel 2 : 12 bekering met je ganse hart
Joel 2 : 12 bekering met rouwklacht en geween
Hand. 11 : 18 bekering mogelijkheid tot -: gave van God
Jer. 7 : 3 bekering motiveren tot -
Jer. 7 : 7 bekering motiveren tot -
2 Kron. 30 : 9 bekering motiveren tot bekering
Jes. 59 : 20 bekering na - verlossing
Mark. 4 : 12 bekering na - volgt vergeving
Luk. 3 : 8 bekering na -: vruchten voortbrengen de bekering waardig
1 Cor. 16 : 15 bekering na – dienen
Opb. 3 : 3 bekering na bedenken
Richt. 10 : 16 bekering na belijdenis: geval
1 Thess. 1 : 6 bekering na de bekering: navolging
2 Cor. 7 : 10 bekering na droefheid
Ps. 119 : 67 bekering na ellende
Luk. 10 : 13 bekering na het zien van krachten (tekenen)
Jer. 26 : 3 bekering na horen
Mark. 4 : 12 bekering na horen
Jes. 6 : 10 bekering na inzicht
Jes. 6 : 10 bekering na inzicht
Ez. 18 : 28 bekering na onder ogen zien
Hand. 26 : 18 bekering na opening van de ogen
Luk. 16 : 31 bekering na overtuiging
Hos. 14 : 2 bekering na val
Matth. 13 : 15 bekering na zien, horen, verstaan
2 Kon. 23 : 25 bekering naar de Schrift gaan handelen
Luk. 15 : 7 bekering nodig hebben
Jes. 31 : 6 bekering nodig na afwijken
Jer. 23 : 14 bekering nodige - voorkomen: door valse profeten
Mark. 6 : 12 bekering noodzaak
Hand. 14 : 15 bekering noodzaak
Luk. 13 : 3 , 5 bekering noodzaak: anders omkomen
2 Tim. 2 : 25 bekering om de waarheid te erkennen
Jer. 18 : 11 bekering om onheil te voorkomen
1 Sam. 26 : 21 bekering omvat meer dan belijdenis van zonde
Jer. 35 : 15 bekering onbekeerlijkheid
2 Kron. 36 : 13 bekering onbekeerlijkheid: en verharding des harten
2 Cor. 7 : 10 bekering onberouwelijke -
1 Sam. 24 : 17 bekering onwaarachtige -
Hand. 26 : 20 bekering op berouw
1 Thess. 4 : 7 bekering op roepstem Gods
Hand. 9 : 35 bekering op wonder van genezing
Matth. 13 : 5 bekering oppervlakkige -
Mark. 4 : 16 bekering oppervlakkige -
Hand. 14 : 15 bekering oproep tot
Jer. 7 : 3 bekering oproep tot -
Joel 2 : 12 bekering oproep tot - na schildering van de vreselijke dag van de HEER
Luk. 13 : 3 , 5 bekering oproep tot -: door Jezus
2 Kron. 30 : 6 bekering oproep tot -: wijzen op positief gevolg
Jer. 25 : 5 bekering oproep tot (massale) bekering
Jer. 38 : 17 bekering overgave
Luk. 24 : 47 bekering prediken, in Christus' naam
Ps. 119 : 59 bekering proces
Matth. 13 : 15 bekering proces
Matth. 13 : 20 bekering proces: horen, verstaan, aannemen, wortelen
Deut. 30 : 1 v bekering proces: ter harte nemen, veranderen en gehoorzamen
Hand. 16 : 14 bekering processtap: de Heer opent het hart
2 Kon. 23 : 25 bekering radicale -: Josia
Joel 2 : 13 bekering reden tot -
Matth. 4 : 17 bekering reden tot -: komst van Koninkrijk
Hand. 26 : 18 bekering resultaat
Spr. 1 : 20 v bekering roep tot
Luk. 5 : 32 bekering roepen tot -: door Jezus
1 Sam. 19 : 6 bekering Sauls tijdelijke -
Ez. 43 : 10 bekering schaamte
2 Sam. 5 : 3 bekering stam (toepassing)
Ez. 33 : 18 bekering synoniem: afkering van ongerechtigheid
Neh. 9 : 17 bekering te niet doen
Deut. 30 : 17 bekering tegendeel van -
Ez. 18 : 24 bekering tegendeel van -: afkering van gerechtigheid
Ez. 33 : 18 bekering tegendeel: afkeren van gerechtigheid en onrecht doen
Ez. 13 : 22 bekering tegenhouden: door iem. te versterken
Ez. 18 : 23 bekering ten leven
2 Cor. 3 : 16 bekering terugkeer tot Jahweh
1 Pe 2 : 25 bekering terugkeren, als afgedwaald schaap, tot de Herder
2 Pe 3 : 9 bekering tot - komen
Rom. 2 : 4 bekering tot - leiden: Gods goedertierenheid
2 Cor. 7 : 10 bekering tot behoudenis
Ez. 33 : 9 bekering tot bekering leiden
Ps. 119 : 79 bekering tot Christus (toepassing)
Jer. 3 : 22 bekering tot God komen
Hand. 20 : 21 bekering tot God: betuigen
Hand. 11 : 18 bekering tot het leven
Mark. 1 : 4 bekering tot vergeving van zonden
Luk. 24 : 47 bekering tot vergeving van zonden
1Jo 3 : 14 bekering uit de dood overgaan in het leven
Jer. 25 : 5 bekering van boze weg en boosheid uwer handelingen
Hand. 15 : 3 bekering van de volken
Hebr. 6 : 1 bekering van dode werken
2 Tim. 2 : 25 bekering van een afgewekene, vgl. vers 18
Jer. 26 : 3 bekering van een boze weg
2 Cor. 7 : 9 v bekering van een gelovige
Jes. 44 : 22 bekering van Gods volk: wederkeren tot God
Matth. 21 : 29 bekering van ongehoorzaamheid
Ez. 18 : 21 bekering van zonden tot goed doen
1 Thess. 1 : 9 bekering van, om, tot
Jer. 3 : 13 bekering vereist zondebesef
Jer. 23 : 14 , 17 bekering verijdelen door boosdoeners te sterken
Hebr. 6 : 6 bekering vernieuwen tot -
Hebr. 6 : 5 bekering vernieuwen tot –
Jes. 56 : 6 bekering vgl. zich voegen tot de Heer
Opb. 2 : 5 bekering voor Christenen
Jer. 44 : 5 bekering voorafgaand aan -
Joh. 12 : 40 bekering voorafgaand aan -
Hos. 6 : 1 bekering voorafgaand besef van ellende
Jer. 7 : 5 v bekering voorbeeld
Mark. 4 : 12 bekering voorkomen: door de Heer zelf
1 Kon. 8 : 34 bekering voorwaarde voor bekering
1 Pe 2 : 12 bekering wanneer: op de dag van de bezoeking (toepassing)
2 Kron. 6 : 14 bekering wat eraan vooraf gaat
Hos. 2 : 6 bekering wegdoen
Ez. 18 : 31 bekering wegwerpen van overtredingen
Richt. 2 : 19 bekering werken laten vallen, weg laten vallen
Jer. 3 : 22 bekering woorden bij
Luk. 19 8 bekering Zacheüs
bekering zie ook Afkeren, zich
bekering zie ook Komen: tot Jezus
bekering zie ook Wederkering
Jes. 55 : 7 bekering zijn weg en zijn gedachten verlaten
Ezra 10 : 11 bekering
Spr. 9 : 6 bekering
Rom. 6 : 16 v bekering
Hand. 17 : 30 bekering bevolen door God
Matth. 23 : 15 bekeringsijver
Jer. 22 : 18 beklag woordelijke uiting
1 Kon. 14 : 18 beklagen een gestorven koningszoon -
Job 2 : 11 beklagen Job -
Gen. 23 : 2 beklagen Sarah - : door Abraham
Luk. 24 : 49 bekleden bekleed worden met kracht uit de hoogte
Ps. 132 : 16 bekleden door God: met heil: de priesters
Ps. 132 : 18 bekleden door God: met schaamte: de vijanden
Opb. 3 : 18 bekleden geestelijk
Luk. 12 : 28 bekleden God bekleedt het gras
Luk. 12 : 27 bekleden lelies mooi bekleed
Luk. 15 : 22 bekleden met het beste kleed
1 Sam. 10 : 2 bekommerd om iem. zijn
Gen. 45 : 5 bekommerd weest niet -
Pred. 1 : 13 bekommeren zich - in iets, bijv. onderzoek
Mark. 4 : 38 bekommeren zich niet -: Jezus
Luk. 10 : 40 bekommeren zich om iets -
Spr. 12 : 25 bekommernis buigt hart neder
1 Sam. 10 : 2 bekommernis geval
Amos 6 : 6 bekommernis soms door God gewenst
1 Pe 5 : 10 bekrachtigen door God
1 Kron. 25 : 1 bekwaam - tot het werk van hun dienst
Col. 1 : 12 bekwaam maken
2 Cor. 3 : 6 bekwaam maken: door God: ons
2 Cor. 2 : 17 bekwaam zijn tot evangelisatiewerk
2 Cor. 3 : 5 bekwaamheid onze - is uit God
Matth. 25 : 15 bekwaamheid talent versus -
2 Tim. 2 : 2 bekwaamheid tot leren
Jes. 46 : 1 Bel afgod der Babyloniërs
2 Kron. 30 : 10 belachen boodschappers belacht
Ps. 37 : 13 belachen de Heer belacht de goddeloze
Ps. 59 : 9 belachen door God
Jer. 20 : 7 belachen Jeremia een -
Spr. 1 : 26 belaching wijsheid uitgelachen, lacht hier terug
Filip. 2 : 20 belang behartigen van iem -en
Filip. 2 : 21 belang eigen - zoeken
1 Thess. 4 : 11 belang eigen zaken behartigen
1 Tim. 6 : 19 belang van anderen dienen: in je eigen belang
Filip. 2 : 21 belang van Jezus Christus zoeken
belang zie ook Best
Jac. 5 : 12 belangrijk na te laten: zweren
Matth. 23 : 23 belangrijk wet: belangrijkste van de wet
Luk. 7 : 6 belangrijk zich niet - genoeg achten om Jezus binnen te laten
Matth. 8 : 8 belangrijk zijn
Hand. 13 : 44 belangstelling groeiende -
1 Tim. 5 : 15 belasten gemeente - met zorg voor
Luk. 11 : 46 belasten mensen -
2 Cor. 11 : 9 belasten zich ervoor wachten iemand te -
Spr. 30 : 10 belasteren na te laten
2 Sam. 16 : 3 belasteren Ziba belasterde Mefiboseth
Matth. 17 : 27 belasting betaalt - aan wie - toekomt
Luk. 20 22 belasting betalen
Rom. 13 : 6 belasting betalen
Matth. 17 : 25 belasting heffen
Mark. 12 : 14 belasting kwestie
Ezra 7 : 24 belasting vrij van - ten opzichte van Perzie
Matth. 17 : 26 belasting vrijstelling
belasting zie ook Overbelasting
Matth. 22 : 17 belasting
Gen. 47 : 26 belastingwet
Gen. 31 : 50 beledigen dochters -
Luk. 11 : 45 beledigen door Jezus
Luk. 13 : 32 beledigen door Jezus: geval: koning Herodes 'vos' genoemd
Ex. 22 : 22 beledigen geen weduwe of wees –
2 Kon. 2 : 24 beledigen geval
1 Kron. 19 : 4 beledigen geval
Luk. 11 : 45 beledigen
Hand. 14 : 15 belediging van een godsdienst (toepassing)
Jes. 29 : 3 belegeren door God: Jeruzalem
Jes. 29 : 3 belegeren Jeruzalem
Ps. 27 : 3 belegeren
Hand. 24 : 3 beleid
Luk. 5 : 19 belemmering
Job 19 : 8 beletten door God
Jes. 7 : 7 beletten door God: kwaad
Gen. 20 : 6 beletten door God: zonde
Matth. 3 : 14 beletten Jezus - : door Johannes geprobeerd
Richt. 19 : 22 Belial -s kinderen
Deut. 15 : 9 Belial -swoord: begrip: woord van een boze
Job 34 : 18 Belial begrip: goddeloze man
2 Sam. 22 : 5 Belial beken Belials
2 Cor. 6 : 15 Belial heeft geen overeenstemming met Christus
2 Sam. 20 : 1 belialsman Seba
1 Sam. 30 : 22 Belialsman Belialsmannen onder de mannen van David
Spr. 6 : 12 belialsmens begrip
1Jo 4 : 2 belijden begrip
Luk. 12 : 4 belijden Christus -
Hand. 19 : 18 belijden daden - en bekendmaken
1Jo 4 : 15 belijden dat Jezus de Zoon van God is
Hebr. 13 : 15 belijden de naam van Jezus -
1Jo 2 : 23 belijden de Zoon -
Opb. 3 : 5 belijden door Christus: van onze naam
Filip. 2 : 11 belijden door iedereen: dat Jezus Christus Heer is
Luk. 12 : 8 belijden door Jezus: voor de engelen van God
Matth. 10 : 32 belijden door Jezus: voor Zijn Vader
Joh. 1 : 20 belijden door Johannes de Doper
1 Tim. 6 : 21 belijden een dwaalleer -
Hand. 23 : 7 belijden erkennen dat iets bestaat
Lev. 5 : 5 belijden gebod
2 Cor. 4 : 13 belijden geloof doet spreken
Hebr. 11 : 13 belijden geval
1Jo 4 : 2 belijden geval van -
Rom. 15 : 9 belijden God - onder de volken
Tit. 1 : 16 belijden God te kennen
1 Tim. 2 : 10 belijden godvrezend te zijn
Joh. 9 : 22 belijden Jezus - als Christus
1Jo 4 : 3 belijden Jezus -
Joh. 13 : 35 belijden Jezus - door je gedrag
Matth. 10 : 32 belijden Jezus - voor de mensen
Luk. 12 : 8 belijden Jezus - voor de mensen
2Jo : 7 belijden Jezus -: inhoud
Rom. 10 : 9 belijden Jezus als Heer - met de mond
Joh. 12 : 42 belijden Jezus Christus -: nalaten uit vrees voor uitbanning
1Jo 4 : 2 belijden Jezus Christus als in het vlees gekomen belijden
Lev. 26 : 40 belijden ongerechtigheid -
Lev. 16 : 21 belijden van zonden
1Jo 1 : 6 belijden versus wandel
Hebr. 13 : 6 belijden vrijmoedig
Num. 5 : 7 belijden zonde - nodig
Matth. 27 : 4 belijden zonde -: door Judas
1 Sam. 15 : 24 belijden zonde -: door Saul
1 Sam. 15 : 30 belijden zonde -: door Saul
1 Sam. 26 : 21 belijden zonde -: door Saul
Matth. 3 : 6 belijden zonden -
Mark. 1 : 5 belijden zonden -
Jac. 5 : 16 belijden zonden -: aan elkaar
Neh. 1 : 6 belijden zonden: van zichzelf en van zijn volk
1 Tim. 6 : 12 belijdenis - doen: vgl. Pauls elders
Ezra 10 : 11 belijdenis aansporen tot -
Matth. 15 : 8 belijdenis belijdenis met de mond en toestand van het hart
Joz. 7 : 19 belijdenis doen
Neh. 1 : 6 belijdenis doen over de zonden van de kinderen Israëls
Dan. 9 : 4 v belijdenis doen: Daniel
Dan. 6 : 11 belijdenis doen: door Daniel
Tit. 1 : 16 belijdenis en werken
1 Tim. 6 : 12 belijdenis goede -
1 Tim. 6 : 13 belijdenis goede -
Hebr. 3 : 1 belijdenis onze –: de apostel en hogepriester ervan
Hebr. 10 : 23 belijdenis van de hoop: onwankelbaar vasthouden
Jer. 12 : 2 belijdenis van God zonder wedergeboorte
1 Tim. 6 : 12 belijdenis van het geloof
1Jo 5 : 5 belijdenis van het geloof: Jezus is de Zoon van God (toepassing)
Luk. 18 14 belijdenis van zondaar te zijn
Joz. 7 : 20 belijdenis van zonde
Richt. 10 : 15 belijdenis van zonde
Neh. 9 : 2 v belijdenis van zonden, ongerechtigheden doen
Luk. 15 : 21 belijdenis van zondig leven
Luk. 15 : 18 belijdenis van zondigen
Hebr. 4 : 14 belijdenis vasthouden: laten wij de - vasthouden
Richt. 10 : 10 , 15 belijdenis zonde-
Ezra 10 : 1 belijdenis
Ex. 2 : 3 belijmen
Hebr. 6 : 14 belofte aan Abraham
Gal. 3 : 29 belofte aan Abraham: wij zijn volgens - erfgenamen
Gal. 3 : 19 belofte aan Christus gedaan: stammend uit Abrahams tijd
Gen. 26 : 3 v belofte aan Isaak
Gal. 3 : 22 belofte aan ons gegeven
Hebr. 11 : 17 belofte aannemen
Hebr. 6 : 12 belofte beërven: door geloof en geduld de -n beerven
2 Cor. 7 : 1 belofte beloften hebben
2 Cor. 1 : 20 belofte beloften van God: betrouwbaar
Hebr. 8 : 6 belofte betere -n vormen grondslag nieuwe verbond
Rom. 15 : 8 belofte bevestigen
Hebr. 6 : 13 belofte doen: door God: aan Abraham
Gen. 46 : 3 belofte door God: aan Jakob
Ps. 132 : 11 belofte door God: geval
Ef. 6 : 2 belofte eerste gebod met een -
1 Sam. 28 : 17 belofte en werkelijkheid: geval: koninkrijk aan David gegeven
Hebr. 6 : 17 belofte erfgenamen van de -
Gal. 3 : 22 belofte gegeven op grond van geloof in Jezus Christus
2 Kon. 8 : 19 belofte gestand doen: door God
Hebr. 6 : 13 belofte geval van -
Rom. 4 : 21 belofte God is machtig zijn -n te vervullen
Joz. 1 : 3 belofte God is trouw aan zijn -
Hab. 3 : 9 belofte God komt zijn - na
Joz. 21 : 45 belofte God vervult al zijn -n
Joz. 23 : 14 belofte God vervult alle zijn -n
Joz. 21 : 44 belofte God vervult heel zijn -
1 Sam. 30 : 8 belofte Gods - wordt zeker vervuld
2 Pe 3 : 13 belofte Gods -: nieuwe hemelen en aarde
2 Pe 1 : 4 belofte grote: zeer grote -n
Ef. 3 : 6 belofte in Christus Jezus door het evangelie
2 Pe 1 : 4 belofte kostbare -en
Deut. 23 : 21 belofte na te komen
Hebr. 11 : 39 belofte niet ontvangen
Hebr. 10 : 36 belofte ontvangen, na de wil van God gedaan te hebben
Hebr. 11 : 33 belofte ontvangen: door middel van geloof
Hebr. 11 : 13 belofte ontvangen: vervulling ontvangen hier
Hebr. 9 : 15 belofte van de eeuwige -
Hand. 2 : 33 belofte van de Heilige Geest
Hand. 1 : 4 belofte van de Vader: door Jezus meegedeeld
Luk. 24 49 belofte van de Vader: H. Geest
1Jo 2 : 25 belofte van het eeuwige leven
2 Tim. 1 : 1 belofte van het leven dat in Christus Jezus is
Mark. 10 : 29 belofte van Jezus
Richt. 6 : 14 belofte van verlossing van Israël: aan Gideon gedaan door God
Hebr. 6 : 15 belofte verkrijgen: door geduld
2 Pe 3 : 9 belofte vertragen: dit doet God niet
1 Sam. 2 : 30 belofte voorwaardelijk
1 Kon. 6 : 12 belofte voorwaardelijke -
Hand. 1 : 4 belofte wat beloofd is
Rom. 9 : 9 belofte woord van -
Hebr. 11 : 6 beloner God een – van hen die Hem zoeken
Spr. 23 : 18 beloning door God
Hebr. 10 : 35 beloning grote - heeft vrijmoedig belijden van Jezus’ naam
2 Cor. 5 : 10 beloning voor Christus' rechterstoel
2 Cor. 9 : 5 beloven beloofde zegen
Rom. 4 : 21 beloven door God
Hebr. 11 : 11 beloven door God
Hebr. 11 : 11 beloven door God
Jac. 1 : 12 beloven door God
Hebr. 12 : 26 beloven door God: geval
Jac. 2 : 5 beloven door God: Koninkrijk: aan hen die Hem liefhebben
Ex. 19 : 8 beloven door het volk
Pred. 5 : 3 beloven en betalen
Hebr. 10 : 23 beloven en getrouw zijn
Mark. 14 : 11 beloven geval
Deut. 23 : 22 beloven nalaten te -: niet verkeerd
Deut. 23 : 22 beloven niet verplicht om te -
2 Pe 2 : 19 beloven vrijheid -
Pred. 5 : 3 beloven wanneer beter niet -
Dan. 5 : 28 Belsazar koning der Chaldeeën
Dan. 7 : 1 Belsazar koning van Babel
Dan. 5 : 1 v Belsazar
Dan. 5 : 11 Belzasar vader: Nebukadnezar
Jes. 6 : 9 bemerken niet - ondanks zien
Deut. 33 : 12 beminde God: - des HEEREN is Benjamin
Jer. 12 : 7 beminde Gods -
Ps. 108 : 7 beminde Gods -n: opdat zij bevrijd worden
Filip. 4 : 8 beminnelijk al wat - is, bedenkt dat
Ps. 4 : 3 beminnen de ijdelheid -
1 Kon. 5 : 1 beminnen door Hiram: van David
Hos. 3 : 1 beminnen God bemint de kinderen van Israël
Ps. 91 : 14 beminnen God zeer -
Ps. 122 : 6 beminnen Jeruzalem -
Spr. 1 : 22 beminnen simpelheid (verstandeloosheid) beminnen
Hos. 12 : 8 beminnen te verdrukken
1 Sam. 16 : 21 beminnen
Job 16 : 15 bemodderd van wenen
Opb. 1 : 5 bemoedigen door Christus onder relevante hoedanigheden voor te stellen
Hand. 16 : 40 bemoedigen door Paulus
1 Pe 4 : 15 bemoeial christen kan een - zijn
Ex. 2 : 13 bemoeien zich – met een ruzie
2 Thess. 3 : 11 bemoeien zich met andere zaken -
1 Tim. 5 : 13 bemoeiziek
1 Kron. 15 : 18 Ben naam
Gen. 19 : 38 Ben-Ammi betekenis: "het kind van mijn volk"
1 Kron. 18 : 17 Benaja
2 Sam. 1 : 26 benauwd door verdriet: David om Jonathan
Deut. 31 : 21 benauwdheden oordeel
Rom. 2 : 9 benauwdheid als vergelding voor ongerechtigheid
Jes. 37 : 3 benauwdheid barensnood
Jes. 33 : 2 benauwdheid behoudenis: wees onze behoudenis ten tijde der -
Jes. 30 : 20 benauwdheid brood der - geven: door God
Joh. 16 : 21 benauwdheid Christus over -
Ps. 20 : 2 benauwdheid dag der -
Jes. 37 : 3 benauwdheid dag der -
Spr. 24 : 10 benauwdheid dag der -: wees dan sterk
Gen. 35 : 3 benauwdheid de dag van mijn (Jakob s) -
Spr. 12 : 13 benauwdheid de rechtvaardige zal uit de - uitkomen
Gen. 42 : 21 benauwdheid der ziele
Ps. 119 : 143 benauwdheid en angst
Ps. 119 : 143 benauwdheid en vermaak in Gods geboden
Ps. 60 : 13 benauwdheid geef U ons hulp uit de -
Ps. 108 : 13 benauwdheid geeft Gij ons hulp uit de benauwdheid
Ps. 71 : 20 benauwdheid God heeft mij vele - doen zien
Ps. 138 : 7 benauwdheid God maakt mij levend in het midden der -
Ps. 118 : 5 benauwdheid God verlost uit de -
Neh. 9 : 37 benauwdheid grote -
Ps. 4 : 2 benauwdheid in - hebt U mij ruimte gemaakt
2 Cor. 6 : 4 benauwdheid in -en
Jes. 63 : 9 benauwdheid in al hun - is Hij benauwd geweest
Ps. 91 : 15 benauwdheid in de - zal Ik bij hem zijn
Neh. 9 : 37 benauwdheid Israël in grote -
Gen. 42 : 21 benauwdheid Jozefs
Gen. 42 : 21 benauwdheid Jozefs broers
Luk. 21 25 benauwdheid onder de volken in de eindtijd
2 Kron. 28 : 22 benauwdheid oorzaak van meer overtreden
Ps. 54 : 9 benauwdheid redden uit alle -: door God
Ps. 120 : 1 benauwdheid roepen tot God in -
Ps. 107 : 13 benauwdheid roepen tot God in de - die je hebt
Ps. 142 : 3 benauwdheid te kennen geven voor God
Jes. 33 : 2 benauwdheid tijd der -
Dan. 12 : 1 benauwdheid tijd der - voor Israël in toekomst
Spr. 11 : 8 benauwdheid uit - bevrijd
Ps. 118 : 5 benauwdheid uit de - den HERE aanroepen
Ps. 143 : 11 benauwdheid uit de - voeren: gebed om
2 Cor. 2 : 4 benauwdheid van hart
Ps. 106 : 44 benauwdheid van Israël: door God aangezien
Jer. 30 : 7 benauwdheid van Jakob
2 Cor. 2 : 4 benauwdheid veel -
Deut. 31 : 17 benauwdheid vele benauwdheden zullen Israël treffen
Jes. 46 : 7 benauwdheid verlossen uit –
Ps. 34 : 7 benauwdheid verlossen uit al zijn -en
2 Sam. 4 : 9 benauwdheid verlost uit alle -
2 Cor. 12 : 10 benauwdheid welgevallen in -en
benauwdheid zie ook Beroering
Spr. 21 : 23 benauwdheid zijn ziel bewaren van -en
Ps. 50 : 15 benauwdheid
Ps. 107 : 6 benauwdheid
Ps. 116 : 3 benauwdheid
Jes. 8 : 22 benauwdheid
Job 32 : 18 benauwen de geest van mijn buik benauwt mij
2 Kron. 33 : 12 benauwen door God: Manasse
Deut. 28 : 53 benauwen door vijanden
Luk. 12 : 50 benauwen hoe benauwt het mij (Jezus)
Ps. 129 : 1 benauwen iem. in de jeugd -
2 Cor. 4 : 8 benauwen in alles verdrukt, maar niet benauwd
Jes. 51 : 13 benauwer grimmigheid van de –
Ps. 69 : 20 benauwers mijn -s zijn vóór U
Job 36 : 16 benauwing en angst
2 Sam. 22 : 30 bende met U loop ik door een bende
Hos. 6 : 9 bende van straatschenders
Hos. 7 : 9 bende van straatschenders
Spr. 15 : 24 beneden is het dodenrijk
1 Kon. 20 : 1 Benhadad koning van Syrië
Gen. 26 : 14 benijden door de Filistijnen: Isaak
Gen. 30 : 1 benijden door Rachel: haar zuster -
Ps. 106 : 16 benijden Israël benijdde Mozes en Aaron
Gen. 37 : 11 benijden reden
Gen. 45 : 21 Benjamin begiftigd door Jozef boven zijn broers
Ps. 68 : 28 Benjamin heerste over Israël (door Saul)
Gen. 49 : 27 Benjamin profetie aangaande
Filip. 3 : 5 Benjamin stam van -: Paulus uit de stam van -
Col. 4 : 3 benutten ten volle -
Joh. 12 : 34 beoordelen beweringen van Jezus beoordeeld
beoordelen door God, zie ook Wegen: door God
1 Cor. 14 : 25 beoordelen een ongelovige wordt door alle profeten beoordeeld
1 Cor. 12 : 3 beoordelen geestelijke uiting
Spr. 20 : 11 beoordelen iem. - naar zijn werken
1Jo 3 : 6 beoordelen iem. - naar zijn werken
Spr. 4 : 26 beoordelen jezelf: je weg
Spr. 14 : 15 beoordelen op waarheid
2Jo : 9 beoordelen zie Beproeven
Filip. 1 : 10 beoordelen
1 Tim. 5 : 19 beoordelen
Joh. 7 : 41 beoordeling en achtergrondovertuiging
Joh. 7 : 41 beoordeling geval
Hebr. 13 : 17 beoordeling voorgangers worden beoordeeld door de Heer
Matth. 15 : 24 beperken zich - ter wille van je zending
Hebr. 9 : 5 beperken zich -: schrijver in de behandeling van onderwerpen
1 Cor. 16 : 3 beproefd achten
2 Tim. 2 : 15 beproefd arbeider
Rom. 14 : 18 beproefd bij de mensen –
Jac. 1 : 12 beproefd door verzoeking
Luk. 16 : 11 beproefd
Rom. 16 : 10 beproefde de – in Christus
1 Cor. 11 : 19 beproefde
Filip. 2 : 22 beproefdheid iemands - kennen
2 Cor. 2 : 9 beproefdheid in alles gehoorzaam
Jac. 1 : 3 beproefdheid van geloof
1 Pe 1 : 7 beproefdheid van geloof
Rom. 5 : 4 beproefdheid vrucht der volharding
Rom. 5 : 4 beproefdheid werkt hoop
Opb. 2 : 2 beproeven beweerde apostelen -
2 Cor. 8 : 8 beproeven de echtheid van liefde -
Opb. 2 : 10 beproeven door gevangenis
Gen. 22 : 1 beproeven door God
Ex. 20 : 20 beproeven door God
Richt. 7 : 4 beproeven door God
Ps. 66 : 10 beproeven door God
Hebr. 11 : 17 beproeven door God: Abraham
Ps. 139 : 23 beproeven door God: beproef mij
Richt. 3 : 4 beproeven door God: dmv heidenen
Richt. 2 : 22 v beproeven door God: doel: weten
Ex. 16 : 4 beproeven door God: doel: weten of wij in Zijn wet gaan
Richt. 2 : 22 v beproeven door God: door middel van heidenen
Richt. 3 : 1 beproeven door God: door middel van heidenen
Deut. 8 : 2 beproeven door God: Israël in de woestijn
Ex. 15 : 25 beproeven door God: Mara
1 Thess. 2 : 4 beproeven door God: ons harten
1 Thess. 2 : 4 beproeven door God: voor evangelisatiewerk
Joh. 6 : 6 beproeven door Jezus: van Filippus
1 Thess. 5 : 21 beproeven en behouden
1Jo 4 : 3 beproeven geest -
1Jo 4 : 2 v beproeven geesten -: criteria
1Jo 4 : 6 beproeven geesten -: criteria: Christus belijden, ons horen
1Jo 4 : 1 beproeven geesten -: of zij uit God zijn
Ps. 95 : 9 beproeven God -
Jer. 9 : 7 beproeven God zal het volk -
2Jo : 9 beproeven iem. -
2 Cor. 8 : 22 beproeven iem. - in vele dingen
Gen. 42 : 15 beproeven iemand beproeven op zijn waarachtigheid, vs 20
Gal. 6 : 4 beproeven je eigen werk -
Pred. 7 : 23 beproeven met wijsheid
Filip. 1 : 9 beproeven op basis van kennis, inzicht en liefde
1 Thess. 5 : 20 beproeven profetie -
1 Tim. 3 : 10 beproeven van gelovigen door gelovigen
Ef. 5 : 10 beproeven wat de Heer welbehaaglijk is
2 Kron. 9 : 1 beproeven wijsheid van iem. -
Gen. 42 : 15 beproeven woorden beproeven
1Jo 1 : 6 beproeven zien op de vrucht
Pred. 2 : 1 beproeven zijn hart -: door vreugde
Dan. 1 : 14 beproeven
Luk. 14 : 19 beproeven
Deut. 8 : 16 beproeving doel: weldoen ten laatste
Deut. 4 : 34 beproeving door -en werd Israël aangenomen door God
Deut. 13 : 3 beproeving door God: bij misleiding door ander
Deut. 13 : 3 beproeving door God: doel weten
1 Pe 4 : 12 beproeving en lijden
Jac. 1 : 2 v beproeving en verzoeking
Jac. 1 : 12 beproeving loon: kroon van het leven
Hand. 20 : 19 beproeving Paulus overkwamen -en
Hebr. 11 : 36 beproeving van bespottingen en geselingen, boeien en gevangenschap
2 Cor. 8 : 2 beproeving veel - van verdrukking
2 Kron. 32 : 31 beproeving
Spr. 17 : 3 beproeving
Matth. 8 : 25 beproeving
Jes. 7 : 5 beraadslagen kwaad -
Joh. 12 : 10 beraadslagen om Lazarus te doden
Jes. 32 : 7 beraadslagen schandelijke verdichtselen -
Matth. 27 : 1 beraadslagen tegen Jezus: door al de overpriesters en de oudsten
Ps. 71 : 10 beraadslagen ten kwade
Matth. 27 : 7 beraadslagen
Luk. 14 : 31 beraadslagen
Spr. 13 : 10 beradene bij de -n is wijsheid
Hand. 17 : 10 Berea synagoge was daar
Mark. 10 : 40 bereiden door God
Luk. 22 33 bereidheid Petrus' -
2 Cor. 8 : 11 bereidheid tot het willen
2 Cor. 9 : 2 bereidheid van de Korinthiërs
Luk. 12 : 35 bereidheid
1 Pe 5 : 2 bereidwillig hoeden
2 Cor. 8 : 16 bereidwilligheid door God bewerkt
2 Cor. 8 : 7 bereidwilligheid grote -
Ef. 6 : 7 bereidwilligheid met - slavendienst doen
2 Cor. 8 : 8 bereidwilligheid
Hos. 10 : 8 berg bergen aangeroepen tot bedekking
Ps. 114 : 4 berg bergen sprongen als rammen
Opb. 16 : 20 berg bergen werden niet gevonden
Jes. 42 : 15 berg bergen woest maken: door God
Hab. 3 : 10 berg bergen zagen God en leden smart
Jes. 54 : 10 berg bergen zullen wijken
Jes. 5 : 25 berg beven: door Gods handelen
Ps. 3 : 5 berg de - Zijner heiligheid
Ps. 43 : 3 berg de berg van Uw heiligheid
Amos 4 : 13 berg door God geformeerd
Matth. 5 : 14 berg een stad op een berg kan niet verborgen zijn
Matth. 4 : 8 berg een zeer hoge berg, waarop Jezus werd verzocht
2 Kon. 1 : 9 berg Elia zat op een -
Luk. 3 : 5 berg elke - zal verlaagd worden
Jer. 51 : 26 berg en steen eruit
Jes. 41 : 15 berg fig. bergen zullen worden gedorst door Israël
Joz. 24 : 30 berg Gaäs
Jes. 44 : 23 berg gij bergen, maakt een groot gedreun met vreugdegezang
Ps. 125 : 1 berg God als -en rondom zijn volk
Ex. 24 : 12 berg God nodigde Mozes tot Hem op de berg te komen
Ex. 24 : 17 berg God op het opperste van de berg Sinaï
Ps. 65 : 7 berg God zet de -en vast door Zijn kracht
Ex. 4 : 27 berg Gods
Ex. 24 : 13 berg Gods –
Ex. 4 : 27 berg Gods (Horeb): daar ontmoette Aäron Mozes
Jes. 65 : 25 berg Gods heilige berg
Ex. 3 : 1 berg Gods: Horeb
2 Pe 1 : 18 berg heilige -: berg der verheerlijking
Jes. 57 : 13 berg heilige -: Gods: erfelijk bezitten
Jes. 56 : 7 berg heilige -: Gods: God brengt vromen tot Zijn heilige berg
Jes. 27 : 13 berg heilige -: te Jeruzalem
Dan. 9 : 20 berg heilige berg van God
Jes. 66 : 20 berg heilige berg: van God: te Jeruzalem
Mark. 9 : 2 berg hoge -
Ez. 40 : 2 berg hoge -: Ezechiel werd door God op een zeer hoge – gezet
Jes. 2 : 14 berg hoge -: tegen alle hoge -en
Gen. 7 : 19 berg hoge -en onder water gekomen
Ps. 95 : 4 berg hoogten der -en zijn Zijne
Hebr. 12 : 18 berg Horeb
Luk. 6 : 12 berg Jezus bad op een berg
Joh. 6 : 3 berg Jezus ging de - op en ging daar zitten met zijn leerlingen
Matth. 5 : 1 berg Jezus klom op de berg
Joh. 6 : 15 berg Jezus ontweek op de berg
Matth. 15 : 29 berg Jezus op een -
Mark. 3 : 13 berg Jezus op een -
Spr. 8 : 25 berg ontstaan der -en
Hebr. 8 : 5 berg op de - berg werd Mozes getoond een voorbeeld van de tabernakel
Matth. 14 : 23 berg plaats om te bidden in afzondering
Luk. 9 : 28 berg plaats van afzondering en gebed
Mark. 6 : 46 berg plaats van gebed door Jezus
Matth. 4 : 8 berg plaats van uitzicht
Luk. 4 : 29 berg rand van de -
Matth. 18 : 12 berg schapen op de bergen laten
Neh. 9 : 13 berg Sinai: vergelijk berg der verheerlijking
Hebr. 12 : 22 berg Sion
Ps. 97 : 5 berg smelten van de - voor het aanschijn van de Heer
Jes. 55 : 12 berg toekomst: de bergen zullen geschal maken met vrolijk gezang
Ps. 30 : 8 berg van David: vastzetten: door God
Gen. 22 : 14 berg van de HEER: daarop zal het voorzien worden
Jes. 30 : 29 berg van de HEER: komen hiertoe
Jes. 49 : 11 berg van God: Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken
Ps. 99 : 9 berg van Gods heiligheid
Jes. 65 : 11 berg van Gods heiligheid
Ps. 15 : 1 berg van Gods heiligheid
Jes. 11 : 9 berg van Gods heiligheid: vrede daarop
Job 9 : 5 berg verzetten: door God
Mark. 13 : 14 berg vlucht naar de bergen
Opb. 21 : 10 berg weggevoerd naar een grote en hoge berg
Hebr. 12 : 22 berg zinnebeeld van de hoge woonplaats Gods
2 Sam. 15 : 25 bericht vals -
Luk. 24 : 9 berichten door de drie vrouwen
Hand. 14 : 27 berichten wat God met hen had gedaan
Gen. 21 : 25 berispen door Abraham: Abimelech
Lev. 19 : 17 berispen iem. - om zijn zonde
Job 2 : 10 berispen zijn vrouw -: door Job
2 Cor. 12 : 20 berisping dreigende - van de zijde van de apostel
2 Pe 2 : 16 berisping voor zijn eigen wetteloosheid krijgen
Richt. 9 : 46 Berith afgod Baäl-berith
2 Kon. 20 : 11 Berodach-Baladan
1 Cor. 13 : 3 beroemen iets doen om zich te -
Jer. 9 : 23 beroemen zich - in zijn wijsheid of rijkdom of sterkte
Jac. 3 : 5 beroemen zich - op grote dingen
Spr. 27 : 1 beroemen zich - over de dag van morgen
Richt. 7 : 2 beroemen zich - tegen God: voorkomen door God
Ps. 94 : 4 beroemen zich -: door de goddelozen
Ps. 94 : 4 beroemen zich -: door de goddelozen
Ps. 63 : 12 beroemen zich -: ieder die bij Hem zweert, zal zich -
Jer. 9 : 23 beroemen zich -: in goede zin: verstaan en God kennen
Ps. 106 : 5 beroemen zich beroemen met Gods volk
Jes. 10 : 15 beroemen zich beroemen tegen een hogere macht
Hand. 25 : 21 beroep in hoger - gaan
Gen. 32 : 12 beroep op Gods beloften
Hand. 26 : 32 beroepen zich - op de keizer: door Paulus
Job 23 : 16 beroeren door God: Job
2 Kron. 32 : 18 beroeren het volk trachten te -
Ps. 119 : 53 beroering bevangen door - vanwege de goddelozen
2 Kron. 29 : 8 beroering Juda overgegeven ter -
2 Kron. 29 : 8 beroering oorzaak: zonde
Jes. 14 : 3 beroering rust van -
Jona 3 : 10 berouw - bij God
Ex. 32 : 12 v berouw bij god
Gen. 6 : 6 berouw bij God
Jer. 26 : 3 berouw bij God
Jer. 42 : 10 berouw bij God
Joel 2 : 13 berouw bij God
Jona 4 : 2 berouw bij God
Jer. 26 : 13 berouw bij God over het beraamde kwaad
1 Kron. 21 : 15 berouw bij God over kwaad toegebracht
Jer. 40 : 10 berouw bij God: begrip: smart over het aangedane kwaad
Ps. 90 : 13 berouw bij God: gebeden
Hos. 11 : 8 berouw bij God: hevig
Amos 7 : 3 v berouw bij God: op voorbede
Amos 7 : 6 berouw bij God: op voorbede
Jer. 18 : 8 v berouw bij God: over kwaad of goed: betekenis
Hand. 3 : 19 berouw en bekering
Hand. 26 : 20 berouw en bekering
Ps. 106 : 45 berouw en goedertierenheid
2 Cor. 12 : 21 berouw gemis van -
Ps. 106 : 45 berouw God heeft -: naar de veelheid van Zijn goedertierenheden
Jer. 15 : 6 berouw God moe van -
Job 42 : 5 berouw hebben in stof en as: door Job
2 Cor. 12 : 21 berouw hebben over de onreinheid, hoererij enz.
Luk. 17 : 3 v berouw hebben: en daarna vergeven
Hand. 3 : 19 berouw hebt -
Hand. 26 : 20 berouw hebt -
Matth. 27 : 3 berouw Judas kreeg -
Matth. 21 : 29 berouw krijgen
1 Kron. 21 : 15 berouw na zien van kwaad: bij God
Matth. 21 : 32 berouw om vervolgens iemand te geloven
Jer. 8 : 6 berouw over zijn boosheid
Luk. 10 : 13 berouw tekens van -
Hebr. 12 : 17 berouw versus tranen
Jer. 8 : 6 berouw woorden: 'Wat heb ik gedaan?'
Ez. 36 : 31 berouw zelfoordeel
Jer. 8 : 6 berouw zonder -
1 Sam. 24 : 17 v berouw zonder bekering
Luk. 7 : 38 berouw
Luk. 15 : 18 berouw
1 Sam. 15 : 29 berouwen bij God: niet
Ex. 32 : 12 berouwen door God: Laat het U -
Ps. 135 : 14 berouwen door God: over zijn knechten
Richt. 2 : 18 berouwen God berouwde het: reden
2 Sam. 24 : 16 berouwen God: het -de den HEERE over 't kwaad
1 Sam. 15 : 11 berouwen God: het berouwde God dat Hij Saul tot koning ...
Jer. 20 : 16 berouwen God: het berouwde Hem niet
Zach. 8 : 14 berouwen God: het heeft Mij niet berouwd
Deut. 32 : 36 berouwen God: het zal G over zijn knechten berouwen
1 Sam. 15 : 35 berouwen het berouwde Jahweh dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had
Gen. 6 : 6 berouwen het gerouwde Jahweh
Num. 23 : 19 berouwen niet bij God
Lev. 19 : 13 beroven bedrieglijk -
Spr. 22 : 22 beroven beroof de arme niet
Ex. 3 : 22 beroven Egypte –: opdracht door God
Matth. 12 : 29 beroven fig. iem uit satans macht bevrijden
Mal. 3 : 8 v beroven God -: hem onthouden wat Hem toekomt
2 Cor. 11 : 8 beroven ironisch gebezigd
Richt. 2 : 16 beroven Israël -
2 Kon. 17 : 20 beroven Israël beroofd: als straf Gods
Jes. 42 : 22 beroven Israël een beroofd volk
Lev. 19 : 13 beroven niet een naaste -
Deut. 28 : 29 beroven
Luk. 6 : 29 beroving toelaten
Gen. 26 : 23 Berseba naam betekent 'put van de eed'
Gen. 21 : 31 Berseba naam betekent: put van de eed, of zeven-bron
1 Sam. 16 : 1 berusten hier nodig
2 Cor. 9 : 4 beschaamd in vertrouwen
1 Pe 3 : 16 beschaamd worden: kwaadsprekers
Ps. 109 : 29 beschaamdheid zich bedekken met -
Mark. 5 : 5 beschadiging zelfbeschadiging alls kenmerk van bezetene
Spr. 14 : 35 beschamen beschaamd maken
Spr. 19 : 26 beschamen beschaamd maken van zijn ouders: door een zoon
2 Kron. 30 : 15 beschamen beschaamd worden
Jes. 54 : 4 beschamen beschaamd worden
1Jo 2 : 28 beschamen beschaamd worden bij de wederkomst van Christus
1 Pe 2 : 6 beschamen beschaamd worden: geenszins: door geloof in Jezus
Jes. 45 : 16 beschamen beschaamd worden: makers van afgoden
Ps. 71 : 24 beschamen beschaamd zijn geworden die mijn kwaad zoeken
Jes. 41 : 11 beschamen beschaamd zullen worden allen die tegen Israël ontstoken zijn
Ps. 37 : 19 beschamen de oprechten zullen niet beschaamd worden in de kwade tijd
Spr. 12 : 4 beschamen door een vrouw
Luk. 13 : 17 beschamen door Jezus: zijn tegenstanders
2 Sam. 10 : 5 beschamen geval
Joel 2 : 27 beschamen Israël zal niet beschaamd worden in eeuwigheid
Jes. 29 : 22 beschamen Jakob zal niet meer beschaamd worden
Jes. 50 : 7 beschamen Jezus zal niet beschaamd worden, dat wist Hij
Ps. 71 : 1 beschamen laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid
Ps. 119 : 116 beschamen laat mij niet beschaamd worden over mijn hoop
Ps. 71 : 13 beschamen laat ze beschaamd worden
Spr. 29 : 15 beschamen moeder - door wangedrag
Ps. 69 : 7 beschamen niet beschaamd worden
2 Cor. 7 : 14 beschamen niet beschaamd worden
1 Cor. 4 : 14 beschamen niet om u te -
Tit. 2 : 8 beschamen tegenstander
Spr. 28 : 7 beschamen vader -
1 Cor. 6 : 5 beschaming zeggen tot – van de lezers
Rom. 12 : 3 bescheiden denken
Jes. 32 : 4 bescheiden spreken
Luk. 10 : 19 beschermen door de Heer Jezus
Ps. 17 : 8 beschermen door God: gevraagd
2 Kon. 19 : 34 beschermen door God: Jeruzalem
2 Kron. 18 : 31 beschermen door God: Josafat: geval
Jes. 37 : 35 beschermen door God: om te verlossen
Ex. 9 : 4 beschermen God beschermde Israëls vee tegen de pestilentie
Ex. 8 : 22 beschermen God beschermde zijn volk tegen de plaag van het ongedierte
Jes. 38 : 5 beschermen Jeruzalem -: door God
Hand. 18 : 10 beschermen Jezus beschermde Paulus door zijn volk
2 Kon. 19 : 34 beschermen om te verlossen
Matth 23 : 37 bescherming bij Christus
Matth. 26 : 53 bescherming geen - gezocht: door Jezus
Ps. 91 : 10 bescherming
Gen. 49 : 29 beschikking laatste –: door Jakob
Luk. 23 : 35 beschimpen Jezus beschimpt: door oversten, toen Hij aan het kruis hing
Luk. 16 : 14 beschimpen Jezus werd beschimpt
Jes. 43 : 28 beschimping Israël tot -en overgegeven: door God
Hebr. 3 : 1 beschouwen beschouwt Jezus, wanneer je verzocht wordt
Hebr. 13 : 7 beschouwen einde van iemands wandel
2 Thess. 3 : 15 beschouwen iem. - als zijnde een vijand
2 Thess. 3 : 15 beschouwen iem. -: als broeder
2 Thess. 3 : 15 beschouwen iem. -: als vijand
Deut. 28 : 12 beschrijving regen: theologische -
Gen. 36 : 24 beschrijving uniek bepalende -: geval
Hand. 25 : 16 beschuldigde
Hand. 26 : 2 beschuldigen door de Joden
Rom. 2 : 15 beschuldigen door gedachten in ons
Luk. 23 10 beschuldigen heftig –: Jezus: door de overpriesters en schriftgeleerden
Matth. 27 : 12 beschuldigen Jezus -
Luk. 23 10 beschuldigen Jezus beschuldigd
Mark. 15 : 3 v beschuldigen Jezus beschuldigd van veel dingen
Hand. 24 : 2 beschuldigen
Hand. 23 : 35 beschuldiger
Hand. 24 : 8 beschuldiger
Hand. 25 : 16 v beschuldiger
Joh. 18 : 29 beschuldiging aan Jezus gedaan
1 Tim. 5 : 19 beschuldiging aannemen, onder twee of drie getuigen
Job 15 : 5 beschuldiging door eigen woorden
Rom. 8 : 33 beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God
Mark. 15 : 26 beschuldiging Jezus: - tegen Hem
1 Kon. 21 : 13 beschuldiging valse -
Luk. 23 14 beschuldiging valse -: geval
Luk. 23 2 beschuldiging valse -: geval: Jezus vals beschuldigd
Hand. 25 : 7 beschuldiging vele -en
Luk. 6 : 7 beschuldiging zoeken tegen Jezus
Hand. 25 : 7 beschuldiging zware -en
Matth. 27 : 37 beschuldiging
Jes. 4 : 5 beschutting van Godswege
Mark. 8 : 17 beseffen niet -
Luk. 2 : 50 beseffen niet -
Luk. 10 : 40 beslag in - genomen zijn door veel dienen
Deut. 28 : 30 beslapen een vrouw -
Gen. 34 : 7 beslapen Jakobs dochter -: door Sichem
1 Thess. 3 : 1 beslissen op grond van onderling goedvinden
Luk. 9 : 51 beslissen vast -: door Jezus
Matth. 12 : 15 beslissen verstandelijk (mede)
2 Sam. 16 : 20 beslissing Absaloms
Jer. 18 : 12 beslissing om ongehoorzaam te zijn
Ps. 119 : 112 beslissing radicale -
Richt. 21 : 25 beslissing regel: verkeerde: doen wat recht is in eigen ogen
Luk. 21 30 besluit logisch –: voorbeeld
Dan. 4 : 24 besluit van God: over Nebukadnezar
Hand. 15 : 22 besluiten door de apostelen en de oudsten met de hele gemeente
Job 12 : 14 besluiten door God
Luk. 9 : 51 besluiten door Jezus: vast besluit nemend hier
Hand. 15 : 28 besluiten met de Heilige Geest
Tit. 3 : 12 besluiten Paulus had besloten in Nikópolis te overwinteren
1 Kron. 13 : 2 besluitvorming gronden
1 Kron. 13 : 4 besluitvorming
Mark. 14 : 2 besluitvorming
Tit. 1 : 15 besmette voor de besmetten is niets rein
Tit. 1 : 15 besmetten besmet geweten
Tit. 1 : 15 besmetten besmet verstand
Deut. 30 : 6 besnijden geestelijk: hart
Jer. 4 : 4 besnijden geestelijk: zichzelf
Deut. 30 : 6 besnijden hart
Col. 2 : 11 besnijden in Hem bent u besneden
Gal. 5 : 2 besnijden zich laten - als volwassene
Gen. 17 : 23 v besnijdenis Abraham en zijn huis
Gen. 17 : 12 besnijdenis al wat mannelijk is
Joz. 5 : 2 besnijdenis bevolen door God
Gal. 5 : 3 besnijdenis brengt onder de hele wet
Hand. 11 : 2 besnijdenis die uit de -: christenjoden
Joz. 5 : 9 besnijdenis en afwentelen smaad van Egypte
Gal. 6 : 13 besnijdenis en wet houden
Ef. 2 : 11 besnijdenis gebeurt in het vlees met handen
Gal. 6 : 12 besnijdenis gedwongen -: motief
Filip. 3 : 3 besnijdenis geestelijke -
Col. 2 : 11 besnijdenis geestelijke -
Deut. 30 : 6 besnijdenis geestelijke -: doel: liefde tot God en leven
Joz. 5 : 8 besnijdenis genezing
Ex. 4 : 25 besnijdenis geval
Gal. 5 : 6 besnijdenis heeft geen kracht om rechtvaardig te maken
Ex. 4 : 25 besnijdenis instrument: stenen mes
Gen. 17 : 12 besnijdenis jongetje wanneer het 8 dagen oud is
Hand. 21 : 21 besnijdenis kwestie
Col. 2 : 11 besnijdenis lichamelijke
Rom. 3 : 1 besnijdenis nut van de -
Jer. 6 : 10 besnijdenis onbesneden oren
Gal. 5 : 2 besnijdenis onnodig voor een christen
Col. 2 : 11 besnijdenis onze - in Christus
Lev. 12 : 3 besnijdenis op 8e dag
Luk. 1 : 59 besnijdenis op 8e dag
Luk. 2 : 21 besnijdenis op 8e dag
Gen. 21 : 4 besnijdenis op de achtste dag
Filip. 3 : 5 besnijdenis op de achtste dag
Gal. 5 : 11 besnijdenis prediken
Gen. 34 : 25 besnijdenis smartelijk
Rom. 4 : 11 besnijdenis teken van de -
Rom. 2 : 24 besnijdenis teken van het verbond en de gehoorzaamheid daaraan
Hand. 16 : 3 besnijdenis ter wille van de Joden
Gal. 2 : 3 besnijdenis Titus niet genoodzaakt zich te laten besnijden
Col. 4 : 11 besnijdenis uit de - zijn = Jood zijn
Tit. 1 : 10 besnijdenis uit de besnijdenis zijn
Col. 2 : 11 besnijdenis van Christus
Rom. 2 : 29 besnijdenis van het hart, naar de geest
Gen. 34 : 24 besnijdenis van Hevieten
Gen. 17 : 10 besnijdenis verbond
Hand. 15 : 1 besnijdenis vermeende voorwaarde voor behoudenis
Col. 2 : 11 besnijdenis verrichting: met handen
Gen. 17 : 11 besnijdenis vlees van de voorhuid
2 Cor. 5 : 16 besnijdenis wij kennen niemand meer naar het vlees
Filip. 3 : 3 besnijdenis wij zijn de -
besnijdenis zie ook Onbesneden(heid)
Gen. 34 : 15 besnijdenis
Matth. 19 : 12 besnijdenis
1 Cor. 7 : 18 besnijdenis
Col. 3 : 11 besnijdenis
Jes. 5 : 6 besnoeien
2 Kron. 30 : 10 bespotten boodschappers bespot
Mark. 10 : 34 bespotten Christus -: voorzegd door hemzelf
Luk. 23 11 bespotten Christus bespot
Ps. 2 : 4 bespotten de HERE zal hen bespotten
Neh. 4 : 1 bespotten de Joden -
Neh. 4 : 3 bespotten de Joden -
Ps. 59 : 9 bespotten door God
Gal. 6 : 7 bespotten God -
Gal. 6 : 7 bespotten God laat zich niet -
Jer. 20 : 7 bespotten Jeremia bespot
Matth. 20 : 19 bespotten Jezus -
Luk. 22 63 bespotten Jezus -
Matth. 27 : 29 v bespotten Jezus bespot
Luk. 23 : 36 bespotten Jezus bespot: door de soldaten
Luk. 18 31 bespotten Jezus zou worden bespot
Luk. 18 32 bespotten Jezus zou worden bespot
Jes. 37 : 22 bespotten vijand -: door de dochter Sions
Jes. 29 : 20 bespotter einde van de -
Job 16 : 20 bespotter mijn vrienden zijn mijn -s
Ps. 119 : 51 bespotting door hovaardigen
Hebr. 11 : 36 bespotting
Num. 8 : 7 besprenging met water der ontzondiging
Hebr. 9 : 19 besprenkelen boek en mensen – met bloed
Hebr. 9 : 21 besprenkelen tabernakel, vaten, met het bloed
Hebr. 12 : 24 besprenkeling bloed van -: Jezus' bloed
1 Pe 1 : 2 besprenkeling met bloed van Jezus Christus
Hebr. 10 : 22 besprenkeling zuiveren door - (met bloed): de harten
Mark. 10 : 34 bespuwen Christus -: voorzegd door hemzelf
Luk. 18 32 bespuwen Christus zou bespuwd worden
Jes. 50 : 6 bespuwen Jezus bespuwd
Mark. 14 : 65 bespuwen Jezus bespuwd
Mark. 15 : 19 bespuwen Jezus bespuwd
Matth. 27 : 30 bespuwen Jezus bespuwd door soldaten
Job 30 : 10 bespuwen Job bespuwd
Deut. 23 : 6 best des anderen - zoeken
Ps. 106 : 45 best tot iemands - denken: door God
Jes. 40 : 8 bestaan Gods woord bestaat in der eeuwigheid
Pred. 4 : 3 bestaan niet - van een mens
Joz. 7 : 12 bestaan niet kunnen - voor het aangezicht van de vijanden
Richt. 2 : 14 bestaan niet kunnen - voor het aangezicht van de vijanden
Joz. 23 : 9 bestaan niet kunnen - voor Israëls aangezicht
Filip. 1 : 9 beste beproeven wat het beste is
Filip. 1 : 23 beste wat het - is
Jes. 49 : 4 besteden kracht onnuttelijk en ijdel –
Rom. 8 : 29 bestemmen bestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van Gods Zoon
Hand. 13 : 48 bestemmen bestemd tot eeuwig leven
1 Thess. 3 : 3 bestemmen bestemd voor verdrukking door de wereld zijn wij
1 Thess. 5 : 9 bestemmen door God: tot toorn dan wel tot behoudenis
1 Pe 2 : 8 bestemmen ongelovige bestemd om zich te stoten aan het Woord van God
1 Thess. 2 : 12 bestemming Gods koninkrijk, Gods heerlijkheid
Col. 1 : 12 bestemming hemelse -
Joh. 12 : 35 bestemming niet kennen
1Jo 2 : 11 bestemming onbekend: door de duisternis
Hebr. 11 : 8 bestemming onbekende –: van Abraham
Joh. 12 : 35 bestemming persoonlijk - onbekend voor de onverlosten
Jer. 13 : 11 bestemming tot ere Gods: Gods volk
Ef. 1 : 5 bestemming wij zijn bestemd tot het zoonschap voor God
Spr. 8 : 21 bestendig en wijsheid
Spr. 8 : 21 bestendig erfenis
Luk. 21 26 besterven van bangheid
Lev. 18 : 23 bestialiteit verboden
Ex. 22 : 19 bestialiteit veroordeeld
Deut. 27 : 21 bestialiteit veroordeeld
Lev. 20 : 15 v bestialiteit zonde
1 Kron. 16 : 21 bestraffen berispen
2 Tim. 4 : 2 bestraffen bestraf!
Ef. 5 : 11 bestraffen bestraft die werken
Ruth 2 : 16 bestraffen bestraft Ruth niet
Spr. 19 : 25 bestraffen de verstandige -
Spr. 9 : 8 bestraffen de wijze -: gevolg liefde
Spr. 29 : 1 bestraffen dikwijls bestraft zijn
Jud : 15 bestraffen door Christus
Jes. 11 : 4 bestraffen door Christus: met gerechtigheid
Opb. 3 : 19 bestraffen door Christus: uit liefde
Luk. 18 15 bestraffen door de discipelen: onterecht
Jud : 9 bestraffen door God
Ps. 105 : 14 bestraffen door God: koningen
Hebr. 12 : 5 bestraffen door God: zijn zoon
Mark. 1 : 25 bestraffen door Jezus
Luk. 4 : 38 bestraffen door Jezus: de koorts van Simons schoonmoeder
Mark. 4 : 39 bestraffen door Jezus: de wind, de zee
Luk. 4 : 41 bestraffen door Jezus: demonen
Luk. 9 : 55 bestraffen door Jezus: Jakobus en Johannes
Luk. 9 : 42 bestraffen door Jezus: onreine geest
Mark. 8 : 33 bestraffen door Jezus: Petrus
Luk. 4 : 35 bestraffen door Jezus: van een demon
Luk. 4 : 39 bestraffen door Jezus: zware koorts -
Mark. 8 : 32 bestraffen door Petrus
Job 15 : 2 bestraffen door woorden
Luk. 8 : 24 bestraffen doorJezus: de stormwind
Luk. 17 : 3 bestraffen een zondigende broeder te -
Amos 5 : 10 bestraffen gehaat
Luk. 23 : 40 bestraffen geval: de ene boosdoener de andere
Job 39 : 35 bestraffen God -
Spr. 9 : 7 bestraffen goddeloze: schandvlek behalen
2 Kron. 19 : 2 bestraffen hier eerst de kwade dingen genoemd
Pred. 7 : 5 bestraffen horen: waardevol
Spr. 9 : 8 bestraffen kan haat verwekken
Spr. 24 : 25 bestraffen loon voor - van de goddeloze
Luk. 19 39 bestraffen Meester, bestraf uw discipelen
Jes. 11 : 4 bestraffen met gerechtigheid: door Christus
Jes. 11 : 3 bestraffen naar het gehoor van zijn oren: dit niet doen
Matth. 19 : 13 bestraffen onterecht
Mark. 10 : 13 bestraffen onterecht -: geval
Matth. 16 : 22 bestraffen Petrus begon Jezus te -
Spr. 15 : 12 bestraffen reactie op: niet liefhebben door de spotter
Job 6 : 25 bestraffen verkeerd -
Joh. 3 : 20 bestraffen werken van iemand, die kwade dingen bedrijft
Spr. 15 : 31 bestraffing aannemen: zegen
Spr. 17 : 10 bestraffing effect: afhankelijk van ontvanger
Spr. 17 : 10 bestraffing effectief bij verstandige
Spr. 12 : 1 bestraffing en tucht
Spr. 29 : 15 bestraffing geeft wijsheid
Spr. 15 : 10 bestraffing haten: gevolg is sterven
Spr. 12 : 1 bestraffing haten: is onvernuftig
Spr. 13 : 1 bestraffing horen of niet -
Spr. 15 : 32 bestraffing horen: maakt verstandig
Spr. 1 : 23 bestraffing keert u tot mijn -
Spr. 1 : 25 bestraffing niet willen
Joh. 3 : 20 bestraffing ontwijken
Spr. 27 : 5 bestraffing openbare -: beter dan verborgen liefde
Spr. 6 : 23 bestraffing tucht: -en der t zijn een weg des levens
1 Pe 2 : 14 bestraffing van boosdoeners
Spr. 15 : 31 bestraffing van het leven (ten leven, uit het leven)
Ps. 141 : 6 bestraffing vanwege de rechtvaardige: weldadig
Spr. 10 : 17 bestraffing verlaten: en doen dwalen
Joh. 3 : 20 bestraffing vermijden
Mark. 8 : 32 bestraffing versmaad door Jezus
Spr. 1 : 30 bestraffing versmaden
Spr. 5 : 12 bestraffing versmaden: spijt erover
Spr. 25 : 12 bestraffing waardevol
Spr. 15 : 5 bestraffing waarnemen
Spr. 13 : 18 bestraffing waarnnemen: en dan geeerd worden
2 Cor. 7 : 11 bestraffing
Ps. 109 : 3 bestrijden David bestreden zonder oorzaak
Ps. 56 : 3 bestrijder vele -s hebben
1 Tim. 5 : 14 besturen door de vrouw
1 Tim. 5 : 17 besturen door een oudste
Spr. 20 : 24 besturen door God: de treden van een man
1 Tim. 5 : 17 besturen goed -
1 Tim. 3 : 12 besturen goed -: eigen huis
1 Tim. 3 : 4 v besturen huis -: eigen huis goed -
2 Kron. 33 : 11 bestuur Gods - in de wegen der volken
2 Sam. 12 : 7 v bestuur Gods - in onze geschiedenis
1 Sam. 26 : 13 bestuur Gods -: slaap van Sauls leger
2 Kon. 8 : 5 bestuur Gods -: verborgen: de Sunamietische
Gen. 48 : 11 bestuur Gods bestuur in het leven
1 Sam. 29 : 10 bestuur Gods verborgen -
1 Sam. 9 : 16 bestuur Gods: God 'zond' Saul naar Samuel
1 Sam. 25 : 26 bestuur Gods: verhindering (Abigail)
Spr. 28 : 2 bestuur steeds wisselend - van een land: gevolg van zonde
Neh. 11 : 9 bestuurder tweede over de stad
Opb. 5 : 9 betaalmiddel bloed
Luk. 20 22 betalen belasting
Hos. 14 : 3 betalen de varren onzer lippen
Flm. : 19 betalen voor een ander
2 Thess. 1 : 3 betamen zoals het betaamt
Joh. 16 : 17 betekenen wat betekent dit
Hand. 10 : 17 betekenen
Mark. 4 : 10 betekenis vragen naar de - van een gelijkenis
Gal. 4 : 24 betekenis zinnebeeldige -
Hebr. 10 : 34 beter bezit
2 Kron. 21 : 13 beter dan iemand anders: volgens God
1 Sam. 15 : 28 beter David beter dan Saul
Hebr. 11 : 40 beter God had voor ons iets beters voorzien
Hebr. 11 : 35 beter opstanding: -e opstanding
Spr. 12 : 26 beter rechtvaardige is - dan zijn naaste
Hebr. 11 : 16 beter stad, land
Hebr. 7 : 22 beter verbond
Matth. 23 : 30 beter zich op een bepaald punt - achten
Pred. 7 : 3 beteren door droefheid: het hart
beteren zie Verbeteren
Richt. 1 : 33 Beth-anath
Richt. 7 : 24 Beth-bara
Richt. 1 : 22 v Beth-el
2 Kon. 2 : 3 Beth-El daar woonden zonen der profeten
Gen. 28 : 19 Beth-El voorheen Luz geheten
Gen. 35 : 15 Beth-El
Richt. 1 : 33 Beth-semes
2 Kron. 25 : 21 Beth-Sémes
Richt. 7 : 22 Beth-sitta
Joh. 1 : 28 Bethanië aan de Jordaan
Matth. 21 : 17 Bethanië Jezus overnachtte in -
Luk. 24 50 Bethanië Jezus voer ten hemel vanaf de Olijfberg bij –
Matth. 21 : 1 Bethfagé
1 Kron. 11 : 17 Bethlehem bornput: David begeerde water uit deze bron
Ruth 4 : 11 Bethlehem en Efratha
2 Kron. 11 : 6 Bethlehem gebouwd door Rehabeam
Luk. 2 : 11 Bethlehem stad van David
Joh. 1 : 45 Bethsaïda plaats van herkomst van Filippus, Andreas en Petrus
Gen. 24 : 50 Bethuël woorden van -
Hand. 19 : 8 betogen door Paulus
Gal. 3 : 1 betoveren Galaten betoverd
Richt. 9 : 24 betrokkenheid misdadige –
2 Tim. 2 : 11 betrouwbaar het woord is -
1 Tim. 1 : 15 betrouwbaar woord
Tit. 1 : 9 betrouwbaar woord
Matth. 18 : 16 betrouwbaarheid dankzij meerdere getuigen
Jes. 50 : 10 betrouwen op de naam van Jahweh –
2 Kon. 18 : 5 betrouwen op God -
Ps. 34 : 9 betrouwen op Jhwh -: welgelukzalig is de man die op Jhwh betrouwt
Ps. 71 : 1 betrouwen op U, o Jhwh, betrouw ik
Hand. 20 : 21 betuigen bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus -
1 Thess. 2 : 12 betuigen dat men Gode waardig wandelt
1 Tim. 6 : 13 betuigen de goede belijdenis -: door Christus Jezus
Neh. 9 : 29 betuigen door God: tegen zijn volk
Joh. 13 : 21 betuigen door Jezus
Hand. 18 : 5 betuigen door Paulus: dat Jezus de Christus is
2 Tim. 4 : 1 betuigen door Paulus: voor God en Christus Jezus
1 Thess. 4 : 6 betuigen geval
Hand. 8 : 25 betuigen Gods woord -
Opb. 1 : 2 betuigen het getuigenis van Jezus Christus
Opb. 1 : 2 betuigen het woord van God
Ef. 4 : 17 betuigen in de Heer
Gen. 43 : 3 betuigen op het hoogste –
2 Kron. 24 : 19 betuigen tegen mensen die verkeerd doen -: door profeten
Hand. 23 : 11 betuigen van Jezus -: door Paulus
2 Tim. 2 : 14 betuigen voor God - dat de gelovigen geen woordenstrijd voeren
Deut. 26 : 5 betuigen
Hand. 10 : 42 betuigen
Gal. 5 : 3 betuigen
Ps. 91 : 4 beukelaar Gods waarheid is een -
Luk. 10 : 4 beurs draagt geen -
Luk. 12 : 33 beurs maakt u -zen die niet verouderen
Richt. 14 : 3 bevallig een Filijstijnse vrouw was - in de ogen van Simson
Spr. 31 : 30 bevalligheid is bedrog
Gen. 38 : 5 bevalling vader afwezig
Jes. 66 : 7 bevalling voortijdige
Spr. 24 : 7 bevatten niet kunnen bevatten: wijsheid: door de dwaze
Matth. 27 : 64 beveiligen graf -
Ps. 119 : 4 bevel bewaren -en Gods
1 Tim. 1 : 5 bevel doel van het -
1 Tim. 1 : 18 bevel geval; 1:3, 5
1 Thess. 4 : 2 bevel geven door iemand door de Heer Jezus
Deut. 31 : 14 bevel geven: door God
Jes. 13 : 3 bevel geven: door God: aan Zijn geheiligden
Jes. 10 : 6 bevel geven: door God: tegen het volk van Zijn verbolgenheid
Luk. 21 8 bevel negatief -
Lev. 22 : 9 bevel onderhouden
2 Cor. 8 : 8 bevel taaldaad
Ps. 71 : 3 bevel U hebt - gegeven om mij te verlossen
1 Tim. 1 : 1 bevel van God
Tit. 1 : 3 bevel van God
1 Cor. 7 : 6 bevel versus toelating
1 Tim. 4 : 11 bevelen bevel tot -
1 Tim. 1 : 5 bevelen doel: liefde
1 Tim. 5 : 7 bevelen doel: onberispelijkheid
Hand. 15 : 5 bevelen door gelovige Farizeeën
Matth. 8 : 18 bevelen door Jezus
Matth. 10 : 5 bevelen door Jezus
Matth. 11 : 1 bevelen door Jezus
Mark. 8 : 6 bevelen door Jezus
Luk. 9 : 21 bevelen door Jezus
Luk. 18 40 bevelen door Jezus
Hand. 1 : 4 bevelen door Jezus
1 Thess. 4 : 16 bevelen door Jezus
Luk. 8 : 56 bevelen door Jezus: iets te verzwijgen
1 Sam. 17 : 14 bevelen door ouder
2 Thess. 3 : 4 bevelen door Paulus
1 Thess. 4 : 11 bevelen door Paulus en zijn medewerkers
1 Tim. 6 : 13 bevelen door Paulus: voor God en Christus
1 Tim. 1 : 3 bevelen door Timotheus
1 Tim. 4 : 11 bevelen door Timotheus
1 Tim. 6 : 17 bevelen door Timotheus: de rijken
2 Thess. 3 : 12 bevelen en vermanen
2 Thess. 3 : 10 bevelen geval / voorbeeld
Matth. 1 : 23 bevelen geval van - door een engel
Hand. 17 : 30 bevelen God beveelt nu aan de mensen
2 Thess. 3 : 12 bevelen in de Heer Jezus Christus
2 Thess. 3 : 6 bevelen in de naam van de Heer Jezus
Hand. 16 : 18 bevelen in de naam van Jezus Christus
1 Tim. 1 : 4 bevelen niet te doen: in leer
Matth. 17 : 20 bevelen om een wonder te laten gebeuren
Flm. : 8 bevelen vs. verzoeken
Luk. 17 : 10 bevelen
Filip. 2 : 12 beven bewerk met vrees en - je eigen behoudenis
Dan. 10 : 11 beven door Daniel
Hebr. 12 : 22 beven door Mozes
Jer. 5 : 22 beven God: beven voor Gods aangezicht: wenselijk
2 Cor. 7 : 15 beven met vrees en - is Titus ontvangen
Mark. 5 : 33 beven uit bangheid
Ps. 29 : 8 beven van de woestijn: door de stem van Jahweh
Ef. 6 : 5 beven vrees en -: gehoorzaam zijn met vrees en -
Spr. 12 : 19 bevestigen bevestigd worden in eeuwigheid: een waarachtige lip
Spr. 12 : 3 bevestigen bevestigd worden versus bewogen worden
1 Kron. 14 : 2 bevestigen David werd - door Gods handelen
Deut. 27 : 26 bevestigen de woorden van de wet - door ze te doen
Jes. 54 : 14 bevestigen door gerechtigheid
1 Pe 5 : 10 bevestigen door God
Rom. 16 : 25 bevestigen door God: een heilige
2 Kron. 17 : 5 bevestigen dor God: het koninkrijk van Juda
Spr. 24 : 3 bevestigen huis -: door verstandigheid
Hand. 16 : 5 bevestigen in het geloof -
Col. 2 : 7 bevestigen in het geloof bevestigd worden
2 Sam. 7 : 12 bevestigen koninkrijk
1 Kon. 2 : 12 , 24 bevestigen koninkrijk van Salomo
Spr. 12 : 3 bevestigen niet door goddeloosheid wordt de mens bevestigd
2 Cor. 1 : 21 bevestigen tot Christus
Mark. 16 : 20 bevestigen woord -: door tekenen
Hebr. 2 : 3 bevestigen woord van het evangelie is bevestigd door getuigen
Hand. 2 : 22 bevestigen door God: door krachten, wonderen en tekenen
Luk. 23 2 bevinden aangaande Jezus
Opb. 2 : 2 bevinden leugenaars -
Gen. 27 : 22 bevinding onverenigbare -en
Ps. 34 : 9 bevinding smaakt en ziet dat Jhwh goed is
Ps. 48 : 7 beving greep de koningen aan
Jes. 33 : 14 beving heeft de huichelaren aangegrepen
Mark. 16 : 8 beving
Opb. 3 : 4 bevlekken klederen - (fig.)
Jes. 59 : 3 bevlekken met bloed bevlekte handen
Jes. 59 : 3 bevlekken met ongerechtigheid bevlekte vingers
2 Pe 2 : 20 bevlekking van de wereld: -en
2 Cor. 7 : 1 bevlekking van geest
2 Cor. 7 : 1 bevlekking van vlees
Spr. 11 : 25 bevochtigen - maakt je een vroege regen
Luk. 12 : 14 bevoegdheid Christus kende zijn beperkingen
Joh. 2 : 18 bevoegdheid Jezus’ – : vraag omtrent Jezus’ –
Mark. 13 : 34 bevoegdheid verleend door Jezus
Ex. 1 : 16 bevolking inperken
Ps. 105 : 24 bevolkingsgroei door God bewerkt
Filip. 1 : 25 bevordering geestelijke -: door Paulus
Col. 2 : 23 bevrediging vlees: - van het v
1 Pe 4 : 12 bevreemden
Gen. 42 : 35 bevreesd Jakob en Jozefs broers waren –
2 Kron. 32 : 18 bevreesd willen maken
Ps. 107 : 2 bevrijde
Ps. 71 : 2 bevrijden bevrijd mij
Ps. 71 : 4 bevrijden bevrijd mij van de hand van de goddeloze
Ps. 69 : 19 bevrijden bevrijd mijn ziel
Ps. 106 : 10 bevrijden synoniem hier: verlossen
Ps. 107 : 2 bevrijden van de hand der tegenstanders
Ez. 14 : 14 bevrijden zichzelf - door je gerechtigheid
Ps. 144 : 2 Bevrijder God mijn -
Spr. 11 : 9 bevrijding door wetenschap
Mark. 7 : 29 bevrijding op afstand
Jer. 5 : 5 bevrijding valse - uit Gods wet
Jes. 49 : 9 bevrijding van gebondenen: door Jezus
Jes. 26 : 17 bevrucht bevruchte vrouw
Jes. 26 : 18 bevrucht figuurlijk gezegd van Israël
Gen. 4 : 17 bevrucht zij werd bevrucht
2 Kon. 15 : 16 bevruchten bevruchte vrouwen
Gen. 21 : 2 bevruchten Sarah werd bevrucht
Gen. 38 : 2 bevruchten bevrucht worden: de vrouw van Juda
Gen. 29 : 32 bevruchten Lea werd bevrucht
Luk. 1 : 31 bevruchting wonderbaarlijke -
Joh. 17 : 12 bewaken door Christus: ons
Hand. 28 : 16 bewaken door een soldaat: Paulus bewaakt
Neh. 13 : 22 bewaken poorten -
2 Kon. 25 : 18 bewaking van de tempel
Jer. 31 : 10 bewaren als een herder zijn kudde
Joh. 17 : 12 bewaren begrip: versus verliezen
Opb. 3 : 3 bewaren bewaar het Woord, je geloof
Ps. 16 : 1 bewaren bewaar mij, o God, want bij U schuil ik
Hos. 12 : 7 bewaren bewaar weldadigheid en recht
Jud : 1 bewaren bewaard in Jezus Christus
1 Pe 1 : 5 bewaren bewaard worden: door geloof, in kracht van God
Jes. 56 : 1 bewaren bewaart het recht
Gen. 3 : 24 bewaren bewaken, de weg van de boom des levens
Spr. 4 : 23 bewaren bovenal uw hart
Opb. 3 : 10 bewaren Christus woord
Opb. 3 : 8 bewaren Christus' woord -
1 Sam. 23 : 14 bewaren David bewaard door God
Ps. 59 : 1 bewaren Davids huis - om hem te doden
Ef. 4 : 3 bewaren de eenheid van de Geest - in de band van de vrede
Opb. 12 : 17 bewaren de geboden van God
Jes. 26 : 2 bewaren de getrouwheden
Rom. 2 : 26 bewaren de rechten van de wet -
Joh. 10 : 29 bewaren de Vader: Hij bewaart Jezus' schapen
Spr. 28 : 4 bewaren de wet -
Spr. 28 : 7 bewaren de wet -
Luk. 10 : 19 bewaren door de Heer Jezus: tegen alle schade
2 Thess. 3 : 3 bewaren door de Heer: ons: voor de boze
2 Tim. 1 : 14 bewaren door de Heilige Geest die in ons woont het pand -
Filip. 4 : 7 bewaren door de vrede Gods: harten en gedachten
Ps. 121 : 3 v bewaren door God
Ps. 145 : 20 bewaren door God: al wie Hem liefhebben
Ps. 17 : 8 bewaren door God: bewaar mij
1 Sam. 23 : 27 bewaren door God: David: geval
Ps. 116 : 6 bewaren door God: de eenvoudigen
Ps. 127 : 1 bewaren door God: een stad
Joz. 24 : 17 bewaren door God: het volk Israël op al de weg
2 Kron. 18 : 31 bewaren door God: Josafat: geval
Jud : 24 bewaren door God: machtig om
Ps. 66 : 9 bewaren door God: ons
Ezra 7 : 9 bewaren door God: tijdens de reis
Ps. 16 : 1 bewaren door God: want ik vetrouw
2 Tim. 1 : 12 bewaren door God/Jezus: pand van Paulus
Spr. 23 : 26 bewaren door je ogen: Gods wegen
Opb. 2 : 1 bewaren door Jezus: de boodschappers van de gemeenten
Spr. 4 : 6 bewaren door wijsheid
Joh. 17 : 12 bewaren en bewaken
Ps. 127 : 1 bewaren en bouwen
Matth. 23 : 3 bewaren en doen
Spr. 19 : 16 bewaren gebod
1 Tim. 6 : 14 bewaren gebod -: onbesmet en onberispelijk
1Jo 2 : 3 bewaren geboden van God -
Spr. 3 : 1 bewaren geboden van God: door het hart
Opb. 14 : 12 bewaren geboden van God: te bewaren
Opb. 14 : 12 bewaren geloof in Jezus
Ps. 119 : 129 bewaren getuigenissen Gods -: omdat ze wonderbaar zijn
Deut. 32 : 10 bewaren God bewaarde Israël als zijn oogappel
1Jo 3 : 22 bewaren Gods geboden -
Opb. 1 : 3 bewaren Gods profetisch woord -
Ps. 105 : 44 bewaren Gods wetten -
Joh. 17 : 6 bewaren Gods woord -
1Jo 2 : 5 bewaren Gods woord -
Deut. 17 : 19 bewaren Gods woord - en doen
Opb. 22 : 7 bewaren Gods woord -: begrip
Spr. 6 : 20 v bewaren Gods woord -: hoe (toepassing)
Spr. 4 : 21 bewaren Gods woord: in het midden van uw hart
2 Tim. 1 : 14 bewaren goede pand -
Luk. 8 : 15 bewaren het woord van God - in een uitnemend en goed hart
Gen. 2 : 15 bewaren hof van Eden was te -
Opb. 3 : 11 bewaren houd wat u hebt
Matth. 23 : 3 bewaren iemands woorden -
Luk. 2 : 51 bewaren in haar -: door Maria
Gen. 37 : 11 bewaren in het hart -
Spr. 22 : 18 bewaren in je binnenste: wijsheid, wetenschap
Jes. 49 : 8 bewaren Jezus bewaard door God
Joh. 10 : 28 bewaren Jezus: zijn schapen
Joh. 12 : 47 bewaren Jezus' woorden niet -
Jes. 42 : 20 bewaren nalaten te -
2 Pe 2 : 9 bewaren onrechtvaardigen worden bewaard tot de dag van het oordeel
Joh. 17 : 11 bewaren ons -: door de Vader: opdat wij één zijn
Joh. 17 : 11 bewaren ons -: door God
Joh. 17 : 12 bewaren ons: door God, Christus
Spr. 10 : 17 bewaren tucht -: ten leven
Jes. 56 : 2 bewaren van kwaad te doe: zijn hand
Opb. 3 : 10 bewaren van ons: door Christus: uit het uur der verzoeking
Ps. 145 : 20 bewaren versus verdelgen
Pred. 3 : 6 bewaren versus wegwerpen
Spr. 27 : 18 bewaren vijgeboom
Joh. 17 : 14 bewaren voor de boze: doet God
Joh. 17 : 15 bewaren voor de boze: doet God
Spr. 6 : 24 bewaren voor de kwade vrouw
Filip. 2 : 27 bewaren voor groter droefheid: door God
Jud : 24 bewaren voor struikelen
Ps. 105 : 37 bewaren voor struikelen: door God
Matth. 28 : 19 bewaren wat Jezus heeft geboden
Filip. 3 : 16 bewaren wat we bereikt hebben
1 Kon. 8 : 25 bewaren weg
2 Kron. 6 : 16 bewaren weg: je weg bewaren
Joz. 23 : 6 bewaren wetboek van Mozes: en doen
Luk. 11 : 28 bewaren woord van God -
Luk. 11 : 27 bewaren woord van God -: dan ben je gelukkig
Jud : 21 bewaren zelf - in liefde van God
Jac. 1 : 27 bewaren zichzelf -: onbesmet van de wereld
Spr. 14 : 3 bewaren zichzelf bewaren door wijs spreken
Spr. 13 : 6 bewaren zichzelf: door gerechtigheid
bewaren zie ook Vasthouden
Joz. 23 : 11 bewaren ziel: je eigen zijn -
Spr. 19 : 16 bewaren ziel: zijn zijn -
Ps. 97 : 10 bewaren zielen - door God
Jes. 42 : 20 bewaren zien en -
Spr. 21 : 23 bewaren zijn eigen mond -
Spr. 21 : 23 bewaren zijn eigen tong -
1Jo 3 : 24 bewaren Zijn geboden bewaren
Opb. 16 : 15 bewaren zijn kleren - (figuurlijk)
Spr. 16 : 17 bewaren zijn weg - : daardoor zijn ziel behoeden
Spr. 21 : 23 bewaren zijn ziel - van benauwdheden
Joh. 17 : 11 bewaring bidden om - in de wereld
1 Sam. 30 : 23 bewaring door God
Dan. 6 : 24 bewaring op geloof: Daniel in de leeuwenkuil
Deut. 29 : 5 bewaring schoeisel, klederen: door God: van Israël in de woestijn
Hand. 28 : 6 bewaring tegen de gevolgen van een adderbeet
Gal. 3 : 23 bewaring verzekerde -: onder de wet bewaard
Jes. 41 : 18 bewateren door God
Gen. 2 : 10 bewateren hof van Eden: door een rivier
Pred. 2 : 6 bewateren
Num. 8 : 11 beweegoffer de Levieten bewogen als -
Num. 8 : 15 beweegoffer de Levieten bewogen als -
Num. 8 : 16 beweegoffer drukt geven uit
Mark. 15 : 10 beweegreden afgunst
Spr. 16 : 26 beweegreden behoefte
2 Kon. 19 : 34 beweegreden Gods -: geval
Joh. 8 : 6 beweegreden kwalijke -
2 Kron. 15 : 7 beweegreden loon naar uw werk
Hebr. 12 : 28 beweegreden toekomst, ja verre toekomst
Spr. 12 : 3 bewegen beworden worden: versus bevestigd worden
Spr. 10 : 30 bewegen de rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden
Spr. 7 : 21 bewegen iemand - tot ontucht
Hand. 17 : 27 bewegen in God bewegen wij ons
2 Cor. 8 : 3 beweging uit eigen -
2 Cor. 8 : 17 beweging uit eigen - handelen
Ex. 25 : 2 beweging hart zet zich in –
Num. 20 : 29 bewenen de overleden Aäron -
Deut. 34 : 8 bewenen Israël beweende Mozes na diens sterven
Gen. 50 : 3 bewenen Jakob –: zeventig dagen
Gen. 37 : 35 bewenen Jozef -
Gen. 23 : 2 bewenen Sarah - : door Abraham
1 Tim. 5 : 19 bewering beoordelen
Gen. 42 : 15 - 16 bewering beproeven, vs 20
Matth. 11 : 18 - 19 bewering onware -en over Johannes en de Heer Jezus
1 Kon. 17 : 24 bewijs dat de HERE God is
Hand. 1 : 3 bewijs duidelijke bewijzen van Jezus' opwekking uit de doden
Jes. 41 : 21 bewijs God vraagt om - van de mensen
Hand. 4 : 14 bewijs levend -: de genezene
Luk. 24 : 41 bewijs toevoegen: door de Heer
Filip. 1 : 28 bewijs van Godswege
2 Thess. 1 : 5 bewijs van het rechtvaardig oordeel van God
2 Cor. 8 : 24 bewijs van liefde tonen
Deut. 22 : 17 bewijs van maagdom
Filip. 1 : 28 bewijs van verderf, van behoudenis
Hand. 1 : 3 bewijs vele -en
Matth. 16 : 1 , 4 bewijs verlangen naar een bovennatuurlijk -
Matth. 12 : 38 bewijs willen hebben
2 Cor. 13 : 3 bewijs zoeken
Jes. 41 : 21 bewijsreden vaste -en
Hand. 25 : 7 bewijzen beschuldigingen niet kunnen -
Hand. 9 : 22 bewijzen dat Jezus is de Christus
Luk. 7 : 22 bewijzen door Christus
Luk. 24 : 42 bewijzen door de Heer
Matth. 9 : 6 bewijzen door een wonder
Hebr. 6 : 17 bewijzen door God
2 Cor. 7 : 11 bewijzen door reacties rein te zijn in een bepaalde zaak
Mark. 12 : 26 bewijzen en geestelijk verstaan
Ezra 2 : 59 bewijzen niet kunnen -: afkomst
Hand. 24 : 13 bewijzen niets van de aanklacht kunnen -
Hebr. 6 : 17 bewijzen overvloediger -: door God
Hand. 18 : 28 bewijzen uit de Schriften bewijzen dat Jezus de Christus is
1 Kon. 20 : 8 bewilligen niet -
Spr. 1 : 30 bewilligen niet - in Mijn raad
Klg. 2 : 1 bewolken
Jud : 16 bewonderen iem. - om voordeel
Matth. 7 : 3 bewust niet - zijn van balk in eigen ogen
Deut. 22 : 9 bezaaien niet met tweeerlei -
Joh. 3 : 33 bezegelen dat God waarachtig is
Richt. 1 : 4 Bezek
Jes. 14 : 23 bezem des verderfs
Mark. 5 : 9 , 13 bezeten door meerdere geesten
Luk. 22 3 bezeten Judas Iskariot raakte –
Matth. 15 : 22 bezeten meisje ernstig -
Luk. 11 : 26 bezeten raken: boze geest komt (of boze geesten komen) in een mens
Matth. 8 : 16 bezetene begrip
Luk. 8 : 35 bezetene behouden
Matth. 12 : 22 bezetene bevrijd
Luk. 11 : 25 bezetene bevrijde -: gelijk een huis geveegd en geordend
Hand. 10 : 38 bezetene bevrijding van -en door Jezus
Matth. 4 : 24 bezetene bezetenen tot Jezus gebracht
Matth. 12 : 22 bezetene blind en stom was deze -
Mark. 1 : 32 bezetene brengen tot Jezus: alle bezetenen
Matth. 15 : 28 bezetene genezing
Hand. 19 : 16 bezetene geval
Luk. 8 : 27 bezetene heeft een of meer demonen in zich
Matth. 12 : 29 bezetene huisraad van de boze
Joh. 10 : 20 bezetene iemand die een demon heeft
Hand. 19 : 16 bezetene iemand in wie een boze geest is
Joh. 10 : 20 v bezetene Jezus gehouden voor een bezetene
Mark. 1 : 23 bezetene mens met een onreine geest
Luk. 8 : 35 bezetene na zijn bevrijding zat hij aan de voeten van Jezus
Luk. 8 : 35 bezetene verstand: niet goed bij zijn verstand
Matth. 8 : 28 bezetene
Luk. 4 : 33 bezetene
Luk. 4 : 35 bezetene
Matth. 8 : 32 bezetenheid bij dieren
Luk. 8 : 32 v bezetenheid bij dieren
Mark. 5 : 12 bezetenheid dieren kunnen bezeten worden
Mark. 5 : 13 bezetenheid door meerdere geesten
Luk. 11 : 26 bezetenheid door meerdere geesten bezeten
Luk. 8 : 27 bezetenheid en exhibitionisme of blootloperij
Matth. 12 : 44 bezetenheid geest bewoont lichaam als een huis
Matth. 4 : 23 bezetenheid genezen
Matth. 8 : 15 bezetenheid genezen
Mark. 1 : 24 bezetenheid genezing
Luk. 6 : 18 bezetenheid genezing van -
Luk. 8 : 27 v bezetenheid genezing van -
Matth. 17 : 18 bezetenheid geval van -
Luk. 8 : 27 bezetenheid geval van -
Mark. 16 : 9 bezetenheid geval: zeven demonen
Luk. 11 : 26 bezetenheid gevolg
Luk. 9 : 39 v bezetenheid kentekenen
Luk. 6 : 18 bezetenheid kwelling
Luk. 11 : 24 bezetenheid lichaam van de bezetene is een huis voor de onreine geest
Matth. 12 : 45 bezetenheid meervoudige
Luk. 8 : 2 bezetenheid meervoudige -
Mark. 9 : 18 bezetenheid symptomen
Mark. 3 : 22 bezetenheid toegedicht aan Jezus
Mark. 3 : 30 bezetenheid toegedicht aan Jezus
Luk. 11 : 25 bezetenheid troep, wanorde in het leven van een bezetene
Luk. 9 : 42 bezetenheid van een kind
Mark. 1 : 26 bezetenheid verschijnselen
Luk. 4 : 33 bezetenheid
Richt. 6 : 34 bezielen Gideon
Pred. 3 : 10 bezigheid door God aan de mensen gegeven
Pred. 3 : 10 bezigheid en bekommering
Pred. 5 : 2 bezigheid veel - veroorzaakt dromen
Pred. 2 : 23 bezigheid zijn - is verdriet
1 Tim. 4 : 1 bezighouden zich - met verleidende geesten
Luk. 15 : 16 bezinning
Luk. 14 : 33 bezit afscheid nemen van al zijn bezittingen, vgl. vers 18v
Luk. 14 : 33 bezit afstaan
2 Cor. 6 : 10 bezit alles bezittend
Hebr. 10 : 34 bezit beter en blijvend - hebben
Mark. 4 : 25 bezit Christus is onze rijkdom (uitleg)
2 Kron. 32 : 29 bezit gave Gods
Hos. 2 : 7 bezit gave Gods
Spr. 10 : 15 bezit geacht als een sterkte
Matth. 13 : 11 bezit geestelijk
Luk. 8 : 18 bezit geestelijk -
Flm. : 15 bezit geestelijk -: medebroeders en -zusters
Spr. 11 : 4 bezit gerechtigheid is meer waard dan -
Spr. 3 : 9 bezit God vereren met je bezit
Spr. 28 : 22 bezit haastig willen: boos oog
Luk. 12 : 33 bezit hebt - in de hemel in plaats van op aarde
Ps. 37 : 16 bezit het weinige dat de rechtvaardige heeft is beter dan de overvloed veler goddelozen
Luk. 12 : 13 bezit houding tegenover -
Gen. 21 : 25 bezit in - nemen: waterput: door Abimelechs onderdanen
2 Cor. 9 : 8 bezit in - van al het nodige
Jes. 5 : 8 bezit ongewenste vermeerdering
Spr. 22 : 16 bezit onrechtmatig vermeerderen
Spr. 24 : 4 bezit opbouwen: door wetenschap
Micha 4 : 4 bezit particulier -
Job 9 : 12 bezit roven: door God
Spr. 13 : 11 bezit toeneming of afneming
Joh. 17 : 10 bezit van de Vader en de Zoon
Matth. 19 : 21 bezit verkopen
Mark. 10 : 29 bezit verlaten
Spr. 5 : 10 bezit verliezen
Spr. 10 : 3 bezit verliezen: door goddeloosheid
Deut. 22 : 1 v bezit verloren - wedergeven
Job 31 : 25 bezit vermeerderd
Spr. 31 : 16 bezit vermeerderen
Spr. 28 : 8 bezit vermeerderen met woeker en overwinst: nutteloos
Micha 2 : 2 bezit vermeerderen: onrechtmatig, ten koste van anderen
Spr. 21 : 20 bezit vorming
Mark. 4 : 24 bezit waar -
bezit zie ook Schat
Matth. 19 : 29 bezit
Richt. 2 : 6 bezitten erfelijk –: land
Matth. 25 : 14 bezitting bezittingen van de Heer Jezus door Hem aan zijn leerlingen toevertrouwd
Ps. 2 : 8 bezitting Christus' -: de einden der aarde
Luk. 8 : 3 bezitting dienen met je -en
Job 17 : 11 bezitting geestelijke -en: van het hart
Ez. 44 : 28 bezitting God de - der toekomstige priesters
Gen. 47 : 11 bezitting in Egypteland: door Jozef aan zijn broers gegeven
Luk. 12 : 15 bezitting je leven behoort niet tot je -en
Matth. 24 : 47 bezitting Jezus' bezittingen
Ef. 1 : 14 bezitting lossing van de verkregen -
Spr. 4 : 7 bezitting naast - wijsheid en verstand nodig
Hebr. 10 : 34 bezitting roof van -en met blijdschap aanvaarden
2 Kron. 28 : 3 bezitting uit de - verdreven
Luk. 12 : 33 bezitting verkoopt uw -en
Ef. 1 : 14 bezitting verkregen -
Amos 3 : 14 bezoeken bezoeking doen over altaren
Hand. 15 : 36 bezoeken de broeders elders -
Num. 14 : 18 bezoeken de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen
Ex. 3 : 16 bezoeken door God: aan de Israëlieten in Egypte
Ex. 32 : 34 bezoeken door God: de zonde van Israël over hen
Ruth 1 : 6 bezoeken door God: Israël
Jes. 29 : 6 bezoeken door God: Jeruzalem: met donder en met aardbeving
Ex. 4 : 31 bezoeken door God: n.a.v. verdrukking
Luk. 7 : 16 bezoeken door God: zijn volk: door Jezus
Ex. 20 : 5 bezoeken een misdaad bezoeken aan mensen
Ex. 3 : 16 bezoeken en kennis nemen van: door God
Jer. 9 : 9 bezoeken God bezoekt het volk om zijn zonden
Hos. 2 : 12 bezoeken God zou over Israël bezoeken de dagen ter ere der Baäls
Ps. 106 : 4 bezoeken God: bezoek mij met Uw heil
Hos. 4 : 9 bezoeken iemands wegen over hem -: door God
Deut. 5 : 9 bezoeken misdaden -: God bezoekt de misdaad der vaderen aan de kinderen
Amos 3 : 2 bezoeken ongerechtigheden over de daders bezoeken
Ex. 34 : 7 bezoeken ongerechtigheid bezoeken
Hos. 8 : 13 bezoeken zonden -
Jer. 14 : 10 bezoeken zonden - door God
Jer. 51 : 18 bezoeking aan afgodsbeelden
Hos. 9 : 7 bezoeking dagen der -
Hos. 4 : 14 bezoeking doen
Jer. 5 : 29 bezoeking doen door God: over ongerechtigheden
Jer. 51 : 47 bezoeking doen over afgodsbeelden: door God
Jer. 51 : 52 bezoeking doen over afgodsbeelden: door God
Job 31 : 14 bezoeking doen, opstaan: door God
Jer. 11 : 22 bezoeking doen: begrip
Jer. 5 : 9 bezoeking doen: door God
Jes. 24 : 21 bezoeking doen: door God: over de heirscharen in de hoogte
Jes. 24 : 21 bezoeking doen: door God: over de koningen van de aardbodem
Hos. 12 : 3 bezoeking doen: door God: over Jakob naar diens wegen
Num. 16 : 29 bezoeking en dood
Jes. 10 : 3 bezoeking en verwoesting
1 Pe 2 : 12 bezoeking
1 Sam. 14 : 33 bezondigen zich
1 Pe 4 : 7 bezonnen weest - tot gebeden, in de eindtijd
2 Tim. 1 : 7 bezonnenheid geest van -
Matth. 10 : 19 bezorgd aangaande spreken: weest niet –
Matth. 6 : 28 bezorgd over kleding
Luk. 12 : 22 bezorgd voor je eigen leven
Matth. 6 : 25 bezorgd weest niet -
Matth. 6 : 31 bezorgd weest niet -
Matth. 6 : 34 bezorgd weest niet - voor morgen
Mark. 13 : 11 bezorgd weest tevoren niet - wat u zult spreken
Luk. 10 : 41 bezorgd zich - maken over veel dingen
2 Cor. 11 : 28 bezorgdheid dagelijks overvalt mij de - voor al de gemeenten
Ps. 94 : 19 bezorgdheid God troost
Matth. 6 : 25 v bezorgdheid hoe te overwinnen
Luk. 12 : 25 bezorgdheid ineffectief
1 Pe 5 : 7 bezorgdheid op God werpen
Luk. 12 : 11 bezorgdheid wat te zeggen: weest niet bezorgd
Filip. 4 : 6 bezorgdheid weest in niets bezorgd
Gen. 15 : 2 bezorger van Abrams huis: Eliëzer
Filip. 4 : 8 , 6 bezorgheid voorkomen, genezen: goede dingen bedenken
Luk. 21 34 bezwaren bezwaard door dronkenschap, roes en zorgen van het leven
Luk. 21 34 bezwaren hart: - door roes en dronkenschap
2 Cor. 1 : 8 bezwaren Paulus was uitermate bezwaard geworden
2 Cor. 12 : 16 bezwaren
Jes. 47 : 15 bezweerder Babels -s zullen omkomen door vuur
Jes. 19 : 3 bezweerder vragen van -s
Hand. 19 : 13 bezweerder
1 Thess. 5 : 27 bezweren bij de Heer -
Jes. 47 : 12 bezwering bezweringen in Babel
Jes. 47 : 12 bezwering functie: voordeel behalen, sterkte krijgen
Jes. 47 : 9 bezwering menigte van -en in Babel
Gen. 45 : 26 bezwijken hart
Hebr. 12 : 5 bezwijken niet -: vermaning
Ps. 119 : 82 bezwijken ogen: van verlangen
Matth. 15 : 32 bezwijken
Jes. 51 : 20 bezwijming in – vallen
Jac. 1 : 5 bidden aan God vragen
1 Kron. 17 : 25 bidden aanleiding: belofte Gods
Deut. 9 : 25 bidden aanleiding: dreigende vernietiging door God
Jac. 5 : 13 bidden aanleiding: lijden
1 Cor. 4 : 13 bidden als reactie op lastering
Luk. 18 1 bidden altijd -
1 Kron. 17 : 25 bidden begrip: niet alleen vragen
2 Sam. 7 : 27 bidden begrip: ook aanbidding
Joh. 15 : 16 bidden begrip: vragen
Jac. 1 : 6 bidden begrip: vragen
Matth. 6 : 7 bidden begrip: vragen om iets
Matth. 21 : 13 bidden belangrijk voor God
Luk. 19 46 bidden belangrijk voor God
Dan. 6 : 11 bidden betekenis: ook belijdenis doen
Jac. 5 : 16 bidden bid voor elkaar
Ps. 122 : 6 bidden bidt om de vrede van Jeruzalem
Luk. 21 36 bidden bidt te allen tijde: dat u in staat zult zijn te ontkomen
Ex. 8 : 8 bidden bidt vurig tot Jahweh, zei Farao
Ef. 3 : 20 bidden boven alles wat wij bidden of denken
1 Sam. 30 : 8 bidden concreet -: David
1 Sam. 12 : 22 bidden concreet vragen: geval
1 Kron. 14 : 10 bidden concrete antwoorden
1 Sam. 10 : 22 bidden concrete vraag
1 Kron. 14 : 10 bidden concrete vragen
1 Kron. 14 : 14 bidden concrete vragen en antwoorden voor de strijd
Joh. 6 : 23 bidden danken: door Jezus
Mark. 13 : 18 bidden dat de vlucht niet 's winters gebeurt
Hand. 9 : 11 bidden de Heer merkt ons - op
1 Sam. 23 : 2 bidden de HERE raadplegen
Joh. 16 : 23 bidden de Vader -: in de naam van Jezus
Gal. 4 : 19 bidden Die voor ons bidt
Matth. 26 : 41 bidden doel: verzoeking te voorkomen
Joh. 17 : 11 bidden door Christus: voor ons
Joh. 17 : 15 bidden door Christus: wat: bewaring voor de boze
Joh. 17 : 17 bidden door Christus: wat: heilig hen
Rom. 8 : 26 - 27 bidden door de Geest
Matth. 6 : 7 bidden door de heidenen
Spr. 15 : 8 bidden door de oprechte: Gode welgevallig
Gen. 24 : 63 bidden door Isaäk
Gen. 25 : 21 bidden door Isaäk
Deut. 9 : 25 bidden door Jezus
Matth. 26 : 39 v bidden door Jezus
Mark. 14 : 32 bidden door Jezus
Luk. 5 : 16 bidden door Jezus
Luk. 9 : 27 bidden door Jezus
Hebr. 5 : 7 bidden door Jezus
Luk. 9 : 18 bidden door Jezus: alleen in gebed
Luk. 4 : 21 bidden door Jezus: bij of na zijn doop
Luk. 6 : 12 bidden door Jezus: hele nacht
Matth. 14 : 23 bidden door Jezus: in afzondering, op de berg
Mark. 1 : 35 bidden door Jezus: in een woeste plaats
Mark. 14 : 35 bidden door Jezus: om verlossing uit de ure
Luk. 6 : 12 bidden door Jezus: op de berg
Mark. 6 : 46 bidden door Jezus: op een berg
Luk. 9 : 28 bidden door Jezus: plaats: berg
Mark. 1 : 35 bidden door Jezus: vroeg in de ochtend
1 Tim. 2 : 8 bidden door mannen: hoe
2 Cor. 12 : 8 bidden driemaal om iets bidden
Luk. 6 : 12 bidden duur: nacht lang
Dan. 6 : 11 bidden en belijden
Dan. 9 : 4 bidden en belijden
Dan. 9 : 20 bidden en belijden
Ef. 1 : 16 bidden en danken
Col. 1 : 3 bidden en danken
1 Thess. 5 : 17 bidden en danken
Filip. 1 : 3 bidden en danken samen
Neh. 11 : 17 bidden en danken: dankzegging beginnen in het gebed
Luk. 18 8 bidden en geloven
Luk. 22 41 bidden en neerknielen: door Jezus
Richt. 10 : 13 bidden en niet verhoord worden
Matth. 7 : 7 bidden en ontvangen
Matth. 7 : 11 bidden en ontvangen
Matth. 21 : 22 bidden en ontvangen
Mark. 11 : 24 bidden en ontvangen
Luk. 11 : 9 bidden en ontvangen
Luk. 11 : 10 bidden en ontvangen
Joh. 16 : 23 bidden en ontvangen
1Jo 3 : 22 bidden en ontvangen
1Jo 5 : 14 v bidden en ontvangen
Joh. 16 : 24 bidden en ontvangen: dan blijdschap
1 Kron. 5 : 20 bidden en ontvangen: door te vertrouwen op God
1 Kron. 4 : 10 bidden en ontvangen: Jabez
2 Kron. 32 : 20 bidden en roepen tot de hemel
Dan. 6 : 12 bidden en smeken
Luk. 10 : 2 bidden en smeken
Neh. 1 : 4 bidden en vasten
Hand. 13 : 3 bidden en vasten
Mark. 11 : 25 bidden en vergeven
Deut. 9 : 19 bidden en verhoord worden
1 Sam. 7 : 9 bidden en verhoring
2 Kon. 13 : 4 bidden en verhoring
Joh. 15 : 7 bidden en verhoring: voorwaarden
1Jo 3 : 21 bidden en verhoring: voorwaarden
Joh. 16 : 26 bidden en vragen
Col. 1 : 9 bidden en vragen
2 Kon. 13 : 4 bidden ernstig -
Ps. 119 : 58 bidden ernstig -
2 Sam. 5 : 23 v bidden gedetailleerd antwoord
Hand. 20 : 36 bidden geknield -
Hand. 21 : 5 bidden geknield -
Jac. 5 : 15 bidden gelovig bidden
2 Kron. 33 : 13 bidden God -: door Manasse
Hand. 26 : 28 bidden God -: Hem verzoeken iets te doen
Luk. 2 : 37 bidden God dienen met -
2 Kon. 20 : 5 bidden God hoort het gebed
Jes. 1 : 15 bidden God hoort niet (hier)
1 Sam. 28 : 6 bidden God hoort niet: Saul, vgl. vs 15
Jes. 1 : 15 bidden God verbergt zijn ogen (hier)
Hebr. 13 : 19 bidden helpt
1 Sam. 23 : 4 bidden herhaald God raadplegen
Matth. 26 : 44 bidden herhaald, tot drie keer toe, voor iets bepaalds bidden
Matth. 6 : 5 v bidden hoe te -
Jac. 5 : 17 bidden hoe veel: een enkel gebed kan genoeg zijn
Matth. 6 : 7 bidden hoe: zonder omhaal van woorden
Luk. 18 40 bidden horen en verhoord worden
2 Kron. 6 : 29 bidden houding
Ps. 44 : 21 bidden houding
2 Kron. 6 : 13 bidden houding lichaam
Hand. 9 : 40 bidden houding: geknield
Luk. 22 45 bidden houding: geknield bidden
Luk. 5 : 13 bidden houding: op zijn aangezicht
Matth. 26 : 39 bidden houding: op zijn aangezicht gevallen
Joh. 16 : 26 bidden in de naam van de Heer Jezus
Joh. 16 : 24 bidden in de naam van Jezus Christus
Ef. 6 : 18 bidden in Geest
Jac. 1 : 6 bidden in geloof vragen
Jud : 20 bidden in heilige Geest
Joh. 14 : 13 bidden in Jezus' naam
Joh. 14 : 14 bidden in Jezus' naam: dan zal Hij het doen
1 Sam. 30 : 8 bidden in nood
Rom. 8 : 26 bidden in overeenstemming met God
Luk. 8 : 38 bidden is verzoeken, vragen
1Jo 5 : 15 bidden is verzoeken, vragen om iets
Luk. 11 : 9 bidden is vragen
Joh. 17 : 9 bidden is vragen
Jac. 4 : 2 bidden is vragen
1Jo 3 : 22 bidden is vragen
1Jo 5 : 16 bidden is vragen
2 Cor. 1 : 11 bidden is werken, voorbede is meewerken
Matth. 6 : 6 bidden is zelf al lonend
Matth. 26 : 36 bidden Jezus wilde bidden
Jer. 18 : 21 bidden kwaad toebidden aan twisters
Luk. 20 47 bidden lang - voor de schijn
Ps. 86 : 3 bidden langdurig
Luk. 11 : 1 bidden leren -
Jes. 1 : 15 bidden lichaamshouding
Ef. 6 : 18 bidden met alle gebed en smeking
Filip. 1 : 3 bidden met blijdschap -
Filip. 1 : 4 bidden met blijdschap -
Col. 4 : 2 bidden met dankzegging
Matth. 19 : 29 bidden met handoplegging
Ps. 140 : 2 bidden met opheffing der handen
Hand. 14 : 23 bidden met vasten
Matth. 6 : 9 v bidden modelgebed
1 Pe 4 : 7 bidden motiveren tot: het einde van alles is nabij
Rom. 1 : 10 bidden naar Gods wil: geval
1Jo 5 : 14 v bidden naar Gods wil: Hij hoort
2 Tim. 1 : 3 bidden nacht en dag
Jac. 4 : 2 bidden niet -: gevolg: niet hebben
Luk. 18 1 bidden niet moedeloos worden
2 Sam. 21 : 1 bidden nood leert -
1 Sam. 12 : 23 bidden noodzaak
2 Sam. 2 : 1 bidden om antwoord om vraag: Waarheen?
2 Sam. 5 : 19 bidden om antwoord op een vraag: Zult Gij wel of niet?
2 Sam. 2 : 1 bidden om antwoord op vraag: Zal ik wel of niet, 5:19
1 Sam. 23 : 10 bidden om antwoorden
Gen. 42 : 21 bidden om genade: mensen - om genade: door Jozef
2 Kron. 14 : 11 bidden om hulp van God
2 Sam. 21 : 1 bidden om kennis waarom en waartoe iets gebeurt
1 Sam. 23 : 10 bidden om leiding
Zach. 7 : 3 bidden om te weten of je iets moet doen
Matth. 6 : 11 bidden om vergeving
Luk. 23 34 bidden om vergeving
Hand. 8 : 22 bidden om vergeving
Col. 1 : 9 bidden onderwerp
Flm. : 6 bidden onderwerp
2 Cor. 13 : 7 bidden onderwerp: dat anderen geen kwaad doen
1 Thess. 3 : 10 bidden onderwerp: dat wij uw gezicht mogen zien
Jac. 5 : 17 bidden onderwerp: geen regen
Jer. 11 : 14 bidden onderwerp: je ellende
Filip. 1 : 9 bidden onderwerp: liefde, kennis
Luk. 22 40 bidden onderwerp: niet in verzoeking komen, vgl. vs 31
Luk. 22 46 bidden onderwerp: niet in verzoeking komen, vgl. vs 31
Deut. 9 : 26 bidden onderwerp: spaar!
2 Cor. 13 : 9 bidden onderwerp: uw volmaking
Col. 4 : 12 bidden onderwerpen
Rom. 1 : 9 bidden onophoudelijk -: door Paulus
Rom. 1 : 9 bidden onophoudelijk -: geval
2 Tim. 1 : 3 bidden onophoudelijk voor iemand -
1 Thess. 5 : 17 bidden onophoudelijk: bidt onophoudelijk
Joh. 15 : 16 bidden ontvangen en vruchtdragen
Jac. 4 : 6 bidden ontvangen: niet ontvangen: oorzaak: hoogmoed
Jac. 4 : 3 bidden ontvangen: niet ontvangen: oorzaak: zelfzucht
Jac. 4 : 6 bidden ontvangen: voorwaarde: nederigheid
Jes. 58 : 9 bidden onverhoorde gebeden: oorzaak: zonde
Luk. 22 40 bidden opgedragen door Jezus aan zijn discipelen
Luk. 22 46 bidden opgedragen door Jezus aan zijn discipelen
Luk. 11 : 1 bidden ophouden te -
1 Thess. 3 : 10 bidden overvloedig -
Matth. 6 : 6 bidden plaats
Luk. 9 : 28 bidden plaats om te -: berg
Hand. 10 : 9 bidden plaats om te -: dak van een huis
Luk. 9 : 27 bidden plaats: afzondering
2 Kron. 6 : 12 bidden Salomo's -
Gen. 24 : 45 bidden stil -: spreken in het hart
Col. 4 : 12 bidden strijden voor iemand in de gebeden
Ef. 6 : 18 bidden te allen tijde -
2 Kron. 32 : 20 bidden tegen de vijand en diens hoon
Jes. 37 : 21 bidden tegen iem.: Hizkia tegen Sanherib
Deut. 24 : 15 bidden tegen iemand roepen tot de HEERE
2 Kon. 19 : 20 bidden tegen: Sanherib
Jer. 14 : 11 bidden ten goede
1 Sam. 15 : 11 bidden tijd: 's nachts: Samuel
Jes. 56 : 7 bidden toekomst
Matth. 26 : 44 bidden tot drie keer toe
2 Kon. 19 : 20 bidden tot God
2 Kon. 20 : 2 bidden tot God
1 Cor. 1 : 2 bidden tot Jezus: zijn naam aanroepen
Hand. 9 : 14 bidden tot Jezus: Zijn naam aanroepen
2 Sam. 21 : 14 bidden verbidden, God, maar ook zelf iets goedmaken
Jer. 14 : 11 bidden verbod tot -
1 Pe 3 : 7 bidden verhindering van een gebed: vrouw niet goed behandelen
2 Kron. 6 : 12 bidden verhoren
Jac. 1 : 5 bidden verhoren: begrip: geven wat we gevraagd hebben
Jac. 1 : 5 bidden verhoren: door God: mild en zonder verwijt
Joh. 11 : 22 bidden verhoring bij Jezus
Matth. 26 : 53 bidden verhoring: bij de Heer Jezus
Jes. 1 : 14 bidden verhoring: geen: wegens zonde
Ps. 105 : 40 bidden verhoring: geval: kwakkelen
Jac. 1 : 6 bidden verhoring: mits vragen in geloof
Jac. 5 : 16 bidden verhoring: om iem. godsvrucht
Mark. 11 : 23 v bidden verhoring: op geloof
2 Kon. 13 : 4 bidden verhoring: reden
Joh. 15 : 16 bidden verhoring: voorwaarde
Jac. 4 : 3 bidden verkeerd -
Ps. 86 : 7 bidden verklaring: verhoring in verleden
1 Thess. 5 : 25 bidden verzoek om te -
Col. 4 : 2 bidden volhard in het gebed
1 Tim. 5 : 5 bidden volharden
Ef. 6 : 18 bidden volhardend -
1 Tim. 2 : 1 bidden voor alle mensen
Filip. 1 : 3 bidden voor een gemeente
Col. 1 : 3 bidden voor een gemeente
Luk. 6 : 28 bidden voor hen die u smaden
Jer. 14 : 11 bidden voor iem.
2 Thess. 1 : 11 bidden voor iem. -: geval
Deut. 9 : 20 bidden voor iem.: dat God hem spare
1 Thess. 1 : 2 bidden voor iem.: en danken
Hebr. 13 : 18 bidden voor iemand: bidt voor ons
Matth. 5 : 44 bidden voor je vervolgers
Ez. 22 : 30 bidden voorbede
Rom. 1 : 9 bidden voorbede
Jer. 11 : 13 bidden voorbede verboden
Ezra 6 : 10 bidden voorbede voor de overheid gevraagd door Darius
2 Thess. 3 : 2 bidden voorbede: dat men gered wordt van de boze een onbehoorlijke mensen
Amos 7 : 2 v bidden voorbede: door Amos
Luk. 22 32 bidden voorbede: door de Heer
Amos 7 : 3 v bidden voorbede: kan berouw bij God wekken
Matth. 19 : 13 bidden voorbede: verzoek aan Jezus
Jes. 59 : 16 bidden voorbidden: door God gewenst
Hand. 10 : 2 bidden voortdurend tot God -
Matth. 8 : 2 bidden voorwaardelijk
1 Sam. 28 : 6 bidden vragen
1 Kon. 13 : 6 bidden vragen
Matth. 6 : 8 v bidden vragen
Joh. 11 : 22 bidden vragen
1 Sam. 28 : 6 bidden vragen: antwoord door God: droom, urim, profeet
1 Sam. 28 : 15 bidden vragen: antwoorden: door dromen, profeten
Gen. 25 : 22 bidden vragen: door Rebekka
1 Sam. 28 : 15 bidden vragen: geen antwoord: Saul
1 Sam. 14 : 37 bidden vragen: onbeantwoord
Richt. 1 : 1 bidden vragen: wie van ons zal x doen
Ex. 8 : 30 bidden vurig –
Ex. 8 : 28 bidden vurig –: door Mozes
Ex. 8 : 28 bidden vurig –: gevraagd door Farao
Luk. 22 44 bidden vuriger -
Mark. 14 : 38 bidden waakt en bidt
Jer. 7 : 16 bidden wanneer - geen zin meer heeft
Jer. 7 : 16 bidden wanneer God niet hoort
Ps. 5 : 4 bidden wanneer: 's morgens
Dan. 6 : 11 bidden wanneer: Daniel bad 3x daags
Col. 4 : 2 bidden weest waakzaam in gebed
Rom. 1 : 10 bidden wens uiten: geval
1 Sam. 23 : 4 bidden zekerheid zoeken over te nemen stappen
bidden zie ook Danken, Gebed
Spr. 15 : 29 bidden zie ook Gebed
bidden zie ook Uitstorten
1 Sam. 1 : 15 bidden ziel uitgieten voor Gods aangezicht
Luk. 6 : 12 bidden zoek eerst rust en afzondering
2 Kron. 7 : 14 bidden
Neh. 1 : 3 bidden
Neh. 1 : 6 bidden
Jes. 1 : 15 bidden gebed vermenigvuldigen
Hebr. 10 : 19 bidden verhaast een zaak
Hand. 3 : 1 bidstond 'uur van het gebed'
Hand. 10 : 9 bidstond 12 uur 's middags
1 Thess. 1 : 2 bidstond danken, bidden, met meerderen (vs. 1)
Luk. 2 : 37 bidstond dienst aan God
Hand. 3 : 1 bidstond negende uur
Hand. 12 : 12 bidstond velen waren in gebed
Hand. 12 : 5 bidstond
Ex. 2 : 3 bies mandje van biezen
Gen. 31 : 5 bij bij iemand zijn: door God: bij Jakob
Gen. 31 : 42 bij bij iemand zijn: door God: bij Jakob
Luk. 8 : 38 bij bij Jezus wensen te zijn
Jes. 7 : 18 bij bijen gezonden door God
Joh. 16 : 4 bij Christus - ons: fysiek bij zijn eerste leerlingen
2 Kron. 19 : 6 bij God - mij
Ps. 73 : 24 bij God: zijn: geduriglijk
Hebr. 13 : 5 bij Gos is - ons
2 Tim. 4 : 11 bij iemand zijn: Lukas bij Paulus
Joh. 15 : 27 bij Jezus zijn: de leerlingen: vanaf het begin
Joh. 17 : 24 bij Jezus zijn: in de hemel
Mark. 3 : 14 bij Jezus: opdat de twaalf bij Hem zouden zijn
Ps. 118 : 6 bij mij: de HERE: geen vrees
2 Kon. 23 : 21 Bijbel 'boek des verbonds'
2 Tim. 2 : 7 Bijbel achtgeven op -
Joz. 23 : 6 Bijbel afwijken van de -: ter rechterhand of ter linkerhand
1 Kon. 8 : 56 Bijbel alle woorden betrouwbaar
Joz. 23 : 6 Bijbel alles serieus nemen
Joz. 23 : 14 Bijbel alles wordt vervuld
Hebr. 9 : 8 Bijbel auteur: Heilige Geest
Deut. 34 : 6 Bijbel authenticiteit: blijkt ook uit onbekende graf Mozes
Matth. 17 : 6 Bijbel authentiek verhaal: "werden zeer bang"
Hand. 8 : 30 Bijbel begrijpen
2 Pe 3 : 16 Bijbel begrijpen: sommige dingen moeilijk te begrijpen
Hand. 8 : 31 Bijbel begrijpen:hulp
2 Kon. 23 : 25 Bijbel bekering, naar de Schrift
2 Sam. 7 : 28 Bijbel betrouwbaar
Jes. 34 : 16 Bijbel betrouwbaar
Ez. 39 : 8 Bijbel betrouwbaar
Matth. 19 : 4 Bijbel betrouwbaar
Luk. 24 25 Bijbel betrouwbaar in alles
1 Sam. 3 : 19 Bijbel betrouwbaar wat de toekomst betreft
Jes. 40 : 5 Bijbel betrouwbaar zal blijken
Dan. 9 : 12 Bijbel betrouwbaar: God bevestigt zijn woord
Deut. 3 : 9 Bijbel betrouwbaarheid: soms andere namen
Ez. 13 : 9 Bijbel bevat geen valse profeten
Jer. 26 : 23 Bijbel bevat niet alle woorden des HEEREN, bijv. niet van Uria
Dan. 9 : 13 Bijbel bevestigd
2 Kon. 23 : 24 Bijbel bevestigen door weg te doen wat erin verboden wordt
Jer. 26 : 2 Bijbel bewaar het woord: doet er niet één woord af
Opb. 1 : 3 Bijbel bewaren
Opb. 3 : 10 Bijbel bewaren
Joz. 23 : 6 Bijbel bewaren en doen: weest zeer sterk daartoe
Hand. 18 : 28 Bijbel bewijzen uit de Bijbel dat Jezus de Christus is
Rom. 1 : 2 Bijbel bibliotheek
Jes. 34 : 16 Bijbel boek des HEEREN
Hebr. 10 : 7 Bijbel boekrol
1 Tim. 1 : 20 Bijbel brief van God: aan de satan overgegeven
1 Tim. 1 : 18 Bijbel brief van God:"mijn kind"
Hebr. 10 : 22 Bijbel bron van rein water
Luk. 21 22 Bijbel Christus over -: alles wat geschreven staat wordt vervuld
Matth. 19 : 5 Bijbel commentaar in - geinspireerd
Hand. 17 : 11 Bijbel de Schriften genoemd
Rom. 3 : 21 Bijbel de wet en de profeten
Jer. 36 : 3 Bijbel doel
Ezra 6 : 18 Bijbel doen naar de -
Ex. 24 : 12 Bijbel door God geschreven
2 Tim. 3 : 16 Bijbel door God ingegeven: alle Schrift is door God ingegeven
Luk. 1 : 32 Bijbel echtheid: Christus' grootheid
Matth. 28 : 17 Bijbel eerlijk verslag: twijfelenden
Jes. 30 : 8 Bijbel eeuwig woord
Jes. 40 : 8 Bijbel eeuwig woord
Joh. 14 : 26 Bijbel Evangelieën: mede gebaseerd door bovennatuurlijke herinnering
Joz. 1 : 8 Bijbel gebruik: dag en nacht overdenken
Ex. 5 : 10 Bijbel geen leugenachtig woord (toepassing)
Joz. 1 : 7 Bijbel geheel te houden
Joz. 23 : 14 Bijbel geheel waar
1 Sam. 16 : 13 Bijbel geinspireerd
2 Sam. 23 : 2 Bijbel geinspireerd
Jes. 59 : 21 Bijbel geïnspireerd
Opb. 21 : 5 Bijbel geinspireerd (toepassing)
Luk. 24 : 25 Bijbel geloofwaardig: te geloven door ons
1 Sam. 17 : 12 Bijbel Genesis; twee verhalen over David?
Matth. 22 : 40 Bijbel genoemd wet en profeten
2 Kon. 17 : 36 Bijbel geschreven door God
2 Tim. 3 : 15 Bijbel geschriften: heilig
2 Kon. 22 : 8 Bijbel gevonden: in Gods huis
2 Kon. 22 : 16 Bijbel God houdt zich aan zijn Woord
1 Kon. 8 : 56 Bijbel God houdt zijn woord
Joz. 21 : 45 Bijbel God zal alles vervullen
Jes. 59 : 21 Bijbel Gods -
Gal. 6 : 11 Bijbel Gods eigen Schrift
Pred. 12 : 11 Bijbel Gods woord
Jer. 25 : 13 Bijbel Gods woord
Matth. 4 : 4 Bijbel Gods woord
2 Kron. 6 : 4 Bijbel Gods woord wordt vervuld door Gods hand
2 Kron. 6 : 15 Bijbel Gods woord wordt vervuld door Gods hand
2 Kon. 22 : 13 Bijbel Gods woord, vs 17
2 Kron. 35 : 22 Bijbel Gods woord: beoordeling Josia en rol heidense koning
Opb. 17 : 17 Bijbel Gods woorden zullen vervuld worden
Ps. 138 : 2 Bijbel groot maken: door God
Rom. 1 : 2 Bijbel heilige Schriften
Jes. 29 : 18 Bijbel het Boek
Jes. 66 : 2 Bijbel houding tegenover -: beven: door God gewaardeerd
Luk. 24 : 44 Bijbel indeling
Opb. 1 : 11 Bijbel inspiratie
Opb. 1 : 19 Bijbel inspiratie
Deut. 31 : 19 Bijbel inspiratie: hier dictaat van een lied
Mark. 14 : 9 Bijbel Jezus woord: betrouwbaar blijkens vervulling
Mark. 14 : 13 Bijbel Jezus woord: betrouwbaar blijkens vervulling
Luk. 24 : 44 Bijbel Jezus: de Bijbel spreekt van Jezus
Luk. 21 33 Bijbel Jezus' woorden blijvend
Hand. 18 : 24 Bijbel kennen: machtig in de Schriften was Apollo
2 Tim. 3 : 15 Bijbel kennen: Timotheus
Matth. 22 : 15 Bijbel kritiek: in een woord verstrikken (toepassing)
2 Tim. 3 : 16 Bijbel leerboek
Neh. 13 : 1 Bijbel lezen
Jes. 34 : 16 Bijbel lezen
1 Tim. 4 : 13 Bijbel lezen: blijven doen (toepassing)
Deut. 17 : 19 Bijbel lezen: dagelijks
Deut. 17 : 19 Bijbel lezen: doel: doen van Gods wil
Spr. 22 : 19 Bijbel lezen: doel: vertrouwen op God (toepassing)
2 Pe 3 : 16 Bijbel lezen: door onwetenden en onstandvastigen
1 Tim. 4 : 13 Bijbel lezen: gedurig
Ps. 119 : 130 Bijbel lezen: geeft licht
Opb. 1 : 3 Bijbel lezen: geluk
2 Tim. 3 : 16 Bijbel lezen: nut
Matth. 19 : 4 Bijbel lezen: nut: antwoorden op vragen
Ps. 143 : 8 Bijbel lezen: nut: bemoediging, vertroosting, versterking (toepassing)
Filip. 2 : 16 Bijbel lezen: nut: gedragsverandering
Ef. 5 : 26 Bijbel lezen: nut: nodig voor reiniging
Dan. 9 : 13 Bijbel lezen: verstandig
1 Thess. 5 : 27 Bijbel lezen: voorlezen
Joz. 1 : 8 Bijbel lezen: waarom: leren doen
Matth. 4 : 4 Bijbel lezen: waarom: voedsel
Luk. 16 : 30 Bijbel luisteren naar de -: niet luisteren
Hand. 1 : 1 Bijbel menselijk: ook menselijk werk: "heb ik gemaakt"
Jac. 1 : 18 Bijbel middel tot geestelijke voortbrenging
Matth. 11 : 19 Bijbel moeilijke passage
Pred. 12 : 12 Bijbel niet gaan boven hetgeen geschreven is
2 Kon. 10 : 10 Bijbel niets zal onvervuld blijven
Ps. 94 : 13 Bijbel nut: bron van rust
Rom. 15 : 4 Bijbel nut: leerzaam
Rom. 15 : 4 Bijbel nut: steun bij volharding
Rom. 15 : 4 Bijbel nut: steun van de hoop
Rom. 15 : 4 Bijbel nut: vertroost ons
2 Tim. 3 : 16 Bijbel nuttig om te leren
Spr. 1 : 4 Bijbel nuttig voor jongelingen
Jud : 11 Bijbel O.T. waarschuwende voorbeelden
Hebr. 5 : 13 Bijbel onervaren in de -
Matth. 2 : 11 Bijbel ongegrond denkbeeld: 3 wijzen
2 Kon. 22 : 13 Bijbel ongehoorzaamheid aan -
Col. 4 : 16 Bijbel ontstaan nieuwe testament
Joh. 15 : 20 Bijbel ontstaan van de -
Jes. 30 : 8 Bijbel ontstaan, schrijven in de -
Jer. 36 : 27 Bijbel ontstaan: boek Jeremia
Jer. 36 : 1 v Bijbel ontstaan: God droeg Jeremia op te schrijven
Deut. 30 : 10 Bijbel ontstaan: hier van wetboek gesproken
Ezra 9 : 4 Bijbel ontzag voor de - (toepassing)
Opb. 1 : 11 Bijbel opdracht tot schrijven
Ps. 119 : 130 Bijbel openen van Gods woorden geeft licht
Luk. 18 31 Bijbel Oude Testament: Christus over
Hebr. 10 : 7 Bijbel Oude Testament: schrijft over Jezus Christus
Luk. 22 37 Bijbel Oude Testament: spreekt van Christus
Mark. 10 : 7 Bijbel overschrijven: toevoeging ter verduidelijking (vermoedelijk)
Joz. 1 : 8 Bijbel overwegen, overdenken: dag en nacht
Ex. 17 : 14 Bijbel pentateuch geschreven door Mozes
Hebr. 10 : 22 Bijbel reinigt
Hebr. 2 : 1 Bijbel richt je naar de bijbel, om afdrijven te voorkomen
Joh. 12 : 34 Bijbel schijnbare tegenstrijdigheid
Ez. 13 : 9 Bijbel Schrift van het huis Israëls
2 Pe 3 : 16 Bijbel schriften
Hand. 18 : 24 Bijbel Schriften genoemd
2 Kon. 13 : 17 v Bijbel Schriftkritiek: geheiligde dingen prijsgeven
Opb. 14 : 13 Bijbel schrijven: deels op bevel van God
Opb. 10 : 4 Bijbel schrijven: leiding door God
Joh. 19 : 35 Bijbel schrijver: waarheidslievend
Luk. 24 27 Bijbel spreekt overal over Christus
Jer. 10 : 9 Bijbel strijd tegen -: wijzen op menselijk ontstaan
Hand. 17 : 3 Bijbel synoniem: Schriften
Deut. 11 : 17 Bijbel taal: alledaagse -: hemel toesluiten
Opb. 9 : 11 Bijbel taal: tweetalige bron (voorbeeld)
Opb. 3 : 8 Bijbel te bewaren
Dan. 10 : 21 Bijbel tegenbeeld in de Hemel?
Joh. 12 : 34 Bijbel tegenspraak: inwendige -: schijnbare tegenspraak
1 Sam. 15 : 29 Bijbel tegenstrijdigheid, schijnbare, 15:11, 35
Spr. 26 : 4 - 5 Bijbel tegenstrijdigheid: schijnbare tegenstrijdigheid
Joh. 4 : 2 Bijbel tegenstrijdigheid: schijnbare: ctr. 3:26
Jes. 8 : 20 Bijbel terug naar de -!
Jes. 29 : 18 Bijbel toekomst: gehoord
Ez. 38 : 17 Bijbel toekomst: zal betrouwbaar blijken
Matth. 1 : 18 Bijbel twee verhalen a la Genesis
Jer. 40 : 1 Bijbel twee verhalen, Jer. 40:1-5 vgl 39:13-14
1 Sam. 28 : 3 Bijbel twee-verhalen van Samuel
Joh. 21 : 23 Bijbel uitleg: verkeerde uitleg
Jud : 17 Bijbel vasthouden: door terug te denken aan de woorden van de apostelen
Hebr. 2 : 2 Bijbel vaststaand woord (toepassing)
1 Sam. 20 : 21 Bijbel verborgen betekenis
Jer. 36 : 23 Bijbel verbranding
2 Pe 3 : 16 Bijbel verdraaien: door onwetenden en onstandvastigen
Jes. 40 : 21 Bijbel versmaden (toepassing)
Jes. 5 : 24 Bijbel versmaden, verwerpen
Opb. 2 : 17 Bijbel verstaan: achtergrondinfo nuttig
Hand. 1 : 20 Bijbel verstaan: geval
2 Cor. 3 : 14 Bijbel verstaan: niet -: door bedekking
Deut. 27 : 8 Bijbel vertaling: wel uitdrukken
2 Kon. 22 : 16 Bijbel vervulling: alle woorden
Luk. 21 22 Bijbel vervulling: wordt door God geheel vervuld
2 Kron. 24 : 27 Bijbel verwijst naar zichzelf (ander bijbelboek)
Opb. 22 : 10 Bijbel verzameling boeken, waaronder het boek Opb (associatie)
Luk. 24 : 32 Bijbel verzameling geschriften
Mark. 14 : 49 Bijbel verzameling van 'schriften'
2 Kon. 22 : 13 Bijbel voor Israël geschreven
1 Thess. 5 : 27 Bijbel voorlezen
2 Kon. 23 : 2 Bijbel voorlezen uit de -: voor al het volk
2 Kron. 34 : 30 Bijbel voorlezing uit de - voor jong en oud
Hand. 8 : 34 Bijbel vraag over de -
Luk. 16 : 29 Bijbel waard om naar te luisteren
Joh. 17 : 17 Bijbel waarheid
Matth. 5 : 18 Bijbel waarheid tot in de jota en tittel
2 Cor. 10 : 9 Bijbel wekt vrees bij sommigen
Ezra 7 : 6 Bijbel wet van Mozes: door Mozes geschreven, door God gegeven
2 Tim. 3 : 15 Bijbel wijsheid: kunnen wijs maken tot behoudenis
Matth. 24 : 35 Bijbel woord van Christus gaat niet voorbij
Jer. 36 : 1 - 8 Bijbel woord van God, bijv. boek Jeremia
2 Kron. 1 : 9 Bijbel woord: laat het waar worden
2 Tim. 1 : 13 Bijbel woorden als voorbeeld
2 Kon. 22 : 16 Bijbel woorden: alle woorden zullen vervuld worden
1 Pe 2 : 8 Bijbel zich stoten aan het Woord (evangelie)
Bijbel zie ook Schrift
Bijbel zie ook Tenach
Bijbel zie ook Woord: Gods
Jes. 34 : 16 Bijbel zoeken daarin
Jes. 66 : 5 Bijbelgetrouwe (toepassing)
Neh. 8 : 14 Bijbelstudie
Matth. 12 : 30 bijeenbrengen met Christus
Luk. 11 : 23 bijeenbrengen met Jezus -
Luk. 11 : 23 bijeenbrengen versus verstrooien
Hebr. 10 : 25 bijeenkomst onze eigen -en niet verzuimen
Mark. 13 : 27 bijeenverzamelen
1 Sam. 5 : 5 bijgeloof geval
Luk. 3 : 9 bijl fig. ligt al aan de wortel van de bomen
Matth. 3 : 10 bijl
Lev. 22 : 4 bijligging
Spr. 15 : 11 bijna-dood-ervaring dodenrijk is voor de HERE (associatie)
Jes. 30 : 10 bijna-dood-ervaring gewenst om de waarheid te ontkomen
Job 32 : 21 bijnaam geen -en gebruiken
2 Tim. 4 : 17 bijstaan door de Heer
Rom. 16 : 2 bijstaan iemand –
Rom. 16 : 2 bijstand verlenen: door Febe
Richt. 19 : 25 bijvrouw man is haar heer
Gen. 23 : 4 bijwoner Abraham
Lev. 25 : 40 bijwoner broeder als een -
Hebr. 11 : 13 bijwoner christen
1 Pe 2 : 11 bijwoner christen
Lev. 23 : 23 bijwoner Israëliet was - in het land van God
Lev. 25 : 22 bijwoner Israëlieten waren -s in Gods land
1 Kron. 29 : 15 bijwoner vreemdelingen en -s voor Gods aangezicht
Lev. 25 : 45 bijwoner
1 Pe 1 : 17 bijwoning door christenen; in de wereld
Hand. 13 : 36 bijzetten David bij zijn vaderen bijgezet
Jud : 11 Bileam dwaling van -
Joz. 13 : 22 Bileam gedood
Neh. 13 : 2 Bileam gehuurd om Israël te vloeken
Joz. 24 : 9 v Bileam geroepen om Israël te vervloeken
2 Pe 2 : 15 Bileam weg van - volgen
Opb. 2 : 14 Bileam
Gen. 35 : 22 Bilha Ruben lag bij -
Gen. 37 : 2 Bilha vrouw van Jakob
Gen. 29 : 29 Bilha
Col. 4 : 1 billijk geven wat - is
Jes. 33 : 15 billijkheid billijkheden spreken
Spr. 2 : 9 billijkheid verstaan
Job 36 : 13 binden door God
Matth. 18 : 18 binden en ontbinden
Opb. 9 : 14 binden engelen gebonden
Matth. 12 : 29 binden iem. -, satan -, vgl. Opb.
2 Kon. 23 : 33 binden iemand binden opdat hij iets niet zou doen
Matth. 27 : 2 binden Jezus gebonden
Mark. 15 : 1 binden Jezus gebonden
Joh. 18 : 12 binden Jezus gebonden
Matth. 16 : 19 binden machtiging tot
Mark. 5 : 3 v binden niet te -
Hand. 21 : 11 binden Paulus: door de Joden
Dan. 3 : 20 binden Sadrach, Mesach en Abednego gebonden
Opb. 3 : 20 binnen Jezus - laten
Gal. 2 : 4 binnendringen in de gemeente: door valse broeders
Luk. 24 : 29 binnengaan door Jezus: om bij de Emmaüsgangers te verblijven
Luk. 9 : 4 binnengaan huis -
Matth. 23 : 13 binnengaan willen - in het koninkrijk der hemelen
Luk. 12 : 3 binnenkamer besloten ruimte, versus dak
1 Kon. 1 : 15 binnenkamer
Hgl 1 : 4 binnenkamer
Jes. 26 : 20 binnenkamer
Matth. 6 : 6 binnenkamer
Luk. 12 : 2 binnenkamer
Opb. 3 : 20 binnenkomen geestelijk: door Christus
2 Tim. 3 : 6 binnensluipen de huizen -
Jud : 4 binnensluipen
Ps. 49 : 12 binnenst - gedachte
Jes. 26 : 9 binnenste bevat de geest
Ex. 23 : 21 binnenste Christus -: Gods naam in zijn – (toepassing)
Luk. 11 : 40 binnenste door God gemaakt
Ps. 51 : 12 binnenste en hart
Jer. 4 : 14 binnenste gedachten in het -
Ez. 11 : 19 binnenste geest in ons -
Spr. 14 : 33 binnenste hart
Jer. 23 : 9 binnenste hart in het -
Ps. 5 : 10 binnenste hun - is enkel verderving"
Jer. 9 : 8 binnenste in het - lagen leggen
Ps. 109 : 22 binnenste in het binnenste is het hart
Spr. 26 : 24 binnenste in je - bedrog smeden
Spr. 22 : 18 binnenste in je - bewaren: wijsheid, wetenschap
Spr. 26 : 24 binnenste in tegenspraak met gedrag
Luk. 11 : 39 binnenste reinigen
Joh. 7 : 38 binnenste uit het - van de gelovige zullen stromen van levend water vloeien
2 Cor. 7 : 5 binnenste van binnen vrees
Spr. 26 : 22 binnenste van de buik: daarin dalen woorden van laster
Joh. 2 : 25 binnenste van de mens
Spr. 20 : 27 binnenste van de mens: God kent het - van de mensen door hun ziel
Luk. 11 : 39 binnenste vol boosheid en roof
Luk. 11 : 39 binnenste vs. buitenkant
Ps. 51 : 8 binnenste waarheid in het -: God heeft lust tot waarheid in het -
2 Kon. 13 : 11 biografie korte - vanuit een zedelijk-godsdienstig gezichtspunt
Gen. 31 : 9 biologie Gods macht in de natuur
1 Kon. 4 : 33 biologie Salomo's biologische kennis
Jac. 3 : 14 bitter -e jaloersheid
Spr. 27 : 7 bitter alle - is zoet voor een hongerige ziel
Spr. 31 : 6 bitter bitter bedroefd van ziel zijn
Pred. 7 : 26 bitter bitterder ding dan de dood
Spr. 5 : 4 bitter bittere ervaring na zoete verleiding
Ex. 1 : 14 bitter het leven - maken: met harde dienst
Hand. 14 : 2 bitter stemmen tegen de broeders
Luk. 22 62 bitter wenen: door Petrus: na zijn verloochening van Jezus
Col. 3 : 19 bitter zijn tegen iem.
Opb. 8 : 11 bitter
Jes. 5 : 20 bittere tot zoet stellen: verkeerd
Joh. 7 : 23 bitterheid - in de ziel: jegens de Heer
Gen. 49 : 23 bitterheid aandoen: aan Jozef
Job 27 : 2 bitterheid aandoen: door God: aan Job
1 Sam. 30 : 6 bitterheid bij de mannen van David
Job 10 : 1 bitterheid bitterheid der ziel
Jes. 38 : 15 bitterheid der ziel: bij Hizkia
Ruth 1 : 20 bitterheid door God aangedaan
Ez. 21 : 6 bitterheid geboden
Rom. 3 : 14 bitterheid hun mond is vol vervloeking en -
Hand. 8 : 23 bitterheid in gal van - zijn: Simon
Hebr. 12 : 15 bitterheid kan anderen verontreinigen
Ef. 4 : 31 bitterheid tegen
Gen. 26 : 35 bitterheid van de geest
Job 7 : 11 bitterheid van de ziel
Hebr. 12 : 15 bitterheid wortel van - opschietend
2 Kon. 9 : 30 blanketten Izebel -te haar aangezicht
Joh. 20 : 22 blazen door Jezus
Jes. 29 : 22 bleek Jakobs aangezicht zal niet meer - worden
2 Cor. 6 : 10 blij altijd -
Opb. 19 : 7 blij laten we - zijn en ons verheugen
2 Cor. 7 : 13 blij met de blijden: geval
Luk. 15 : 32 blij moeten zijn
Joh. 11 : 15 blij zijn: door Jezus
Rom. 12 : 15 blijde verblijdt u met de blijden
Jes. 41 : 27 blijde-boodschapper
Neh. 8 : 13 blijdschap - maken
Jes. 51 : 11 blijdschap aangrijpen
3Jo : 3 v blijdschap aanleiding
Hand. 15 : 3 blijdschap bereiden: door de bekering van de volken te verhalen
Joh. 16 : 24 blijdschap bevorderen
Joh. 17 : 13 blijdschap bevorderen
1Jo 1 : 4 blijdschap bevorderen
Joh. 15 : 11 blijdschap bevorderen: door Christus
2Jo : 12 blijdschap bevorderen: met elkaar spreken
Matth. 13 : 44 blijdschap bij Christus
Ps. 63 : 8 blijdschap bij geborgenheid
Deut. 30 : 9 blijdschap bij God
Spr. 12 : 20 blijdschap bij wie vrede raden
Joh. 16 : 22 blijdschap bron: Christus
Joh. 16 : 20 v blijdschap Christus over -
Matth. 13 : 44 blijdschap Christus' -
Joh. 15 : 11 blijdschap Christus' -: in mij
1 Thess. 3 : 9 blijdschap danken om -
Ps. 43 : 4 blijdschap de God der - van mijn verheuging
Neh. 8 : 11 blijdschap des HEREN: is uw sterkte
Ps. 100 : 2 blijdschap dient God met -, komt voor Hem met vrolijk gezang
Ps. 119 : 14 blijdschap door gehoorzaamheid meer dan door rijkdom
Deut. 28 : 47 blijdschap door God gewenst
Ps. 92 : 5 blijdschap door Gods daden
2 Kron. 29 : 30 blijdschap door lofzegging
Spr. 15 : 21 blijdschap dwaasheid is - voor de verstandeloze
Pred. 8 : 15 blijdschap een goed
Jes. 51 : 11 blijdschap eeuwige
1 Pe 1 : 6 blijdschap en droefheid wisselen elkaar af
Hos. 9 : 1 blijdschap en opspringen
Luk. 10 : 21 blijdschap en prijzen van God
Jes. 41 : 15 blijdschap en roemen in God
Col. 1 : 11 blijdschap en volharding
Rom. 15 : 13 blijdschap en vrede
Pred. 5 : 19 blijdschap gave Gods
Deut. 16 : 11 blijdschap geboden
Deut. 16 : 15 blijdschap geboden: reden
Filip. 1 : 25 blijdschap geloof, - van het geloof: bevorderen
Filip. 1 : 25 blijdschap geloof: - van het geloof: maakt roem in Christus overvloediger
Filip. 4 : 1 blijdschap gelovigen als oorzaak van blijdschap
Luk. 15 : 7 blijdschap gemeenschappelijk
Spr. 15 : 15 blijdschap gemis van -: kwade dagen
Jes. 56 : 7 blijdschap God verheugt
Joh. 16 : 22 blijdschap goed
3Jo : 4 blijdschap grootte
Matth. 28 : 8 blijdschap grote -
Luk. 2 : 10 blijdschap grote -
2 Kron. 30 : 26 blijdschap grote - te Jeruzalem
Luk. 24 52 blijdschap grote –
Flm. : 7 blijdschap hebben: veel – hebben wegens iemands liefde
Spr. 15 : 30 blijdschap het licht der ogen verblijdt het hart
Spr. 10 : 28 blijdschap hoop van de rechtvaardigen
Jes. 55 : 12 blijdschap in – uittrekken: Israël, in de toekomst
Spr. 15 : 23 blijdschap in antwoord van zijn mond
Luk. 10 : 21 blijdschap in de geest
Luk. 15 : 7 blijdschap in de hemel
Hand. 8 : 8 blijdschap in de stad
Rom. 15 : 13 blijdschap in het geloven
2 Cor. 9 : 7 blijdschap in het geven
Joh. 17 : 13 blijdschap in ons
Jes. 51 : 3 blijdschap in Sion
Joh. 17 : 13 blijdschap Jezus -: in ons
Luk. 10 : 21 blijdschap Jezus' -
Jac. 4 : 9 blijdschap laat uw - in verslagenheid veranderd worden
Spr. 21 : 17 blijdschap liefhebben: leidt tot gebrek
2 Cor. 1 : 24 blijdschap medewerkers aan uw -
2 Tim. 1 : 4 blijdschap met - vervuld worden
Rom. 15 : 32 blijdschap met – komen
Job 31 : 25 blijdschap om eigen vermogen
Deut. 28 : 47 blijdschap om overvloed door God geschonken
Luk. 10 : 20 blijdschap ongepaste -
Ps. 106 : 5 blijdschap ontbreekt bij iem terwijl het volk - kent
Spr. 27 : 9 blijdschap oorzaak: welriekendheid van een stof
Joh. 4 : 36 blijdschap opdat zich verblijden...
Amos 6 : 13 blijdschap over een nietig ding
Ps. 67 : 5 blijdschap over God: bij de natien
Luk. 15 : 5 blijdschap over het vinden van het verlorene vs.6
Luk. 15 : 10 blijdschap over: bekeerde zondaar
2 Cor. 8 : 2 blijdschap overvloedige -
2 Cor. 7 : 4 blijdschap overvloeien van - bij al onze verdrukking
2 Cor. 2 : 3 blijdschap Paulus' -
Filip. 2 : 17 blijdschap Paulus' -
1 Thess. 2 : 19 blijdschap Paulus' -: de behouden thessalonikers
2 Cor. 13 : 9 blijdschap reden
2Jo : 4 blijdschap reden
Filip. 1 : 18 blijdschap reden tot -
Deut. 16 : 15 blijdschap reden tot -: zegen
Ps. 59 : 17 blijdschap reden: Gods goedertierenheid
2 Kron. 6 : 10 blijdschap reden: goede dat God doet of gedaan heeft
Luk. 2 : 10 - 11 blijdschap reden: heil
Ps. 90 : 14 blijdschap te allen dage
Spr. 15 : 13 blijdschap uitwendige en inwendige
1 Thess. 1 : 6 blijdschap van Heilige Geest
Joh. 16 : 22 blijdschap van iem. wegnemen
Jes. 24 : 8 blijdschap verdwijnt
Amos 6 : 13 blijdschap verkeerde -
Jac. 4 : 9 blijdschap versus verslagenheid
Joh. 3 : 29 blijdschap vervuld: bij Johannes de Doper
Rom. 15 : 13 blijdschap vervullen met – in het geloven: door God: ons vervullen
1Jo 1 : 4 blijdschap volkomen
Joh. 16 : 24 blijdschap volkomen -
2Jo : 12 blijdschap volkomen -
Joh. 17 : 13 blijdschap volkomen hebben
Filip. 2 : 2 blijdschap volkomen maken
Joh. 15 : 11 blijdschap volkomen worden
Deut. 12 : 12 blijdschap voor Gods aangezicht
Gal. 5 : 22 blijdschap vrucht van de Geest
1Jo 1 : 4 blijdschap waarde, goed
Luk. 15 : 6 blijdschap weest blij met mij
1 Thess. 2 : 19 blijdschap wij zijn Christus' - (toepassing)
blijdschap zie ook Verblijden, Verheugen, Vrolijk
1 Pe 1 : 6 blijdschap zie ook Verheugen, zich
2 Kron. 30 : 23 blijdschap
Luk. 10 : 17 blijdschap
Jes. 24 : 7 blijhartig
2 Cor. 9 : 7 blijmoedig - gever
Rom. 12 : 8 blijmoedigheid barmhartigheid bewijzen in -
Col. 1 : 23 blijven als u blijft in het geloof
1 Sam. 22 : 23 blijven bij David -
2 Tim. 3 : 14 blijven blijf in wat je geleerd hebt
1Jo 2 : 28 blijven blijft in Hem
Hebr. 10 : 34 blijven blijvend bezit
Joh. 15 : 16 blijven dat uw vrucht zou -
1Jo 3 : 17 blijven de liefde van God: hoe blijft die in hem?
1Jo 4 : 15 v blijven God: in ons
1Jo 3 : 6 blijven in Christus
1Jo 3 : 24 blijven in Christus -: door Zijn geboden te bewaren
Joh. 15 : 6 blijven in Christus: niet -: gevolg
1Jo 3 : 24 blijven in Christus: waaraan te weten: aan de Geest
1Jo 3 : 14 blijven in de dood -
1Jo 3 : 24 blijven in de gelovige: door God
1Jo 4 : 16 blijven in de liefde -
Joh. 15 : 10 blijven in de liefde van de Vader: door Jezus
1Jo 4 : 15 v blijven in God -
1Jo 4 : 13 blijven in God: waaraan te weten
1Jo 2 : 10 blijven in het licht: door de liefde
Joh. 15 : 7 blijven in Jezus, de wijnstok
Joh. 6 : 55 blijven in Jezus: door zijn vlees te eten en zijn bloed te drinken
Joh. 15 : 7 blijven in ons: Jezus' uitspraken
1Jo 2 : 24 blijven in u - Gods woord
Richt. 3 : 1 blijven laten over- door God: heidenen
1Jo 2 : 17 blijven tot in eeuwigheid: wie de wil van God doet
Jes. 32 : 3 blik afwenden
Jer. 10 : 13 bliksem door God gemaakt
Jer. 51 : 16 bliksem door God gemaakt
Ex. 20 : 18 bliksem door God teweeggebrachte -en op Sinaï
Ps. 135 : 7 bliksem gemaakt door God
Ps. 144 : 6 bliksem God gebruikt - als pijl
Ps. 97 : 4 bliksem Gods -en verlichten de wereld
Ps. 29 : 7 bliksem stem van God
Job 1 : 16 bliksem vuur Gods genoemd
2 Sam. 22 : 15 bliksem
Matth. 24 : 27 bliksem
Luk. 17 : 24 bliksem
Opb. 11 : 19 bliksemstraal
Jes. 43 : 8 blind blinde volk
1Jo 2 : 11 blind duisternis verblindt de ogen
Joh. 9 : 20 blind geboren
Matth. 23 : 24 v blind geestelijk -
Opb. 3 : 17 blind geestelijk -
Joh. 9 : 40 v blind geestelijk - en zonde hebben
Ex. 23 : 8 blind geestelijk - maken: door een geschenk
Deut. 16 : 18 blind geestelijk - maken: door geschenk
Joh. 9 : 39 blind geestelijk - worden
Matth. 15 : 14 blind geestelijk -: farizeeen
Matth. 15 : 14 blind geestelijk -: leider: -e leiders: farizeeen
Matth. 15 : 14 blind geestelijk -: volk
Spr. 1 : 17 blind geestelijk: boosdoeners voor de gevolgen van hun boosheid
Luk. 18 41 blind geworden
Gen. 27 : 1 blind Isaak
Hand. 22 : 11 blind Paulus door het felle licht blind geworden
1 Kon. 14 : 4 blind profeet Ahia was - geworden
Hand. 9 : 8 blind Saulus - geworden
2 Kon. 6 : 18 blind verstand verblinden: door God: het Syrische heir
Hand. 26 : 17 blind volken zijn fig. blind
Jes. 42 : 16 blinde -n geholpen door God
Matth. 11 : 5 blinde aan blinden het gezicht gegeven
Jes. 42 : 18 blinde aanschouwt, u blinden!
Luk. 14 : 21 blinde blinden ten avondmaal gebracht
Deut. 27 : 18 blinde doen dolen opzettelijk
Lev. 19 : 14 blinde doen struikelen: verboden
Ex. 4 : 11 blinde door God gemaakt
Matth. 23 : 17 blinde geestelijk -n: geval
Matth. 23 : 19 blinde geestelijk -n: geval
2 Sam. 5 : 8 blinde gehaat door David
Hand. 9 : 8 blinde geleid: Saulus
Mark. 8 : 23 blinde geleide door Jezus
Matth. 12 : 22 blinde genezen
Matth. 21 : 14 blinde genezen
Mark. 8 : 22 v blinde genezen
Luk. 7 : 21 v blinde genezen: door Jezus: hij gaf hun het gezicht
Matth. 15 : 31 blinde genezing van -n
Matth. 21 : 14 blinde Jezus genas -n in de tempel
Luk. 6 : 39 blinde leiden van een -: door een blinde
Luk. 14 : 13 blinde nodig -n
Deut. 28 : 29 blinde omtasten door -
Ps. 146 : 8 blinde opening der ogen: door God
Jes. 59 : 10 blinde tasten gelijk de -n
Jes. 35 : 5 blinde toekomst: ogen der -n zullen opengedaan worden
Jes. 29 : 18 blinde zal zien
Matth. 15 : 30 blinde
Luk. 18 35 blinde
Joh. 9 : 1 blinde
Joh. 9 : 32 blindgeborene genezen: ongekend
Joh. 9 : 32 blindgeborene genezing: uniek
1 Kon. 14 : 4 blindheid Ahia de profeet
Gen. 19 : 11 blindheid de mannen van Sodom geslagen met verblindheden
Jes. 29 : 18 blindheid donkerheid zien
Jes. 42 : 18 v blindheid geestelijke
Opb. 3 : 17 blindheid geestelijke
Jes. 43 : 7 blindheid geestelijke -
Jes. 59 : 10 blindheid geestelijke -
Matth. 23 : 16 blindheid geestelijke -
Mark. 4 : 12 blindheid geestelijke -
Luk. 24 31 blindheid geestelijke - opgeheven
Jer. 5 : 21 blindheid geestelijke -, gevolg van zonde, vs 25
Mark. 8 : 18 blindheid geestelijke -: begrip
Matth. 15 : 14 blindheid geestelijke -: gevolg: in een kuil vallen
Ez. 12 : 2 blindheid geestelijke -: oorzaak: wederspannigheid
Matth. 11 : 5 blindheid genezen
Luk. 7 : 21 blindheid genezen
Joh. 9 : 6 v blindheid genezing
Hand. 22 : 13 blindheid genezing
Matth. 15 : 28 blindheid gevolg
Gen. 48 : 10 blindheid Jakob
Jes. 42 : 7 blindheid Jezus geneest van -
Hand. 13 : 11 blindheid met - geslagen: BarJezus
1 Sam. 3 : 2 blindheid ontstaan van - bij Eli
Joh. 9 : 2 blindheid oorzaak: zonde: kwestie
Deut. 28 : 28 blindheid straf hier
Deut. 28 : 28 blindheid straf hier
Hand. 13 : 11 blindheid straf hier
Deut. 34 : 7 blindheid voorkomen
2 Sam. 23 : 17 bloed - drinken: fig. Davids helden
Hebr. 10 : 20 bloed "Dit is het bloed van het verbond…" (Mozes), vgl. Jezus woorden
Hebr. 9 : 21 bloed besprenkelen met –
Opb. 5 : 9 bloed Christus -: daarmee zijn wij voor God gekocht
Col. 1 : 20 bloed Christus' bloed, verzoening en vrede
Hebr. 2 : 14 bloed deelhebben aan – en vlees: door Jezus
Opb. 8 : 8 bloed derde deel van de zee werd -
Job 39 : 33 bloed drinken: door arendsjongen
Jes. 49 : 26 bloed dronken worden van hun eigen bloed
Ef. 6 : 12 bloed en vlees
Hand. 2 : 19 bloed en vuur en rookwalm
Hebr. 10 : 22 bloed en water
Deut. 12 : 16 bloed en water: vgl. Christus' bloed
Gen. 9 : 4 bloed en ziel
Gen. 9 : 5 bloed en ziel: het bloed van uw zielen
1 Sam. 14 : 32 v bloed eten
Ez. 33 : 25 bloed eten
Deut. 15 : 23 bloed eten verboden bij offermaal eerstgeboorten
Deut. 12 : 16 bloed eten: verboden
Deut. 12 : 23 bloed eten: verboden: reden
Rom. 5 : 9 bloed gerechvaardigd door Christus' bloed
2 Kron. 29 : 22 bloed gesprengd op het altaar
Ex. 24 : 8 bloed gesprengd op het volk
Hebr. 11 : 28 bloed gesprenkeld - tot bescherming
1Jo 5 : 7 bloed getuigen door het -
Jes. 1 : 15 bloed handen vol -
Lev. 20 : 9 bloed iemands bloed op hemzelf zijnde, vs 11
Opb. 19 : 13 bloed in bloed gedoopt kleed: draagt Jezus bij zijn verschijning in de wereld
Lev. 17 : 11 v bloed in het - is de ziel van het vlees
Deut. 12 : 23 bloed is de ziel
Lev. 17 : 13 bloed is de ziel van alle vlees
1Jo 5 : 6 bloed Jezus is gekomen door water en bloed
Opb. 5 : 9 bloed Jezus' -: betaalmiddel
Hebr. 10 : 19 bloed Jezus' -: grond van vrijmoedige ingang
Matth. 26 : 28 bloed Jezus'- en vergeving van zonden
Hebr. 12 : 24 bloed Jezus'-: sprekend
Hebr. 12 : 24 bloed Jezus'-: tot besprenkeling
1 Pe 1 : 19 bloed kostbaar -
Hand. 2 : 20 bloed man veranderd in -
Ps. 59 : 3 bloed mannen des -s
2 Kron. 29 : 24 bloed met - ontzondigen
Jes. 59 : 3 bloed met – bevlekte handen
Ex. 29 : 14 bloed middel tot heiliging
Hand. 20 : 28 bloed middel tot verwerving van de gemeente
Hebr. 9 : 7 bloed offeren: voor de zonden
Ps. 106 : 38 bloed onschuldig - vergieten
Jer. 19 : 4 bloed onschuldig - vergoten hebben
Deut. 19 : 13 bloed onschuldig - wegdoen door doodstraf dader
Deut. 21 : 9 bloed onschuldig - wegdoen uit het midden
Jer. 22 : 3 bloed onschuldig -: vergiet geen onschuldig -
Jes. 59 : 7 bloed onschuldig – vergieten: zij haasten hiertoe
Ps. 94 : 21 bloed onschuldig bloed verdoemen
Matth. 23 : 35 bloed rechtvaardig -
Hebr. 9 : 22 bloed reinigen met -: naar de wet: bijna alles
Opb. 16 : 4 bloed rivieren en waterbronnen zullen bloed worden
2 Kron. 30 : 16 bloed sprengen
Hebr. 11 : 28 bloed sprenkelen
Gen. 4 : 10 bloed stem des bloeds: tot God
Opb. 16 : 6 bloed te drinken geven: als oordeel
Joh. 1 : 13 bloed uit – geboren
Hand. 18 : 6 bloed uw - zij op uw hoofd
Pred. 9 : 14 bloed van Christus: reinigt ons geweten van dode werken
Opb. 17 : 6 bloed van de getuigen van Jezus
Opb. 17 : 6 bloed van de heiligen
Deut. 19 : 13 bloed van de onschuldige wegdoen door doodstraf
Klg. 4 : 13 bloed van de rechtvaardigen vergieten
Joh. 6 : 53 v bloed van de Zoon des mensen drinken
2 Kon. 9 : 7 bloed van Gods knechten
Ex. 23 : 18 bloed van Gods offer: niet met iets gezuurds offeren
Hebr. 13 : 20 bloed van het eeuwig verbond
Opb. 12 : 11 bloed van het Lam: daardoor overwinnen
Ex. 12 : 13 bloed van het lam: tot een teken aan de huizen
Matth. 26 : 28 bloed van het verbond
Hebr. 9 : 20 bloed van het verbond
Hebr. 10 : 29 bloed van het verbond: heiligt
Hebr. 10 : 29 bloed van het verbond: smaden: door een afvallige
1 Pe 1 : 2 bloed van Jezus Christus: besprenkeling met
Hebr. 13 : 12 bloed van Jezus: heiligt het volk
1Jo 1 : 7 bloed van Jezus: reinigt ons van alle zonde
Lev. 17 : 10 v bloed verbod om - te eten
Lev. 3 : 17 bloed verbod: en vetverbod
Gen. 9 : 4 bloed verboden te eten
Lev. 7 : 26 bloed verboden te eten
Lev. 19 : 26 bloed verboden te eten
Lev. 17 : 4 bloed vergieten
Opb. 16 : 6 bloed vergieten
Ez. 18 : 10 bloed vergieten: kwaad
Jer. 22 : 17 bloed vergieten: onschuldig -
Rom. 3 : 15 bloed vergieten: snel om - te vergieten
1 Kron. 28 : 3 bloed vergieten: veel: door David
Num. 35 : 33 bloed vergoten - ontheiligt het land
Opb. 1 : 5 bloed verlossen door -: door Jezus: ons van onze zonden
Ef. 1 : 7 bloed verlossing door Christus' - hebben wij
Opb. 8 : 7 bloed vermengd met -
Lev. 17 : 11 v bloed verzoent
Hebr. 13 : 11 bloed voor de zonde door de hogepriester in het heiligdom gedragen
Hebr. 9 : 25 bloed vreemd –
Ex. 4 : 9 bloed water in bloed veranderen
Gen. 49 : 11 bloed wijdruivenbloed: kleed gewassen in -
Opb. 16 : 3 bloed zee als -
Joz. 2 : 19 bloed zij op ons hoofd (indien een ander sterft)
Opb. 14 : 19 bloedbad
Ex. 4 : 25 bloedbruidegom
Matth. 27 : 6 bloedgeld
Spr. 29 : 10 bloedgierig bloedgierige lieden haten de vrome
Spr. 30 : 33 bloedneus
Lev. 18 : 6 bloedschande tegen -
2 Sam. 13 : 14 bloedschande Thamar
Num. 35 : 33 bloedschuld door bloed van de schuldige te verzoenen
Ps. 106 : 38 bloedschuld ontheiligt land
Jes. 33 : 15 bloedschuld oor stoppen om geen -en te horen
Num. 35 : 27 bloedschuld schuld door moord
Ps. 51 : 15 bloedschuld verlos mij van -en
Hebr. 9 : 22 bloedstorting zonder - is er geen vergeving
Luk. 21 16 bloedverwant overgeleverd worden door -en
Hand. 10 : 24 bloedverwant
Luk. 1 : 36 bloedverwante Elizabeth ten opzichte van Maria
Luk. 8 : 43 bloedvloeiïng twaalf jaar lang een - hebben
Spr. 7 : 4 bloedvriend
Spr. 7 : 4 bloedvriend
2 Kon. 9 : 7 bloedwraak door God
2 Sam. 14 : 7 v bloedwraak
Ps. 58 : 12 bloedwraak
Num. 35 : 16 , 21 bloedwreker
Joz. 20 : 3 bloedwreker
Joz. 20 : 9 bloedwreker
Spr. 30 : 15 bloedzuiger
Ps. 92 : 8 bloei der goddelozen
Jes. 27 : 6 bloeien bloeien: door Israël
Job 14 : 2 bloem mens komt voort als een bloem en wordt afgesneden
Jes. 40 : 7 bloem valt af
Jac. 1 : 11 bloem valt af
Jes. 40 : 6 v bloem van het veld: tijdelijk, vergankelijk
Luk. 8 : 27 bloot bezetene liep -
Lev. 20 : 19 bloot en seks hebben dicht bij elkaar
Opb. 16 : 15 bloot tegen -
bloot zie ook Naakt
Hebr. 11 : 33 blussen vuur
Ruth 3 : 2 Boaz bloedverwant van Ruth en Noami
1 Kon. 7 : 21 Boaz d.i. in hem is kracht
Ruth 4 : 12 Boaz nakomeling van Juda
Richt. 2 : 1 Bochim een engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim
Richt. 2 : 5 Bochim offeren te –
1 Kon. 20 : 5 bode brengt een boodschap
Jes. 44 : 26 bode Gods -n: God volbrengt hun raad
Luk. 9 : 52 bode Jezus zonden -n voor Zich uit
2 Kron. 36 : 15 bode spotten met de -n Gods
Luk. 7 : 27 bode van God: Johannes de Doper
2 Kon. 5 : 10 bode
Ps. 68 : 7 boei God voert uit die in -en gevangen zijn
Hand. 21 : 33 boeien met twee ketenen werd Paulus geboeid
2 Kron. 9 : 29 boek boek dat niet in de bijbel is opgenomen
Opb. 20 : 12 boek boeken geopend in het gericht
2 Tim. 4 : 13 boek boeken voor Paulus mee te brengen
2 Kron. 33 : 18 boek buitenbijbels -: de woorden der zieners
2 Kron. 13 : 22 boek buitenbijbels boek: historie van de profeet Iddo
2 Kron. 12 : 15 boek buitenbijbelse boeken
Esth. 10 : 2 boek buitenbijbelse boeken
Neh. 8 : 9 boek de wet van God
Joz. 1 : 8 boek der wet: wijke niet van uw mond
Jes. 34 : 16 boek des HEEREN
Opb. 3 : 5 boek des levens
Joz. 10 : 13 boek des Oprechten
2 Sam. 1 : 18 boek des Oprechten
1 Kon. 11 : 41 boek Geschiedenissen van Salomo
Ps. 139 : 16 boek Gods -: beschrijft mijn ontwikkeling
Ex. 32 : 33 boek Gods -: de zondaars worden uitgedelgd
Ex. 32 : 32 boek Gods -: delg mij eruit, zei Mozes
1 Kon. 11 : 41 boek Gods -houding: type van Gods -
Opb. 5 : 1 boek met de zeven zegels
1 Sam. 12 : 25 boek nut
Joz. 18 : 9 boek onbekend -
Dan. 1 : 4 boek onderwezen worden in heidense (Chaldese) boeken
Opb. 22 : 10 boek Opb. Is een boek
Ex. 17 : 14 boek opdracht door God om boek te schrijven
Jer. 30 : 1 boek opdracht tot schrijven van een -
Dan. 7 : 10 boek opening van boeken in het gericht
Opb. 22 : 7 boek profetie van dit -
Job 31 : 35 boek schrijven
1 Kron. 29 : 29 boek van de profeet Gad
1 Kron. 29 : 29 boek van de profeet Nathan
Hand. 7 : 42 boek van de profeten
2 Kron. 34 : 24 boek van God: wordt vervuld
Opb. 20 : 12 boek van het leven
Opb. 20 : 15 boek van het leven
Opb. 13 : 8 boek van het leven van het Lam
Opb. 21 : 27 boek van het leven van het Lam
Ex. 32 : 32 boek van het leven: door God geschreven
Opb. 3 : 5 boek van het leven: naam uitwissen uit
Filip. 4 : 3 boek van het leven: namen in het
2 Kon. 23 : 2 boek van het verbond
2 Kron. 34 : 30 boek van het verbond
Ezra 6 : 18 boek van Mozes
Neh. 13 : 1 boek van Mozes
Ex. 24 : 7 boek verbond -
Hand. 19 : 19 boek verbranding van boeken
Dan. 12 : 1 boek verlost worden al die geschreven zijn in het boek
Jes. 29 : 11 boek verzegeld: gesloten
Deut. 28 : 58 boek wetboek
Joz. 24 : 26 boek wetboek Gods
Joz. 23 : 6 boek wetboek van Mozes
Ps. 69 : 29 boek des levens laat hen uitgedelgd worden uit het -
Jes. 4 : 3 boek des levens
Pred. 12 : 12 boeken maken: geen einde aan
Ps. 56 : 9 boekhouding Gods - (toepassing)
Luk. 4 : 20 boekrol
Jer. 36 : 23 boekverbranding
Hos. 2 : 3 boeleerder
Hos. 9 : 10 boelerij
Deut. 22 : 19 boete in geld
2 Kon. 23 : 33 boete opgelegd aan Israël, door Farao Necho
2 Kron. 36 : 3 boete opgelegd door de koning van Egypte
Ex. 4 : 6 boezem hand in – gestoken
Spr. 19 : 24 boezem hand in de - verbergen
Jes. 1 : 11 bok bloed der -ken
Ex. 23 : 19 bok bokje niet koken in de melk van zijn moeder
Spr. 30 : 31 bok heeft een goede tred
Ex. 34 : 26 bokje niet koken in de melk van zijn moeder
Deut. 14 : 21 bokje niet koken in de melk van zijn moeder
2 Cor. 10 : 4 v bolwerk afbreken van -en
Deut. 20 : 19 v bolwerk bouwen tegen stad
Jes. 50 : 11 bomgordel toepassing: zich met spraken omgorden
1 Pe 4 : 6 boodschap blijde -: verkondigd: aan doden
Hebr. 4 : 2 boodschap blijde –: aan hen in de woestijn verkondigd
Hebr. 4 : 2 boodschap blijde –: aan ons verkondigd
Jona 3 : 2 boodschap der prediking door God bepaald
2 Kon. 7 : 9 boodschap goede -
Jes. 40 : 9 boodschap goede -
Jes. 52 : 7 boodschap goede -
1 Thess. 3 : 6 boodschap goede -: geloof en liefde der gelovigen in Thessalonika
1 Kon. 14 : 6 boodschap harde -
1Jo 1 : 5 boodschap van Jezus
Ps. 96 : 2 boodschappen Gods heil -: van dag tot dag te -
1 Kon. 1 : 42 boodschappen het goede -
Ps. 68 : 12 boodschapper der -s van goede tijdingen was een grote schare
Mal. 3 : 1 boodschapper of engel
Jer. 9 : 3 boog fig. tong die leugen spreekt
Ps. 7 : 13 boog Gods -
Jes. 13 : 18 boog hun bogen zullen de jongelingen verpletteren
2 Sam. 22 : 35 boog stalen -
Neh. 4 : 13 boog ter verdediging
Neh. 4 : 16 boog ter verdediging
Hab. 3 : 9 boog van God ontbloot
Jes. 41 : 2 boog van Jezus
Gen. 49 : 24 boog van Jozef
Ez. 47 : 12 boom aan de beek Gods: bladeren tot heling
Ez. 47 : 12 boom aan de beek Gods: vrucht tot spijs
Jac. 3 : 12 boom aard
Job 14 : 7 boom afhouwen, waarna scheut mogelijk is
Luk. 21 29 boom alle bomen
Ps. 52 : 10 boom als een groene olijfboom in Gods huis
Luk. 6 : 43 boom bedorven -
Gen. 2 : 9 boom begeerlijk geboomte voor het gezicht
Gen. 2 : 9 boom der kennis van goed en van kwaad
Gen. 2 : 17 boom der kennis van goed en van kwaad
Spr. 11 : 30 boom des levens
Spr. 3 : 18 boom des levens: de wijsheid
Jes. 56 : 3 boom dorre -: fig.
Ps. 92 : 13 boom fig.
Matth. 7 : 17 boom fig. een mens
Jer. 11 : 19 boom fig. mens
Ez. 20 : 47 boom fig. mens
Dan. 4 : 10 boom fig. mens
Matth. 3 : 10 boom fig. mens
Matth. 3 : 10 boom fig. mens
Ez. 30 : 1 v boom fig. volk of mens
Gen. 2 : 9 boom God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten
Ps. 104 : 16 boom God: bomen door God geplaatst
Gen. 2 : 9 boom goed tot spijs
Luk. 6 : 43 boom goede -
Matth. 7 : 17 boom goede –
Matth. 12 : 33 boom goede en bedorven -
Jes. 41 : 19 boom groeit bij water
Mark. 13 : 28 boom Jezus over de vijgeboom
Luk. 6 : 43 boom kennen: aan zijn eigen vrucht
Ps. 148 : 9 boom looft God, alle gij bomen
Luk. 3 : 9 boom omhakken
1 Kon. 4 : 33 boom Salomo sprak van de -en
Gen. 2 : 9 boom schepping
Matth. 7 : 17 boom slechte –
Jes. 41 : 19 boom soorten
Richt. 9 : 8 v boom soorten -en en hun nut voor mensen
Jes. 55 : 12 boom toekomst: bomen van het veld zullen de handen samenklappen
Gen. 2 : 9 boom van het leven
Spr. 13 : 12 boom van het leven
Opb. 22 : 2 boom van het leven
Opb. 22 : 19 boom van het leven: deel afnemen van de -
Opb. 2 : 7 boom van het leven: die in het paradijs van God is
Spr. 15 : 4 boom van het leven: medicijn der tong is een - van het leven
Opb. 22 : 14 boom van het leven: recht erop hebben
Jona 4 : 7 boom verdorde door een worm
Matth. 21 : 19 boom verdorde onmiddellijk
Deut. 20 : 19 boom vgl. de vruchtenloze boom die de Heer oordeelde
Matth. 21 : 19 boom vijgeboom vervloekt
Luk. 6 : 43 boom vrucht
Deut. 20 : 19 boom vruchtbomen te sparen
Luk. 3 : 9 boom wortel
Ps. 1 : 3 boom zijn als een - geplant aan waterbeken
Luk. 3 : 9 boom zonder goede vrucht
Jud : 12 boom zonder vrucht
Hand. 20 : 7 boord breken: vergaderen om brood te breken
Pred. 8 : 11 boos boze daad
Ef. 6 : 13 boos boze dag
Luk. 3 : 19 boos boze dingen doen
Matth. 12 : 35 boos boze dingen, boze schat, boze mens
Mark. 7 : 23 boos boze dingen: voorbeelden
Spr. 24 : 2 boos boze lieden: hun hart bedenkt verwoesting
Spr. 24 : 2 boos boze lieden: hun lippen spreken moeite
Spr. 24 : 1 boos boze lieden: laat u niet gelusten bij hen te zijn
Spr. 24 : 1 boos boze lieden: weest niet nijdig over hen
2 Thess. 3 : 2 boos boze mensen
2 Tim. 3 : 13 boos boze mensen
Pred. 4 : 3 boos boze werk dat onder de zon geschiedt
Gen. 13 : 13 boos de mannen van Sodom
Neh. 13 : 17 boos ding doen
Matth. 12 : 39 boos geslacht
Luk. 11 : 29 boos geslacht
Hebr. 3 : 12 boos hart
Luk. 11 : 13 boos mens is -
Luk. 11 : 26 boos onreine geesten bozer dan hijzelf
Luk. 11 : 34 boos oog versus eenvoudig -
Jac. 2 : 4 boos overlegging: -ze overleggingen
Matth. 25 : 26 boos slaaf: boze -
Deut. 13 : 11 boos stuk in het midden van het volk
1 Sam. 25 : 3 boos van daden
1Jo 3 : 12 boos versus rechtvaardig
1Jo 3 : 12 boos werken waren -
Joh. 3 : 19 boos werken: hun werken waren -
Matth. 12 : 34 boos zijn: Farizeeen
1 Pe 2 : 14 boosdoener bestraffing van -s
1 Pe 4 : 15 boosdoener christen kan een - zijn
Jer. 23 : 14 boosdoener de handen van -s versterken
Luk. 23 : 39 boosdoener een van de gehangen -s lasterde de Heiland
Jes. 31 : 2 boosdoener huis der -s: Jakob
Luk. 23 32 boosdoener Jezus met twee -s weggeleid
2 Tim. 2 : 9 boosdoener Paulus als - behandeld
Luk. 23 33 boosdoener twee -s met Jezus gekruisigd
Ps. 37 : 9 boosdoener uitgeroeid zullen worden de -s
Rom. 1 : 32 boosdoener welgevallen aan -s hebben
Ps. 119 : 115 boosdoener wijk van mij, gij -s
Jes. 1 : 4 boosdoener zaad van de -s
Col. 3 : 8 boosheid af te leggen
Hand. 3 : 26 boosheid afbrengen van iemands -en
1 Pe 2 : 1 boosheid afleggen
Pred. 9 : 3 boosheid begrip: hart vol -
Matth. 22 : 18 boosheid geval
Jer. 2 : 19 boosheid gevolg: kastijding door - zelf
Num. 23 : 21 boosheid God ziet niet aan de - in Israël
Tit. 3 : 3 boosheid in - levend
Luk. 11 : 39 boosheid in het binnenste van een mens
Tit. 3 : 3 boosheid kenmerk van de oude mens
1 Cor. 14 : 20 boosheid kleine kinderen in de -
Ef. 6 : 12 boosheid machten van de - in de hemelse gewesten
Mark. 7 : 21 boosheid oorsprong: hart
Jac. 1 : 21 boosheid overmaat van - afleggen
Gen. 6 : 5 boosheid van de mens: menigvuldig op de aarde
Jes. 1 : 16 boosheid van handelingen: wegdoen
Deut. 28 : 20 boosheid van werken
Jes. 47 : 9 boosheid vertrouwen op –: door Babel
Rom. 1 : 29 boosheid vervuld van - en andere dingen
Hos. 7 : 3 boosheid voor sommigen reden tot blijdschap
Jer. 9 : 3 boosheid voortgaan van - tot -
Jer. 4 : 14 boosheid was uw hart van -
Ef. 4 : 31 boosheid wegdoen
Jer. 2 : 13 boosheid zonde
Job 17 : 3 borg Job verlangt naar een - bij God
Gen. 43 : 9 borg Juda borg voor Benjamin
Spr. 11 : 15 borg staan voor een vreemde: kwaad gevolg
Jes. 38 : 14 borg wees U mijn Borg
Gen. 44 : 32 borg zijn voor iemand bij iemand anders: Juda voor Benjamin bij hun vader
Spr. 6 : 1 v borgstelling tegen -
Luk. 23 29 borst borsten die een kind boeden
Hgl 4 : 5 borst borsten van de vrouw
Jes. 66 : 11 borst borsten van vertroostingen
Spr. 5 : 19 borst laat u haar -en te allen tijde dronken maken
Hgl 1 : 13 borst mijn borsten
Hgl 8 : 8 borst nog geen -en hebben
Hos. 2 : 1 borst overspeligheden van tussen haar borsten wegdoen
Luk. 23 48 borst zich op de – slaan
Joel 2 : 16 borst zuigen van de -: door de zuigelingen
Hgl 7 : 5 borst
1 Thess. 5 : 8 borstharnas geestelijk: geloof en liefde
Ef. 6 : 14 borstharnas van de gerechtigheid
Ex. 39 : 9 borstlap afmeting
Ex. 28 : 29 borstlap gedragen op het hart
Ex. 39 : 9 v borstlap
Luk. 11 : 27 borstvoeding
1 Kon. 15 : 13 bos afgod gemaakt in een -
Richt. 6 : 25 bos afgodische wijding van een -: geval
2 Kon. 13 : 6 bos afgodsdienstig - te Samaria
Richt. 6 : 25 bos afhouwen van een afgodisch –
2 Kron. 31 : 1 bos bossen afhouwen
2 Kron. 14 : 3 bos bossen afhouwen: door Asa
1 Kon. 14 : 23 v bos bossen bouwen
Richt. 3 : 7 bos bossen dienen
Micha 5 : 13 bos bossen uitgeroeid
2 Kon. 21 : 3 bos maken voor afgodische dienst
1 Kon. 16 : 33 bos maken: door Achab
Ex. 34 : 13 bos plaats van afgoderij: af te houwen
2 Kron. 17 : 6 bos wegnemen van de -n
Jes. 44 : 23 bos zingt gij -ssen
2 Pe 2 : 15 Bosor Bileam, zoon van Bosor
Matth. 27 : 40 boud schijnbaar -e uitspraak
Hebr. 3 : 3 bouwen door Christus
Jer. 24 : 6 bouwen door God
Jer. 33 : 7 bouwen door God
Ex. 1 : 21 bouwen door God: gezinnen
Ps. 147 : 2 bouwen door God: van Jeruzalem
Spr. 24 : 3 bouwen door wijsheid: een huis
Luk. 12 : 18 bouwen en afbreken
Ps. 127 : 1 bouwen en bewaren
Jer. 42 : 10 bouwen fig. door God
Deut. 25 : 9 bouwen fig. huis -: nakomelingen verwekken
Jer. 42 : 10 bouwen fig. vs. afbreken
Gen. 30 : 3 bouwen gebouwd worden uit een slavin
Hebr. 3 : 4 bouwen God heeft alles gebouwd
Luk. 6 : 48 bouwen goed -
Gen. 2 : 15 bouwen hof van Eden was te -
Ps. 127 : 1 bouwen huis -
Matth. 7 : 24 bouwen huis – op de rots
Jer. 23 : 28 bouwen materiaal: stro
1 Kron. 22 : 19 bouwen naam des HEEREN
Rom. 15 : 20 bouwen op andermans fundament –
Luk. 12 : 18 bouwen schuren -
Spr. 24 : 3 bouwen versus bevestigen
2 Kron. 34 : 11 bouwmateriaal
Hebr. 11 : 10 bouwmeester God is -
2 Kon. 12 : 11 v bouwvakker -s
Col. 3 : 1 boven daar is Christus
Deut. 28 : 13 boven Israël zal alleen - zijn en niet onder
Joh. 3 : 31 boven Jezus komt van –
Col. 3 : 2 boven versus aarde
Luk. 3 : 11 bovenkleed
Joh. 6 : 41 bovennatuurlijke moeite met de - oorsprong van Jezus
Luk. 22 12 bovenzaal
Hand. 1 : 12 bovenzaal
2 Thess. 3 : 3 boze bewaren voor de -; door de Heer
Joh. 17 : 15 boze bewaring voor de boze
Matth. 22 : 10 boze bozen samenbrengen tot de bruiloft
Matth. 22 : 9 boze bozen versus goeden
Luk. 6 : 45 boze de - brengt uit de boze schat van zijn hart het - voort
Ps. 5 : 5 boze de - zal bij U niet verkeren
Ef. 6 : 16 - 11 boze duivel
Amos 5 : 15 boze haat het -
Deut. 24 : 7 boze het - uit uw midden wegdoen: dief van een ziel
Ex. 32 : 21 boze in den - liggen: Israël
Ex. 32 : 22 boze in den – liggen: het volk Israël
Spr. 15 : 26 boze is onrein
Ps. 101 : 4 boze kennen: den boze zal ik niet kennen
Matth. 5 : 39 boze mens: niet weerstaan
Matth. 5 : 45 boze mens: vs. goede
Deut. 22 : 21 boze ontuchtige jongedochter
1Jo 2 : 13 boze overwinnen van de -
1Jo 2 : 14 boze overwonnen: door jongelingen
Spr. 12 : 13 boze strik der -n
1Jo 3 : 12 boze uit de - zijn
Matth. 5 : 37 boze uit de - zijn van iets: onbetrouwbaar
1 Cor. 5 : 13 boze uit uw midden wegdoen
Opb. 2 : 2 boze verdraag ze niet
Matth. 6 : 13 boze verlos ons van de boze
Matth. 13 : 49 boze vs. rechtvaardige
Deut. 13 : 5 boze wegdoen: afgodische profeet of droomdromer
Deut. 19 : 19 boze wegdoen: valse getuige
Deut. 21 : 21 boze wegdoen: weerspannige zoon
boze zie ook Duivel, Satan
Amos 5 : 14 boze zoekt niet het -
Matth. 13 : 39 boze zonen van de -
Matth. 13 : 41 boze zonen van de -: aanleidingen tot vallen, wettelozen
Jes. 34 : 5 Bozra God heeft een slachtoffer te -
Deut. 33 : 16 braamstruik God woonde daarin
Luk. 6 : 44 braamstruik
Richt. 9 : 49 brand aangestoken –: doodt duizend mannen en vrouwen
Jes. 42 : 25 brand in - steken: door God: Israël
Opb. 8 : 7 brand wereld- in de eindtijd
Luk. 24 : 32 branden brandend hart
1 Cor. 7 : 9 branden fig. sterk seksueel verlangen
2 Cor. 11 : 29 branden van begeerte
Deut. 28 : 22 brandkoren
2 Kron. 6 : 28 brandkoren
Jes. 37 : 27 brandkoren
Hag. 2 : 18 brandkoren
Lev. 6 : 9 brandoffer begrip
2 Kron. 13 : 11 brandoffer dagelijkse -s
Ps. 51 : 21 brandoffer dat geheel verteerd wordt
Ezra 6 : 9 brandoffer dieren
2 Kron. 29 : 27 brandoffer en muziek
Mark. 12 : 33 brandoffer en slachtoffer
Ezra 3 : 5 brandoffer gedurig -
2 Kron. 24 : 14 brandoffer gedurig werden -s geofferd in het huis van de HEER
Hebr. 10 : 6 brandoffer God had geen behagen in -s
Ps. 20 : 4 brandoffer God make uw - tot as
Hebr. 10 : 8 brandoffer God wilde geen -s
Ps. 51 : 18 brandoffer in -s hebt U geen behagen
Mark. 12 : 32 brandoffer meer dan alle -s is de liefde
Ps. 66 : 13 brandoffer met -s in Uw huis gaan
Num. 28 : 23 brandoffer morgen-
Jes. 43 : 23 brandoffer nalaten
Gen. 8 : 20 brandoffer Noachs -
Richt. 6 : 26 brandoffer offeren van een – opgedragen aan Gideon
2 Kron. 29 : 27 brandoffer offerplaats: altaar
Deut. 27 : 5 brandoffer op de berg Ebal
Joz. 8 : 31 brandoffer op een altaar op de berg Ebal
Num. 8 : 12 brandoffer ter verzoening van de Levieten
1 Kron. 23 : 31 brandoffer tijden van offeren
Jes. 56 : 7 brandoffer toekomst
Num. 28 : 14 brandoffer van de nieuwe maan
Ez. 46 : 4 brandoffer van de vorst
Job 1 : 5 brandoffer voor de zonden: door Job voor zijn kinderen gebracht
Num. 28 : 19 brandoffer vuuroffer ten -
2 Kron. 31 : 2 brandoffer wanneer -s gebracht werden
2 Kron. 8 : 12 brandoffer wanneer en waar brandoffers brengen
Lev. 1 : 1 v brandoffer wetten voor het -
Deut. 12 : 27 brandoffer wijze
Ex. 20 : 24 brandoffer
Richt. 13 : 23 brandoffer
Ezra 3 : 2 v brandofferaltaar gebouwd
Num. 7 : 1 brandofferaltaar geheiligd
Num. 7 : 1 brandofferaltaar gezalfd
Ex. 40 : 10 brandofferaltaar heiligheid der heiligheden
1 Kron. 22 : 1 brandofferaltaar plaats van het -
Lev. 4 : 7 brandofferaltaar plaats: aan de deur van de tent der samenkomst
2 Kron. 35 : 15 brandofferaltaar van Jahweh
Num. 4 : 13 v brandofferaltaar vervoer
Lev. 16 : 19 v brandofferaltaar verzoening van
Lev. 6 : 12 brandofferaltaar vuur moest blijven branden
Ex. 38 : 1 v brandofferaltaar
Ex. 22 : 6 brandstichting
2 Pe 2 : 13 brassen
Jud : 12 brassen
Deut. 21 : 20 brasser
Luk. 24 : 30 breken brood –: door Jezus
Luk. 9 : 16 breken door Jezus: broden en vissen
Job 16 : 14 breken God heeft mij (Job) gebroken met breuk op breuk
Ex. 23 : 20 brengen door Christus: van ons, naar het Vaderhuis
1 Thess. 4 : 14 brengen door God: de door Jezus ontslapenen
Mark. 9 : 2 brengen door Jezus: drie discipelen, op een hoge berg alleen
Mark. 9 : 20 brengen tot Christus -: iemand
Jes. 58 : 12 bres toemuren van -sen
Job 16 : 14 breuk God heeft mij (Job) gebroken met breuk op breuk
2 Kon. 22 : 5 breuk in Gods huis: verbeteren
Klg. 2 : 13 breuk onheelbare grote –
Jud : 3 brief aanleiding
Esth. 1 : 22 brief in meerdere talen
Gal. 6 : 11 brief lange -
2 Thess. 2 : 15 brief Paulus' brieven leren ons
2 Thess. 2 : 2 brief valse -: als van Paulus
2 Cor. 3 : 3 brief van Christus zijn
Flm. : 15 broeder -s en zusters zijn ons eeuwig bezit
Jac. 2 : 1 broeder "mijn breders"
1 Cor. 16 : 12 broeder Apollos
Gen. 29 : 4 broeder begrip: ruim
Gen. 29 : 11 broeder betekenis: hier: neef
Hand. 15 : 1 broeder broeders en discipelen, vgl. 14:28
Hebr. 2 : 17 broeder broeders van Christus
Opb. 19 : 10 broeder broeders van Johannes
Hebr. 10 : 19 broeder broeders: aanspreekvorm
Joh. 16 : 25 broeder Christus verkondigt door hem over de Vader
Matth. 23 : 8 broeder de leerlingen van Jezus zijn allen -s
Mark. 3 : 34 broeder figuurlijk - zijn
Spr. 17 : 17 broeder geboren in de benauwdheid
Matth. 12 : 50 broeder geestelijk
Mark. 3 : 35 broeder geestelijk - zijn
Luk. 8 : 21 broeder geestelijke -s van Jezus
Col. 4 : 7 broeder geliefde
Ef. 6 : 21 broeder geliefde -
Filip. 4 : 1 broeder geliefde -s
Jac. 1 : 9 broeder geringe -
Deut. 15 : 12 broeder hier incl. 'zuster', vrouwelijke volksgenoot
2 Thess. 3 : 15 broeder iemand als een - beschouwen
1 Kon. 20 : 32 broeder iemand ten onrechte - noemen
Joh. 20 : 17 broeder Jezus noemde zijn leerlingen mijn -s
Matth. 28 : 10 broeder Jezus noemt zijn leerlingen 'mijn broeders'
Hebr. 2 : 11 - 12 broeder Jezus: de gelovigen zijn -s van Jezus
Hebr. 13 : 1 broeder liefde: broederliefde: laat deze blijven
1Jo 3 : 10 broeder liefhebben van zijn -
Rom. 9 : 3 broeder mannelijke volksgenoot
Jac. 1 : 19 broeder mannen bedoeld, vgl. vers 20 'toorn van een man'
Hand. 1 : 16 broeder mannen broeders
Gen. 13 : 8 broeder mannen broeders zijn
Flm. : 20 broeder met ‘broeder’ aanspreken
Jac. 3 : 1 broeder mijn -s
Filip. 2 : 25 broeder mijn broeder: Epafroditus
Jac. 1 : 19 broeder mijn geliefde -s
Jac. 2 : 15 broeder onderscheiden van zuster
1 Thess. 3 : 2 broeder onze -, Timotheüs
Hand. 9 : 17 broeder Saul, broeder genoemd door Ananias
Flm. : 1 broeder Timotheüs, ‘de broeder’
Col. 4 : 9 broeder trouwe
Jer. 9 : 4 broeder trouweloze -
Lev. 19 : 17 broeder uw - in uw hart niet haten
2 Cor. 11 : 27 broeder valse -s
Mark. 3 : 35 broeder van Christus
Matth. 25 : 40 broeder van Jezus
Joz. 22 : 3 broeder verlaten: broeders niet verlaten
Rom. 9 : 3 broeder verwante naar het vlees
Spr. 18 : 19 broeder weerspannigheid: oorzaak: verkeerde behandeling
Luk. 17 : 3 broeder zondigende -: te bestraffen
Opb. 6 : 11 broeder
2 Cor. 13 : 11 - 12 broeder(s) en alle heiligen
Gal. 2 : 4 broeder(s) valse: binnengedrongen
Hebr. 13 : 1 broederliefde laat de - blijven
1 Pe 1 : 22 broederliefde reiniging tot ongeveinsde -
Rom. 12 : 10 broederliefde weest hartelijk voor elkaar
1 Thess. 4 : 9 broederliefde
1Jo 3 : 12 broedermoord door Kain
1 Thess. 1 : 4 broeders door God geliefde -
1 Thess. 1 : 4 broeders zusters inbegrepen, zie vers 1
1 Pe 5 : 9 broederschap uw - in de wereld
Luk. 14 : 26 broer broers en zusters
Luk. 18 29 broer broers verlaten omwille van het Koninkrijk van God
Mark. 10 : 30 broer geestelijke -
Jes. 59 : 11 brommen gelijk als de beren
Jer. 2 : 13 bron God is de springader van het levende water
Opb. 21 : 6 bron van het water des levens
2 Pe 2 : 17 bron waterloze -nen
Jac. 3 : 11 v bron zoute of zoete -
Luk. 22 19 brood avondmaal: stelt Jezus lichaam voor
Mal. 1 : 7 brood benaming voor (bloedige) offers
Mark. 8 : 6 brood breken
Hand. 20 : 11 brood breken
Mark. 6 : 40 brood breken van -en
Mark. 6 : 41 brood breken van -en
Luk. 24 : 30 brood breken: door Jezus
Hand. 27 : 34 brood breken: geen avondmaal hier
Hand. 20 : 7 brood breken: vergaderd om - te breken
Jes. 30 : 20 brood der benauwdheid
Spr. 20 : 17 brood door leugen verkregen
Richt. 19 : 19 brood en wijn
Spr. 4 : 17 brood en wijn
Gen. 3 : 19 brood eten: in het zweet uws aanschijns
Lev. 23 : 6 brood feest der ongezuurde broden
Spr. 4 : 17 brood fig. - der goddelozen
Luk. 11 : 3 brood geef ons dagelijks ons toereikend -
Luk. 9 : 3 brood geen - meenemen
Mark. 6 : 8 brood geen - meenemen onderweg
Ruth 1 : 6 brood geven door God
Ps. 104 : 14 brood God doet het - uit de aarde voortkomen
1 Sam. 21 : 4 v brood heilig
Ps. 105 : 40 brood hemels -
Gen. 47 : 12 brood Jozef onderhield de Israëlieten met -
Job 28 : 5 brood komt voort uit de aarde
Mark. 14 : 1 brood ongezuurde -en
Jes. 55 : 2 brood schijn-
Ps. 104 : 15 brood sterkt het hart des mensen
Ex. 16 : 4 brood uit de hemel
Neh. 9 : 15 brood uit de hemel
Joh. 6 : 31 brood uit de hemel
Joh. 6 : 33 brood van God: Jezus Christus
Joh. 6 : 58 brood van het leven
Joh. 6 : 48 brood van het leven: Jezus
Joh. 6 : 11 brood vermenigvuldiging van -en
Spr. 20 : 13 brood verzadig u met -
Spr. 12 : 11 brood voor eigen - zorgen
Joh. 6 : 32 brood ware - uit de hemel: Jezus Christus
Luk. 24 : 30 broodbreking brood nemen, zegenen, breken, geven
Hand. 2 : 46 broodbreking dagelijkse - aan huis
Luk. 24 : 35 broodbreking Jezus bekend geworden in de - te Emmaus
Luk. 22 19 broodbreking na de dankzegging
Matth. 14 : 19 broodbreking na zegening
Luk. 24 : 30 broodbreking vgl. vers. 35
Hand. 2 : 42 broodbreking volharden in de breking van het brood
Joh. 3 : 29 , 26 bruid bekeerde volk Israël
Opb. 22 : 17 bruid de - zegt: Kom
Opb. 21 : 9 bruid de -: de vrouw van het Lam
Opb. 21 : 2 bruid gereed als een - die voor haar man versierd is
Hgl 4 : 10 bruid geur van de -
Opb. 21 : 2 bruid het nieuwe Jeruzalem gelijk een -
Jes. 49 : 18 bruid versiering
Hgl 4 : 9 bruid zuster genoemd
Matth. 25 : 5 bruidegom bleef uit
Luk. 5 : 34 bruidegom Jezus
Mark. 2 : 19 bruidegom Jezus -
Joh. 3 : 29 bruidegom Jezus de -
Matth. 9 : 15 bruidegom Jezus een - gelijk
Joh. 3 : 29 bruidegom vriend van de -
Gen. 34 : 12 bruidschat vergroten
1 Cor. 6 : 20 , 17 bruidsprijs
Luk. 12 : 35 bruikbaar blijven
2 Tim. 2 : 21 bruikbaar tot alle goed werk
2 Tim. 2 : 21 bruikbaar voor de meester
Jer. 2 : 32 bruiloft herinneringstekenen
Matth. 22 : 3 v bruiloft niet willen komen tot de -
Joh. 2 : 1 bruiloft te Kana
Luk. 12 : 36 bruiloft terugkomen van de -: door de Heer
Opb. 19 : 6 bruiloft van het Lam
Opb. 19 : 7 bruiloft van het Lam
Matth. 22 : 2 bruiloft voor de zoon
Hgl 3 : 11 bruiloft
Mark. 2 : 19 bruiloft
Matth. 9 : 15 bruiloftsgast discipelen van de Heer waren gelijk -en
Luk. 5 : 34 bruiloftsgast discipelen van Jezus waren -en
Mark. 2 : 19 bruiloftsgast discipelen van Jezus waren zijn -en
Jes. 5 : 30 bruisen tegen Gods volk, als het bruisen der zee
Jes. 5 : 29 brullen als de jonge leeuwen
Joh. 18 : 22 brutaal Jezus schijnbaar -
Jes. 49 : 7 buigen alle knie zal - voor Christus
Ps. 99 : 5 , 9 buigen buigt u neder voor God
Deut. 5 : 9 buigen niet - voor beelden van schepselen
Joz. 23 : 7 buigen niet buigen voor afgoden
Richt. 2 : 12 buigen voor afgoden
Richt. 2 : 17 buigen voor andere goden
Jes. 45 : 14 buigen voor de Israëlieten
Ex. 20 : 5 buigen voor een beeld: verboden
Ex. 34 : 8 buigen voor God: door Mozes
Gen. 43 : 26 buigen voor Jozef
Gen. 43 : 28 buigen voor Jozef
Gen. 37 : 7 buigen voor Jozef: voorschouwd in een droom
Gen. 19 : 1 buigen zich - met het aangezicht ter aarde
Richt. 2 : 19 buigen zich – voor andere goden
2 Sam. 9 : 6 buigen zich neer- voor de koning
Filip. 3 : 19 buik hun god is de -
Ps. 44 : 26 buik kleven aan de aarde: onze - kleeft aan de aarde
Job 32 : 19 buik pijn
Ps. 127 : 3 buik vrucht van de buik
Ps. 119 : 162 buit grote : Gods woord
Richt. 5 : 30 buit krijgsbuit: vrouwen en andere dingen
Hebr. 7 : 4 buit tiende van de –
Gen. 49 : 27 buit uitdelen
Joz. 22 : 8 buit van de Manassieten
Deut. 20 : 14 buit
1 Thess. 4 : 12 buiten buiten de gemeente, het rijk van God zijn
2 Cor. 5 : 13 buiten buiten jezelf zijn: zodanig voor God zijn
Col. 4 : 5 buiten die buiten zijn: de niet-gelovigen
2 Cor. 5 : 13 buiten jezelf zijn: versus nuchter zijn
Opb. 3 : 20 buiten Jezus staat buiten
Luk. 24 : 22 buiten onszelf gebracht: door het bericht van enige vrouwen
Mark. 2 : 12 buiten zichzelf zijn
Hand. 8 : 13 buiten zichzelf zijn: Simon
Mark. 4 : 11 buiten zijn: ongelovigen
Matth. 25 : 14 buitenaards toepassing "buitenslands"
Mark. 13 : 34 buitenland hemel - gelijk
Job 19 : 15 buitenlander als - behandeld worden
Klg. 5 : 2 buitenlander buitenlanders nemen onze huizen in bezit
Spr. 23 : 20 buitensporigheid in eten en drinken
1 Cor. 5 : 13 buitenstaander God zal de -s oordelen
Opb. 3 : 20 buitenstaander Jezus als -
1 Cor. 5 : 12 buitenstaander niet de -s oordelen
Matth. 25 : 30 buitenste duisternis
Spr. 27 : 10 buren beter is een nabije gebuur dan een verre broeder
Ps. 71 : 3 burg God een -: U bent mijn -
2 Sam. 22 : 2 burg God mijn -
Ps. 91 : 2 burg God mijn -
Ps. 144 : 2 burg God mijn -
Ps. 18 : 3 burg God, mijn -
Ef. 2 : 19 burger mede-s van de heiligen
Richt. 12 : 4 burgeroorlog in Israël: Oost-Manasse tegen Efraïm
Mark. 3 : 24 burgeroorlog toepassing
Richt. 20 : 48 burgeroorlog
Jes. 19 : 2 burgeroorlog
Filip. 3 : 20 burgerschap ons - is in de hemelen
Ef. 2 : 12 burgerschap van Israël: hieraan vreemd zijn
Ex. 18 : 18 burn-out risico op – bij Mozes