Onderwerpenregister bij de Bijbel/R

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

Onderwerpen die beginnen met de letter R:

1 Kon. 12 : 8 raad - der oudsten: tot schade verlaten
1 Kon. 12 : 7 raad - houden : met oudsten
1 Kon. 12 : 8 v raad - houden: met jongelingen
Luk. 9 : 12 raad aan Jezus: niet door Hem opgevolgd
2 Sam. 24 : 4 raad afslaan
Hand. 21 : 13 raad afwijzen
2 Sam. 16 : 23 raad als van God
2 Sam. 16 : 20 raad begrip
Jes. 8 : 10 raad beraadslagen
Neh. 4 : 15 raad boze - tenietmaken door God
Jes. 19 : 3 raad der Egyptenaren: verslinden: door God
Ps. 1 : 1 raad der goddelozen
Gen. 41 : 33 v raad door Jozef gegeven aan Farao
Ps. 33 : 11 raad en gedachten
Spr. 22 : 20 raad en wetenschap
Jes. 11 : 2 raad Geest van de -
2 Kon. 5 : 3 raad geval: door een meisje
1 Sam. 16 : 16 raad geven
Dan. 4 : 27 raad geven
Ps. 16 : 7 raad geven: Ik zal den HERE loven, die mij raad heeft gegeven
Job 12 : 13 raad God heeft -
Jes. 28 : 29 raad God is wonderlijk van -
Joz. 9 : 14 raad God om - vragen: nalaten
Jes. 44 : 26 raad God volbrengt de raad van zijn boden
Ps. 107 : 11 raad Gods - verwerpen
Spr. 27 : 9 raad goede - is aangenaam
Spr. 22 : 20 raad heerlijke dingen van - en wetenschap
Ps. 106 : 43 raad Hier: overleg, bedoeling + uitgevoerde handelingen
Spr. 19 : 20 raad hoor -
1 Kron. 13 : 1 raad houden met
2 Kron. 10 : 6 raad houden met de oudsten
1 Sam. 6 : 2 raad in godsdienstzaken
Esth. 1 : 15 raad inwinnen
Spr. 8 : 14 raad is van de Wijsheid
Ez. 11 : 2 raad kwade - raden
Spr. 12 : 15 raad naar - horen is wijs
2 Kron. 25 : 16 raad niet horen naar goede -: door God beschikt
Spr. 20 : 18 raad nut van -
1 Sam. 25 : 33 raad ongevraagde -: Abigail: goed
Ex. 18 : 19 raad ongevraagde –
Gal. 4 : 20 raad Paulus met de Galaten ten einde -
Spr. 21 : 30 raad tegen God: is er niet
Jer. 18 : 23 raad tegen Jeremia: ten dode
Ps. 33 : 10 raad van de heidenen: God vernietigt hun raad
Ps. 33 : 11 raad van God: bestaat in eeuwigheid
Hebr. 6 : 17 raad van God: onveranderlijk
Luk. 7 : 30 raad van God: terzijde stellen: voor zichzelf
Hand. 20 : 27 raad van God: verkondigen
Spr. 19 : 21 raad van Jahweh versus de gedachten van de man
Spr. 19 : 21 raad van Jahweh zal bestaan
Luk. 22 66 raad van oudsten van het volk
Joz. 2 : 16 raad van Rachab de hoer
Spr. 15 : 22 raad van vele raadslieden is verstandig
Spr. 11 : 14 raad veelheid van raad is wenselijk
Jes. 29 : 15 raad verbergen
Gen. 49 : 6 raad verborgen –: van Simeon en Levi
Ezra 4 : 5 raad vernietigen
Jes. 8 : 10 raad vernietigen
Spr. 1 : 30 raad versmaden
Ps. 20 : 5 raad vervullen: God vervulle al uw -
Spr. 1 : 25 raad verwerpen
2 Kron. 25 : 20 raad verwerpen: door God geleid
2 Kron. 22 : 5 raad wandelen in de - van raadgevers
Spr. 1 : 5 raad wijze - bekomen
Ez. 7 : 26 raad zoeken: vergeefs
Spr. 15 : 22 raad zonder - worden gedachten vernietigd
Mark. 14 : 55 Raad de hele - zocht een getuigenis tegen Jezus
Hand. 22 : 30 Raad de hele Raad bevolen bijeen te komen
Jes. 9 : 5 Raad naam van Christus
Hand. 23 : 7 Raad stijd en verdeeld in de -
Hand. 25 : 12 Raad
2 Kron. 22 : 3 raadgeefster om goddeloos te handelen
2 Sam. 16 : 23 raadgever Achitofel (te) hooggeacht
1 Sam. 6 : 2 raadgever bij Filistijnen: priesters, waarzeggers
Micha 4 : 9 raadgever De HEERE is onze -
2 Kron. 25 : 16 raadgever heeft men u tot - gesteld?
Spr. 24 : 6 raadgever in de veelheid der raadgevers is de overwinning
2 Kron. 24 : 17 raadgever verkeerde -s (toepassing)
2 Kron. 22 : 4 raadgever verkeerde -s, koning Ahazia ten verderve
Jes. 41 : 28 raadgever
1 Kon. 22 : 3 raadplegen God -
1 Kron. 14 : 10 raadplegen God -: door David
1 Kron. 14 : 14 raadplegen God -: door David
2 Sam. 2 : 1 raadplegen God -: door David: geval
Gal. 1 : 16 raadplegen mensen -
Hebr. 11 : 5 raadsel geval: opname van Henoch
1 Kon. 10 : 1 v raadsel Gods wijsheid verklaart -s
Spr. 1 : 6 raadsel van wijzen
Spr. 1 : 6 raadsel verstaan
Ez. 17 : 1 raadsel voorstellen
Job 12 : 17 raadsheer God voert de -en beroofd weg
Luk. 23 : 50 raadsheer Jozef van Arimathea
Ezra 7 : 14 raadsheer zeven -en van de koning Arthahsasta
Spr. 12 : 5 raadslag goddeloze: - en der goddelozen: bedrog
Jer. 7 : 24 raadslag Gods wil boven eigen raadslagen
Jes. 30 : 1 raadslag maken, maar niet uit God
Deut. 32 : 28 raadslag verloren gaan door -en: Israël
Jes. 14 : 26 raadslag
Spr. 11 : 14 raadsman behoudenis is de veelheid der raadslieden
Jes. 1 : 26 raadsman door God gegeven
Ps. 119 : 24 raadsman Gods woord als -
Rom. 11 : 34 raadsman van God: geen mens
Spr. 15 : 22 raadsman veelheid van raadslieden doet gedachten bestaan
1 Kron. 27 : 32 raadsman verstandig -: ene Jonathan
1 Kron. 26 : 5 raadsman verstandig -: Zecharja
Jes. 3 : 3 raadsman wordt weggenomen
Luk. 12 : 24 raaf let op de raven
1 Kon. 17 : 4 raaf raven geboden door God om Elia te onderhouden
Ps. 147 : 9 raaf
Ex. 1 : 11 Raamses stad in Egypte
Mark. 14 : 45 rabbi Jezus - genoemd
Joh. 4 : 31 rabbi Jezus - genoemd door zijn discipelen
Joh. 9 : 2 rabbi Jezus - genoemd door zijn discipelen
Joh. 3 : 26 rabbi Johannes de Doper - genoemd door zijn leerlingen
Matth. 23 : 7 rabbi naam van eer
Matth. 23 : 8 rabbi titel van - af te wijzen
Matth. 23 : 5 rabbi
Matth. 26 : 25 Rabbi Jezus zo genoemd door Judas de verrader
Mark. 9 : 5 Rabbi
Joh. 3 : 2 Rabbi
Joz. 2 : 1 Rachab
Gen. 48 : 7 Rachel dood en graf van –
Gen. 29 : 28 - 30 Rachel een week na Lea werd zij Jakob s vrouw
Gen. 29 : 9 Rachel herderin
Gen. 29 : 18 Rachel Jakob had - lief
Gen. 29 : 16 Rachel kleinste dochter van Laban
Gen. 30 : 8 Rachel Lea: worstelingen van Rachel met Lea
Gen. 29 : 31 Rachel onvruchtbaar
Gen. 29 : 17 Rachel schoon van aangezicht
Gen. 29 : 17 Rachel schoon van gedaante
Spr. 20 : 26 rad brengen over goddelozen
Jes. 5 : 28 rad raderen als een wervelwind
Luk. 21 25 radeloosheid in eindtijd
Ex. 18 : 19 raden door Jethro
Spr. 12 : 20 raden vrede -
Jes. 51 : 9 Rahab Egypte
Jes. 1 : 11 ram brandoffers van -men
Richt. 19 : 12 Rama
Matth. 2 : 17 Rama
Richt. 15 : 16 Ramath-Lechi
Ps. 71 : 20 ramp God heeft mij vele - doen zien
1 Sam. 30 : 6 ramp reactie op -
Jes. 42 : 25 ramp roede Gods
Matth 24 : 6 ramp sommige rampzalige dingen moeten gebeuren
Luk. 6 : 48 ramp
Luk. 4 : 29 rand van de berg
Jer. 5 : 10 rank doen verwijderen
Ps. 119 : 113 rank fig. kwade -en
Ps. 49 : 8 rantsoen Gode zijn - niet kunnen geven
Opb. 6 : 6 rantsoen
Rom. 1 : 21 rationeel ir-: onverstandig hart der goddelozen
Ps. 53 : 7 realisme ipv pessimisme (vanwege zonde)
2 Tim. 4 : 5 realistisch
Gen. 26 : 7 Rebekka schoon van aangezicht
Gen. 24 : 60 Rebekka zegening van -
2 Kon. 24 : 1 rebelleren tegen de koning van Babel
Neh. 9 : 26 rebelleren tegen God: door Israël
Ps. 139 : 21 rebellie tegen God
2 Kron. 13 : 5 rebellie
Ez. 5 : 7 recht -en der heidenen: niet helemaal slecht
Jes. 59 : 14 recht achterwaarts geweken
Lev. 19 : 37 recht al Mijn -en zult u onderhouden en doen
Jes. 32 : 7 recht bederven, als de arme spreekt
Ps. 149 : 9 recht beschreven - doen over iemand
Hos. 12 : 7 recht bewaar -
Ex. 23 : 2 recht buigen
Deut. 24 : 17 recht buigen
Ex. 23 : 6 recht buigen: van de arme: niet doen
Jes. 42 : 4 recht Christus zal het - op aarde brengen
Ex. 21 : 2 v recht der slaven
Jer. 8 : 7 recht des HEEREN: niet weten
Ps. 43 : 1 recht doe mij -, o God
Deut. 5 : 1 recht doen
2 Sam. 8 : 15 recht doen
Spr. 31 : 9 recht doen aan de verdrukte
2 Kron. 26 : 4 recht doen in de ogen van de HEER
1 Kon. 15 : 5 recht doen in de ogen van God
1 Kon. 15 : 11 recht doen in de ogen van God
Spr. 21 : 3 recht doen is beter dan offer
Ez. 11 : 12 recht doen naar de -en der heidenen
Deut. 6 : 18 recht doen wat - is in de ogen des HEEREN
1 Kon. 22 : 43 recht doen wat - is in de ogen van Jahweh
Richt. 17 : 6 recht doen wat - is in eigen ogen
Deut. 12 : 8 recht doen wat in eigen ogen - is
Ps. 54 : 3 recht doen: doe mij recht door Uw macht
1 Kron. 18 : 14 recht doen: door David: aan zijn volk
Ps. 113 : 6 recht doen: door de Heer Jezus: onder de heidenen
Ps. 146 : 7 recht doen: door God: aan de verdrukte
1 Kon. 15 : 12 recht doen: door kwaad weg te doen
Ez. 18 : 5 recht doen: door voorbeelden toegelicht
Spr. 21 : 15 recht doen: een blijdschap voor de rechtvaardige
1 Kon. 3 : 28 recht doen: geval
2 Kron. 29 : 2 recht doen: in de ogen des HEEREN
Jer. 9 : 24 recht doen: lust voor God
Jer. 5 : 28 recht doen: nalaten
Jer. 5 : 1 recht doen: niemand in Jeruzalem doet -
Ezra 7 : 26 recht doen: over iemand
2 Kron. 31 : 20 recht doen: voor het aangezicht van God
Spr. 21 : 7 recht doen: weigeren
Jer. 22 : 3 recht doet - en gerechtigheid
Jes. 1 : 27 recht door - verlossen
Ez. 20 : 18 recht eigen -en versus Gods -en
Lev. 19 : 37 recht en inzetting
Joz. 24 : 25 recht en inzetting
Matth. 27 : 23 recht en maatschappelijk gevoelen
Lev. 24 : 22 recht enerlei - voor inboorling en vreemdeling
Jes. 59 : 14 recht geen plaats voor -
Jes. 59 : 11 recht gemis van -
1 Sam. 30 : 25 recht geval
Jes. 61 : 8 recht God heeft het - lief
Deut. 32 : 4 recht God is -
Jes. 51 : 4 recht God zal zijn recht doen rusten tot een licht der volkeren
2 Kron. 6 : 23 recht Gods -: gevende de weg des goddelozen op zijn hoofd
Deut. 26 : 16 recht Gods -en doen van ganser harte
1 Kon. 8 : 58 recht Gods -en houden
1 Kon. 2 : 3 recht Gods -en onderhouden
Lev. 18 : 5 recht Gods -en ten leven
Ez. 11 : 12 recht Gods -en versus die der heidenen
2 Sam. 22 : 23 recht Gods rechten waren alle voor mij
Lev. 18 : 4 recht Gods rechten zult gij doen
Ez. 44 : 24 recht Gods rechten: daarnaar richten
Ez. 18 : 25 recht Gods: betwijfeld
2 Thess. 3 : 9 recht hebben op iets: geval
Opb. 22 : 14 recht hebben: als je je kleren wast
Opb. 22 : 14 recht hebben: op de boom des levens
1 Sam. 8 : 3 recht het - buigen
Spr. 28 : 5 recht het - verstaan: niet verstaan: door de kwade lieden
Deut. 26 : 16 recht houden en doen van Gods -en
Deut. 26 : 17 recht houden van Gods -en
Lev. 25 : 18 recht houdt Mijn -en doet ze
2 Kon. 17 : 34 recht hun rechten: Israëls door God gegeven rechten
Spr. 29 : 26 recht ieders - is van de HEERE
Neh. 8 : 19 recht iets doen naar het -
1 Kon. 22 : 43 recht in de ogen des HEEREN: doende
Deut. 12 : 28 recht in de ogen van God
Deut. 13 : 18 recht in de ogen van God
2 Kron. 14 : 2 recht in de ogen van God
Spr. 21 : 2 recht in eigen ogen
2 Sam. 19 : 6 recht in iemands ogen zijn
Spr. 16 : 11 recht in verkopen
Num. 35 : 29 recht inzetten van -
Joh. 1 : 12 recht kinderen van God te worden
Ps. 25 : 9 recht leiden in het -: door God: de zachtmoedigen
Deut. 5 : 1 recht leren
Ps. 99 : 4 recht liefhebben: door God
Spr. 3 : 6 recht maken: door God: mijn paden
Jes. 49 : 4 recht Messias’ – is bij Jahweh
Ps. 112 : 5 recht met - zijn zaken beschikken
2 Kron. 20 : 12 recht oefenen: door God: tegen Juda's vijanden
Ez. 18 : 8 recht oefenen: waarachtig – oefenen tussen de een en de ander
Luk. 18 3 recht om rechtspleging verzoeken
Hebr. 13 : 10 recht om te weten van het altaar
Jes. 5 : 23 recht on-
Jes. 10 : 2 recht on-
Amos 6 : 12 recht on-: geoordeeld
Ez. 18 : 9 recht onderhouden van Gods -en
Ps. 106 : 3 recht onderhouden: maakt gelukkig
Ps. 37 : 6 recht ons - voortkomend als de middag: dankzij God
Job 19 : 7 recht ontberen
Jes. 59 : 15 recht ontbreken van -
Jes. 42 : 4 recht op aarde bestellen: door Christus
Spr. 31 : 8 recht opkomen voor het recht
Jes. 40 : 14 recht pad des rechts: daaromtrent leren: God te leren is onnodig
Spr. 17 : 23 recht paden des -s buigen
Spr. 2 : 8 recht paden des -s houden
Neh. 9 : 13 recht rechten en wetten, inzettingen en geboden
Neh. 9 : 13 recht rechtmatige -en
Jes. 40 : 27 recht schijnt aan mijn God voorbij te gaan
Lev. 19 : 15 recht spraak: niet voortrekken
Num. 27 : 7 recht spreken
Jer. 5 : 28 recht spreken: nalaten
Ez. 33 : 24 recht ten onrechte - opeisen
Ez. 18 : 25 recht twist over Gods recht
1 Kon. 8 : 45 recht uitvoeren: door God
Micha 7 : 9 recht uitvoeren: mijn - zal God uitvoeren
Luk. 15 : 12 recht van de mens
Ps. 140 : 13 recht van de nooddruftige: zal God uitvoeren
Job 31 : 13 recht van een knecht versmaden
Klg. 3 : 35 recht van een man: gebogen voor Gods aangezicht
Lev. 18 : 26 recht van God te onderhouden
Lev. 26 : 15 recht van Gods -en walgen
Spr. 29 : 27 recht van weg zijn
Ez. 20 : 25 recht verkeerde -en: door God gegeven?
Micha 3 : 9 recht verkeren
Jes. 59 : 9 recht verre zijnde van ons
Luk. 18 3 v recht verschaffen
Luk. 18 5 recht verschaffen
Spr. 2 : 9 recht verstaan
Pred. 6 : 10 recht versus macht
Jes. 5 : 7 recht versus schurft
Spr. 8 : 9 recht voor - houden: door de verstandigen
Jes. 42 : 1 recht voor de volkeren: door Christus
Jes. 42 : 3 recht voor de volkeren: door Christus
1 Sam. 30 : 24 recht voorbeeld
Deut. 6 : 20 recht vraag naar de -en van God bij kinderen
Deut. 5 : 1 recht waarnemen
Jes. 5 : 7 recht wachten naar -: door God
Deut. 12 : 25 recht wat - is in de ogen des HEEREN
2 Kron. 27 : 2 recht wat - is in Gods ogen
Luk. 3 : 5 recht wat krom is zal - worden
Job 27 : 2 recht wegnemen: door God
Micha 3 : 1 recht weten
2 Kron. 30 : 4 recht zijn: in de ogen van iemand of menigte
Jes. 1 : 17 recht zoekt het -
Spr. 16 : 8 recht zonder -: inkomsten zonder -
Neh. 9 : 29 recht zondigen tegen Gods -en
Jes. 1 : 17 rechtdoen doet de wees recht
2 Kon. 14 : 3 rechtdoen door Amazia
2 Kron. 24 : 2 rechtdoen in de ogen van de Heer
2 Kron. 34 : 2 rechtdoen in de ogen van de Heer
2 Kon. 15 : 3 rechtdoen in de ogen van God
2 Kon. 15 : 34 rechtdoen in de ogen van God
2 Kon. 22 : 2 rechtdoen in de ogen van Jhwh
2 Kron. 28 : 1 rechtdoen niet -
Jes. 1 : 23 rechteloosheid
Gen. 16 : 5 rechten door God: gewenst door Sarai
Gen. 15 : 14 rechten door God: volk van Egypte
1 Sam. 3 : 13 rechten om der ongerechtigheids wil: door God
Jes. 1 : 18 rechten samen met God -
Jes. 43 : 26 rechten samen met God -
Ps. 119 : 106 rechten van Gods gerechtigheid: onderhouden
Ezra 7 : 25 rechter aanstellen
2 Kron. 19 : 4 rechter aanstellen van rechters
2 Sam. 15 : 4 rechter ambt
Ps. 94 : 2 rechter der aarde: God
Luk. 18 2 rechter die God niet vreesde
Deut. 16 : 18 v rechter eis aan
Spr. 8 : 16 rechter en wijsheid
Deut. 17 : 9 rechter gezag van de - goddelijk bevestigd
Jac. 4 : 12 rechter God
Hebr. 12 : 23 rechter God de Rechter van allen
Job 12 : 17 rechter God maakt de -s uitzinnig
Ps. 7 : 12 rechter God: "God is een rechtvaardig rechter"
Jes. 33 : 22 rechter Jahweh is onze -
Hand. 10 : 42 rechter Jezus door God aangesteld als - van levenden en doden
2 Tim. 4 : 8 rechter Jezus: rechtvaardige -
2 Kron. 26 : 21 rechter koning
2 Kron. 19 : 8 rechter Levieten en priesters als -s aangesteld
Hand. 24 : 10 rechter over het volk der Joden: Felix
Joz. 24 : 1 rechter rechters in Israël
Luk. 11 : 19 rechter rechters zullen zonen van de Joden zijn
2 Kron. 19 : 6 rechter rechtvaardigheid geboden
Jes. 40 : 23 rechter richters ijdelheid voor God
Luk. 12 : 14 rechter stellen tot -: wie heeft Mij tot - over u gesteld?
Matth. 12 : 28 rechter toekomstige -s
Luk. 11 : 20 rechter toekomstige -s
Jac. 4 : 11 rechter van -
Hos. 7 : 7 rechter verteerd worden de -s door het goddeloze volk
Jac. 2 : 4 rechter zijn, met boze overleggingen
1 Kon. 2 : 19 rechterhand aan de - van koning Salomo zitten: moeder Bathseba
Jes. 41 : 13 rechterhand aangrijpen: door God
Hand. 2 : 25 rechterhand God aan Davids -
Ps. 110 : 5 rechterhand God is aan uw -
Ps. 63 : 9 rechterhand Gods -: ondersteunt mij
Hebr. 1 : 3 rechterhand Gods –: Jezus is gaan zitten aan de – van de Majesteit in de hoge
Opb. 1 : 16 rechterhand in Zijn - zeven sterren
Opb. 2 : 1 rechterhand Jezus' -
Gal. 2 : 9 rechterhand van gemeenschap
Matth. 25 : 33 rechterhand
Spr. 20 : 8 rechterstoel een koning op de -
Hand. 12 : 21 rechterstoel Herodes gezeten op de -
Matth. 27 : 19 rechterstoel Pilatus op de -
2 Cor. 5 : 10 rechterstoel van Christus
Rom. 14 : 10 rechterstoel van God: daarvoor worden wij allen gesteld
Hand. 25 : 6 rechterstoel
Jes. 45 : 19 rechtmatig God verkondigt rechtmatige dingen
Matth. 5 : 40 rechtsgeding iemand wil een – met u voeren
2 Kron. 19 : 8 rechtsgeschil wie hierover gesteld werden
Micha 7 : 3 rechtspraak corrupte rechtspraak
Jes. 5 : 23 rechtspraak corruptie
Luk. 22 37 rechtspraak falende –: in de zaak van Jezus
Lev. 19 : 15 rechtspraak geen onrecht doen in de -
Pred. 3 : 16 rechtspraak goddeloosheid in de
Ps. 51 : 6 rechtspraak Gods -
Deut. 22 : 15 rechtspraak Israël: aan de poort
1 Sam. 8 : 3 rechtspraak misstand: gierigheid
2 Kron. 19 : 7 rechtspraak misstanden in -
Deut. 17 : 8 v rechtspraak opperste -
Ps. 58 : 2 rechtspraak rechtvaardige -
Ex. 23 : 1 v rechtspraak regels
Deut. 19 : 15 v rechtspraak regels
Deut. 1 : 16 rechtspraak regels voor -
Jes. 2 : 4 rechtspraak toekomst
Jes. 5 : 23 rechtspraak verkeerde -
2 Kron. 19 : 6 rechtspraak voor Gods aangezicht
Lev. 19 : 35 rechtspraak zie ook Gericht
Spr. 28 : 21 rechtspraak zonder onderscheid des persoons
1 Sam. 2 : 25 rechtspraak
Luk. 18 3 rechtspraak
2 Sam. 15 : 4 rechtspreken
Jac. 2 : 6 rechtszaak aanspannen: door rijken
1 Cor. 6 : 2 rechtszaak in de gemeente
Jer. 5 : 28 rechtszaak richten: nalaten
Jer. 5 : 28 rechtszaak van de wees
Ex. 18 : 16 rechtszaak
2 Sam. 15 : 4 rechtszaak
Luk. 20 21 rechtuit spreken: door Jezus
1 Pe 4 : 18 rechtvaardge wordt met moeite behouden
Spr. 24 : 25 rechtvaardig - verklaren van een goddeloze
1 Sam. 24 : 18 rechtvaardig -er dan: want
Hebr. 11 : 4 rechtvaardig Abel
Filip. 4 : 8 rechtvaardig al wat - is, bedenkt dat
Lev. 19 : 35 rechtvaardig begrip
Opb. 22 : 11 rechtvaardig begrip
Matth. 23 : 35 rechtvaardig bloed
1Jo 3 : 7 rechtvaardig Christus -
1 Tim. 2 : 16 rechtvaardig Christus gerechtvaardigd: in de Gees
1 Kron. 18 : 14 rechtvaardig David was -: hij deed zijn hele volk recht en gerechtigheid
1 Thess. 2 : 10 rechtvaardig gedrag
Ef. 6 : 9 rechtvaardig geen aanziens des persoons
Col. 4 : 1 rechtvaardig geven wat - is
Ex. 23 : 6 rechtvaardig God -
Deut. 32 : 4 rechtvaardig God is -
Zef. 3 : 5 rechtvaardig God is -
1Jo 2 : 29 rechtvaardig God is -
Ps. 145 : 17 rechtvaardig God is - in al Zijn wegen
Opb. 19 : 2 rechtvaardig God is - in zijn oordelen
Jes. 45 : 21 rechtvaardig God is –
Opb. 15 : 3 rechtvaardig Gods wegen zijn -
Matth. 23 : 28 rechtvaardig in schijn
Luk. 23 47 rechtvaardig Jezus - verklaard door de hoofdman
Joh. 5 : 30 rechtvaardig Jezus' oordeel is -
Matth. 1 : 19 rechtvaardig Jozef -
Tit. 2 : 12 rechtvaardig leven
Jes. 53 : 11 rechtvaardig maken: door Jezus: velen
Hand. 10 : 22 rechtvaardig man
Mark. 6 : 20 rechtvaardig man: Johannes de Doper
Luk. 23 : 50 rechtvaardig man: Jozef van Arimathea
Ps. 143 : 2 rechtvaardig niemand -
Pred. 7 : 20 rechtvaardig niemand - zonder dat hij zondigt
Gen. 6 : 9 rechtvaardig Noach
Gen. 7 : 1 rechtvaardig Noach -
Gen. 7 : 2 rechtvaardig Noach -
Ps. 112 : 4 rechtvaardig oprechte is -
Ps. 112 : 5 rechtvaardig oprechte is -
Tit. 1 : 8 rechtvaardig opziener zij -
Rom. 2 : 13 rechtvaardig rechtvaardig zijn bij God
Gen. 38 : 26 rechtvaardig rechtvaardiger dan ik
Pred. 9 : 11 rechtvaardig schijnt het niet toe te gaan hier
Luk. 2 : 25 rechtvaardig Simeon
Deut. 25 : 1 rechtvaardig spreken: rechtvaardig verklaren
Job 13 : 16 rechtvaardig verklaren
1Jo 3 : 12 rechtvaardig versus boos
Luk. 1 : 6 rechtvaardig voor God waren Zacharias en Elizabeth
Pred. 7 : 16 rechtvaardig wees niet al te -
Ex. 23 : 1 v rechtvaardig wetten van God: gevallen
1Jo 3 : 7 rechtvaardig wie de gerechtigheid doet is -
Job 9 : 20 rechtvaardig zelfs de rechtvaardige is niet -
Luk. 16 : 15 rechtvaardig zich - voordoen
Luk. 20 20 rechtvaardig zich - voordoen
Luk. 18 9 rechtvaardig zichzelf - vinden
Job 34 : 19 rechtvaardig zonder aanzien des persoons
Matth. 13 : 43 rechtvaardige -n zullen stralen als de zon
Ez. 3 : 20 rechtvaardige begrip
1 Pe 3 : 12 rechtvaardige begrip: die het goede doet
Spr. 12 : 13 rechtvaardige benauwdheid: hieruit zal hij uitkomen
Spr. 11 : 9 rechtvaardige bevrijd door wetenschap
Klg. 4 : 13 rechtvaardige bloed van de -n vergieten
Ps. 37 : 21 rechtvaardige de - ontfermt zich en geeft
1 Pe 3 : 12 rechtvaardige de ogen van de Heer zijn op de -n
Rom. 2 : 26 rechtvaardige die de rechten van de wet bewaart
Jac. 5 : 6 rechtvaardige doden van de -
Ps. 112 : 9 rechtvaardige edelmoedig
Pred. 9 : 1 rechtvaardige en de wijze
Ez. 3 : 20 rechtvaardige en gerechtigheid
Pred. 9 : 2 rechtvaardige en goddeloze: enerlei wedervaart hen allen
Hebr. 12 : 23 rechtvaardige en volmaaktheid
Rom. 3 : 10 rechtvaardige er is geen -
Jes. 5 : 23 rechtvaardige gerechtigheid van de -n van hen afwenden
Jes. 49 : 24 rechtvaardige gevangenen van een –
Matth. 5 : 45 rechtvaardige God is goed voor -n en onrechtvaardigen
Rom. 5 : 7 rechtvaardige goede
Matth. 23 : 29 rechtvaardige graftomben van de -n versieren
Spr. 13 : 5 rechtvaardige haat leugentaal
Luk. 15 : 7 rechtvaardige heeft geen bekering nodig
Pred. 9 : 1 rechtvaardige in de hand van God, alsook zijn werken
Hebr. 12 : 23 rechtvaardige in de hemel zijn de geesten van rechtvaardigen
Spr. 15 : 6 rechtvaardige in het huis van de - is een grote schat
Spr. 29 : 27 rechtvaardige is den goddeloze een gruwel
Matth. 27 : 19 rechtvaardige Jezus
1Jo 2 : 1 rechtvaardige Jezus Christus de -
Spr. 9 : 9 rechtvaardige kenmerk: kan onderwezen worden en zo nog wijzer worden
Ez. 18 : 5 v rechtvaardige kenmerken
Spr. 12 : 10 rechtvaardige kent het leven van zijn beest
Spr. 12 : 21 rechtvaardige leed: de - zal geen leed wedervaren
Spr. 21 : 12 rechtvaardige let verstandig op het huis van de goddeloze
Spr. 10 : 21 rechtvaardige lippen van de - voeden er velen
Spr. 10 : 32 rechtvaardige lippen van de - weten wat gevallig is
Matth. 10 : 41 rechtvaardige loon van een -
Spr. 28 : 1 rechtvaardige moedig als een jonge leeuw
Ez. 13 : 22 rechtvaardige onnodig bedroeven
Matth. 10 : 41 rechtvaardige ontvangen van een -
Luk. 14 : 14 rechtvaardige opstanding van de -n
Spr. 4 : 18 rechtvaardige pad der -n is gelijk een schijnend licht
Spr. 21 : 15 rechtvaardige recht te doen is hem een blijdschap
Deut. 25 : 1 rechtvaardige rechtvaardig verklaren
Spr. 15 : 28 rechtvaardige spreken: hij bedenkt zich om te antwoorden
Rom. 5 : 19 rechtvaardige tegenover zondaar
Spr. 14 : 19 rechtvaardige toekomst
Ps. 68 : 4 rechtvaardige toekomst: zullen zich verblijden
Spr. 10 : 20 rechtvaardige tong van de -: uitgelezen zilver
Rom. 5 : 19 rechtvaardige tot - gesteld worden
Ez. 21 : 3 rechtvaardige uitgeroeid met de goddeloze
Matth. 13 : 17 rechtvaardige vele -n begeerden Jezus werken te zien
Jes. 29 : 21 rechtvaardige verdrijven in het woeste
Ps. 1 : 5 rechtvaardige vergadering der -n
Pred. 3 : 17 rechtvaardige versus de goddeloze
Spr. 11 : 28 rechtvaardige versus die op rijkdom vertrouwt
Gen. 18 : 23 rechtvaardige versus goddeloze
Spr. 21 : 12 rechtvaardige versus goddeloze
Spr. 11 : 31 rechtvaardige versus goddeloze, zondaar
Hos. 14 : 10 rechtvaardige versus overtreder
1 Tim. 1 : 9 rechtvaardige versus wetteloze, weerspannige, goddeloze, zondaar, onheilige, ongoddelijke
Matth. 9 : 13 rechtvaardige versus zondaar
Mark. 2 : 17 rechtvaardige versus zondaar
Luk. 5 : 32 rechtvaardige versus zondaar
Ez. 14 : 14 rechtvaardige voorbeelden van -n voor God
Spr. 12 : 26 rechtvaardige voortreffelijker dan zijn naaste
Spr. 21 : 26 rechtvaardige vrijgevig
Spr. 12 : 12 rechtvaardige vrucht brengt hij voort
Spr. 11 : 30 rechtvaardige vrucht: de van van de - is een boom des levens
Matth. 13 : 49 rechtvaardige vs. boze
Spr. 20 : 7 rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid
Spr. 25 : 26 rechtvaardige wankelende voor het aangezicht van de goddeloze
Spr. 10 : 30 rechtvaardige wankelt niet
Spr. 11 : 9 rechtvaardige welvaren der -n
Spr. 10 : 31 rechtvaardige wijsheid bij de -n
Luk. 1 : 17 rechtvaardige wijsheid van -n
Spr. 11 : 21 rechtvaardige zaad: zal ontkomen
Jes. 3 : 10 rechtvaardige zal de vrucht van zijn werken eten
Hab. 2 : 4 rechtvaardige zal door zijn geloof leven
Spr. 11 : 28 rechtvaardige zal groenen als loof
Ez. 18 : 9 rechtvaardige zal leven
Ez. 18 : 19 rechtvaardige zal leven
Spr. 11 : 28 rechtvaardige zal ook 'rijk' worden
Hebr. 10 : 38 rechtvaardige zal op grond van geloof leven
Spr. 12 : 5 rechtvaardige zijn gedachten zijn recht
Ps. 33 : 1 rechtvaardige zingt vrolijk in de HEERE, gij -n
2 Sam. 23 : 3 Rechtvaardige Christus
Hand. 22 : 14 Rechtvaardige de -: Jezus
Jes. 3 : 10 rechtvaardige het zal hem welgaan
1 Kon. 8 : 32 rechtvaardigen begrip
2 Kron. 6 : 23 rechtvaardigen begrip
Jes. 5 : 23 rechtvaardigen begrip
Jes. 43 : 9 rechtvaardigen begrip: hier: in het gelijk stellen
Deut. 25 : 1 rechtvaardigen begrip: rechtvaardig verklaren
Rom. 2 : 13 rechtvaardigen daders van de wet: door God
Rom. 4 : 5 rechtvaardigen de goddeloze - : door God
Luk. 7 : 34 rechtvaardigen de wijsheid is gerechtvaardigd door al haar kinderen
Pred. 8 : 14 rechtvaardigen die het wedervaart naar het werk der goddelozen
Gal. 5 : 5 rechtvaardigen door de wet gerechtvaardigd willen worden
Rom. 3 : 28 rechtvaardigen door geloof wordt een mens gerechtvaardigd
Rom. 3 : 26 rechtvaardigen door God
Rom. 8 : 29 rechtvaardigen door God: de geroepen gelovigen
Luk. 18 14 rechtvaardigen door God: de tollenaar: op diens belijdenis van zondaar-zijn
Jes. 50 : 8 rechtvaardigen door God: Jezus: Hij is nabij die Mij rechtvaardigt
Tit. 3 : 7 rechtvaardigen door Gods genade zijn we gerechtvaardigd
Rom. 3 : 29 rechtvaardigen door het geloof vs. Uit het geloof
Job 27 : 5 rechtvaardigen door Job
1 Cor. 6 : 11 rechtvaardigen gerechtvaardigd door de naam van de Heer Jezus en door de Geest van onze God
Gal. 5 : 4 rechtvaardigen gerechtvaardigd willen worden door de wet
Job 32 : 2 rechtvaardigen geval: door Job: zichzelf
Luk. 7 : 29 rechtvaardigen God -: door het volk en de tollenaars
2 Kron. 12 : 6 rechtvaardigen God -: door overtreders
Rom. 8 : 33 rechtvaardigen God rechtvaardigt
Spr. 17 : 15 rechtvaardigen goddeloze -
Ex. 23 : 7 rechtvaardigen goddeloze niet - : door God
Ex. 23 : 7 rechtvaardigen goddeloze: God zal hem niet –
Jes. 5 : 23 rechtvaardigen goddelozen - om een geschenk
Hand. 13 : 39 rechtvaardigen ieder die gelooft wordt gerechtvaardigd
Job 33 : 32 rechtvaardigen lust iemand te -
Gal. 3 : 11 rechtvaardigen niemand wordt door wet gerechtvaardigd
Rom. 3 : 20 rechtvaardigen niemand wordt gerechtvaardigd op grond van werken der wet
Gal. 3 : 8 rechtvaardigen op grond van geloof: de volken: door God
Gal. 3 : 8 rechtvaardigen op grond van geloof: de volken: door God: voorzien in Schrift
Rom. 4 : 1 rechtvaardigen op grond van werken
Jac. 2 : 21 rechtvaardigen op grond van werken (des geloofs)
Jes. 43 : 26 rechtvaardigen redenen aanvoeren ter zelfrechtvaardiging
Luk. 18 14 rechtvaardigen tollenaar gerechtvaardigd
Matth. 12 : 37 rechtvaardigen vs. veroordelen
Rom. 5 : 1 rechtvaardigen wij zijn gerechtvaardigd op grond van geloof
Matth. 11 : 19 rechtvaardigen wijsheid -
Matth. 11 : 19 rechtvaardigen wijsheid: door haar werken
Gen. 44 : 16 rechtvaardigen zichzelf -
Jer. 3 : 11 rechtvaardigen zichzelf -
Luk. 10 : 29 rechtvaardigen zichzelf willen -
Ps. 82 : 3 rechtvaardigen
Matth. 25 : 37 rechtvaardigen
Num. 26 : 54 rechtvaardigheid Gods -: voorbeeld
Ps. 119 : 136 rechtvaardigheid Gods: elk zijner oordelen is recht
2 Thess. 1 : 6 rechtvaardigheid Gods: geval
Lev. 23 : 35 v rechtvaardigheid Gods: voorbeelden
Spr. 21 : 21 rechtvaardigheid najagen
Spr. 21 : 21 rechtvaardigheid vinden
Hand. 24 : 25 rechtvaardigheid
Rom. 5 : 9 rechtvaardiging door Christus' bloed
Gal. 3 : 11 rechtvaardiging door geloof: door Schrift voorzien
Jes. 53 : 11 rechtvaardiging door Jezus
Rom. 5 : 1 rechtvaardiging en vrede met God
Jes. 53 : 11 rechtvaardiging grond: dragen der ongerechtigheid door Jezus
Jac. 2 : 24 rechtvaardiging grond: niet alleen geloof (geloof zonder werken)
Rom. 4 : 25 rechtvaardiging Jezus is opgewekt om onze -
Gal. 2 : 16 rechtvaardiging op grond van geloof
Gal. 3 : 24 rechtvaardiging op grond van geloof
Jac. 2 : 23 rechtvaardiging op grond van geloof
Matth. 12 : 37 rechtvaardiging op grond van je woorden
Jac. 2 : 24 rechtvaardiging op grond van werken (des geloofs)
Jac. 2 : 25 rechtvaardiging op grond van werken (des geloofs)
Gal. 2 : 16 rechtvaardiging op grond van werken van de wet zal niemand gerechtvaardigd worden
Rom. 5 : 15 rechtvaardiging uit genade, uit vele overtredingen
Jes. 45 : 23 v rechtvaardiging van God
Rom. 5 : 15 rechtvaardiging versus veroordeling
Ex. 23 : 3 rechtzaak de geringe niet – in zijn twistzaak
Micha 6 : 2 rechtzaak God in - met zijn volk
Spr. 29 : 9 rechtzaak met dwaas man: te vermijden
Spr. 29 : 9 rechtzaak onrust
Klg. 3 : 59 rechtzaak oordeel mijn –: aan God gevraagd
Jes. 50 : 8 rechtzaak tegen iemand hebben
Ps. 140 : 13 rechtzaak van de ellendige: zal God uitvoeren
Matth. 5 : 25 rechtzaak vermijden
Num. 27 : 5 rechtzaak verzoek om een rechterlijke uitspraak over erfdeel
Hand. 23 : 35 rechtzaak
Deut. 11 : 20 reclame (associatie)
Matth. 16 : 20 reclame voor Jezus: verboden
Micha 7 : 2 reclame
1 Sam. 17 : 35 redden alledaags geval van -
1 Sam. 30 : 18 redden door David
2 Tim. 4 : 18 redden door de Heer: van elk boos werk
Spr. 11 : 6 redden door gerechtigheid
Richt. 8 : 34 redden door God
Ps. 66 : 9 redden door God
Jes. 36 : 15 redden door God
1 Sam. 17 : 37 redden door God: David van de hand des leeuws
2 Sam. 12 : 7 redden door God: David: uit Sauls hand
2 Pe 2 : 9 redden door God: godvrezenden
Jes. 46 : 4 redden door God: Israël
Ps. 106 : 43 redden door God: Israël: menigmaal
1 Sam. 10 : 18 redden door God: Israël: van de hand der Egyptenaren
2 Pe 2 : 7 redden door God: Lot
Ps. 116 : 8 redden door God: van aanstoot
Ps. 116 : 8 redden door God: van de dood
Ps. 116 : 8 redden door God: van tranen
1 Thess. 1 : 10 redden door Jezus: van de heiligen: in de toekomst: van de komende toorn
Jud : 23 redden door ons: anderen uit vuur rukken
2 Tim. 4 : 18 redden en behouden
Dan. 6 : 28 redden en verlossen
Col. 1 : 13 redden gered uit de macht der duisternis
1 Pe 3 : 20 redden gered worden: door water heen
Ps. 56 : 14 redden God heeft mijn ziel gered van de dood
Ps. 97 : 10 redden God redt uit de hand der goddelozen
Jud : 23 redden met vrees
Gen. 32 : 30 redden mijn ziel is gered geweest
Jes. 42 : 22 redden niemand die de Israëlieten redt
Jes. 36 : 14 redden niet kunnen -
Spr. 24 : 11 redden red degenen die ter dood gegrepen zijn
Jes. 37 : 11 redden situatie
Ps. 54 : 9 redden uit benauwdheid: door God
Ps. 18 : 1 redden uit de hand van vijanden
2 Tim. 4 : 17 redden uit de leeuwenmuil gered
Jes. 43 : 13 redden uit Gods hand: kan niemand doen
2 Tim. 4 : 17 redden uit leeuwenmuil
2 Tim. 3 : 11 redden uit vervolging: door de Heer
2 Thess. 3 : 2 redden van boze mensen
Joz. 2 : 12 redden van de dood -
Spr. 2 : 12 redden van de kwade weg
2 Tim. 4 : 18 redden van een boos werk
Spr. 2 : 12 v redden van verkeerde mensen
Ps. 142 : 7 redden van vervolgers
Ps. 59 : 2 v redden van vijanden
Ps. 143 : 9 redden van vijanden
Ps. 59 : 2 redden van vijanden: red mij van mijn vijanden
Deut. 25 : 9 redden vrouw poogt haar man te redden
Spr. 6 : 3 v redden zichzelf -
Jer. 51 : 6 redden Zichzelf –: geboden
1 Kon. 1 : 12 redden ziel
Spr. 14 : 25 redden zielen -: door waarachtig getuigenis
Jer. 51 : 45 redden zijn eigen ziel – vanwege de hittigheid van de toorn van de HEER
Ps. 18 : 2 - 3 redder God als -: beelden van God als -
Ps. 30 : 4 redding van de dood: David gered
Spr. 7 : 1 rede bewaar mijn redenen
Rom. 12 : 2 redelijk redelijke (ere)dienst
1 Pe 2 : 2 redelijk redelijke melk
2 Kon. 17 : 39 reden God zal ons redden uit de hand van al uw vijanden
Jes. 32 : 7 reden valse -en
Hand. 24 : 1 redenaar
1 Sam. 20 : 2 redeneren bij Jonathan: valse premisse
2 Cor. 5 : 14 redeneren geval
Richt. 13 : 23 redeneren geval: Manoachs vrouw
Matth. 26 : 73 redeneren gronden voor besluit
Richt. 20 : 39 redeneren inductief -
1 Sam. 5 : 10 redeneren inductief -
2 Kon. 18 : 33 redeneren inductief -
1 Cor. 15 : 12 redeneren logisch -: geval
Jud : 9 redeneren met iemand -
Gen. 37 : 33 redeneren uit een valse interpretatie
Joh. 8 : 52 redeneren vals besluit
Richt. 17 : 13 redenering geval met valse premissen
Joh. 18 : 3 redenering Judas' -
1 Sam. 5 : 7 redenering juiste conclusie
2 Kon. 3 : 23 redenering valse -
1 Sam. 5 : 5 redenering valse conclusie
1 Sam. 4 : 6 redenering valse premissen, valse conclusie
Luk. 21 30 redenering voorbeeld
Joh. 3 : 2 redenering voorbeeld
Matth. 12 : 11 v redenering zedelijke
Luk. 11 : 53 redetwist emotionele aanleiding
Hand. 15 : 2 redetwist geval
Luk. 11 : 53 redetwist motief
Hand. 15 : 7 redetwist veel -
Mark. 12 : 18 redetwisten door Christus
Hand. 9 : 29 redetwisten door Paulus: met de Griekssprekenden
Mark. 9 : 14 redetwisten geval
Mark. 12 : 28 redetwisten geval
Mark. 8 : 11 redetwisten met Jezus
Hand. 17 : 18 redetwisten met Paulus: door wijsgeren
Mark. 9 : 17 redetwisten waarover redetwist u met hen?
Jud : 9 redetwisten
1 Kron. 12 : 8 ree toonbeeld van snelheid
Luk. 23 13 referendum plaatselijk –: “en het volk”
Opb. 3 : 3 reformatie terug naar de basis (toepassing)
Opb. 3 : 3 reformatie terug naar de basis (toepassing)
Ezra 7 : 25 regeerder aanstellen
Jes. 3 : 6 regeerder gezocht
Gen. 45 : 26 regeerder Jozef – in geheel Egypteland
Gen. 45 : 8 regeerder Jozef – over het hele land van Egypte
1 Thess. 5 : 14 regel ongeregelden
Mark. 7 : 4 regel overmaat van -s
Jes. 28 : 10 regel veel -s
Luk. 6 : 31 regel voor handelen
Gal. 6 : 16 regel wandelen naar een -
Jac. 5 : 18 regen doet vrucht der aarde opkomen
Job 38 : 25 regen door God bestuurd
Amos 4 : 6 regen door God bestuurd
Amos 4 : 7 regen door God bestuurd
Job 5 : 9 regen door God gegeven
Jes. 30 : 23 regen door God gegeven aan het zaad, opdat het groeie
Jer. 10 : 13 regen door God gemaakt
Jer. 51 : 16 regen door God gemaakt
Job 28 : 26 regen door God geregeld
Matth. 5 : 45 regen door God gewerkt
Jes. 5 : 6 regen door God verboden hier
Jes. 45 : 8 regen drupt, gij hemelen!
Jes. 4 : 6 regen een hut tot verberging tegen de -
Jac. 5 : 18 regen gave van de hemel
Deut. 28 : 12 regen gave van God
Hand. 14 : 17 regen gave van God
1 Kon. 8 : 36 regen gebed om - op Uw land
Jer. 3 : 3 regen gebrek aan -: als gevolg van afgoderij en boosheid
2 Kron. 6 : 26 regen geen regen: vanwege zonde
Ps. 135 : 7 regen gemaakt door God
2 Kron. 7 : 13 regen geregeerd door God
Ps. 147 : 8 regen God bereidt - voor de aarde
Jer. 5 : 24 regen God geeft de -
Ps. 68 : 10 regen God heeft - doen druipen
Job 36 : 27 v regen Gods werk
Job 37 : 6 regen Gods werk
Deut. 32 : 2 regen Gods woord als - neervallend
Gen. 2 : 5 regen in het begin was er geen -
Deut. 28 : 12 regen komt uit de hemel
Jer. 14 : 22 regen komt van God
Amos 9 : 6 regen komt van God
Spr. 16 : 15 regen late -
Joel 2 : 23 regen late -
Jes. 44 : 14 regen maakt jonge aanplant groot
Ps. 68 : 10 regen milde -
Job 38 : 27 regen nut
Hebr. 6 : 7 regen nut
Deut. 11 : 17 regen nut, vs 14
Ps. 104 : 13 regen oorsprong: Gods opperzalen
Joel 2 : 23 regen regeren: door de Messias
Deut. 28 : 24 regen tegendeel: stof, pulver
Opb. 11 : 6 regen tegenhouden
Deut. 11 : 17 regen tegenhouden door God
Jes. 5 : 6 regen uit de wolken
Jes. 45 : 8 regen uit de wolken komend
1 Kon. 8 : 35 regen uitblijven: door God
1 Kon. 16 : 34 regen uitblijven: door God ingehouden
Hand. 14 : 17 regen uiting van goeddoen door God
Richt. 5 : 4 regen valt uit de wolken
Lev. 26 : 4 regen van God gegeven
Luk. 12 : 54 regen voorbode van -: wolk in het westen
Spr. 11 : 25 regen vroege -
Joel 2 : 23 regen vroege -
Jac. 5 : 7 regen vroege en late -
Jud : 12 regen waterloze wolken
Spr. 28 : 3 regen wegvagende -
Amos 4 : 7 regen weren door God
Ps. 65 : 11 regen zegen voor het land
Hand. 28 : 2 regen
Opb. 10 : 1 regenboog op zijn hoofd
Gen. 9 : 9 regenboog teken des verbonds
Gen. 9 : 12 v regenboog
Ex. 16 : 4 regenen brood uit de hemel
Hos. 10 : 12 regenen gerechtigheid -
Gen. 7 : 4 regenen God doet het regenen
Luk. 17 : 29 regenen vuur en zwavel van de hemel
Gen. 42 : 6 regent Jozef was regent over Egypte
1 Cor. 15 : 25 regeren door Christus: totdat alle vijanden overwonnen zijn
Rom. 5 : 14 regeren door de dood
Spr. 30 : 22 regeren door een knecht
2 Kron. 22 : 12 regeren door een vrouw: Athalia
Ps. 146 : 10 regeren door God: in eeuwigheid
Ez. 20 : 32 regeren door God: over Israël: in grimmigheid
Opb. 11 : 15 regeren door God: tot in alle eeuwigheid
Opb. 22 : 5 regeren door Gods slaven: tot in alle eeuwigheid
Gen. 37 : 8 regeren door Jozef
Spr. 8 : 15 regeren door wijsheid
Ps. 93 : 1 regeren God regeert
Ps. 96 : 10 regeren God regeert
Ps. 47 : 8 regeren God regeert over de heidenen
Ps. 99 : 1 regeren God regeert: dat de volken beven
Ps. 97 : 1 regeren God regeert: reden tot vreugde
Jes. 32 : 1 regeren in gerechtigheid
Rom. 5 : 17 regeren in het leven - door Christus
Matth. 24 : 47 regeren mede-: over al Jezus' bezittingen gesteld worden
Luk. 19 17 regeren met Christus
Opb. 5 : 10 regeren toekomstige taak der gelovigen
2 Tim. 2 : 12 regeren wij met Christus
Ezra 7 : 22 regering God wendt harten van koningen
1 Kon. 22 : 34 regering Gods -: Achab gedood door een vliegende pijl
1 Kon. 11 : 34 v regering Gods -: in de politieke wereld
Spr. 28 : 2 regering wisselingen: veel wisselingen gevolg van volkszonde
Ps. 56 : 9 register Gods -
Hebr. 12 : 23 register in de hemel
1 Tim. 5 : 9 registreren geval
Ps. 30 : 11 rei weeklage veranderd in een rei
Jer. 31 : 13 rei zinnebeeld van vreugde
Ezra 6 : 20 rein allen - waren de priesters en de Levieten
Tit. 1 : 15 rein alles is - voor de reine
1Jo 3 : 3 rein Christus is -
Filip. 4 : 8 rein denken: al wat - is, bedenkt dat
Filip. 2 : 15 rein doel
Hand. 11 : 9 rein en heilig
Ez. 22 : 26 rein en on-
Lev. 20 : 25 rein en onrein te onderscheiden
2 Tim. 1 : 3 rein geweten
2 Tim. 1 : 3 rein geweten
Jac. 1 : 27 rein godsienst
2 Tim. 2 : 22 rein hart
Ps. 51 : 12 rein hart scheppen
1 Tim. 1 : 5 rein hart: en goed geweten
1 Tim. 5 : 22 rein houd je -
Lev. 14 : 53 rein huis rein maken
Spr. 30 : 12 rein in eigen ogen zijn
Joh. 13 : 11 rein Judas was niet -
2 Tim. 2 : 22 rein leerstellig -
Filip. 2 : 15 rein mens: opdat u - bent
2 Kron. 30 : 17 rein niet - zijn
Gen. 8 : 20 rein offer
Ez. 20 : 43 rein on- door je handelingen
Num. 11 : 36 rein on- worden: oorzaken: aanraking dood onrein dier
Jac. 1 : 21 rein on-: alle - - afleggen
Jes. 30 : 22 rein on-: iets voor - houden: wegwerpen
Ez. 23 : 17 rein on-: verontreinigen
Jer. 7 : 30 rein on-: verontreinigen: Gods tempel: door verfoeiselen
Ez. 23 : 7 rein on-: zich verontreinigen
Hos. 7 : 10 rein onrein: oorzaak: geestelijke hoererij
Hos. 5 : 3 rein onrein: verontreinigd: Israël: door hoererij, afgoderij
2 Kron. 29 : 16 rein onreinigheid: afgodische voorwerpen
Hand. 18 : 6 rein Paulus: ik ben -
2 Cor. 11 : 2 rein reine maagd
Mark. 7 : 19 rein spijzen zijn op zichzelf -
Matth. 5 : 8 rein van hart: en God zien
Spr. 20 : 9 rein van mijn zonde
Jac. 3 : 17 rein van wijsheid gezegd
Gen. 7 : 2 rein vee
Spr. 30 : 12 rein vermeende reinheid in eigen ogen
Joh. 13 : 10 rein wij zijn -
Dan. 1 : 8 rein zichzelf rein bewaren: door Daniël
Gen. 24 : 8 rein zijn van een eed
2 Cor. 7 : 11 rein zijn in een zaak van seksuele zonde
Rom. 16 : 19 rein zijn jegens het kwade
Joh. 15 : 3 rein zijn om het woord dat Jezus tot ons heeft gesproken
Pred. 9 : 2 reine en onreine
Deut. 15 : 22 reine eten eerstgeborene eten met de onreine
Tit. 1 : 15 reine voor de reinen is alles rein
Spr. 15 : 26 reine vs. boze
2 Cor. 6 : 6 reinheid in -
Hos. 8 : 5 reinheid niet verdragen
Luk. 11 : 39 reinheid uitwendige - betrachten
1 Tim. 5 : 2 reinheid van een man jegens vrouw
2 Sam. 22 : 21 reinheid van handen
Spr. 22 : 11 reinheid van het hart
2 Kron. 30 : 19 reinheid van het heiligdom: niet naar de - van het heiligdom
Pred. 9 : 13 reinheid van het vlees
1 Tim. 4 : 12 reinheid voorbeeld in - zijn
Deut. 23 : 9 v reinheid voorschriften
Luk. 11 : 41 reinheid
Jac. 1 : 27 reinheid
Matth. 23 : 25 v reinigen buitenkant / binnenkant
Ef. 5 : 26 reinigen door Christus: de Gemeente
Joh. 15 : 2 reinigen door de Vader: vruchtdragende rank
Ef. 5 : 26 reinigen door de wassing met water
Jes. 1 : 25 reinigen door God
Hand. 10 : 14 reinigen door God
Hand. 11 : 9 reinigen door God
1Jo 1 : 9 reinigen door God: nu
Jer. 33 : 8 reinigen door God: van ongerechtigheid
Joh. 15 : 3 reinigen door Gods woord
Pred. 9 : 14 reinigen door het bloed van Christus
Joh. 13 : 5 reinigen door het water
Tit. 2 : 14 reinigen door Jezus: een eigen volk
Dan. 12 : 10 reinigen en louteren
Dan. 12 : 10 reinigen en witmaken
Jac. 4 : 8 reinigen geestelijk -: reinigt de handen, zondaars
Hebr. 9 : 14 reinigen geweten: door bloed van Christus
Hand. 15 : 9 reinigen harten -: door het geloof: door God
1 Kron. 23 : 28 reinigen heilige dingen -: Levieten moesten alle heilige dingen reiningen
Neh. 12 : 30 reinigen het volk, de poorten en de muur
Matth. 23 : 26 reinigen innerlijk -, dan wordt uitwendige ook rein
2 Kron. 34 : 5 reinigen landstreek -: van afgoderij
Matth. 11 : 5 reinigen melaatsen
2 Kon. 5 : 10 reinigen middel: water
Hebr. 9 : 14 reinigen om de levende God te dienen
2 Cor. 7 : 1 reinigen onszelf -
Ps. 51 : 4 reinigen reinig mij van mijn zonde
Num. 8 : 15 reinigen reiniging der Levieten
2 Kron. 34 : 5 reinigen stad: Jeruzalem: van afgoderij
Luk. 11 : 39 reinigen uitwendig -
2 Kron. 34 : 5 reinigen van afgoderij
1Jo 1 : 9 reinigen van alle ongerechtigheid
1Jo 1 : 7 reinigen van de zonde: door Jezus' bloed
Lev. 16 : 30 reinigen van zonden
Jes. 1 : 16 reinigen wast u, reinigt u
Joh. 13 : 14 reinigen we behoren elkaars voeten te wassen
Neh. 13 : 22 reinigen zich -
Gen. 35 : 2 reinigen zich -: bevolen door Jakob aan zijn gezelschap
1 Pe 1 : 22 reinigen zich -: door de gehoorzaamheid
1 Pe 1 : 22 reinigen zich -: is gebeurd bij bekering
Opb. 22 : 14 reinigen zich -: kleren wassen
2 Tim. 2 : 21 reinigen zich -: van valse leraars
Mark. 7 : 3 reinigen zich -: wassen, schoonmaken
Jes. 52 : 11 reinigen zichzelf -
2 Cor. 7 : 1 reinigen zichzelf -
Ezra 6 : 20 reinigen zichzelf - met het oog op het paasfeest
Neh. 12 : 30 reinigen zichzelf -: door de priesters en de Levieten
1Jo 3 : 3 reinigen zichzelf -: door hoop op Christus
2 Kron. 30 : 18 reinigen zichzelf niet -
reinigen zie ook Zuiveren
1 Pe 1 : 22 reinigen zijn ziel -
Luk. 17 : 17 reinigen
Hand. 24 : 18 reiniging ceremoniële -
Num. 8 : 5 v reiniging der levieten
Mark. 7 : 3 v reiniging eigenwillige
Num. 8 : 21 reiniging en verzoening
Hebr. 6 : 2 reiniging leer van -en
Lev. 17 : 16 reiniging met water: verzuim: ongerechtigheid dragen
Ez. 44 : 26 reiniging van de priester: nieuwe regel hier
Joh. 3 : 25 reiniging woordenstrijd over -
Spr. 25 : 4 reiniging zedelijke -: figuurlijk voorgesteld
Hebr. 1 : 3 reiniging zonden: reeds tot standgebracht
Hebr. 1 : 3 reiniging zonden: tot stand gebracht door de Zoon
2 Cor. 11 : 26 reis dikwijls op -
Luk. 13 : 22 reis Jezus was op - naar Jeruzalem
Ezra 7 : 9 reis tijd: 5 maanden van Babel naar Jeruzalem
Joh. 4 : 6 reis vermoeid van de -: Jezus
Mark. 6 : 8 reis welke goederen al of niet meenemen
Luk. 10 : 4 reiszak draagt geen -
Luk. 9 : 3 reiszak geen - meenemen
Mark. 6 : 8 reiszak geen - meenemen onderweg
Luk. 17 : 11 reizen door Jezus
Luk. 13 : 22 reizen door Jezus: door dorpen en steden
Luk. 8 : 1 reizen rond- door Jezus
Filip. 4 : 17 rekening hemelse - , geestelijke -
Hebr. 13 : 17 rekenschap afleggen
1 Pe 4 : 5 rekenschap geven: aan God
Luk. 16 : 2 rekenschap vragen
2 Kron. 25 : 10 relatie gehoorzaamheid aan God vóór menselijke betrekkingen
2 Kron. 18 : 13 relatie persoonlijke - tot God: Micha
Matth. 6 : 7 religie heidense –: Jezus over het bidden der volken
Hand. 17 : 29 religie kritiek
Ezra 4 : 2 religie multi- afgewezen
Opb. 2 : 13 religie multi-religieuze omgeving: geloven in
Opb. 2 : 14 religie multi-religieuze omgeving: gevaar: vermenging
Opb. 2 : 14 religie multi-religieuze vermenging verkeerd
1 Kon. 17 : 21 religie niet vermengen met Christendom
2 Kon. 21 : 5 religie vermenging met -s
Matth. 6 : 8 religie wordt de heidense bidders niet gelijk
Spr. 6 : 18 relschopper toepassing
Ez. 18 : 8 rente niet lenen tegen –
Ex. 22 : 25 rente van armen geen rente vragen
Ex. 22 : 25 rente van armen vragen: verboden
Deut. 23 : 20 rente zie Woekeren
Matth. 25 : 27 rente
Luk. 19 23 rente
Lev. 25 : 36 rente geen - van een arme nemen
Rom. 16 : 23 rentmeester van de stad
Tit. 1 : 7 rentmeester van God: oudste
Luk. 16 : 1 rentmeester
Gal. 4 : 2 rentmeester
1 Tim. 1 : 4 rentmeesterschap Gods - dat in het geloof is
Ef. 3 : 2 rentmeesterschap van de genade van God
Col. 1 : 25 rentmeesterschap van God: aan Paulus gegeven: voor de gemeente
Luk. 16 : 2 rentmeesterschap
1 Sam. 18 : 5 reputatie Davids - bij het volk
Deut. 24 : 10 v respect voor de arme
Pred. 10 : 4 responspreventie verlaat uw plaats niet
Pred. 7 : 2 restaurant (associatie)
Hos. 14 : 7 reuk hebben als de Libanon
Gen. 8 : 21 reuk liefelijke - van de brandoffers
Hgl 1 : 3 reuk olien goed tot -
Hgl 4 : 11 reuk van klederen
Hgl 4 : 11 reuk van Libanon
Ef. 5 : 2 reuk welriekende -: Christus
Filip. 4 : 18 reuk welriekende -: van stoffelijk offer aan Paulus
Lev. 4 : 7 reukaltaar der welriekende specerijen
Num. 4 : 11 reukaltaar gouden altaar
Opb. 8 : 3 reukaltaar hemels -
Num. 4 : 11 reukaltaar vervoer
Ex. 30 : 1 - 10 reukaltaar
Ex. 37 : 25 v reukaltaar
Jes. 3 : 20 reukflesje
Luk. 1 : 10 reukoffer en gebed
Luk. 1 : 9 reukofferen
Opb. 5 : 8 reukwerk fig. gebeden der heiligen
Spr. 27 : 9 reukwerk verblijdt het hart
Jes. 1 : 13 reukwerk was Gode een gruwel geworden
Mal. 1 : 11 reukwerk zal aan alle plaats God worden toegebracht
Opb. 8 : 4 reukwerk
1 Kron. 11 : 23 reus geval: 5 ellen
Num. 13 : 32 reus in Kanaän woonden veel reuzen
Gen. 6 : 4 reus oorsprong der reuzen
Mark. 11 : 15 revolutie door Christus
1 Tim. 6 : 3 revolutie gewelddadige of ongehoorzame - verkeerd (toepassing)
Jes. 37 : 12 Rezef
Jes. 11 : 4 richten door Christus: de armen
Jes. 11 : 4 richten door Christus: met gerechtigheid
2 Kron. 6 : 23 richten door God: begrip
Ps. 67 : 5 richten door God: de volken: in rechtmatigheid
Jes. 3 : 13 richten door God: de volkeren
Ez. 33 : 20 richten door God: een ieder naar zijn wegen
Ez. 18 : 30 richten door God: ieder naar zijn wegen
Ez. 7 : 3 richten door God: naar onze wegen
Ps. 135 : 14 richten door God: zijn volk
Ps. 96 : 10 , 13 richten God zal de volken richten
Jes. 51 : 5 richten Gods armen zullen de volken –
2 Thess. 3 : 5 richten harten -
Ez. 44 : 24 richten naar Gods rechten
Jes. 11 : 3 richten naar het zicht van zijn ogen: dit niet doen
Hebr. 2 : 1 richten ons – naar wat wij gehoord hebben
Jes. 1 : 18 richten samen met God -
Gen. 31 : 37 richten tussen mensen
2 Kron. 1 : 10 richten wijsheid en wetenschap nodig om te -
Ex. 18 : 26 richten
2 Kron. 19 : 6 richter begrip
Spr. 8 : 16 richter de -s der aarde heersen door de wijsheid
Richt. 10 : 1 richter doel: Israël behouden
Hand. 13 : 20 richter door God gegeven waren de -s
1 Sam. 4 : 11 richter Eli
Dan. 9 : 12 richter God sprak tegen de -s
Richt. 2 : 16 richter God verwekte -en
Richt. 2 : 18 richter God was met de -s
Ruth 1 : 1 richter richten doen de -s
Joz. 23 : 2 richter richters in Israël
2 Kron. 1 : 2 richter Salomo sprak tot de richteren
1 Kron. 17 : 6 richter taak: Israël weiden
Richt. 2 : 18 richter verlossing door de -s bovenal aan God te danken
Richt. 2 : 16 richter verloste Israël van de rovers
Jes. 3 : 2 richter wordt weggenomen
Richt. 18 : 30 Richteren ontstaanstijd van het boek
Richt. 19 : 10 Richteren tijd van ontstaan
Jes. 28 : 17 richtsnoer gericht stellen naar het -
Zach. 1 : 16 richtsnoer
Jes. 11 : 3 rieken Christus' - zal zijn in de vreze van Jahweh
Jes. 42 : 3 riet gekrookte -: zal Christus niet verbreken
Ps. 68 : 34 rijden door God: in de hemel der hemelen
Neh. 2 : 14 rijdier Nehemia op een -
Luk. 10 : 34 rijdier
1 Tim. 6 : 18 rijk - in goede werken
Gen. 13 : 2 rijk Abram was zeer - toen hij uit Egypte kwam
Spr. 28 : 11 rijk een - man is wijs in zijn ogen
Jer. 5 : 27 rijk en groot
2 Cor. 6 : 10 rijk geestelijk - maken
1 Sam. 2 : 7 rijk God maakt arm en maakt rijk
Spr. 10 : 22 rijk Gods zegen maakt rijk
Spr. 28 : 22 rijk haasten naar goed: man ve boos oog
Spr. 28 : 20 rijk haastig - willen worden: maakt schuldig
1 Cor. 1 : 5 rijk in Christus Jezus
Jac. 2 : 5 rijk in geloof zijn
Luk. 12 : 21 rijk in God: niet - in God zijn
2 Cor. 8 : 9 rijk Jezus Christus maakt ons rijk
Matth. 27 : 57 rijk kan behouden worden
Luk. 12 : 16 rijk mens
Luk. 16 : 1 rijk mens
Luk. 16 : 19 rijk mens
Luk. 12 : 19 rijk niet - in God zijn
Spr. 13 : 7 rijk ondanks armoede
Spr. 23 : 4 rijk vermoei u niet om rijk te worden
Spr. 10 : 3 rijk vlijt maakt rijk
1 Tim. 6 : 9 rijk willen woorden: gevaar van
Ps. 49 : 17 rijk worden
Jer. 5 : 27 rijk worden door bedrog
Amos 3 : 10 rijk worden door verkeerde middelen
Opb. 18 : 15 rijk worden: door handel
Ez. 28 : 4 rijk worden: door je verstand te gebruiken
Spr. 21 : 17 rijk worden: niet - worden: door wijn en olie lief te hebben
2 Cor. 9 : 11 rijk worden: tot alle liefdadigheid
Luk. 19 2 rijk Zacheüs
Luk. 18 23 rijk zeer -: overste
Opb. 3 : 18 rijk zelfs de ingebeeld rijken wil de Heer echt rijk maken
Spr. 13 : 7 rijk zichzelf - maken
Ps. 49 : 3 rijk
1 Kron. 29 : 12 rijkdom - is voor Gods aangezicht
Ez. 7 : 19 rijkdom als steun
Mark. 4 : 19 rijkdom bedrieglijke van de -
Matth. 13 : 22 rijkdom bedrieglijke van de - verstikt
Spr. 3 : 16 rijkdom behoefte aan -
Jer. 9 : 23 rijkdom beroem je niet in je -
Luk. 8 : 14 rijkdom Christus over -
2 Cor. 8 : 9 rijkdom Christus' -
Rom. 11 : 33 rijkdom diepte van -
1 Tim. 6 : 18 rijkdom doel van -
Spr. 14 : 23 rijkdom door arbeid (toepassing)
Spr. 21 : 5 rijkdom door vlijt
Ps. 49 : 17 rijkdom en eer
Spr. 13 : 7 rijkdom en niets hebben
1 Kon. 3 : 13 rijkdom gave Gods
2 Kron. 1 : 12 rijkdom gave Gods
Pred. 6 : 2 rijkdom gave Gods
1 Tim. 6 : 17 rijkdom gave Gods
Spr. 30 : 8 rijkdom geef mij niet
2 Cor. 8 : 2 rijkdom geestelijk-zedelijke -
Matth. 13 : 11 rijkdom geestelijke
Spr. 13 : 7 rijkdom geestelijke -
Luk. 15 : 31 rijkdom geestelijke -
Jac. 2 : 5 rijkdom geestelijke -
Opb. 2 : 9 rijkdom geestelijke -
Opb. 3 : 18 rijkdom geestelijke -
Col. 2 : 2 rijkdom geestelijke -: alle rijkdom van de volle zekerheid van het inzicht
Col. 2 : 2 rijkdom geestelijke -: genieten dankzij liefde en eenheid
Ps. 119 : 14 rijkdom gehoorzaamheid beter
Ps. 62 : 11 rijkdom gevaar
Luk. 8 : 14 rijkdom gevaar van -
Spr. 30 : 9 rijkdom gevaar van God te verloochenen
Ez. 28 : 5 rijkdom gevaar: hoogmoed
1 Tim. 6 : 17 rijkdom gevaar: hoogmoed
Matth. 19 : 22 rijkdom geval
Deut. 17 : 16 v rijkdom gevaren
2 Sam. 1 : 24 rijkdom gewaardeerd
Matth. 6 : 24 rijkdom God en - niet tegelijk te dienen
Filip. 4 : 19 rijkdom Gods - in heerlijkheid in Christus Jezus
Filip. 4 : 19 rijkdom Gods -: ook materiele
Spr. 22 : 1 rijkdom grote - minder waard dan een goede naam
Hebr. 11 : 26 rijkdom groter -
2 Kron. 9 : 22 rijkdom groter dan allen in -
2 Kron. 18 : 1 rijkdom hebben in overvloed
2 Kron. 17 : 5 rijkdom hebben: in menigte: Josafat
Luk. 18 24 rijkdom hinderlijk voor ingaan Kon. Gods
1 Tim. 6 : 7 rijkdom houding tegenover -
Pred. 5 : 10 rijkdom ijdel: beperkte waarde
Jer. 17 : 11 rijkdom ijdele -
Mark. 10 : 21 rijkdom in de hemel hebben
Jes. 2 : 7 rijkdom in een tijd van verval
Ps. 112 : 3 rijkdom in Gods huis (toepassing)
Opb. 3 : 17 rijkdom ingebeelde -
Pred. 4 : 8 rijkdom jagen naar -
Gen. 32 : 5 , 7 rijkdom Jakobs uitwendige -
Pred. 5 : 12 v rijkdom kan krankheid aanbrengen door de zorgen
Spr. 14 : 24 rijkdom kroon der wijzen
Spr. 8 : 18 rijkdom loon der wijsheid
Spr. 22 : 4 rijkdom loon van nederigheid
Spr. 15 : 17 rijkdom met haat erbij
Spr. 15 : 16 rijkdom met onrust erbij ...
Matth. 19 : 23 rijkdom nadeel
Pred. 5 : 14 rijkdom niet mee te nemen over het graf
Spr. 3 : 16 rijkdom niet zondig op zichzelf
Ps. 62 : 11 rijkdom omgaan met -
1 Tim. 6 : 17 rijkdom onzeker
Spr. 11 : 28 rijkdom op - vertrouwen: daarna de val
Pred. 2 : 4 v rijkdom Predikers -
Spr. 13 : 8 rijkdom rantsoen van ieders ziel is zijn -
Spr. 11 : 4 rijkdom redt niet van de dood
Deut. 6 : 12 rijkdom risico: doet God licht vergeten
Hos. 12 : 9 rijkdom roemen in -
Pred. 5 : 18 v rijkdom stoffelijke -: gave Gods, te genieten
Deut. 15 : 11 rijkdom stoffelijke -: Gods zegen
Jes. 39 : 2 rijkdom tonen
Col. 1 : 27 rijkdom van de heerlijkheid van deze verborgenheid
Ef. 1 : 18 rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen
Ef. 1 : 7 rijkdom van Gods genade
2 Cor. 8 : 2 rijkdom van liefdadigheid
Spr. 11 : 16 rijkdom vasthouden
Ps. 49 : 7 rijkdom veelheid van -: roemen op de veelheid van hun -
Jer. 17 : 11 rijkdom vergaderen, doch niet met recht
Jac. 1 : 10 rijkdom vergankelijk
Jac. 5 : 3 rijkdom vergankelijk
Jac. 5 : 2 rijkdom verrot
Ps. 52 : 9 rijkdom vertrouwen op -
Opb. 5 : 12 rijkdom waard - te ontvangen: het Lam
Luk. 12 : 33 rijkdom weest rijk in God, in de hemel
Spr. 15 : 16 rijkdom weinig of veel
1 Kron. 29 : 28 rijkdom zat van -: David
Hebr. 11 : 26 rijkdom zedelijke -
Ps. 112 : 3 rijkdom zegen Gods hier
Col. 2 : 2 rijkdom zekerheid: - van de zekerheid
rijkdom zie ook Schat
Ez. 7 : 19 rijkdom zilver en goud
Matth. 6 : 24 - 25 rijkdom zoeken uit bezorgdheid
Deut. 17 : 17 rijkdom zoeken: door koning: verkeerd
2 Kron. 1 : 12 rijkdom zonder weerga
Matth. 19 : 29 rijkdom
Luk. 7 : 25 rijkdom
Spr. 22 : 2 rijke door God gemaakt
Jac. 1 : 11 rijke einde: hij zal in zijn wegen verwelken
Mark. 10 : 23 rijke en koninkrijk van God: hij gaat er moeilijk binnen
Jac. 2 : 7 rijke gaat koninkrijk Gods moeilijk binnen (toepassing)
Luk. 18 : 24 rijke gaat moeilijk het koninkrijk van God binnen
Matth. 19 : 23 v rijke gaat moeilijk kon der hemelen binnen
Mark. 10 : 22 rijke gehecht aan zijn bezittingen
Matth. 19 : 22 v rijke geval
Luk. 1 : 53 rijke God heeft -n leeg weggezonden
2 Kon. 4 : 10 rijke God: de rijke kan God dienen: geval
Spr. 19 : 4 rijke krijgt vrienden
Spr. 14 : 20 rijke liefhebbers van de - zijn vele
Luk. 18 25 rijke nadeel
Jac. 2 : 6 rijke onderdrukken door de -n
Jac. 2 : 6 - 7 rijke ongelovige -n: kenmerken
Klg. 4 : 5 rijke rijken versmachten
Jac. 1 : 9 rijke roeme in zijn geringheid
1 Tim. 6 : 17 rijke vermaningen voor -n
Luk. 1 : 53 rijke versus hongerige
Jac. 5 : 1 v rijke waarschuwing voor de -n
Luk. 6 : 24 rijke wee u, rijken
Matth. 11 : 7 rijke
Luk. 21 1 v rijke
Jac. 2 : 2 rijke
1 Tim. 6 : 18 rijkelijk geven: door God
Col. 3 : 16 rijkelijk laat het woord van Christus - in u wonen
Joh. 3 : 34 rijkelijk niet met mate, vgl. Tit. 3
Job 38 : 29 rijm
Ef. 5 : 27 rimpel zonder -
Job 16 : 8 rimpelachtig God heeft mij - gemaakt
Gen. 41 : 42 ring Farao's ring aan Jozefs hand gedaan
Esth. 8 : 2 ring
Jes. 3 : 21 ring
Luk. 15 : 22 ring
Ps. 98 : 8 rivier dat de -en met de handen klappen
Gen. 2 : 10 rivier doel: bewatering
Jes. 43 : 2 rivier door de -en gaan en niet overstroomd worden
Ps. 66 : 6 rivier doortocht door de drooggevallen Jordaan
2 Cor. 11 : 26 rivier gevaren van -en
Ps. 65 : 10 rivier Gods: is vol water
Ps. 93 : 4 rivier onstuimige -en
Hab. 3 : 9 rivier rivieren der aarde door God gekliefd
Jes. 50 : 2 rivier rivieren tot een woestijn stellen, dat kan God
Jes. 42 : 15 rivier rivieren tot eilanden maken: door God
Gen. 40 : 3 rivier symbool van Egypte
Job 14 : 11 rivier uitdrogen
Amos 9 : 5 rivier van Egypte
Opb. 22 : 1 rivier van levenswater
Gen. 2 : 10 rivier verdeeld in vier hoofdrivieren
Jes. 44 : 26 rivier verdrogen van rivieren
Job 27 : 20 rivier verschrikkelijke stroom
Jes. 8 : 7 rivier woeste -, overstromende -
Klg. 4 : 7 robijn roder dan –
Spr. 8 : 11 robijn wijsheid is beter dan -en
Job 28 : 18 robijn
Spr. 20 : 15 robijn
Filip. 2 : 15 roddel voorkomen door goed gedrag
Job 30 : 9 roddel voorwerp van -: Job
roddel zie Kwaadspreken
Spr. 14 : 17 roddel
Hebr. 11 : 29 Rode Zee doortocht
Spr. 29 : 15 roede geeft wijsheid
Job 9 : 34 roede Gods -
Spr. 13 : 24 roede inhouden: onterecht
1 Cor. 4 : 21 roede komen met de –
2 Cor. 11 : 24 roede met - geslagen
Ez. 20 : 37 roede middel tot tuchtiging: voor Israël gebruikt
Spr. 10 : 13 roede op de rug des verstandelozen
Spr. 14 : 3 roede van de hoogmoed
Klg. 3 : 1 roede van Gods verbolgenheid
Spr. 26 : 3 roede voor de rug der zotten
Spr. 10 : 13 roede zie ook Straf
Ps. 89 : 33 roede
2 Tim. 3 : 4 roekeloos in de laatste dagen zijn de mensen -
Matth. 4 : 6 roekeloosheid verzoeking tot -
2 Cor. 5 : 12 roem aanleiding geven tot -
Jer. 9 : 23 roem be-en, zich: u en zijn wijsheid, sterkheid of rijkdom
Jer. 9 : 24 roem be-en, zich: waarin terecht
2 Cor. 8 : 24 roem bewijs van onze - over u tonen
Jac. 1 : 9 roem eigen-: gezonde en ongezonde
Jes. 48 : 9 roem Gods –: om Mijns roems wil
Ps. 79 : 13 roem Gods roem vertellen
Gal. 6 : 4 roem hebben
2 Cor. 7 : 4 roem hebben over jullie
Rom. 15 : 16 roem hebben: in Christus Jezus: door Paulus
Filip. 2 : 3 roem ijdele -: doe niets uit --
Filip. 1 : 26 roem in Christus Jezus: overvloediger doen zijn
2 Cor. 11 : 10 roem in zichzelf hebben: bij Paulus
Rom. 3 : 27 roem is uitgesloten
1 Thess. 2 : 19 roem kroon van de -: de behoudenis van de thessalonikers
Filip. 2 : 16 roem mij tot -
2 Cor. 1 : 12 roem onze - is …
2 Cor. 8 : 24 roem over een gemeente
2 Cor. 5 : 12 roem over iem.
Filip. 1 : 26 roem overvloediger
1 Kon. 4 : 31 roem Salomo's -
Ps. 66 : 8 roem van God: laat horen de stem van Zijn -
Richt. 7 : 2 roem zelf-: door God verijdeld
Richt. 7 : 2 roem zelf: begrip
1 Pe 2 : 20 roem
Gal. 6 : 14 roemen alleen in het kruis
Jer. 4 : 2 roemen be-: zich: in God
Jac. 4 : 16 roemen boos -: in hoogmoedigheden
2 Kron. 23 : 12 roemen de koning Joas werd geroemd
Ps. 147 : 12 roemen en loven
Ps. 147 : 12 roemen God -
Ps. 51 : 16 roemen Gods gerechtigheid -
Ps. 59 : 17 roemen Gods goedertierenheid roemen
Ps. 145 : 4 roemen Gods werken
Spr. 31 : 28 roemen iem. welgelukzalig -
Filip. 3 : 3 roemen in Christus Jezus
1 Cor. 1 : 31 roemen in de Heer, niet in zichzelf
Hebr. 3 : 6 roemen in de hoop
Rom. 5 : 2 roemen in de hoop op de heerlijkheid van God
2 Cor. 11 : 17 roemen in dit vertrouwen te mogen -
Rom. 5 : 11 roemen in God
Ps. 44 : 9 roemen in God: de ganse dag
1 Kron. 16 : 35 roemen in Gods lof
2 Thess. 1 : 4 roemen in heiligen: in goede zin
2 Cor. 5 : 12 roemen in het hart resp. uiterlijk
2 Cor. 5 : 12 roemen in het uiterlijk, als de besnijdenis
Jac. 4 : 16 roemen in hoogmoedigheden
Gal. 6 : 13 roemen in iem. hoedanigheid -
Amos 6 : 13 roemen in jezelf
2 Kron. 25 : 19 roemen in jezelf -
2 Cor. 12 : 5 roemen in mijn zwakheden
2 Cor. 12 : 9 roemen in mijn zwakheden
2 Cor. 12 : 6 roemen in zichzelf: zich ervan onthouden: door Paulus
Jac. 1 : 9 roemen in zijn geringheid: door de rijke broeder
Jac. 1 : 9 roemen in zijn hoogheid: door de geringe broeder
2 Cor. 11 : 30 roemen in zwakheden
Ps. 63 : 6 roemen mijn mond zou - met vrolijk zingende lippen
2 Cor. 11 : 18 roemen naar [het] vlees
2 Cor. 12 : 1 roemen noodzaak tot -
Ef. 2 : 9 roemen opdat niemand roemt (daarom behouden uit genade)
2 Cor. 9 : 2 roemen over een gemeente, bij mensen
2 Cor. 12 : 5 roemen over iem. -
2 Cor. 7 : 14 roemen over mensen, bij iem.
2 Cor. 10 : 8 roemen over ons gezag
1 Kron. 16 : 10 roemen Roemt u in de naam Zijner heiligheid
1 Cor. 5 : 6 roemen soms niet goed
Jac. 3 : 14 roemen tegen de waarheid
1 Cor. 1 : 29 roemen voor God: opdat geen vlees roemt voor God
Ps. 59 : 17 roemen vrolijk - Gods goedertierenheid
Ps. 105 : 3 roemen zich - in God: roemt u in de naam Zijner heiligheid
Jes. 61 : 6 roemen zich -: in aangebrachte heerlijkheid
2 Cor. 11 : 12 roemen
2 Cor. 11 : 16 roemen
1 Thess. 4 : 16 roepen bevelend -: door Jezus
Col. 3 : 15 roepen christenen geroepen tot de vrede van Christus in één lichaam
Jes. 49 : 1 roepen Christus geroepen van de moederschoot af
Mark. 2 : 17 roepen door Christus: van zondaars
Hand. 2 : 39 roepen door God
Rom. 9 : 11 roepen door God
Hand. 16 : 10 roepen door God geroepen om in Macedonië het evangelie te verkondigen
2 Tim. 1 : 9 roepen door God zijn wij geroepen met een heilige roeping
Jes. 51 : 2 roepen door God: Abraham
Gen. 3 : 9 roepen door God: Adam
1 Pe 5 : 10 roepen door God: christenen: tot zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus
Rom. 8 : 28 roepen door God: de gelovigen zijn geroepen
2 Thess. 2 : 14 roepen door God: door het evangelie
Jes. 46 : 11 roepen door God: een veroveraar
Jes. 65 : 12 roepen door God: en niet antwoorden door mensen
Jes. 43 : 1 roepen door God: Israël: bij zijn naam
Jes. 45 : 3 roepen door God: Kores, bij diens naam
1 Thess. 4 : 7 roepen door God: ons: tot
1 Thess. 5 : 24 roepen door God: onze roeping
1 Sam. 3 : 8 roepen door God: Samuel
Jes. 48 : 13 roepen door God: tot aanzijn –: de hemellichamen
1 Pe 2 : 9 roepen door God: wij geroepen
Luk. 8 : 8 roepen door Jezus
1 Thess. 4 : 16 roepen door Jezus
Mark. 8 : 34 roepen door Jezus: de menigte bij Zich
Mark. 3 : 23 roepen door Jezus: schriftgeleerden
Hgl 5 : 6 roepen en geen antwoord krijgen
Jac. 5 : 4 roepen fig. betekenis
Rom. 8 : 29 roepen gelovigen zijn door God geroepen
2 Pe 1 : 3 roepen geroepen door heerlijkheid en deugd
Rom. 1 : 7 roepen geroepen heiligen
Gal. 5 : 13 roepen geroepen om vrij te zijn
1 Tim. 6 : 12 roepen geroepen tot het eeuwige leven
Opb. 19 : 9 roepen geroepen zijn tot de bruiloftsmaal van het Lam
Matth. 22 : 40 roepen geroepenen: velen
Gal. 1 : 6 roepen God heeft ons geroepen door genade
Ps. 145 : 18 roepen God hoort ons geroep
1 Thess. 2 : 12 roepen God roept ons tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid
Gal. 5 : 8 roepen Hem die u roept
Mark. 7 : 14 roepen Jezus riep de menigte tot zich
Matth. 15 : 10 roepen Jezus roept de menigte tot zich voor onderwijs
Matth. 27 : 50 roepen met luider stem: door Jezus
Ps. 98 : 4 roepen roept uit van vreugde
Matth. 22 : 9 roepen tot de bruiloft van de Zoon
Joel 1 : 14 roepen tot de HEERE -: daartoe aangespoord
Spr. 1 : 28 roepen tot de Wijsheid -, zij zal niet antwoorden
Ps. 107 : 13 roepen tot God roepen in je benauwdheid
2 Kron. 18 : 31 roepen tot God: door koning Josafat, en Hij hielp hem
Neh. 9 : 4 roepen tot God: met luider stem
Ps. 130 : 1 roepen tot God: uit de diepten
Luk. 18 40 roepen tot Jezus: en gehoord worden
Ps. 69 : 4 roepen vermoeid van mijn -
roepen zie ook Geroepene
Amos 7 : 15 roeping Amos tot profeet
Ef. 4 : 4 roeping begrip: voorbij de dood, want 'hoop'
1 Cor. 7 : 19 roeping blijf in de – waarin je bent geroepen
1 Pe 5 : 10 roeping christen: tot eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus
Ef. 1 : 18 roeping de hoop van Zijn - kennen
2 Thess. 1 : 11 roeping door God
Ef. 4 : 4 roeping één hoop van uw -
Mark. 3 : 13 roeping en aanstelling
1 Kron. 17 : 7 roeping en levenservaring: David herder -> voorganger
2 Thess. 2 : 14 roeping en verkiezing
1 Cor. 7 : 17 roeping en wandel
Gal. 2 : 8 roeping en werking door God
1 Thess. 2 : 12 roeping Gods - aan de gelovigen
2 Tim. 1 : 9 roeping heilige -
Hebr. 3 : 1 roeping hemelse -
Filip. 3 : 14 roeping hemelse - van God in Christus Jezus
Luk. 8 : 16 roeping licht geven
Hand. 26 : 16 roeping Paulus' -
1 Cor. 1 : 1 roeping Paulus' –
1 Cor. 1 : 26 roeping staat waarin je geroepen bent
1 Pe 2 : 21 roeping tot lijden
Ex. 35 : 30 roeping van Bezaleel
Mark. 3 : 14 roeping van de apostel: tweeërlei doel
1 Pe 3 : 9 roeping van een christen: geroepen om zegen te beerven
1 Kon. 19 : 21 roeping van Elisa: afscheid nemen
Rom. 11 : 29 roeping van Israël: door God
2 Tim. 1 : 9 roeping vgl. vers 12 'die dag'
2 Thess. 1 : 11 roeping waard achten: door God
Ef. 4 : 1 roeping wij zijn geroepen
Luk. 21 34 roes en dronkenschap
2 Kron. 34 : 25 roken andere goden -
Hos. 2 : 12 roken de Baals roken
2 Kron. 28 : 3 roken in het dal van de zoon van Hinnom
2 Kron. 28 : 4 roken onder alle groene boom
Spr. 10 : 26 roken ongezond
1 Kron. 6 : 49 roken op brand- en reukaltaar
2 Kron. 28 : 4 roken op de hoogten en op de heuvels
2 Kon. 14 : 4 roken reukoffers brengen
Ex. 20 : 18 roken rokende berg Sinaï
Hos. 4 : 13 roken voor de afgod
Jer. 11 : 16 Rom. 11:17 takken afgebroken, Jer. 11:16
Rom. 1 : 8 Rome gemeente in -: hun geloof overal rondverteld
Hand. 23 : 11 Rome Jezus spreekt van Rome
Dan. 2 : 40 Romeinse rijk hard als ijzer
Dan. 7 : 7 Romeinse rijk
Ps. 91 : 4 rondas Gods waarheid is een -
Mark. 10 : 23 rondkijken door Jezus
Joz. 22 : 8 roof delen met broeders
Job 1 : 15 roof door duivel ingegeven
Gen. 49 : 27 roof eten
Job 29 : 16 roof fig.
Neh. 4 : 4 roof geef ze over tot een -
Luk. 11 : 39 roof in het binnenste van een mens
Jes. 42 : 22 roof Israël tot een - geworden
2 Kon. 5 : 2 roof kind als -
Ez. 18 : 7 roof onrecht
Richt. 2 : 14 roof straf van Godswege gezonden hier
Hebr. 10 : 34 roof van bezittingen met blijdschap aanvaarden
Joz. 8 : 2 roof voor jezelf te houden: Ai
Spr. 1 : 13 roof
Jes. 3 : 14 roof
Matth. 23 : 25 roof
Spr. 1 : 11 v roofmoord
Jes. 46 : 11 roofvogel fig. van een veroveraar gezegd
Opb. 19 : 3 rook en vuur
Jes. 6 : 4 rook huis (tempel) werd vervuld met -
Opb. 15 : 8 rook van de heerlijkheid van God vervulde de tempel
Joel 2 : 30 rookpilaar
2 Kon. 14 : 4 rookplaats hoogten waren afgodische -en
2 Kron. 30 : 14 rooktuig afgodisch - wegwerpen
Hand. 2 : 19 rookwalm oordeel
Ps. 66 : 15 rookwerk van rammen
Matth. 7 : 24 rots bouwen op de rots: een huis
Rom. 9 : 33 rots der ergernis
Deut. 32 : 13 rots fig. Christus (toepassing)
2 Sam. 22 : 3 rots fig. sterkte en vastigheid waarop te vertrouwen valt
2 Sam. 22 : 3 rots God mijn -
Ps. 18 : 3 rots God, mijn -, op welken ik betrouw
Jes. 26 : 4 rots God: de - der eeuwen
Jes. 42 : 11 rots in de rotsstenen wonen
Luk. 6 : 48 rots Jezus de -
Matth. 7 : 24 rots Jezus de –
Matth. 27 : 51 rots scheurde
Luk. 8 : 6 rots symbool van ondoordringbare hardheid
Ps. 105 : 41 rots water uit de rots in de woestijn
Jes. 2 : 10 rots zich verbergen in de -en vanwege de schrik des HEEREN
Jes. 2 : 19 rots zich verbergen in de -en vanwege de schrik des HEEREN
Jes. 44 : 8 rotssteen fig. God is de enige -
1 Sam. 2 : 2 rotssteen geen - gelijk onze God
Jes. 48 : 21 rotssteen gekloofd door God: waarna wateren tevoorschijn stroomden
2 Sam. 22 : 32 rotssteen God de enige -
Deut. 32 : 18 rotssteen God een -
Ps. 71 : 3 rotssteen God een -: om gedurig daarin te gaan
Ps. 71 : 3 rotssteen God een -: U bent mijn - en mijn burg
Ps. 71 : 3 rotssteen God een -: wees mij tot een - om daarin te wonen
Deut. 32 : 4 rotssteen God is de -
Ps. 62 : 7 rotssteen God is mijn -
Ps. 92 : 16 rotssteen God mijn -
Ps. 144 : 1 rotssteen God mijn -
Ps. 27 : 5 rotssteen God verhoogt mij op een -
Deut. 32 : 15 rotssteen God: - van ons heil is God
Deut. 32 : 15 rotssteen heil: - van ons heil is God
Spr. 30 : 26 rotssteen in de - een huis stellen
Jes. 26 : 4 rotssteen in God is een eeuwige -
Jes. 32 : 2 rotssteen Jezus als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land
Ps. 61 : 4 rotssteen leid mij op een -
Ps. 33 : 3 rotssteen op een - gesteld
2 Sam. 23 : 3 rotssteen van Israël: God
Jes. 30 : 29 rotssteen van Israël: God
Jes. 48 : 21 rotssteen water uit de – deed God stromen
Ps. 62 : 8 rotsteen God de - mijner sterkte
Ps. 62 : 3 rotsteen God mijn -, vers 7
Ps. 95 : 1 rotsteen God: de - onzes heils
Ps. 114 : 8 rotsteen veranderd in een watervloed
Neh. 8 : 10 rouw bedrijft geen - (geval)
1 Kon. 13 : 29 rouw bedrijven
Neh. 1 : 4 rouw bedrijven
2 Kron. 35 : 24 rouw bedrijven over Josia
Gen. 37 : 34 rouw bedrijven: door Jakob, om Jozef
Ezra 10 : 6 rouw bedrijven: over de overtreding der weggevoerden
Gen. 23 : 2 rouw dragen: door Abraham
1 Kron. 7 : 21 rouw duur van de rouwperiode: vele dagen
Deut. 21 : 13 rouw duur van Godswege aangewezen
Gen. 50 : 3 rouw duur: 70 dagen door Egyptenaren over Jakob
Amos 8 : 10 rouw feesten in - veranderen
Hand. 8 : 2 rouw grote -
Esth. 4 : 3 rouw grote - onder de Joden
Gen. 50 : 1 rouw Jozef
1 Kron. 7 : 21 rouw om dood kinderen
Esth. 4 : 3 rouw onder de Joden
Deut. 34 : 8 rouw periode: 30 dagen: over sterven Mozes
Opb. 21 : 4 rouw toekomst: zal niet meer zijn
Job 14 : 22 rouw van de ziel
Ez. 24 : 16 rouw verboden in dit geval
Opb. 18 : 7 rouw wanen geen - te zullen zien
Gen. 50 : 10 rouw zware -
Gen. 50 : 11 rouw zware –
Opb. 18 : 8 rouw
Pred. 7 : 2 rouwcentrum
Job 5 : 11 rouwdragende wordt door heil verheven, door God
Jes. 3 : 24 rouwgewaad
Joel 2 : 12 rouwklacht bij bekering
Gen. 50 : 10 rouwklage houden: grote en zeer zware – houden
Jer. 16 : 5 rouwmaaltijd
Gen. 50 : 10 rouwperiode van zeven dagen: door Jozef gemaakt
Job 9 : 12 roven door God
Jes. 10 : 6 roven door God bevolen, toegelaten
Matth. 12 : 29 roven fig. iem uit satans macht bevrijden
Deut. 20 : 14 roven goedgekeurd hier in oorlog
Ps. 69 : 5 roven wat ik niet geroofd heb moet ik teruggeven
Luk. 6 : 29 roven
Joh. 18 : 40 rover Barabbas
1 Cor. 6 : 10 rover geen – zal Gods koninkrijk beërven
Richt. 2 : 14 rover gegeven door God in de hand der rovers (als straf)
2 Kon. 17 : 20 rover gegeven in de hand van -s: door Israël
Richt. 2 : 14 rover God gaf de afgodische Israëlieten in de hand van -s
1 Cor. 5 : 11 rover in de gemeente: omgang met hem vermijden
2 Cor. 11 : 26 rover in gevaren van -s
Luk. 10 : 30 rover in handen van -s vallen
Jes. 42 : 24 rover Israël de -s overgegeven
1 Tim. 1 : 10 rover mensenrovers
Mark. 15 : 27 rover twee rovers met Jezus gekruisigd
Job 24 : 5 rover
1 Cor. 5 : 10 rover
Ps. 62 : 11 roverij vertrouwt niet op -
Gen. 49 : 3 v Ruben de voortreffelijkste in hoogheid
Gen. 49 : 3 v Ruben de voortreffelijkste in sterkte
Gen. 49 : 3 Ruben eerstgeborene van Jakob
Gen. 49 : 3 Ruben Jakob s profetie aangaande -
Gen. 37 : 29 Ruben Jozef: wilde Jozef sparen
Gen. 29 : 32 Ruben naam betekent "Zie, een zoon!"
Gen. 37 : 21 Ruben verloste Jozef
Deut. 33 : 6 Ruben zegen van - door Mozes
Gen. 47 : 17 ruilen vee voor brood
Gen. 47 : 17 ruilmiddel vee voor brood
Ps. 118 : 5 ruimte God stelt in de -
Ps. 18 : 20 ruimte Hij voerde mij uit in de ruimte
Ps. 119 : 45 ruimte wandelen in de -: omdat ik Uw bevelen gezocht heb
Jes. 33 : 3 rumoer oorzaak van vlucht
Amos 4 : 9 rupsenplaag
Amos 5 : 27 Rusland plaats van diaspora
1 Kron. 23 : 25 rust aan Israël gegeven door God
1 Kron. 6 : 31 rust ark tot - gekomen
Jes. 28 : 12 rust dit is de -
Jes. 30 : 15 rust door - behouden worden
1 Kon. 8 : 56 rust door God gegeven
Jes. 14 : 3 rust door God gegeven
Joz. 23 : 1 rust door God gegeven: aan Israël: van al zijn vijanden
1 Kon. 8 : 56 rust een goed
1 Kron. 28 : 2 rust een huis der rust voor de ark van het verbond van de Heer
Ps. 144 : 14 rust en orde op straat
Pred. 4 : 6 rust en te veel arbeid
Spr. 29 : 9 rust gebrek van -
Jer. 45 : 3 rust geen - vinden: door Baruch
Klg. 3 : 49 rust geen – is er
2 Cor. 2 : 12 rust geen rust in mijn geest
Joz. 22 : 4 rust gegeven door God
1 Kon. 5 : 4 rust gegeven door God
Matth. 11 : 28 rust geven: door Christus
Jes. 63 : 14 rust geven: door de Geest des HEEREN
1 Kron. 22 : 18 rust geven: door God
2 Sam. 7 : 1 rust geven: door God: van al je vijanden
2 Sam. 7 : 11 rust geven: door God: van al je vijanden
Deut. 12 : 10 rust God geeft - van al onze vijanden rondom
Joz. 1 : 13 rust God geeft ons -
Joz. 1 : 15 rust God geeft ons -
Richt. 3 : 11 rust God gunt ons -
Ps. 132 : 8 rust Gods -
Ps. 102 : 11 rust Gods -; tot - - ingaan
Hebr. 3 : 11 rust Gods -: (niet) ingaan
Hebr. 4 : 1 rust Gods -: daarin ingaan
Hebr. 4 : 3 rust Gods -: daarin ingaan
Ps. 95 : 11 rust Gods -: ingaan in G -: belet
Hebr. 4 : 6 rust Gods – ingaan wel of niet
Hebr. 3 : 18 rust Gods –: niet ingaan door ongeloof
Jer. 12 : 1 rust goed
Luk. 12 : 19 rust goed in de ogen van mensen
Neh. 9 : 28 rust hebben en kwaad doen
Joz. 21 : 44 rust Israël: Jahweg gaf hun rust rondom
Jes. 11 : 10 rust Jezus' rust zal heerlijk zijn
Deut. 12 : 9 rust komen in de - / nog niet
1 Kron. 22 : 9 rust man der -
Ps. 116 : 7 rust mijn ziel, keer weder tot uw -
2 Cor. 7 : 4 rust ons vlees had geen -
Klg. 5 : 5 rust onthouden aan moeden
2 Thess. 1 : 7 rust ontvangen bij wederkomst van Christus
Micha 2 : 10 rust plaats der -: niet meer hier
Joz. 21 : 44 rust rondom (=vrede), gegeven door God
Hebr. 4 : 9 v rust sabbats-
Lev. 16 : 31 rust tot verootmoediging
Deut. 25 : 19 rust van al de vijanden
1 Kron. 22 : 9 rust van al je vijanden
Ps. 94 : 13 rust van de kwade dagen, gegeven door God
Joh. 11 : 13 rust van de slaap
Hebr. 4 : 9 rust van het toekomstige koninkrijk van God
2 Kron. 15 : 15 rust van rondom: geven: door God
2 Kron. 20 : 30 rust van rondom: geven: door God
Job 14 : 6 rust verlangen buiten Gods bemoeienis: Job
Ruth 1 : 9 rust vinden: door een vrouw: in haars mans huis
Jer. 6 : 16 rust voor de ziel
Jer. 6 : 16 rust voor de ziel: op oude paden
Deut. 12 : 9 rust voor Israël
1 Kon. 5 : 4 rust vrede, geen oorlog
2 Kron. 14 : 6 v rust vrede, geen oorlog: gave Gods
Job 16 : 12 rust weggenomen: door God (zo Job)
Ex. 23 : 11 v rust wetten van de -
rust zie ook Ongerust
Ruth 3 : 1 rust zoeken voor Ruth
Matth. 12 : 43 rust zoeken: door een onreine geest
Luk. 11 : 24 rust zoeken: door een onreine geest
Spr. 17 : 1 rust
Opb. 4 : 8 rust vier levende wezens: zonder -
Mark. 6 : 55 rustbed
Gen. 2 : 2 rusten door God: op de 7e dag
Matth. 26 : 45 rusten en slapen
Hand. 2 : 26 rusten in hoop -: met het oog op de opstanding
Pred. 2 : 23 rusten niet tot rust komen: hart
Mark. 6 : 31 rusten raad om te -
Matth. 26 : 45 rusten rust!
Opb. 14 : 13 rusten van de arbeid: door de doden die in de Heer sterven
Joz. 11 : 23 rusten van de oorlog: het land rustte van de krijg
Opb. 6 : 11 rusten
1 Tim. 2 : 2 rustig rustig en stil leven
1 Thess. 4 : 11 rustig zijn: een eer
Ruth 3 : 11 Ruth deugdelijke vrouw
Ruth 4 : 7 Ruth ontstaanstijd van het boek
2 Tim. 3 : 3 ruw in de laatste dagen zijn de mensen -
Gen. 26 : 7 ruw volk
Spr. 22 : 23 ruzie God komt voor de ellendige op
Spr. 13 : 10 ruzie oorzaak: hovaardigheid
2 Sam. 14 : 6 ruzie scheidsman
Tit. 3 : 9 ruzie vermijd - over de wet
Spr. 13 : 10 ruzie versus wijsheid
1 Tim. 6 : 5 ruzie voortdurend geruzie van mensen: oorzaak: andere leer en woordenstrijd
ruzie zie ook Gekijf, Twist
Spr. 21 : 9 ruzie
Spr. 27 : 15 ruzieachtig