Onderwerpenregister bij de Bijbel/M

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

Onderwerpen die beginnen met de letter M:

1 Tim. 5 : 23 maag klachten: bij Timotheus
Job 31 : 1 maagd acht geven op een -: weerhoudend verbond
Lev. 21 : 13 maagd als - te nemen: door de hogepriester
Luk. 2 : 35 maagd Anna was - vóór haar huwelijk
Richt. 11 : 37 v maagd begrip
Richt. 21 : 11 maagd begrip: geen man bekend
Ex. 22 : 17 maagd bruidschat der maagden
Gen. 19 : 8 maagd de dochters van Lot waren -en
Spr. 30 : 19 maagd de weg van een man bij een maagd
Richt. 11 : 39 maagd gebleven
Richt. 11 : 37 maagd geval: dochter van Jefta
Hgl 1 : 3 maagd hebben de koning lief om zijn heerlijk geurende oliën en naam
2 Sam. 13 : 18 maagd kenteken
1 Cor. 7 : 34 maagd onderscheiden van de vrouw
2 Cor. 11 : 2 maagd reine -
Matth. 25 : 1 maagd tien -en
Gen. 24 : 16 maagd
Richt. 21 : 12 maagd
1 Kon. 1 : 2 maagd
Jes. 7 : 14 maagd
1 Cor. 7 : 25 maagd
Hand. 21 : 9 maagdelijk Filippus had vier - e dochters die profeteerden
Opb. 14 : 4 maagdelijk gezegd van mannen
Luk. 1 : 34 maagdelijk Maria was -
Deut. 22 : 14 maagdelijkheid van een bruid wenselijk
Richt. 11 : 39 maagdom bewenen door de dochter van Jefta
Lev. 21 : 13 maagdom vrouw in haar - nemen
Ps. 126 : 5 maaien en zaaien
Joh. 4 : 35 maaien geestelijk -
Joh. 4 : 36 maaien geestelijk -: mensen
Joh. 4 : 38 maaien gezonden om te maaien
Hos. 10 : 12 maaien tot weldadigheid
Hos. 10 : 13 maaien verkeerdheid -
Joh. 4 : 36 maaien wij moeten ook -
Matth. 13 : 39 maaier fig. engelen als -s
Joh. 4 : 36 maaier ontvangt loon
Jac. 5 : 4 maaier
Rom. 9 : 20 maaksel de mens is Gods -
Ef. 2 : 10 maaksel en schepsel
Ef. 2 : 10 maaksel wij zijn Gods maaksel
Luk. 22 30 maaltijd aan Jezus' tafel in Zijn koninkrijk
Mark. 16 : 14 maaltijd aanliggen tijdens -
Spr. 15 : 15 maaltijd begrip: gezelligheid, vrolijkheid
Spr. 9 : 2 maaltijd bereiden
Ps. 102 : 10 maaltijd Christus' -
Matth. 15 : 36 maaltijd danken, dan brood breken
Mark. 12 : 39 maaltijd eerste plaatsen bij de -en
Spr. 9 : 2 maaltijd feest- der wijsheid
Matth. 22 : 4 maaltijd gebaseerd op geslachte gemeste beesten
Spr. 15 : 15 maaltijd geestelijk
Luk. 7 : 33 maaltijd gewone -: brood en wijn
Opb. 19 : 17 maaltijd grote - van God
Luk. 5 : 29 maaltijd grote - voor Jezus aanrichten
Opb. 3 : 20 maaltijd houden: door Christus en met Christus
Luk. 7 : 36 maaltijd houden: met Jezus
Jud : 12 maaltijd liefde- met verkeerde personen
Gen. 26 : 30 maaltijd maken
Jes. 25 : 6 maaltijd maken: door God: voor de volken
Ex. 24 : 11 maaltijd na God gezien te hebben: door Mozes e.a.
1 Kon. 17 : 6 maaltijd twee -en
Luk. 15 : 23 maaltijd vrolijke -
Joel 2 : 31 maan wordt veranderd in bloed
2 Kon. 23 : 5 maan afgoderij met de -
Ps. 136 : 7 maan door God gemaakt
Jer. 31 : 35 maan functie: tot licht des nachts
Matth. 24 : 29 maan geeft geen schijnsel
Ps. 136 : 9 maan gemaakt tot heerschappij in de nacht
Opb. 8 : 12 maan getroffen
Ps. 104 : 19 maan God heeft de - gemaakt tot de gezette tijden
Jes. 13 : 10 maan laat haar licht niet schijnen op de dag des HEEREN
Ps. 148 : 3 maan looft God
1 Sam. 20 : 18 maan nieuwe -
Jes. 66 : 23 maan nieuwe -
Col. 2 : 16 maan nieuwe -: christen niet onderworpen aan
Opb. 12 : 1 maan onder de voeten van de vrouw
Jes. 24 : 23 maan schaamrood
Mark. 13 : 24 maan schijnsel
Joz. 10 : 12 maan stil staan
Luk. 21 25 maan tekenen aan zon, maan en sterren
Jes. 30 : 26 maan toekomst: licht van de maan zal zijn als het licht van de zon
Job 31 : 26 maan verafgood
Hand. 2 : 20 maan veranderd in bloed
Mark. 13 : 24 maan verduisterd
Deut. 33 : 14 maan voortzetting der -
Opb. 6 : 12 maan werd als bloed
Joel 2 : 10 maan zwart geworden
Gen. 1 : 14 v maan
Gal. 4 : 10 maand maanden onderhouden
Ezra 3 : 5 maand nieuwe -: offer der nieuwe -en
1 Kron. 23 : 31 maand nieuwe -en
Neh. 10 : 33 maand nieuwe -en
Jes. 1 : 13 maand nieuwe -en
Jes. 1 : 14 maand nieuwe -en: gehaat door God wegens de ermee verbonden ongerechtigheid
Opb. 13 : 5 maand tweeenveertig -en
Neh. 8 : 15 maand zevende -
2 Kron. 35 : 1 maandtelling
Luk. 1 : 26 maangd Maria
Jes. 30 : 22 maanstondig kleed
Matth. 17 : 14 maanziek
Matth. 4 : 24 maanzieke maanzieken tot Jezus gebracht
Lev. 19 : 35 maat geen onrecht doen met de -
Luk. 6 : 38 maat goede, ingedrukte, geschudde, overlopende -
Ex. 39 : 9 maat menselijke -: span
Ex. 25 : 25 maat menselijke -en: el, hand
Spr. 20 : 10 maat met twee -en meten is Jahweh een gruwel
Luk. 6 : 38 maat meten met een - en gemeten worden met dezelfde -
Rom. 12 : 3 maat van geloof: door God aan ieder toebedeeld
Matth. 23 : 32 maat van zonden vol maken
1 Thess. 2 : 16 maat van zonden vol maken
Matth. 12 : 45 maatschappij kan slechter worden
1 Thess. 1 : 7 Macedonië gelovigen in -
2 Cor. 8 : 1 Macedonië gemeenten van -
Rom. 15 : 25 Macedonië
Gen. 50 : 13 Machpela akker van –: had een spelonk
Gen. 49 : 30 v Machpela begraafplaats te -
Ps. 65 : 4 macht - der zonde
Luk. 12 : 11 macht -en
Col. 1 : 16 macht -en zijn door en tot de Heer geschapen
Pred. 9 : 10 macht aanwenden je mogelijkheden
Matth. 28 : 18 macht almachtig is Jezus: alle macht is Hem gegeven
1 Kon. 21 : 7 macht beroep op -
Col. 2 : 15 macht Christus heeft de -en ontwapend
Matth. 11 : 27 macht Christus'-
Filip. 3 : 21 macht Christus'-
2 Kron. 13 : 18 macht dankzij God
Joh. 13 : 3 macht de Vader heeft de Zoon alles in de handen gegeven
Ef. 6 : 12 macht demonische -en
Matth. 9 : 8 macht door God aan Jezus gegeven om wonderen van genezing te doen
Joz. 23 : 10 macht door God verleend aan een enkeling
Opb. 19 : 1 macht en heerlijkheid
Pred. 6 : 10 macht en recht
Micha 2 : 1 macht en zondig hart veroorzaakt ellende
Joh. 19 : 11 macht gave Gods
Luk. 9 : 1 macht gegeven door Christus
Luk. 10 : 19 macht gegeven door Christus
Pred. 6 : 2 macht gegeven door God
Dan. 2 : 37 macht gegeven door God
Mark. 6 : 7 macht geven: door Jezus: over de onreine geesten
Ps. 65 : 7 macht God is omgord met -
Jes. 33 : 13 macht Gods -: bekent Mijn -
Mark. 2 : 10 macht hebben om zonden te vergeven
Micha 7 : 16 macht heidenen beschaamd vanwege hun macht
Opb. 5 : 13 macht Hem zij de -
Opb. 19 : 1 macht is van onze God
Mark. 3 : 15 macht Jezus verleent - om demonen uit te drijven
Matth. 28 : 18 macht Jezus' -
Joh. 18 : 6 macht Jezus' -
Joh. 17 : 2 macht Jezus' -: over alle vlees
Joz. 1 : 5 macht Jozua's macht tegenover zijn vijanden
Mark. 13 : 34 macht krijgen: van de Heer
2 Kron. 26 : 16 macht maakt hoogmoedig
1 Pe 3 : 22 macht machten aan Jezus onderworpen
Ef. 3 : 10 macht machten in de hemelse gewesten
Rom. 8 : 38 macht machten kunnen ons niet scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus
Hand. 13 : 50 macht manipuleren van machthebbers, tegen Paulus en Barnabas
Gen. 31 : 6 macht met al mijn macht heb ik jullie vader (Laban) gediend
Pred. 4 : 1 macht misbruik van -
1 Kon. 21 : 6 macht misbruik: geval
Gen. 31 : 29 macht om mensen kwaad te doen
Luk. 9 : 1 macht om te genezen
Matth. 9 : 6 macht om zonden te vergeven: Jezus had deze macht
Ps. 18 : 18 macht on-: t.o.v. sterke vijanden
Tit. 3 : 1 macht onderdanig aan de -en
Amos 2 : 9 macht over- door God vernietigd
Col. 2 : 15 macht overwonnen door Christus zijn de -en
Col. 2 : 15 macht tentoongesteld de -en, door Christus
1 Kron. 29 : 11 macht uw, o HERE, is de -
Luk. 22 53 macht van de duisternis
Col. 1 : 13 macht van de duisternis
Hand. 26 : 18 macht van de satan
Rom. 9 : 22 macht van God: bekendmaken
Rom. 9 : 17 macht van God: betonen: aan Farao
Lev. 26 : 20 macht verdoen: door God
Matth. 10 : 1 macht verlenen: door Jezus: aan zijn twaalf discipelen
Luk. 10 : 20 macht wellust: bestrijden
Hand. 19 : 20 macht woord van de Heer nam toe met - en werd sterker
2 Kron. 20 : 12 machteloos in zichzelf
Matth. 15 : 25 machteloos voelen: door de Kananese vrouw
Spr. 30 : 26 machteloos volk: de konijnen
Hand. 8 : 27 machthebber
Ex. 1 : 20 machtig Israël vermeerderde en werd zeer –
Gen. 26 : 16 machtig machtiger geworden dan de Filistijnen
Ps. 69 : 5 machtig worden
2 Pe 3 : 18 machtig worden: dankzij steunen op God
Ex. 1 : 7 v machtig zeer – worden: de omvang van het volk Israël
Luk. 1 : 52 machtige God heeft -n van hun tronen neergehaald
Job 12 : 18 machtige God keert de -n om
Job 34 : 20 machtige kan 'zonder hand' tot zijn einde komen
1 Cor. 1 : 26 machtige niet vele -n onder de bekeerden
1 Cor. 1 : 26 - 27 machtige sterke
Jes. 49 : 24 - 25 machtige vangst aan een – ontnemen
2 Kron. 14 : 11 machtige
Jes. 49 : 26 Machtige God de – Jakobs
Jes. 1 : 24 Machtige van Israël: God
Gen. 49 : 24 Machtige van Jakob: God
Joz. 11 : 1 Madon
Spr. 16 : 8 maffia toepassing
Opb. 20 : 8 Magog en Gog
Gen. 10 : 2 Magog zoon van Jafeth
Jer. 20 : 3 Magor-Missabib betekenis: ellende rondom
Gen. 32 : 1 Mahanaïm naam betekent: "twee legers"
2 Kon. 17 : 19 mainstream volgen
Hebr. 1 : 3 majesteit God
Hebr. 8 : 1 majesteit God
2 Kron. 20 : 21 majesteit heilige -
1 Kron. 29 : 25 majesteit koninklijke -: door God aan Salomo gegeven
Hand. 19 : 27 majesteit van Artemis
Luk. 9 : 43 majesteit van God: gezien in het optreden van Jezus
Ps. 96 : 6 majesteit voor Gods aangezicht zijnde
Luk. 11 : 40 maken binnen - en buitenkant van de mens gemaakt door God
Gen. 11 : 6 maken door de mens: niet alles is goed
Hebr. 1 : 2 maken door God: door Zoon: de werelden
Gen. 3 : 1 maken door God: gedierte van het veld
Pred. 3 : 11 maken door God: ieder ding: schoon gemaakt
Gen. 7 : 4 maken door God: schepselen
Matth. 19 : 4 maken en scheppen
Jes. 43 : 7 maken en scheppen en formeren
Ps. 100 : 3 maken Jhwh heeft ons gemaakt
Jes. 44 : 2 maker God de – van Israël
Hand. 28 : 1 Malta
Matth. 6 : 24 Mammon dienen
Luk. 16 : 13 Mammon dienen: en God dienen: tegelijk ondoenlijk
Luk. 16 : 9 Mammon onrechtvaardige
Gen. 50 : 13 Mamre tegenover – was de erfbegraafplaats van de aartsvaders
Ezra 2 : 64 man -nen tellen
1 Sam. 30 : 22 man boze -nen onder de mannen van David
Num. 27 : 16 man dat God een man stelle over deze vergadering
Joh. 4 : 18 man een man hebben, ongehuwd
Hand. 15 : 25 man er werden mannen gekozen
Jes. 4 : 1 1 man gebrek aan mannen
Hand. 4 : 4 man geteld werden de mannen
1 Sam. 2 : 27 man Gods
1 Kon. 13 : 1 v man Gods
2 Kron. 25 : 7 man Gods
Richt. 13 : 6 man Gods: engel van Jahweh
Richt. 13 : 8 man Gods: engel van Jahweh
2 Kron. 11 : 2 man Gods: Semaja
2 Kon. 8 : 11 man Gods: wenende: Elisa
Luk. 23 : 50 man goed -
Hand. 11 : 24 man goed -: Barnabas
2 Sam. 11 : 26 man heer van zijn vrouw
Spr. 12 : 4 man heer van zijn vrouw
Gen. 18 : 12 man heer: Sarah noemt haar man 'mijn heer'
Matth. 2 : 20 man hoofd gezin
1 Cor. 11 : 3 man hoofd van de vrouw
Jes. 2 : 11 man hoogheid der -nen zal neergebogen worden
Tit. 2 : 6 man jongere mannen: ingetogen moeten ze zijn
1 Sam. 2 : 9 man kenmerk: kracht
1 Kon. 2 : 2 man kenmerk: kracht
Luk. 21 16 man kenmerk: overlevering door 'broers' (zusters niet genoemd)
Spr. 21 : 19 man kwelling voor een -
Gal. 3 : 28 man man of vrouw
Hand. 13 : 16 man mannen van Israël
Matth. 14 : 21 man mannen werden geteld, niet vrouwen en kinderen
1 Tim. 5 : 9 man met meerdere mannen na elkaar gehuwd zijn geweest
Gen. 6 : 4 man naam: mannen van naam
1 Tim. 2 : 8 man opdracht voor mannen
Esth. 1 : 22 man opperheer in zijn huis
Tit. 2 : 2 man oude mannen: normen
Ef. 5 : 25 man plicht van de gehuwde man: zijn vrouw liefhebben
Jes. 4 : 1 man plicht: zijn vrouw voeden en kleden
Luk. 23 : 50 man rechtvaardig -
1 Kon. 1 : 6 man schoonheid
Joz. 10 : 2 man sterk: al de mannen van Gibeon waren sterk
2 Sam. 13 : 14 man sterker dan vrouw
Ruth 1 : 11 man uit de vrouw is de man
Spr. 12 : 4 man verderf: door wangedrag van zijn vrouw
1 Sam. 2 : 9 man vermag niet door kracht
Hand. 13 : 6 man verstandig -
Ef. 5 : 22 man vrouw zij onderdanig aan haar eigen man als aan de Heer
Col. 3 : 18 man vrouw: hoofdschap der man, gezien onderdanigheid der vrouw aan haar man
Col. 3 : 19 man vrouw: mannen hebt uw vrouwen lief
Col. 3 : 19 man vrouw: mannen weest niet bitter tegen uw vrouwen
Num. 30 : 2 v man vs. vrouw: inzettingen
1 Kon. 2 : 2 man wees een man
1 Sam. 4 : 9 man weest -nen, zeiden de Filistijnen tot zichzelf
Deut. 16 : 11 man zoon eerst genoemd
1 Kon. 5 : 16 manager voert heerschappij
Gen. 41 : 51 Manasse betekent "die doet vergeten"
Joz. 22 : 7 Manasse erfdeel: in Basan
Gen. 48 : 5 Manasse gerekend tot een directe zoon van Jakob
Joz. 17 : 1 Manasse Jozefs eerstgeborene
Joz. 17 : 1 v Manasse kinderen van -
Deut. 33 : 17 Manasse omvang der stam
Joz. 17 : 7 v Manasse stamgebied
Jer. 15 : 4 Manasse zonde van -
Richt. 14 : 15 v manipulatie
Joh. 6 : 31 manna brood uit de hemel
Neh. 9 : 20 manna Gods -
Joz. 5 : 12 manna hield wonderlijk op
Ex. 16 : 20 manna smolt door de zon
Opb. 2 : 17 manna verborgen -
Hebr. 6 : 4 manna zinnebeeld van Christus
Joh. 6 : 49 manna
Joh. 6 : 58 manna
1 Cor. 16 : 13 mannelijk kenmerk
1 Sam. 4 : 9 mannelijk sterk, strijdbaar
1 Cor. 16 : 13 mannelijk weest -
Luk. 2 : 23 mannelijke heilig voor de Heer
Hand. 28 : 17 mannen broeders aanspreekvorm
Richt. 16 : 31 Manóah
Ezra 9 : 5 mantel scheuren
1 Kon. 19 : 19 mantel van Elia geworpen over Elisa
Ps. 109 : 29 mantel
Matth. 12 : 50 Maria geen overheersende plaats geven
Luk. 11 : 27 Maria gelukkig genoemd omdat ze Jezus heeft gedragen en gezoogd
Matth. 27 : 56 Maria Maria Magdalena
Matth. 27 : 56 Maria moeder van Jacobus en Jozef
Hand. 1 : 14 Maria moeder van Jezus
Luk. 1 : 38 Maria noemde zich de slavin van Jhwh
Luk. 2 : 4 Maria ondertrouwd met Jozef
Rom. 1 : 25 Maria verering: afgoderij
Mark. 3 : 32 Maria
Luk. 8 : 2 Maria Magdalena genezen van zeven boze geesten
Luk. 24 : 11 Maria Magdalena
Luk. 24 : 11 Maria van Klopas
Mark. 15 : 15 markt er was markt voor deze dienst (associatie)
Mark. 6 : 56 markt zieken op de markten gelegd, opdat Jezus ze zou genezen
Jer. 5 : 26 markteconomie mensen vangen
Matth. 21 : 13 markteconomie roversbende (risico van -)
2 Kon. 7 : 16 marktwerking geval
Mark. 14 : 47 Markus evangelie volgens -: bron was Petrus ? Want deze blijft hier ongenoemd
Col. 4 : 10 Markus neef van Barnabas
2 Tim. 4 : 11 Markus van veel nut voor de dienst
Opb. 2 : 13 martelaar antipas
Opb. 20 : 4 martelaar geval van -en
Opb. 11 : 8 martelaar twee getuigen als -en
Opb. 6 : 9 martelaar
Opb. 16 : 6 martelaar
Hand. 21 : 13 martelaarschap bereid tot -
Filip. 1 : 20 martelaarschap Christus grootmaken
Joh. 16 : 2 martelaarschap door Christus voorzegd
Opb. 17 : 6 martelaarschap
2 Kon. 23 : 13 Mashith berg Mashith
Luk. 23 27 massa grote – van het volk volgde Jezus in zijn gang naar Golgotha
2 Kron. 25 : 12 massamoord geval
Jes. 40 : 28 mat God wordt noch moede noch mat
Deut. 25 : 18 mat Israël was - in de woestijn
Jes. 40 : 30 mat worden: door jongen
Spr. 4 : 7 materialisme mist wijsheid (toepassing)
materie zie ook Stof
Deut. 28 : 65 matheid der ziel
Tit. 1 : 8 matig opziener zij -
Spr. 20 : 1 matigheid in drinken nodig
Matth. 12 : 34 Matth. 12:34 vgl. H.Geest die uit Jezus neemt
Matth. 14 : 25 Matth. 14:25 nachtwaak, vgl. Rom 12:11-12
Matth. 3 : 10 Matth. 3:10 bijl aanliggen: spreken over oordeel, roep tot bekering
Matth. 4 : 11 Matth. 4:11 weerstaat de duivel en hij zal van u vlieden
Matth. 4 : 15 Matth. 4:15 volgens Joh. ging de Heer wonen in het Gal. der volken
Matth. 4 : 19 Matth. 4:19 vgl. Petrus op Pinksteren
Matth. 5 : 1 Matth. 5:1, vgl. eindtijd en 1000-j rijk
Matth. 2 : 2 Matth. Christus voorgesteld als de koning der Joden
Matth. 1 : 6 Matth. Christus: de koning
Matth. 1 : 6 Matth. David: voorgesteld als koning
Matth. 1 : 20 Mattheüs Christus voorgesteld als de koning
Joz. 13 : 4 Meara
Rom. 16 : 3 medearbeider medearbeiders in Christus
1 Kron. 19 : 7 Medeba
Ef. 5 : 7 mededeelgenoot van kwade dingen
1 Tim. 6 : 18 mededeelzaam zijn: door rijke gelovigen
Gal. 2 : 7 mededeelzaamheid gebrek aan -
Deut. 15 : 7 v mededeelzaamheid jegens de arme broeders
Spr. 11 : 24 mededeelzaamheid loont
Spr. 11 : 24 mededeelzaamheid on- leidt tot gebrek
2 Kron. 31 : 10 mededeelzaamheid tot overvloed aan de bedeelden
2 Kron. 31 : 4 mededeelzaamheid tov Gods arbeiders, vs .10
Hebr. 13 : 16 mededeelzaamheid vergeet de - niet
Luk. 3 : 11 mededeelzaamheid voorbeeld
Mark. 12 : 41 v mededeelzaamheid voorbeeld en geval
Spr. 11 : 26 mededeelzaamheid zegen der -
mededeelzaamheid zie Meedelen
Neh. 8 : 11 mededeelzaamheid
Spr. 3 : 28 mededeelzaamheid
Luk. 21 1 v mededeelzaamheid
Ef. 4 : 28 mededeelzaamheid
Job 6 : 2 medegevoel gebrek aan - bij Elifaz jegens Job
Jes. 63 : 9 medelijden door Christus
Ps. 69 : 21 medelijden gemis van -
Job 30 : 25 medelijden geval: Job: wenen over de ellendige
Jud : 23 medelijden hebt -
Jud : 22 medelijden hebt -: met sommigen die twijfelen
Ex. 23 : 9 medelijden leren: door ervaring
Jer. 16 : 5 medelijden verboden
Ps. 69 : 21 medelijden wachten naar -
Jes. 51 : 19 medelijden wie heeft medelijden met u, Jeruzalem?
1 Pe 3 : 8 medelijdend weest allen -
Jes. 13 : 17 Meden werktuig van Gods gericht
Ex. 32 : 7 v medezeggenschap van de mens: bij God
Mark. 15 : 15 media willen de massa een genoegen doen (toepassing)
Spr. 12 : 18 medicijn fig.: woorden
Spr. 15 : 4 medicijn geestelijk, ziellijk
Spr. 13 : 17 medicijn geestelijk: een trouw gezant
Spr. 16 : 24 medicijn voor het gebeente
Spr. 4 : 22 medicijn voor uw hele vlees: Gods woord
Jer. 51 : 11 Medië koningen van –
Dan. 7 : 5 Medisch-Perzische rijk
Dan. 8 : 3 v Medisch-Perzische Rijk rijk: gezicht van de ram, 8:20v
1 Sam. 28 : 13 medium spiritistisch -
Gal. 6 : 6 meedelen aan de onderwijzers van Gods woord
Rom. 12 : 13 meedelen deelt mee voor de behoeften van de heiligen
Rom. 12 : 8 meedelen genadegave van het -
1 Thess. 2 : 8 meedelen het evangelie van God -
Rom. 12 : 8 meedelen in eenvoudigheid
1 Thess. 2 : 8 meedelen onze eigen levens -
Rom. 12 : 15 meegevoel met blijden en wenenden
2 Kon. 4 : 41 meel
Job 14 : 11 meer de wateren verlopen uit een -
Ps. 107 : 29 meer stom op het meer door Christus gestild
Joh. 6 : 1 meer van Galilea: of meer van Tiberias
Joh. 6 : 18 meer van Galilea: onstuimig
Hos. 4 : 7 meerder worden
Hebr. 7 : 7 meerdere en mindere
Matth. 27 : 22 meerderheid 100% -
Jac. 1 : 14 meeslepen door eigen begeerte worden meegesleept
Hebr. 13 : 9 meeslepen laat u niet - door allerlei en vreemde leringen
Gal. 2 : 13 meeslepen meegesleept door huichelarij
2 Pe 3 : 17 meeslepen meegesleept worden door de dwaling van de zedelozen
1 Kron. 25 : 7 meester begrip: versus leerling
Luk. 6 : 40 meester en discipel
Joh. 13 : 13 meester en Heer
Jud : 4 meester en heer: Jezus
1 Tim. 6 : 2 meester gelovige - hebben
Luk. 18 18 meester goede -
Jes. 19 : 20 meester Jezus
2 Pe 2 : 1 meester Jezus
Matth. 8 : 18 meester Jezus - genoemd
Matth. 19 : 16 meester Jezus - genoemd
Luk. 9 : 38 meester Jezus - genoemd
Luk. 17 : 13 meester Jezus - genoemd
Mark. 10 : 34 meester Jezus - genoemd door Jakobus en Johannes
Mark. 5 : 34 meester Jezus als Meester aangeduid
Mark. 14 : 14 meester Jezus de -
1 Pe 2 : 18 meester ontzag voor uw - (werkgever)
Matth. 15 : 27 meester van een hond
1 Tim. 6 : 1 meester zijn van slaven
Ex. 23 : 9 meevoelen kunnen –
2 Cor. 1 : 11 meewerken door het gebed
Mark. 16 : 20 meewerken door Jezus de Heer
Rom. 8 : 28 meewerken ten goede: alle dingen
Gen. 50 : 20 meewerken ten goede: doet God het kwaad dat zijn broers tegen Jozef gedacht hadden
2 Cor. 1 : 6 meewerken ten goede: door God: verdrukking
Filip. 1 : 12 meewerken ten goede: geval
2 Cor. 4 : 16 meewerken ten goede: verdrukking
Deut. 23 : 5 meewerken ten goede: vloek in zegen omgezet door God
Ef. 3 : 13 meewerken verdrukkingen van Paulus werken mee ten goede voor anderen
1 Cor. 16 : 16 meewerken voor de heiligen
2 Kron. 35 : 22 Megiddo dal -: strijd in
1 Tim. 1 : 10 meinedige terechtwijzen door de wet
Esth. 2 : 2 meisje knappe -s gezocht
2 Kon. 15 : 5 melaats door God gegeven melaatsheid bij Uzzia
2 Kon. 5 : 1 melaats Naäman
Matth. 10 : 8 melaats reinigt melaatsen
Luk. 5 : 13 melaatse aanraken: door Jezus
Lev. 13 : 45 melaatse gedragsvoorschrift
2 Kon. 5 : 14 melaatse genezen
Luk. 7 : 22 melaatse melaatsen worden gereinigd
Mark. 1 : 40 v melaatse reiniging
Luk. 4 : 27 melaatse vele -n in Israël ten tijde van Elisa
Matth. 11 : 5 melaatse worden gereinigd
Luk. 5 : 12 melaatse
2 Kon. 5 : 27 melaatsheid als straf: overerven
Lev. 14 : 54 melaatsheid en schurftheid
Luk. 5 : 13 melaatsheid genezing van -
Luk. 17 : 14 melaatsheid gereinigd van -
Num. 12 : 10 melaatsheid Mirjam met - gestraft
Matth. 11 : 5 melaatsheid reiniging
Mark. 1 : 44 melaatsheid reiniging en wettelijke bepaling
2 Kron. 26 : 19 melaatsheid uitbrekende zonde
Lev. 13 : 13 melaatsheid uitwendig geheel melaats: dan rein
Deut. 24 : 8 melaatsheid voorschriften
Num. 12 : 10 melaatsheid wit van -
Hebr. 7 : 1 Melchizedek koning van Salem
Hebr. 7 : 11 Melchizedek orde van - versus orde van Aaron
Hebr. 7 : 1 Melchizedek priester van God, de Allerhoogste
Gen. 14 : 18 v Melchizedek
Hebr. 6 : 20 Melchizédek Jezus hogepriester naar de orde van -
Hgl 5 : 1 melk drinken
Hgl 4 : 11 melk en honing: in mond
1 Cor. 3 : 2 melk fig. licht verteerbare stof
Jes. 60 : 16 melk fig. vermogen
Hebr. 5 : 13 melk gebruiken
Gen. 49 : 12 melk maakt wit van tanden
Hebr. 5 : 12 melk nodig hebben
1 Cor. 3 : 2 melk onderscheiden van vast voedsel
1 Pe 2 : 2 melk redelijke, onvervalste -
Deut. 32 : 14 melk van kleinvee
Klg. 4 : 7 melk witter dan –
Jes. 55 : 1 melk zonder geld - kopen
Joh. 15 : 7 memorisatie nut
Ps. 119 : 11 memorisatie voorkomt zondigen
Col. 3 : 16 memoriseren Gods woord - is middel om het rijkelijk in ons te laten wonen (associatie)
Deut. 11 : 18 memoriseren
Jac. 1 : 26 menen begrip
2 Cor. 11 : 16 menen dat iemand onwijs is
Luk. 24 : 37 menen een geest te zien
Matth. 6 : 7 menen en gedrag
Matth. 6 : 7 menen geval van valselijk menen
Gal. 6 : 3 menen iets te zijn
Luk. 19 11 menen onjuist -
Luk. 8 : 18 menen te hebben
1 Cor. 10 : 12 menen te staan
Amos 9 : 10 menen valselijk -
Joh. 16 : 2 menen valselijk -
Hand. 26 : 9 menen valselijk -
Jac. 1 : 7 menen valselijk -
Joh. 11 : 13 menen
Joh. 13 : 29 menen
Joh. 21 : 25 menen
1 Pe 5 : 12 menen
Luk. 8 : 19 menigte bij Jezus
Luk. 9 : 12 menigte die Jezus volgde kwam van heinde en verre
Luk. 9 : 14 menigte geteld: de mannen
Hand. 21 : 35 menigte geweld van de -
Luk. 8 : 4 menigte grote -
Matth. 26 : 47 menigte grote - : gewapend, kwam Jezus tegemoet
Opb. 20 : 8 menigte grote - : verzamelde naties
Luk. 7 : 11 menigte grote - ging met Jezus
Mark. 4 : 1 menigte grote -: zeer grote
Matth. 20 : 29 menigte grote menigte volgde Jezus
Opb. 19 : 1 menigte in de hemel: grote -
Opb. 19 : 6 menigte in de hemel: grote -
Ex. 23 : 2 menigte in het kwade niet volgen
Ex. 23 : 2 menigte in het verkeerde oordeel niet volgen
Luk. 22 47 menigte kwam om Jezus op te pakken
Luk. 11 : 14 menigte menigten verwonderden zich
Luk. 12 : 1 menigte omvattend duizenden mensen
Hand. 14 : 19 menigte overreden: door de Joden
Matth. 19 : 2 menigte vele -n volgden Jezus
Luk. 14 : 25 menigte vele menigten gingen met Hem mee
Matth. 21 : 9 menigte vóór en achter Jezus lopend
Matth. 21 : 8 menigte zeer grote -
2 Sam. 4 : 10 mening foutieve -
2 Cor. 8 : 10 mening geven
Joh. 11 : 13 mening valse -
Hand. 12 : 9 mening valse -
Hand. 12 : 15 mening valse -
Hand. 14 : 19 mening valse -
Hand. 16 : 27 mening valse -
Hand. 21 : 29 mening valse -
1 Sam. 15 : 32 mening valse - bij Agag
Gen. 21 : 12 mening van Abraham bijstellen: door God
2 Kron. 18 : 5 v mening van de meerderheid hier vals
Mark. 9 : 26 mening van de meerderheid: hier onjuist
Hand. 28 : 6 mening veranderen van -
Hand. 10 : 28 mening veranderen van -: Petrus: door een gezicht
2 Sam. 3 : 37 mening vorming
Mark. 7 : 36 meningsuiting vrijheid van -: bekendmaken verboden hier
Joh. 7 : 12 meningsverschil over Jezus
Hand. 23 : 7 meningsverschil
Mark. 14 : 41 mens -beeld: Christus --: zondaar
Gen. 5 : 2 mens 'adam' genoemd door God
Gal. 4 : 11 mens aan mensen arbeiden: door Paulus
Gen. 2 : 7 mens adem des levens in hem geblazen
Rom. 3 : 12 mens afgeweken zijn alle mensen
Ps. 130 : 3 mens alle -en doemwaardig
Ps. 130 : 3 mens alle -en zondaars
Job 33 : 19 mens alle mensen door God gemaakt
1 Tim. 2 : 1 mens alle mensen: voor hen bidden
Pred. 7 : 20 mens allen hebben gezondigd
Rom. 3 : 23 mens allen hebben gezondigd
Rom. 5 : 12 mens allen hebben gezondigd
Rom. 3 : 23 mens allen komen te kort, missen de heerlijkheid van God
Ps. 53 : 2 v mens allen zondaars
2 Kron. 6 : 36 mens allen zondigen
1 Kon. 8 : 46 mens allen zondigen, geen mens is er die niet zondigt
Ex. 4 : 11 mens allerlei mensen: door God gemaakt
Rom. 3 : 13 mens bedriegt
Gen. 3 : 23 mens beeld van God: bouwen aardbodem
Luk. 20 34 mens beeld: bij Jezus: zonen van deze eeuw
Luk. 9 : 42 mens beeld: Christus mensbeeld: ongelovig, verdraaid
Mark. 8 : 38 mens beeld: Jezus': overspelig en zondig geslacht
Luk. 11 : 39 mens beeld: van Jezus
Luk. 9 : 60 mens beeld: van Jezus: geestelijk dode
Luk. 10 : 2 mens beeld: van Jezus: ongelovigen als wolven
Col. 3 : 22 mens behagen van -en
Ef. 2 : 2 mens beinvloedbaar door geestelijke macht der lucht
Luk. 6 : 31 mens bejegening van de medemens
Hand. 17 : 30 mens bekering: alle mensen moeten zich bekeren
Zef. 3 : 3 v mens belangrijke functies in de Israëlitische maatschappij
Hand. 17 : 26 mens bestemming op aarde: overal wonen
Spr. 12 : 3 mens bevestigen: niet door goddeloosheid zal de - bevestigd worden
Luk. 11 : 40 mens binnen en buitenkant
Jes. 42 : 16 mens blind: van nature blind
Matth. 7 : 11 mens boos
Luk. 11 : 13 mens boos
Luk. 11 : 13 mens boos en goede gaven gevend
Matth. 7 : 11 mens boos, slecht
Gen. 6 : 5 mens boosheid: overal boosheid
Matth. 12 : 35 mens boze -
2 Thess. 3 : 2 mens boze -en
2 Tim. 3 : 13 mens boze mensen
Joh. 8 : 21 v mens Christus over de -
Matth. 26 : 45 mens Christus' mensbeeld: zondaars
Jac. 4 : 14 mens damp gelijk
2 Thess. 2 : 3 v mens de - van de zonde
2 Thess. 2 : 3 mens de - van de zonde: anti-godsdienstig
2 Thess. 2 : 3 mens de - van de zonde: en de afval
Opb. 21 : 3 mens de mensen zullen Gods volk zijn
1 Cor. 15 : 47 mens de tweede – is uit de hemel
Gen. 6 : 5 mens denken: verdorven
Ps. 49 : 21 mens dier en -: gelijk worden als de beesten die vergaan
2 Pe 2 : 12 mens dierlijk gedrag van sommigen
Mark. 8 : 33 mens dingen van de mensen bedenken: door de satan
1 Thess. 5 : 15 mens doel ten opzichte van medemens: te allen tijde het goede najagen
Hand. 17 : 27 mens doel: God zoeken en vinden
Jes. 42 : 18 mens doof: van nature doof
Luk. 12 : 7 mens door God gekend tot in bijzonderheden
Spr. 22 : 2 mens door God gemaakt
Ps. 139 : 14 mens door God gemaakt: ik ben op bijzondere wijze gemaakt
1 Sam. 12 : 6 mens door God gemaakt: vb. Mozes, Aaron
Job 10 : 8 mens door Gods handen gemaakt
Luk. 22 53 mens duivel: - geleid door de duivel
Hebr. 2 : 7 mens eer
Hebr. 2 : 7 mens eer van de -: met eer gekroond
Joh. 12 : 43 mens eer van mensen meer liefhebben
Gen. 2 : 15 mens eerste -: taken: bouwen en bewaren
1 Cor. 15 : 47 mens eerste mens: is uit de aarde
Ps. 103 : 16 mens eeuwig blijft de godvrezende (vgl. vers 14-15)
Pred. 7 : 2 mens einde van alle -en: klaaghuis, rouwcentrum
Pred. 3 : 20 mens einde: stof
Rom. 3 : 16 mens ellende is op hun wegen
Pred. 3 : 18 mens en dier
Job 35 : 11 mens en dier: mens wijzer dan de beesten
Gen. 9 : 2 mens en dier: vrees, verschrikking
Zef. 1 : 3 mens en dieren: onderscheiden van beesten
Jac. 3 : 9 mens en God: gemaakt naar Gods gelijkenis
Hebr. 2 : 7 mens engelen: weinig minder dan engelen
Matth. 15 : 13 mens fig. plant
Job 10 : 11 mens formering: bekleed met vel en vlees
Job 10 : 9 mens formering: God bereidt een mens als leem
Matth. 15 : 9 mens geboden van -en
Pred. 5 : 14 mens geboorte en dood
Ps. 139 : 15 mens geboorte en opstanding
Ps. 94 : 11 mens gedachten der mensen zijn ijdelheid
Hand. 10 : 28 mens geen enkel - onheilig of onrein noemen
Job 9 : 2 mens geen mens rechtvaardig bij God
Job 25 : 4 mens geen mens rechtvaardig bij God
Gen. 2 : 8 mens geformeerd door God
Jes. 45 : 9 mens geformeerd door God
Gen. 2 : 7 mens geformeerd uit het stof der aarde
Jer. 1 : 5 mens gekend voor de geboorte
Gen. 6 : 6 mens gemaakt door God
Jes. 51 : 13 mens gemaakt door God
Hand. 17 : 26 mens gemaakt door God
Ps. 95 : 6 mens gemaakt door God: komt laat ons knielen voor God
Ps. 119 : 73 mens gemaakt door God: Uw handen hebben Mij gemaakt
Ps. 139 : 15 mens gemaakt in het verborgene van de moederschoot
Gen. 9 : 6 mens gemaakt naar Gods beeld
Gen. 5 : 1 mens gemaakt naar Gods gelijkenis
Pred. 7 : 29 mens gemaakt: door God recht gemaakt
Jac. 3 : 9 mens gemaakt: naar Gods gelijkenis
Job 25 : 6 mens geringheid: een made of worm gelijk
Jes. 51 : 12 mens geringheid: zal hooi worden
Gen. 5 : 1 mens geschapen
Mal. 2 : 10 mens geschapen door één God
Gen. 6 : 7 mens geschapen door God
Mark. 10 : 6 mens geschapen door God
Jes. 45 : 12 mens geschapen door God op de aarde
Gen. 1 : 27 mens geschapen naar Gods beeld en gelijkenis
Deut. 4 : 32 mens geschapen op 1 dag
Gen. 2 : 15 mens gesteld (vers 8), gezet in de hof van Eden
Ps. 57 : 5 mens gevaarlijke -en
2 Sam. 15 : 31 mens God beinvloedt de -, vgl. 17:14
Ps. 100 : 3 mens God heeft ons gemaakt, niet wij
Ps. 103 : 14 mens God kent de mens
Deut. 31 : 21 mens God kent de mens en zijn innerlijk en kan voorzeggen zijn gedrag
Matth. 15 : 13 mens God plant mensen op aarde
Dan. 2 : 46 mens goddelijke eer toegebracht: aan Daniël
Rom. 4 : 5 mens goddeloos van huis uit
Luk. 10 : 3 mens goddeloze mens is de wolven gelijk
2 Tim. 3 : 17 mens Gods
1 Tim. 6 : 11 mens Gods: Timotheüs
Jac. 3 : 12 mens goed -: christen is in beginsel een goed -
Mark. 10 : 18 mens goed: niemand is goed
Matth. 12 : 35 mens goede -
Luk. 6 : 45 mens goede -
Micha 7 : 1 mens goede mensen: verlangen naar hen
1 Kon. 14 : 13 mens goeds in een mensenkind gevonden
Job 4 : 19 mens grondslag: stof
Luk. 9 : 44 mens handen van -en: overgeleverd worden in de handen van mensen
Hebr. 2 : 7 mens heerlijkheid
Gen. 1 : 26 v mens heerschappij over de aarde en haar schepselen
Hebr. 2 : 7 mens heerschappij van de -
Jes. 40 : 31 mens hemelse - (toepassing)
Ps. 146 : 3 mens houding tegenover -: niet op hem vertrouwen
Tit. 3 : 2 mens houding tegenover de mensen
Luk. 22 58 v mens iemand aanspreken met 'mens'
Jes. 40 : 6 mens ijdel, kortstondig
Pred. 3 : 19 mens ijdelheid is de -
Ps. 144 : 4 mens ijdelheid van de -
2 Cor. 12 : 2 mens in Christus
Matth. 22 : 10 mens indeling der mensen: bozen en goeden
Ef. 3 : 16 - 17 mens innerlijke -: en hart
Ef. 3 : 16 mens innerlijke -: sterken: door de Geest
2 Cor. 4 : 16 mens innerlijke -: wordt van dag tot dag vernieuwd
Rom. 7 : 22 mens innerlijke mens
1 Pe 3 : 4 mens inwendige -
Jes. 41 : 23 mens is geen god
Jes. 41 : 22 v mens is geen god: weet niet alles
Pred. 5 : 1 mens is op aarde
Joh. 17 : 6 mens is van God de Vader
Gen. 6 : 3 mens is vlees
Luk. 5 : 20 mens Jezus sprak iemand aan met '- '
Luk. 11 : 13 mens Jezus' mensbeeld
Ps. 148 : 12 mens jonge mensen
2 Pe 2 : 12 mens kenmerk: rede
Ps. 107 : 8 mens kinderen der mensen
Pred. 5 : 15 mens komen en heengaan gelijk
Job 14 : 2 mens korstondigheid van zijn bestaan
Job 14 : 1 mens kort van dagen
Ps. 103 : 15 v mens kortstondig als gras, als een bloem des velds
2 Kon. 8 : 13 mens kwaad: geneigd tot alle kwaad: geval
Ps. 140 : 2 mens kwade -: red mij van de kwade -
Gen. 6 : 3 mens leeftijd: bekort
Job 10 : 20 mens leeftijd: mijn dagen zijn weinig
Jes. 45 : 9 mens leem gelijk
Jes. 64 : 8 mens leem: gebakken door God
Rom. 3 : 4 mens leugenachtig: ieder -
Gen. 2 : 7 mens levende ziel: wording
Job 14 : 5 mens levensduur: bestemd, bij God bekend
Luk. 12 : 4 mens lichaam: - meer dan een lichaam
Joh. 1 : 4 mens licht van de mensen
Luk. 11 : 40 mens maaksel van God
Rom. 9 : 20 mens maaksel van God
Job 31 : 15 mens maaksel: wordt door God gemaakt in de buik
Hebr. 13 : 6 mens macht: ten kwade: beperkt
Spr. 14 : 31 mens maker van de mens is God
Gen. 5 : 2 mens man en vrouw schiep Hij hen
Matth. 15 : 13 mens mensen laten begaan
Joh. 17 : 6 mens mensen zijn van de Vader
Jes. 41 : 24 mens minder dan niets
Rom. 3 : 14 mens mond is vol bitterheid
Rom. 3 : 14 mens mond is vol vervloeking
Ex. 4 : 11 mens mond: gemaakt door God
Gen. 5 : 2 mens naam: door God gegeven
Gen. 9 : 6 mens naar Gods beeld gemaakt
Jud : 19 mens natuurlijke -: zonder Geest
Rom. 3 : 11 mens niemand die God zoekt
Rom. 3 : 12 mens niemand die goed doet
Rom. 3 : 10 mens niemand die verstandig is
Job 15 : 14 mens niet volkomen rechtvaardig
Jes. 40 : 15 mens nietig
Jac. 2 : 20 mens nietig -
Jes. 2 : 22 mens nietig, niet achtenswaard
Jes. 40 : 22 mens nietig: sprinkhaan gelijk
Gal. 6 : 15 mens nieuw -
Ef. 2 : 10 mens nieuw -: zie Schepping, nieuwe
Ef. 4 : 24 mens nieuwe - aangedaan hebbend
Col. 3 : 10 mens nieuwe - wordt vernieuwd naar het beeld van de Schepper
Col. 3 : 10 mens nieuwe -: door God geschapen
Ef. 4 : 24 mens nieuwe -: geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid
Col. 3 : 9 mens nieuwe -: hebben wij aangedaan
Ef. 4 : 24 mens nieuwe -: kenmerken
Col. 3 : 10 mens nieuwe -: wordt vernieuwd: tot kennis
Col. 3 : 11 mens nieuwe: Christus is alles en in allen
Col. 3 : 11 mens nieuwe: onderscheidingen tellen niet
Rom. 3 : 12 mens nutteloos
2 Sam. 24 : 14 mens onbarmhartiger dan God
2 Thess. 3 : 2 mens onbehoorlijke -en
Gen. 7 : 21 mens onderscheiden van de dieren
Luk. 9 : 41 mens ongelovig en verdraaid geslacht
Mark. 9 : 19 mens ongelovig geslacht
Matth. 5 : 36 mens onmacht van de -
Luk. 18 27 mens onmogelijk bij -en, mogelijk bij God
Job 14 : 4 mens onrein geboren
Job 15 : 14 mens onrein van huis uit
Job 14 : 1 mens onrust: zat van onrust
Gen. 2 : 7 mens ontstaan: uit de aarde
Jer. 51 : 17 mens onvernuftig geworden is ieder mens
Jes. 42 : 16 mens onwetend van Gods wegen
Ps. 94 : 9 mens oog door God geformeerd
Ps. 94 : 9 mens oor door God geplant
Gen. 3 : 23 mens oorsprong: aardbodem
Filip. 3 : 17 mens op mensen zien: hier in goede zin
Job 31 : 15 mens opvatting omtrent de mens: en (on)recht
Ef. 4 : 18 mens oude -
Col. 3 : 7 v mens oude -
Matth. 8 : 22 mens oude - : geestelijk dode
Ef. 4 : 22 mens oude - en waarheid
Joh. 8 : 23 mens oude - vs. nieuwe -: qua oorsprong
Ef. 4 : 22 mens oude -: afgelegd
Ef. 4 : 22 mens oude -: bedrieglijke begeerten
Col. 3 : 9 mens oude -: daden
Ef. 4 : 22 mens oude -: gaat ten verderve, overeenkomstig zijn begeerten
Joh. 5 : 24 mens oude -: geestelijk dood
Col. 2 : 13 mens oude -: geestelijk dood
Rom. 5 : 6 mens oude -: goddeloos
Joh. 3 : 20 mens oude -: haat het licht
Ef. 2 : 12 mens oude -: heidense: toestand
Ef. 5 : 14 mens oude -: is dood, vgl. Ro 6:12
Ef. 2 : 3 mens oude -: kenmerken
Ef. 4 : 25 v mens oude -: kenmerken: liegen etc
Rom. 5 : 6 mens oude -: krachteloos
1 Pe 3 : 18 mens oude -: onrechtvaardige
Ef. 5 : 14 mens oude -: slaapt van huis uit
Col. 3 : 9 mens oude -: uitgedaan
Luk. 15 : 4 mens oude -: verloren
Rom. 5 : 10 mens oude -: vijand van God
Joh. 3 : 19 mens oude -: werken waren boos
Luk. 15 : 7 mens oude -: zondaar
Rom. 5 : 8 mens oude -: zondaar
1 Pe 2 : 25 mens oude mens: dwaalt
Tit. 3 : 3 v mens oude mens: kenmerken
Tit. 3 : 3 mens oude mens: leven en houding
Tit. 3 : 3 mens oude mens: onverstandig
Luk. 16 : 8 mens oude mens: zoon dezer eeuw
2 Sam. 7 : 10 mens oude: 'kinderen der verkeerdheid'
Ef. 5 : 6 mens oude: duisternis
Ef. 4 : 17 mens oude: kenmerken
Ef. 5 : 6 mens oude: zoon der ongehoorzaamheid
Job 14 : 20 mens overweldigt door God (die een einde aan zijn leven maakt)
Jes. 45 : 9 mens potscherf gelijk
Ez. 2 : 3 mens rebel tegen God
Ps. 143 : 2 mens rechtvaardig: niemand
Gen. 3 : 23 mens roeping en oorsprong
Gen. 3 : 23 mens roeping: aardbodem bouwen
Gen. 1 : 26 mens schepping
Matth. 19 : 4 mens schepping
Spr. 8 : 31 mens schepping van de - schijnt niet lang na schepping aarde en hemel
Job 27 : 3 mens schepping van de mens (associatie): God blies in zijn neus
Ps. 102 : 19 mens schepping van God
Job 10 : 11 mens schepping: ook individueel door God geschapen
Gen. 5 : 2 mens schepping: op één dag
Rom. 3 : 13 mens spreken: addervergif
Rom. 3 : 13 mens spreken: keel is een open graf
Ps. 49 : 10 v mens sterfelijk
Jes. 51 : 12 mens sterfelijk
2 Kron. 14 : 11 mens sterfelijke -
Ps. 103 : 14 mens stof
Gen. 18 : 27 mens stof en as zijnde (Abrahams gedachte over zichzelf)
Job 34 : 15 mens stof: keert weder tot stof
Gen. 3 : 19 mens stoffelijk
Job 33 : 6 mens stoffelijk
Job 10 : 9 mens stoffelijk, als leem bereid
Rom. 3 : 19 mens strafschuldig voor God
Gen. 2 : 5 mens taak: bouwen aardbodem
Job 14 : 4 mens tijden door God bepaald
Luk. 18 19 mens toestand, zedelijke -: niemand goed
Job 5 : 7 mens tot moeite geboren
Job 33 : 6 mens uit het leem afgesneden (zo Elihu)
Pred. 3 : 20 mens uit het stof
Luk. 20 4 mens uit mensen zijn versus uit de hemel zijn
Luk. 20 4 mens uit mensen: een zaak
2 Cor. 4 : 16 mens uiterlijke mens: raakt in verval
2 Thess. 2 : 4 mens van de -: verheft zichzelf tot een godheid
2 Thess. 2 : 6 mens van de zonde: wordt nog tegengehouden door iets
Job 14 : 1 mens van een vrouw geboren
Luk. 19 10 mens van huis uit: verloren
Luk. 5 : 10 mens vangen -en
Mark. 10 : 6 mens varianten: mannelijk en vrouwelijk
Ps. 90 : 7 v mens vergaat door Gods toorn
Job 14 : 2 mens vergankelijk
Ps. 90 : 5 v mens vergankelijk
Ps. 90 : 10 mens vergankelijk
Ps. 144 : 4 mens vergankelijk
Ps. 146 : 4 mens vergankelijk
Jes. 50 : 9 mens vergankelijk
Jes. 51 : 8 mens vergankelijk
Jac. 1 : 10 mens vergankelijk
Ps. 103 : 15 v mens vergankelijk als gras, als een bloem des velds
1 Pe 1 : 24 mens vergankelijk wezen
Job 34 : 20 mens vergankelijk, kan in een ogenblik afgesneden worden
Luk. 6 : 43 mens vergeleken met een boom
Ps. 103 : 16 mens vergeten: individuele mens raakt spoedig vergeten
Rom. 3 : 15 mens vergiet snel bloed
Ex. 21 : 7 mens verkopen: toegestaan
Gen. 6 : 1 mens vermenigvuldigen begonnen de mensen op de aardbodem
Luk. 18 27 mens vermogen van de - is beperkt
Rom. 3 : 16 mens vernieling is op hun wegen
Pred. 3 : 21 mens versus dier
Jud : 10 mens versus dier: rede
Jes. 31 : 3 mens versus God
Jer. 17 : 6 mens vervloekt is de man die op een - vertrouwt
Ez. 2 : 6 mens vgl. met doornen, schorpioenen
Joh. 17 : 2 mens vlees
Gen. 1 : 29 mens voedsel: kruid, vruchten (plantaardig)
Pred. 4 : 3 mens vooraards bestaan? neen
Pred. 5 : 14 mens voortgekomen uit de moederschoot
Rom. 3 : 17 mens vrede: kent de weg van de vrede niet
Hebr. 13 : 6 mens vrezen voor mensen: ik zal niet vrezen, want God is mij een Helper
Ps. 144 : 3 mens waarde voor God: geacht door God
Gen. 9 : 6 mens waarde: gefundeerd in naar Gods beeld zijn
Spr. 6 : 26 mens waarde: kostbaar
Matth. 12 : 12 mens waarde: meer dan een schaap
1 Sam. 26 : 24 mens waardevol (toepassing)
Luk. 15 : 8 mens waardevol voor God: vergelijk geld
Luk. 12 : 7 mens waardevoller dan een beest
Luk. 12 : 7 mens waardij van de
Matth. 10 : 17 mens waarschuwing tegen –en
Jes. 64 : 8 mens werk van God
Job 34 : 19 mens werk van Gods hand
Matth. 10 : 16 - 17 mens wolf gelijk
Jes. 44 : 24 mens wording: door God geformeerd van de moederschoot af
Matth. 3 : 10 mens zinnebeeld: boom met vrucht
Jes. 64 : 6 mens zondaar
Hebr. 12 : 3 mens zondaar
Jer. 5 : 1 mens zondaar: algemeen (toepassing)
Opb. 2 : 10 mens zondaar: geleid door de duivel
Ps. 116 : 11 mens zondaar: leugenaar
Joh. 8 : 7 mens zondaar: niemand zonder zonde
Rom. 3 : 9 mens zonde: allen onder de zonde
Rom. 3 : 18 mens zonder vrees voor God
Matth. 17 : 22 mens zondig
Pred. 8 : 11 mens zondig hart
Pred. 9 : 3 mens zondig hart heeft hij
Mark. 10 : 18 mens zondig: niemand is goed
Luk. 24 : 7 mens zondige -en
Matth. 13 : 37 mens zoon des mensen
Opb. 14 : 14 mens Zoon des mensen
Jes. 31 : 3 mens zwak vergeleken met God
1 Sam. 24 : 7 mensbeeld bepaalt hoe je met iemand omgaat (toepassing)
Mark. 8 : 23 mensbeeld bomen: door slechtziendheid
Luk. 12 : 4 mensbeeld Jezus -
Matth. 10 : 16 mensbeeld Jezus' -: zondaars gelijk wolven
Jac. 2 : 20 mensbeeld nietigheid mens
Mark. 8 : 33 menselijk denken: hier tegen de wil van God
Jes. 29 : 13 menselijk geboden van mensen in de vreze Gods
1 Cor. 3 : 4 menselijk zijn
Luk. 20 45 mensen oppassen voor bepaalde soorten mensen, bijv. schriftgeleerden
Col. 3 : 22 mensenbehager niet als -s
Ef. 6 : 6 mensenbehager niet met ogendienst, als -s
Jes. 50 : 1 mensenhandel fig. mensen verkocht door God om hun ongerechtigheid
Gen. 17 : 12 v mensenhandel kopen van een slaaf
Ex. 21 : 16 mensenhandel mens stelen, verkopen
Deut. 24 : 7 mensenhandel verboden
Jes. 51 : 12 mensenvrees
Job 16 : 21 mensenzoon Jezus (associatie)
Job 16 : 21 mensenzoon pleit voor zijn naaste (of vriend)
Dan. 7 : 13 Mensenzoon
Gen. 9 : 19 mensheid stamt van Noachs nakomelingen
Luk. 20 34 mensheid tegenwoordige - : zonen van deze eeuw
Hand. 28 : 2 menslievendheid bewijzen
Hand. 28 : 2 menslievendheid natuurlijke -
Gen. 18 : 12 menstruatie opgehouden: bij Sarah
Luk. 18 18 v mensverering
2 Kon. 7 : 6 mensvormig openbaren: door God
Mark. 2 : 18 mentor Jezus onze -
Hebr. 4 : 12 merg
Ps. 66 : 15 mergbeest brandoffers van -en
2 Sam. 5 : 12 merken dat God iets gedaan heeft: geval
1 Kron. 14 : 2 merken Gods handelen -: David merkt dat God hem tot koning bevestigd had
Dan. 8 : 27 merken niemand merkte Daniëls ontzet-zijn
Hos. 7 : 9 merken niet -: achteruitgang Efraim
Hos. 7 : 9 merken niet -: geestelijk verval
Jes. 42 : 25 merken niet -: Gods tuchtiging
Gal. 6 : 17 merkteken merktekens van Jezus dragen in het lichaam
Opb. 14 : 9 merkteken op voorhoofd of hand
Opb. 16 : 2 merkteken van het beest
Opb. 19 : 20 merkteken van het Beest
Opb. 20 : 4 merkteken van het beest: aan voorhoofd of hand
Opb. 13 : 16 merkteken
Jes. 39 : 1 Merodach-Baladan
Joz. 5 : 2 mes stenen
Gen. 10 : 2 Mesech zoon van Jafeth
Ez. 32 : 26 Mesech
Luk. 7 : 19 messias beloofde -
Mark. 9 : 11 messias eis aan -: voorafgegaan door Elia
Joh. 4 : 25 messias of Christus
Jes. 25 : 9 messias verwacht
Matth. 2 : 4 messias verwachting
Mark. 9 : 11 messias verwachting
Luk. 7 : 19 messias verwachting
Joh. 1 : 20 messias verwachting
Luk. 23 2 messias verwachting: de messias is een koning
Matth. 12 : 23 messias verwachting: door 't volk: zoon van David
Ez. 17 : 22 messias voorzegd
Hos. 3 : 5 messias zoeken van de -
1 Sam. 2 : 10 messias
Matth. 22 : 4 mesten gemeste beesten
Gen. 48 : 21 met aan Christus
Filip. 1 : 23 met Christus: in hiernamaals
Joh. 8 : 29 met de Vader was met Jezus
1 Sam. 18 : 28 met God - David
1 Kron. 11 : 9 met God - David
2 Kron. 17 : 3 met God - iem.: reden
Joh. 8 : 29 met God - Jezus
Gen. 39 : 3 met God - Jozef: door Potifar onderkend
Gen. 39 : 2 met God - Jozef: gevolg: voorspoed
Gen. 39 : 21 met God - Jozef: in het gevangenhuis
Ps. 56 : 10 met God - mij
Deut. 20 : 1 met God - ons in de strijd
Deut. 20 : 4 met God - ons in de strijd
Deut. 20 : 5 , 4 met God - ons in de strijd: toch slachtoffers mogelijk
Richt. 6 : 12 v met God - ons, vgl. 6:15
Joz. 1 : 9 met God - ons: overal
Ex. 33 : 16 met God gaat - ons
Deut. 31 : 6 met God gaat met ons
1 Sam. 18 : 12 met God iem. : vs. geweken van iem.
2 Kron. 19 : 11 met God is met de goede
Gen. 31 : 5 met God is met Jakob geweest
Ex. 3 : 12 met God is met Mozes
Joz. 1 : 5 met God is met ons: begrip
Jer. 42 : 11 met God is met ons: om
1 Sam. 16 : 18 met God met David
1 Sam. 20 : 13 met God met David
2 Sam. 7 : 3 met God met David
2 Sam. 7 : 9 met God met David: overal
Richt. 1 : 22 met God met een huis (stam), in de strijd
Gen. 39 : 23 met God met Jozef: in de gevangenis
Joz. 6 : 27 met God met Jozua: gevolg: overwinning, wonderen
2 Kron. 20 : 17 met God met Juda
Joz. 1 : 17 met God met Mozes, Jozua
Joz. 3 : 7 met God met Mozes, Jozua
Richt. 2 : 18 met God met ons
1 Sam. 10 : 7 met God met ons
2 Sam. 14 : 18 met God met ons
Joz. 7 : 12 met God met ons zijn: begrip
2 Kon. 18 : 7 met God met ons: reden: gehoorzaamheid en liefde tot Hem
2 Kron. 1 : 1 met God met Salomo zijnde
Luk. 1 : 28 met God met u: Maria
Num. 14 : 43 met God niet - het volk
2 Kron. 25 : 7 met God niet - Israël
Joz. 7 : 12 met God niet - ons zijn: oorzaak: zonde
1 Sam. 28 : 15 met God niet met iemand: geweken: van Saul
2 Cor. 13 : 11 met God van de liefde en vrede zal met u zijn
1 Kron. 17 : 8 met God was met David geweest
2 Kon. 18 : 6 met God was met Hizkia
Ps. 60 : 12 met God was niet met ons
1 Sam. 3 : 19 met God was Samuel
1 Kron. 22 : 11 met God zal - u zijn, zei David tot Salomo
1 Kron. 28 : 20 met God zal - u zijn, zei David tot Salomo
Gen. 48 : 21 met God zal met Israël wezen in Egypte
Deut. 31 : 8 met God zal met u zijn
Deut. 31 : 23 met God zal met u zijn, Jozua
Luk. 1 : 66 met Gods hand was met Johannes
2 Thess. 3 : 16 met Heer zij met u allen
1 Kron. 9 : 20 met iem. zijn: door God: God was met Pinehas
Hag. 2 : 5 - 6 met Ik ben met u, met het Woord en mijn Geest
Gen. 46 : 4 met Israël: God zou met Israël optrekken uit Egypte
1 Kron. 22 : 18 met Jahweh is - u, zei David tot de vorsten van Israël
1 Kron. 22 : 16 met Jahweh zal met u zijn, zei David tot Salomo
Gen. 46 : 4 met Jakob: God ging met Jakob naar Egypte
Matth. 28 : 20 met Jezus met ons: alle dagen: tot het einde
Hand. 18 : 9 met Jezus was met Paulus
Gen. 31 : 3 met met iemand zijn: God zou met Jakob zijn
Luk. 11 : 23 met met versus tegen Jezus zijn
2Jo : 2 met ons zijn: de waarheid
2Jo : 3 met ons zijn: genade, barmhartigheid, vrede: in waarheid en liefde
Joh. 14 : 16 met ons: de Geest
Luk. 1 : 28 met ons: God
Filip. 4 : 9 met ons: God van de vrede zal - u zijn
1 Kon. 8 : 57 met ons: Jahweh, onze God, zij met ons
1 Kon. 8 : 57 met onze vaderen: God was met hen
2 Kron. 15 : 1 met wij met God, dan God met ons
met zie ook Bij
Ps. 46 : 8 met God - ons
1 Sam. 18 : 14 met God met David
Gen. 31 : 3 met iemand zijn: God: met Jakob
Tit. 1 : 13 metataal geval
Jes. 40 : 12 meten door God
Mark. 4 : 24 meten door God: ons: naar onze eigen maat
Luk. 6 : 38 meten en gemeten worden
Lev. 19 : 35 meten geen onrecht doen in het -
Luk. 6 : 38 meten met een maat
Opb. 8 : 10 meteoriet mogelijk
Ex. 33 : 14 metgezel Christus onze -
Jer. 10 : 23 methode door God bepaald
Micha 7 : 1 v Micha probleem in zijn tijd
Micha 7 : 6 Micha probleem in zijn tijd
Jer. 26 : 18 Micha profeet
Jer. 26 : 18 Micha tijd: dagen van Hizkia
Micha 2 : 9 Micha zonde in die tijd: vrouwen verdrijven
Micha 2 : 2 Micha zonde in Micha's tijd: onrechtmatige bezitsvermeerdering
Dan. 10 : 21 Michaël 'uw (Daniels) vorst - '
Dan. 10 : 13 Michaël een van de eerste vorsten
Opb. 12 : 7 Michaël en zijn engelen
Jud : 9 Michaël
Luk. 14 : 12 middagmaal
Luk. 22 36 middel andere middelen in veranderde omstandigheid
Ezra 1 : 4 middel God geeft de middelen door mensen
1 Sam. 17 : 38 middel menselijke -en
1 Sam. 17 : 47 middel ter verlossing
1 Thess. 2 : 5 middel verkeerd -: hebzuchtig voorwendsel
1 Thess. 2 : 5 middel verkeerd -: vleiende taal
Spr. 21 : 31 middel vertrouwen op -en: niet juist
Ex. 20 : 19 middelaar behoefte bij de mensen aan een middelaar
Job 9 : 33 middelaar Christus - (associatie)
1 Tim. 2 : 5 middelaar Christus Jezus is de ene middelaar tussen God en mensen
Deut. 18 : 16 - 18 middelaar Christus: noodzaak
Hebr. 9 : 15 middelaar Jezus - van een nieuw verbond
Hebr. 8 : 6 middelaar Jezus: van een beter verbond
Job 16 : 21 middelaar Job verlangt een -
Deut. 5 : 5 middelaar Mozes
Pred. 9 : 15 middelaar van een nieuw verbond: Christus
Hebr. 12 : 24 middelaar van een verbond: Jezus (nieuwe verbond) en Mozes (en engelen, oude verbond)
Luk. 24 : 36 midden Christus in het -
Opb. 2 : 1 midden Christus in het - der kandelaars
Opb. 1 : 13 midden Christus in het -: van de gemeenten
Joz. 3 : 10 midden de levende God is in het midden van u
Luk. 6 : 8 midden een mens door Jezus in het midden geplaatst
Ex. 34 : 9 midden God in het -
Zach. 8 : 3 midden God in het -
Num. 35 : 33 midden God in het - des lands wonend
Micha 3 : 11 midden God in het - gewaand
Deut. 6 : 15 midden God in het - van het volk Israël
Hos. 11 : 9 midden God in het midden van u
Joel 2 : 27 midden God is in het midden van Israël
Deut. 1 : 42 midden God niet in het -: wij zwak
Deut. 31 : 17 midden God niet meer in het - van Israël, na afval
Hag. 2 : 6 midden God staande in het - van het volk
Lev. 26 : 12 midden God wandelen in ons midden
Deut. 23 : 14 midden God wandelt in uw midden< om u te verlossen
Ex. 33 : 3 midden God wil niet in het - zijn
Lev. 26 : 11 midden Gods tabernakel in het -
Mark. 3 : 3 midden in het - komen staan
Rom. 1 : 12 midden in het - van de heiligen te Rome
Spr. 8 : 20 midden in het - van de paden des rechts wandelen
Deut. 26 : 11 midden in het - van u: de vreemdeling
Hand. 24 : 21 midden in het midden van de Raad stond Paulus
Opb. 5 : 6 midden in het midden van troon, levende wezens en oudsten: het Lam
1 Thess. 2 : 7 midden in uw midden zijn: Paulus en anderen
Joh. 20 : 19 midden Jezus ging in het - staan
Joh. 20 : 26 midden Jezus ging in het - staan
Matth. 18 : 20 midden Jezus in het midden der discipelen
Mark. 3 : 32 v midden Jezus in het midden van een menigte
Luk. 23 33 midden Jezus te midden van de kruiselingen
Joh. 8 : 4 midden overspeelster in het - geplaatst
Hand. 4 : 7 midden Petrus en Johannes in het midden van de Raad geplaatst
Luk. 22 55 midden Petrus in het midden van de tempeldienaren
1 Cor. 5 : 2 midden uit – van de gemeente wegdoen: een zondaar
Hebr. 2 : 12 midden van de gemeente: Jezus in het - van de gemeente
Gen. 2 : 9 midden van de hof van Eden
2 Pe 2 : 8 midden wonen in het - van de zedelozen: Lot
Ex. 2 : 15 Midian Mozes woonde in het land –
1 Kron. 1 : 32 Midian zoon van Ketura, Abrahams bijvrouw
Num. 25 : 17 Midianieten handelt vijandig met de -
Richt. 6 : 1 v Midianieten
Spr. 6 : 6 v mier gedrag
Spr. 30 : 25 mier
Gen. 35 : 21 Migdal-Eder
Luk. 10 : 31 mijden gewonde - door een priester
Luk. 21 21 mijden Jeruzalem - om de nabije verwoesting
Spr. 24 : 1 mijden omgang met boze lieden
Spr. 4 : 14 mijden pad van de goddelozen
Spr. 1 : 15 mijden zondaars met boze toeleg
Jes. 32 : 5 mild
Jes. 32 : 5 milddadig
Jes. 32 : 8 milddadige beraadslaagt milddadigheden en staat op milddadigheden
Jes. 32 : 7 milddadige
Jes. 32 : 8 milddadigheid beraadslagen van -en, staan op -en
2 Tim. 4 : 20 Miléte
Jer. 23 : 10 milieu bederf en boosheid
Jes. 24 : 4 v milieu en zedenbederf
Deut. 22 : 7 milieu Gods zorg voor -
Opb. 11 : 18 milieu hen die de aarde verderven
2 Kon. 2 : 21 milieu herstel
Ez. 47 : 8 milieu herstel
Hos. 4 : 3 milieu in nood
Jer. 12 : 4 milieu probleem: oorzaak zonde
Deut. 20 : 19 milieu te sparen: bomen (voedselbron)
Jer. 8 : 13 milieu vruchteloosheid tijdens verval van het volk
Ps. 105 : 29 milieuramp
Opb. 16 : 3 milieuramp
2 Kon. 3 : 25 militair functie: slingeraar
Richt. 9 : 6 Millo
Rom. 14 : 10 minachten broeder –: is niet goed
1 Cor. 16 : 11 minachten
Job 30 : 1 mindere minderen van dagen
Richt. 6 : 16 minderwaardigheid bestrijden: God is met je
Hag. 2 : 9 mineraal goud en zilver zijn van God
Spr. 7 : 18 minnen dronken worden van -
1 Kron. 6 : 3 Mirjam familie
Deut. 24 : 9 Mirjam melaatsheid tot straf
Hgl 5 : 5 mirre handen druipend van -
Hgl 5 : 13 mirre lippen druppende van vloeiende -
Hgl 5 : 1 mirre plukken
Esth. 4 : 3 misbaar door de Joden
Mark. 5 : 38 misbaar
Spr. 1 : 11 v misdaad beramen
Deut. 5 : 9 misdaad bezoeken: God bezoekt de - der vaderen aan de kinderen
Ps. 69 : 28 misdaad doe - tot hun -
Job 33 : 9 misdaad geen - hebben: Job
Jes. 6 : 7 misdaad geweken: van Jesaja
Job 31 : 11 misdaad iets is een - bij de rechters
2 Sam. 14 : 32 misdaad in iemand zijnde, na jaren van de daad
Gen. 4 : 13 misdaad onvergeeflijk geachte misdaad
Job 31 : 11 misdaad overspel is een -
Ex. 20 : 5 misdaad van de vaderen bezoekt aan de kinderen
Job 31 : 33 misdaad verbergen
Deut. 5 : 9 misdaad vergolden door God tot in 4e geslacht
Spr. 16 : 6 misdaad verzoenen: door goedertierenheid en trouw
2 Sam. 19 : 19 misdaad
Spr. 1 : 11 v misdadiger overlegging
Esth. 1 : 16 misdoen tegen de koning -
2 Sam. 7 : 14 misdoen
Pred. 6 : 3 misdracht
Ex. 23 : 26 misdrachtige geen – in uw land
Num. 12 : 12 misgeboorte
1 Sam. 30 : 22 misgunst tav 200 mannen
Neh. 2 : 10 mishagen
Luk. 18 32 mishandelen Christus mishandeld
Hebr. 13 : 3 mishandelen denkt aan de mishandelden
Luk. 9 : 39 mishandelen door een geest (demon)
Hebr. 11 : 37 mishandelen mishandeld worden
Matth. 22 : 6 mishandelen van Christus' slaven
Hand. 14 : 5 mishandelen vluchten om niet mishandeld te worden
Matth. 10 : 17 mishandelen
Hand. 7 : 34 mishandeling van een volk
Ex. 21 : 12 mishandeling wet over -en
Jes. 5 : 12 miskennen Gods werk
Job 10 : 18 miskraam gewenst
Num. 12 : 12 miskraam
Job 3 : 16 miskraam
Ps. 58 : 9 miskraam
Pred. 6 : 3 v miskraam
Opb. 2 : 20 misleiden Christenen misleid
Opb. 20 : 3 misleiden door de duivel
Opb. 20 : 10 misleiden door de duivel
Joz. 9 : 5 misleiden door de Gibeonieten
Opb. 12 : 9 misleiden door de satan
Opb. 20 : 8 misleiden door de satan: van de naties
Opb. 19 : 20 misleiden door de valse profeet
Jes. 30 : 28 misleiden door God: als straf
Col. 2 : 4 misleiden door overredende taal
Opb. 19 : 20 misleiden door tekenen
Mark. 13 : 22 misleiden door tekenen en wonderen
Opb. 18 : 23 misleiden door toverij
2 Tim. 3 : 13 misleiden en misleid worden
1Jo 2 : 26 misleiden geval
1Jo 3 : 7 misleiden laat niemand u -
1Jo 1 : 8 misleiden onszelf -
Matth 24 : 5 misleiden velen zullen worden misleid
Matth 24 : 11 misleiden velen zullen worden misleid
Jer. 5 : 12 misleiden zichzelf -
Gal. 6 : 3 misleiden zichzelf -
Jac. 1 : 22 misleiden zichzelf -
Deut. 29 : 19 misleiden zichzelf -: geval
Spr. 16 : 29 misleiden
1Jo 4 : 4 misleiding bestand zijn tegen -: door de Geest van God
Opb. 13 : 14 misleiding door de valse profeet
Deut. 13 : 6 misleiding door primaire personen
2 Kon. 18 : 25 misleiding door Rabsake
Matth. 24 : 24 misleiding door tekenen, wonderen
Deut. 13 : 2 misleiding door valse profeten
Luk. 21 8 misleiding geval
Rom. 16 : 18 misleiding geval
1Jo 4 : 4 misleiding kracht van de leugen
Luk. 21 8 v misleiding waarschuwing tegen
Matth 24 : 5 misleiding waarschuwing tegen -
Opb. 12 : 9 misleiding wereldwijde -
1Jo 2 : 9 misleiding zelf-
Jer. 18 : 4 mislukking
Job 6 : 26 mismoedige Job
Num. 20 : 2 misnoegen bij het volk
Lev. 26 : 16 misoogst als straf
Gen. 31 : 49 Mispa
Joz. 11 : 8 Misreforth-Maïm
Luk. 4 : 43 missie Jezus' -: verkondiging van het evangelie van het koninkrijk van God
Luk. 20 10 missie mislukte -
Luk. 20 11 missie mislukte -
Luk. 20 12 missie mislukte -
1 Pe 2 : 14 missie
1 Kon. 22 : 44 misstand laten bestaan
Gen. 38 : 15 v misvatting geva: Tamar voor hoer gehouden
2 Kron. 18 : 31 misvatting geval
Hand. 2 : 15 misvatting geval
Mark. 15 : 35 misvatting na misverstand
Rom. 2 : 3 misvatting voorbeeld
Mark. 15 : 35 misverstand en misvatting
Matth. 27 : 40 misverstand geval
Matth. 27 : 47 misverstand geval
Mark. 15 : 35 misverstand geval
Joh. 11 : 12 misverstand geval
Joh. 21 : 23 misverstand
Jer. 48 : 35 Moab afgoderij
Richt. 3 : 22 Moab beeld van het vlees?
Gen. 19 : 37 Moab betekenis: "van de vader"
Jer. 27 : 3 Moab God laat boodschap aan - brengen
Jer. 48 : 26 Moab hoogmoed
Jes. 25 : 11 Moab hoogmoed van - vernederen
Jes. 16 : 6 Moab hoovaardig
Deut. 2 : 9 Moab land
Amos 2 : 1 Moab oordeel over
Jes. 15 : 1 v Moab oordeel over -
Gen. 19 : 37 Moab oorsprong
Ez. 25 : 8 Moab profetie tegen -
Jes. 11 : 14 Moab toekomst
Jer. 48 : 47 Moab toekomst: Moabs gevangenis gewend
Jes. 25 : 10 Moab zal gedorst worden
Jer. 48 : 26 Moab zonde: zich groot maken tegen God
2 Kron. 20 : 1 v Moabieten aanval door de -
1 Kron. 18 : 2 Moabieten geslagen
Deut. 23 : 6 Moabieten gewenste houding t.o.
Deut. 23 : 4 Moabieten hun kwaad
Neh. 13 : 1 Moabieten mogen niet komen in de gemeente van God
2 Sam. 8 : 2 Moabieten onderworpen
Jer. 48 : 1 v Moabieten profetie over -
Jes. 57 : 20 modder fig.
Mark. 12 : 18 modernisme in de theologie
Richt. 8 : 4 moe geval
Jes. 7 : 13 moe God - maken
Jes. 40 : 28 moe God wordt noch moede noch mat
Deut. 25 : 18 moe Israël was - in de woestijn
Jes. 7 : 13 moe mensen - maken
Jer. 45 : 3 moe van zuchten
Matth. 11 : 28 moe vermoeid? Kom tot Christus
Opb. 2 : 3 moe worden
Jes. 47 : 13 moe worden in de veelheid van uw raadslagen
Jes. 40 : 30 moe worden: door jongen
Hebr. 12 : 3 moe worden: opdat u niet - wordt
moe zie ook Vermoeien
Hebr. 12 : 3 moe ziel: vermoeide ziel
Klg. 5 : 5 moe zijn wij –, men laat ons geen rust
Micha 3 : 8 moed door de Geest van God
Joz. 2 : 11 moed geen - meer in iemand van Jericho
Mark. 15 : 43 moed geval
2 Cor. 5 : 8 moed goede - hebben
Joh. 16 : 33 moed goede - hebben: grond hiervoor
2 Cor. 7 : 16 moed goede - ten opzichte van gelovigen hebben
2 Cor. 5 : 6 moed goede -: grond voor gedurige goede -
Matth. 14 : 27 moed goede -: heb g -
Joz. 1 : 6 moed goede -: heb goede -
Joz. 1 : 9 moed goede -: heb goede -
Joz. 1 : 7 moed goede -: heb zeer goede -
1 Kron. 22 : 13 moed goede -: hebt -
Mark. 6 : 50 moed goede -: hebt goede -
1 Kron. 28 : 20 moed heb goede -
Deut. 31 : 7 moed heb goede moed, want u zult ingaan in het land
Deut. 31 : 23 moed heb goede moed, want u zult slagen en God zal met u zijn
Hand. 23 : 11 moed heb goede moed, zei de Heer tot Paulus
Deut. 31 : 6 moed hebt goede moed, want God gaat met ons
Joh. 18 : 2 moed Jezus' -
Hand. 28 : 15 moed vatten: door Paulus
Joz. 5 : 1 moed verliezen
Esth. 4 : 16 moed
Jes. 28 : 12 moede geef de - rust
Jes. 40 : 29 moede God geeft de - kracht
1 Kon. 19 : 4 moedeloos Elia
2 Cor. 4 : 1 moedeloos niet - worden
2 Cor. 4 : 16 moedeloos waarom Paulus niet - wordt
Ef. 3 : 13 moedeloos worden door iemands verdrukking
Gal. 6 : 9 moedeloos worden in goeddoen
2 Thess. 3 : 13 moedeloos worden in goeddoen
Col. 3 : 21 moedeloos worden: kind
Luk. 18 1 moedeloos worden: niet - worden van het bidden
Num. 14 : 2 moedeloosheid door ongeloof
Ps. 113 : 9 moeder blijde -
Ps. 86 : 16 moeder Davids -: vroom
Luk. 18 20 moeder eer uw -
Mark. 3 : 34 moeder fig.
Hos. 4 : 5 v moeder fig. het hele volk
Ez. 19 : 1 moeder fig. Jeruzalem, theocratie, of koningshuis
Rom. 16 : 13 moeder fig. van Paulus: de moeder van Rufus
Gal. 4 : 26 moeder fig.: Jeruzalem dat boven is
Matth. 12 : 50 moeder geestelijk
Mark. 3 : 35 moeder geestelijk
Mark. 10 : 30 moeder geestelijke -
Luk. 8 : 21 moeder geestelijke - van Jezus
2 Kron. 22 : 3 moeder invloed
Neh. 13 : 24 moeder invloed -
1 Thess. 2 : 7 moeder kenmerk: voeden, koesteren
Gen. 48 : 15 moeder middel in Gods hand om kind te voeden
Spr. 30 : 11 moeder niet zegenen
Klg. 5 : 3 moeder onze -s zijn als de weduwen
2 Kron. 22 : 3 moeder raadgeefster
Spr. 31 : 1 moeder taak: onderwijs der kinderen
Lev. 19 : 3 moeder te vrezen
Jes. 66 : 13 moeder troosten kan zij
Mark. 3 : 35 moeder van Christus
Spr. 23 : 22 moeder veracht uw - niet
Spr. 15 : 20 moeder verachten: door een zot mens
Spr. 17 : 25 moeder verdriet om haar zotte zoon
Spr. 19 : 26 moeder verjagen: door een zoon
Matth. 19 : 29 moeder verlaten
Micha 2 : 9 moeder vermakingen
1 Tim. 1 : 9 moeder vermoorden
Matth. 15 : 4 moeder vloeken van -
1 Kon. 22 : 53 moeder wandelen in de weg van zijn -
Spr. 6 : 20 moeder wet van uw -
Luk. 14 : 26 moeder zijn - haten
Matth. 15 : 22 moeder zorg voor dochter
Deut. 22 : 6 moeder zorg voor kinderen
Jes. 46 : 3 moederschoot dragen van de – af: door God: Israël
Spr. 28 : 1 moedig elke rechtvaardige is -
Gen. 49 : 6 moedwil geval van –
Jes. 5 : 18 moedwillig zondigen
Hebr. 10 : 26 moedwillig zondigen
Jes. 1 : 14 moeheid bij God
Jer. 15 : 6 moeheid bij God
Spr. 26 : 15 moeheid luiheid vergroot -
1 Sam. 30 : 10 moeheid van een deel van Davids mannen
Deut. 17 : 8 moeilijk te moeilijke rechtszaak
Deut. 15 : 18 moeilijk vind het niet - om je slaaf vrij te laten
2 Cor. 4 : 11 moeilijkheid gelegenheid voor het leven van Jezus
Jer. 42 : 13 moeilijkheid ontlopen: kan verkeerd zijn
Spr. 4 : 12 moeilijkheid voorkomen: door wijsheid
Spr. 24 : 2 moeite berokkenen
Mark. 8 : 3 moeite Christus merkt onze moeite en inspanning voor Hem op
2 Cor. 11 : 27 moeite en arbeid
Ex. 18 : 9 moeite en goede gaven
Jes. 59 : 4 moeite gevolg van zondigen
Ex. 18 : 8 moeite in de woestijn
Neh. 9 : 32 moeite Israëls -
Hebr. 5 : 7 moeite Jezus in -
Matth. 17 : 17 moeite Jezus' -
Job 5 : 7 moeite mens tot - geboren
Spr. 31 : 7 moeite niet meer gedenken, dankzij de drank
Ps. 90 : 10 moeite ons leven vol -
Jes. 10 : 1 moeite voorschrijven
Col. 4 : 13 moeite doen voor iemand anders
Luk. 19 4 moerbeivijgeboom
Joh. 9 : 4 moeten bij Jezus: de werken van God moeten werken
Mark. 14 : 49 moeten de Schriften - vervuld worden
Mark. 8 : 31 moeten heilig -
Luk. 24 : 7 moeten heilig –
Luk. 24 26 moeten heilig –
Joh. 15 : 25 moeten het woord moet worden vervuld
Mark. 13 : 7 moeten sommige dingen - gebeuren in de eindtijd
Luk. 22 37 moeten wat van Jezus geschreven staat, moet in vervulling gaan
Jac. 3 : 11 moeten zijn: dit gedrag moet niet zo zijn
Mark. 9 : 23 mogelijk alles is - voor de gelovige
Mark. 14 : 36 mogelijk alles is God -
Mark. 10 : 27 mogelijk bij God
Matth. 19 : 26 mogelijk bij God is alles -
Luk. 18 27 mogelijk bij God, onmogelijk bij mensen
Hebr. 9 : 5 mogelijk niet - zijn: geval
1 Sam. 17 : 33 mogelijk on- bij mensen, mogelijk dankzij God: David en Goliath
Matth. 17 : 27 mogelijk on-: niets on- voor het geloof
mogelijk zie ook Onmogelijk
Ps. 106 : 8 mogendheid Gods -
Ps. 71 : 16 mogendheid heengaan in de -en van de Heer
1 Kron. 28 : 3 Mohammed krijgsman (toepassing)
Gal. 1 : 8 Mohammed ontving boodschap van engel uit de hemel (toepassing)
2 Kon. 23 : 10 Molech zijn kind voor - door het vuur doen gaan
Lev. 20 : 2 Molech
Spr. 8 : 26 molecuul stof der wereld (toepassing)
Opb. 18 : 21 molensteen
Lev. 18 : 21 Moloch kindoffer aan de - verboden
Jes. 49 : 2 mond als een scherp zwaard gemaakt
Spr. 13 : 3 mond bewaren: is zijn ziel behouden
Micha 7 : 5 mond deuren van uw - bewaren
Deut. 30 : 14 mond en hart
Spr. 26 : 28 mond gladde -: maakt omstoting
Pred. 5 : 5 mond laat uw - niet toe dat hij uw vlees zou doen zondigen
Deut. 31 : 19 mond leggen: een lied in de mond leggen van mensen
2 Cor. 6 : 11 mond mijn - heeft zich voor u ontsloten
Pred. 5 : 1 mond snel met de - zijn
Ps. 107 : 42 mond stoppen
Tit. 1 : 11 mond stoppen: kan nodig zijn
Spr. 6 : 12 mond verkeerdheid des -s
Spr. 12 : 14 mond vrucht van de -
mond zie ook Spreken
Spr. 30 : 32 mond zijn - houden: hand op de mond
Tit. 1 : 6 monogamie
1 Tim. 1 : 17 monotheisme God is de enige God
2 Kon. 5 : 15 monotheisme komen tot -: Naaman
1 Cor. 8 : 4 monotheisme
2 Kron. 12 : 3 Moor
Matth. 5 : 22 moord beginsel van - al strafwaardig
Joz. 20 : 5 moord begint met haat
Neh. 4 : 11 moord beraamd
Gen. 37 : 20 moord beramen
Hand. 9 : 23 moord beramen
2 Kron. 21 : 4 moord broeder-
Deut. 19 : 11 moord doodstraf op
2 Kon. 11 : 1 moord door Athalia
Spr. 6 : 17 moord door God gehaat
Ex. 2 : 12 moord gepleegd door Mozes
Deut. 21 : 1 v moord handelwijze bij moordzaak
Deut. 27 : 25 moord huurmoordenaar vervloekt
Matth. 15 : 19 moord komt voort uit hart
Hand. 9 : 1 moord met - dreigen: door Saulus
Luk. 20 14 moord motief: goed, bezit
Mark. 7 : 21 moord oorsprong: hart
1 Sam. 22 : 18 moord op 85 onschuldigen
Joh. 16 : 3 moord op christenen: een oorzaak: onwetendheid
2 Kron. 33 : 24 moord op koning Amon
Joh. 16 : 2 moord religieuze -
Spr. 1 : 11 v moord roof-: beramen
1Jo 3 : 15 moord uit haat
2 Kron. 32 : 21 moord vader-
Deut. 27 : 24 moord veroordeeld
Rom. 1 : 29 moord vol - zijn
Luk. 20 15 moord voorbedacht
Gen. 27 : 41 moord voorgenomen -: door Ezau
2 Kon. 21 : 16 moord zeer veel onschudig bloed vergoot Manasse
1 Sam. 31 : 4 - 5 moord zelf-
Opb. 9 : 20 moord zich niet bekeren van -
Jac. 4 : 2 moorden door christenen
Jac. 4 : 2 moorden en jaloersheid
Ez. 33 : 25 moorden
Opb. 22 : 15 moordenaar buiten zijn de -s
1 Pe 4 : 15 moordenaar christen kan een - zijn
1Jo 3 : 15 moordenaar geen mens- heeft eeuwig leven in zich wonen
Ex. 2 : 12 moordenaar Mozes
1 Tim. 1 : 9 moordenaar terechtwijzen door de wet
Job 24 : 14 moordenaar
Spr. 1 : 16 moordenaar
Opb. 21 : 8 moordenaar
Spr. 1 : 11 v moordlust
Jer. 13 : 23 moorman zwarte huid
Joh. 6 : 61 mopperen door de leerlingen van Jezus
1 Pe 4 : 8 mopperen gastvrij, zonder -
1 Cor. 10 : 10 mopperen moppert niet
Luk. 19 7 mopperen over Jezus
Joh. 6 : 41 mopperen over Jezus: door de Joden
Luk. 5 : 30 mopperen tegen Zijn discipelen
mopperen zie ook Morren
Matth. 20 : 11 mopperen
Luk. 15 : 2 mopperen
2 Kron. 19 : 6 moraal bederf verhoed door godsdienst
Lev. 19 : 14 moraal bron: vreze des Heren
Matth. 24 : 12 moraal en mentaal (liefde)
Deut. 12 : 8 moraal individualistische -
Lev. 19 : 14 moraal vereist vreze des HEREN
moraal zie ook Kennis: morele kennis
Jes. 45 : 14 Moren koophandel der –
Jes. 43 : 3 Morenland deel van losgeld voor Israël
Ez. 29 : 10 Morenland grenst aan Egypte
Jes. 20 : 3 Morenland Jesaja tot een - en wonder over - gesteld
Esth. 8 : 9 Morenland
2 Kron. 13 : 11 morgenoffer
Ezra 3 : 3 morgenoffer
Job 38 : 7 morgenster engelen morgensterren genoemd
Opb. 22 : 16 morgenster Jezus is de blinkende -
Opb. 2 : 28 morgenster ontvangen van Christus
Jes. 14 : 12 morgenster satan
Job 38 : 12 morgenstond door God gemaakt
Gen. 22 : 2 Moria land
Filip. 2 : 14 morren doet alles zonder -
Jud : 16 morren verkeerd
Ezra 4 : 2 moslim toepassing
Joh. 4 : 12 moslim ziet ook Abraham als vader, zoals de Samaritanen vader Jakob
Hos. 2 : 8 most is van God
Hos. 4 : 11 most neemt het hart in beslag
Neh. 10 : 39 most
Mark. 4 : 31 mosterdzaad kleiner dan alle zaden die op de aarde zijn
Matth. 13 : 31 mosterdzaad kleinste zaad
Luk. 13 : 19 mosterdzaad
Luk. 12 : 33 mot bederven door een -
Jes. 50 : 9 mot eten door de –
Jac. 5 : 2 mot verteert kleding
Matth. 6 : 5 motief eer
Matth. 23 : 5 motief eer
Matth. 6 : 2 motief eer van mensen
Jes. 10 : 7 motief en Gods leiding
Jes. 10 : 7 motief en hart
Jes. 10 : 7 motief geval: uitroeien
Ez. 23 : 29 motief haat
Spr. 20 : 5 motief in het hart
Joh. 13 : 31 motief Jezus' -
Matth. 1 : 19 motief Jozef's motief om Maria te verstoten
Deut. 1 : 27 motief kwaad - toegedicht aan God
Filip. 1 : 16 v motief liefde
Spr. 20 : 5 motief ontdekken
Filip. 1 : 17 motief onzuiver -
1 Sam. 18 : 21 motief verkeerd
1 Sam. 18 : 25 motief verkeerd
1 Sam. 18 : 17 motief verkeerd -
Filip. 2 : 3 motief verkeerde -ven
2 Kron. 28 : 23 motief voor afgoderij
Matth. 6 : 7 motief voorbeeld
motief zie ook Beweegreden
Filip. 1 : 14 motief zuivere en onzuivere motieven
Joh. 3 : 19 v motief
Gal. 6 : 12 motief
1 Pe 5 : 2 motief
1 Sam. 27 : 27 motivatie geval: David
Ex. 35 : 21 motivatie hart beweegt
Spr. 16 : 2 motivatie onderzoek: door God
Joh. 5 : 18 motivatie versterken
Mark. 14 : 2 motivatie
Lev. 18 : 4 - 5 motiveren door God
1 Sam. 12 : 26 motiveren door God
2 Kron. 30 : 12 motiveren door God
Gen. 12 : 2 motiveren door God: Abram om te gaan
2 Kron. 36 : 22 motiveren door God: heidense koning
Deut. 15 : 14 motiveren door herinnering aan eigen ervaringen
Deut. 15 : 10 motiveren door loon
Luk. 6 : 35 motiveren door loon
Opb. 2 : 7 motiveren door loon
Opb. 2 : 10 motiveren door loon
Opb. 2 : 17 motiveren door loon
1 Kon. 22 : 20 motiveren door overreden
Deut. 30 : 17 motiveren drijven
Spr. 7 : 21 motiveren tot overspel, ontucht
Opb. 2 : 11 motiveren tot overwinning: door loon
Deut. 24 : 19 motiveren zegen van God voorstellen
2 Kron. 30 : 8 motiveren
1 Kron. 6 : 3 Mozes afstamming
Joz. 1 : 8 Mozes auteur
Mark. 10 : 6 Mozes auteur
2 Cor. 3 : 15 Mozes auteur van de Pentateuch
Num. 12 : 7 Mozes bevoorrecht in de openbaring van God
Mark. 12 : 26 Mozes boek van
2 Kron. 35 : 12 Mozes boek van -
Ezra 6 : 18 Mozes boek van -
Neh. 13 : 1 Mozes boek van -
2 Cor. 3 : 15 Mozes boeken van - werden gelezen
Num. 16 : 28 Mozes daden van - niet uit zijn eigen hart voortgekomen
Joz. 14 : 7 Mozes de knecht van Jahweh
2 Kon. 18 : 12 Mozes de knecht van Jahweh
Hand. 7 : 36 Mozes deed wonderen
Hebr. 3 : 5 Mozes dienaar van God
Joz. 21 : 2 Mozes dienst van -: hierdoor heeft God geboden
2 Kron. 35 : 6 Mozes door de hand van Mozes geschreven
Joh. 1 : 17 Mozes door hem is de wet gegeven
Ex. 2 : 19 Mozes Egyptisch man
Joh. 1 : 17 Mozes en Jezus: onderscheid
Joh. 7 : 19 Mozes gaf de wet
Ps. 90 : 1 v Mozes gebed van -
Ex. 19 : 9 Mozes geloven aan –: bevestigd door God
Joh. 5 : 46 Mozes geloven: - geloven
Joh. 5 : 47 Mozes geschriften van -: geloven
Deut. 31 : 14 Mozes gestorven
Deut. 34 : 5 Mozes gestorven
Joz. 1 : 2 Mozes gestorven
Num. 16 : 28 Mozes gezant van God
Ps. 105 : 26 Mozes gezonden door God
Joz. 1 : 2 Mozes God sprak: "mijn knecht Mozes"
Ex. 4 : 24 Mozes God zocht hem te doden
Deut. 34 : 10 Mozes God: - kende de HEERE van aangezicht tot aangezicht
Ps. 105 : 26 Mozes Gods knecht
Deut. 34 : 6 Mozes graf onbekend
Ex. 4 : 20 Mozes hanteerde de staf van God
Num. 32 : 25 , 27 Mozes heer genoemd
Joh. 5 : 46 Mozes Jezus: Mozes schreef over de Christus
Deut. 34 : 5 Mozes knecht des HEEREN genoemd
Joz. 1 : 1 v Mozes knecht des HEEREN genoemd
1 Kron. 6 : 49 Mozes knecht Gods
Dan. 9 : 11 Mozes knecht Gods
Num. 12 : 7 Mozes knecht van God
Joz. 1 : 7 Mozes knecht van God
Neh. 9 : 14 Mozes knecht van God
Neh. 10 : 29 Mozes knecht van God
Mal. 4 : 4 Mozes knecht van God
Joz. 22 : 2 Mozes knecht van Jhwh
Deut. 33 : 4 Mozes koning in Jeschurun
2 Kron. 30 : 16 Mozes man Gods
Ezra 3 : 2 Mozes man van God
Deut. 5 : 27 Mozes middelaar: daartoe verzocht door het volk
Ex. 2 : 12 Mozes moordenaar
Ex. 2 : 10 Mozes naam: betekenis
Ex. 6 : 11 Mozes onwelsprekend
Num. 11 : 25 Mozes op hem was de Geest (of geest)
Deut. 34 : 9 Mozes opvolging
Ps. 99 : 6 Mozes priester
Ex. 20 : 19 Mozes profeet
Hos. 12 : 14 Mozes profeet, tot wie God sprak, vers 11
Deut. 34 : 9 Mozes profeet, unieke p
Ex. 18 : 13 Mozes rechter: optreden
2 Kron. 34 : 14 Mozes schreef het wetboek van Jhwh
Deut. 31 : 19 Mozes schrijver
Deut. 31 : 22 Mozes schrijver
Deut. 31 : 24 Mozes schrijver
Opb. 15 : 3 Mozes slaaf van God
Mark. 7 : 10 , 8 Mozes sprak Gods woord
Ex. 33 : 11 Mozes sprak met God, aangezicht aan aangezicht
Luk. 9 : 30 Mozes sprak met Jezus
Luk. 24 : 27 Mozes sprak van de christus
Hebr. 3 : 5 Mozes trouw in heel Gods huis
Num. 12 : 1 Mozes tweede vrouw
Hand. 7 : 35 Mozes type van Christus
Ps. 106 : 23 Mozes uitverkorene van God
Rom. 5 : 14 Mozes van Adam tot -
Ex. 34 : 29 Mozes vel van zijn aangezicht glinsterde toen God met hem sprak
Hand. 7 : 35 Mozes verlosser
Mark. 9 : 4 Mozes verschijning
Ex. 32 : 11 Mozes voorbede
Ps. 106 : 23 Mozes voorbidder, voorspraak
Deut. 4 : 22 Mozes voorzegde plaats van zijn dood
2 Kron. 30 : 16 Mozes wet van -
Joz. 8 : 31 Mozes wetboek van -: volgens dit wetboek deed Jozua
Num. 12 : 1 Mozes zeer zachtmoedig
1 Kon. 1 : 35 muilezelin
Deut. 31 : 16 multi-cultureel gevaar van de -e samenleving
Ps. 105 : 23 v multi-cultureel spanningen in de -e samenleving
Num. 14 : 36 murmering oorzaak mogelijk: kwaad gerucht
Ex. 16 : 2 murmumeren geval
Jes. 29 : 24 murmureerder de -s zullen de lering aannemen
Ps. 106 : 25 v murmureren door Israël
Joz. 9 : 18 murmureren geval: tegen oversten: door het volk
1 Sam. 12 : 27 murmureren over leider
Num. 16 : 10 murmureren tegen Aäron -
Num. 14 : 27 murmureren tegen God -
Num. 14 : 2 murmureren tegen Mozes en tegen Aäron
Num. 16 : 40 murmureren tegen Mozes en tegen Aäron
Num. 17 : 5 murmurering stillen
Luk. 12 : 6 mus niet een - is door God vergeten
Jes. 3 : 23 muts
Ps. 62 : 4 muur aangestoten -
1 Sam. 25 : 16 muur fig.
Spr. 25 : 28 muur fig.
Jes. 26 : 1 muur God stelt heil tot muren en voorschansen
Opb. 21 : 11 muur grote en hoge -: van nieuwe Jeruzalem
Jer. 15 : 20 muur Jeremia tot een - gesteld
Jer. 1 : 18 muur koperen muren: fig.
2 Sam. 22 : 30 muur met mijn God spring ik over een muur
Jes. 5 : 5 muur nut
Opb. 21 : 17 muur van het nieuwe Jeruzalem: hoogte: 144 el
Jes. 5 : 5 muur verscheuren: door God
muur zie ook Omheining
1 Kron. 16 : 42 muziek - Gods: instrumenten der muziek Gods
2 Kron. 29 : 28 muziek en aanbidding
Jes. 24 : 8 muziek en dans
Luk. 15 : 25 muziek en dans
Jes. 5 : 11 muziek en drinkgelag
1 Sam. 18 : 6 muziek en vreugde
Luk. 7 : 32 muziek fluit spelen
Jes. 30 : 29 muziek fluitspel
Pred. 2 : 8 muziek functie: amusement
1 Sam. 16 : 23 muziek geeft rust
1 Sam. 16 : 16 muziek geeft rust: Saul
2 Sam. 19 : 35 muziek genieten van -
Opb. 18 : 22 muziek in Babylon
Opb. 15 : 2 muziek in de hemel
Ezra 3 : 10 muziek in de tempeldienst
Ps. 92 : 4 muziek instrument
Ez. 26 : 13 muziek instrument
1 Kron. 25 : 3 muziek instrument: harp
Ps. 147 : 7 muziek instrument: harp
Opb. 5 : 8 muziek instrument: in de toekomst elk een harp
2 Kron. 30 : 21 muziek instrument: sterkluidende instrumenten
1 Sam. 18 : 6 muziek instrumenten
2 Sam. 6 : 5 muziek instrumenten
1 Kron. 15 : 16 v muziek instrumenten
1 Kron. 16 : 5 muziek instrumenten
2 Kron. 7 : 6 muziek instrumenten
2 Kron. 20 : 28 muziek instrumenten
2 Kron. 29 : 25 muziek instrumenten
Neh. 12 : 27 muziek instrumenten
Ps. 98 : 5 v muziek instrumenten
Ps. 149 : 3 muziek instrumenten
Ps. 150 : 1 v muziek instrumenten
2 Kron. 23 : 13 muziek instrumenten bij lofzang
2 Kron. 30 : 21 muziek instrumenten des HEEREN
Ps. 144 : 9 muziek instrumenten gebruiken
2 Kron. 34 : 12 muziek instrumenten: bekwaam bespelen
1 Sam. 10 : 5 muziek instrumenten: bij profeten
2 Kron. 7 : 6 muziek instrumenten: David prees door de dienst van
Amos 5 : 22 muziek instrumenten: gebruik: door God versmaad
Ps. 108 : 3 muziek instrumenten: luit en harp
1 Kron. 23 : 5 muziek instrumenten: om lof te zingen
Neh. 12 : 36 muziek instrumenten: van David
2 Sam. 6 : 5 muziek maken
Jes. 5 : 12 muziek maken en God niet kennen
1 Kron. 15 : 28 muziek maken met instrumenten
Luk. 7 : 32 muziek maken: Christus spreekt van
1 Sam. 16 : 18 muziek maken: door David
1 Sam. 19 : 9 muziek maken: door David
1 Kron. 13 : 8 muziek maken: met alle macht
Ez. 33 : 32 muziek op zichzelf verandert mensen niet
Jes. 38 : 20 muziek snarenspel: in Gods huis
1 Sam. 18 : 10 muziek spelen: David
2 Kon. 3 : 15 muziek spelen: en profeteren
Pred. 2 : 8 muziek teken van rijkdom
Jes. 5 : 12 muziek tijdens maaltijden
Filip. 4 : 8 muziek welluidende - zoeken
1 Kron. 25 : 7 muziek zie ook Zanger
1 Kon. 10 : 12 muziekinstrument gemaakt
Ps. 33 : 2 muziekinstrument tiensnarig -
Hand. 14 : 11 mythe geval
Col. 2 : 8 mythe Griekse - (associatie)