Onderwerpenregister bij de Bijbel/P

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V

Onderwerpen die beginnen met de letter P:

2 Kron. 24 : 18 paal gewijde -: dienen van gewijde -en
Deut. 20 : 1 paard -en en wagens
Joz. 11 : 6 paard paarden verlammen
1 Kron. 18 : 4 paard ontzenuwen
Esth. 6 : 8 paard van koning Ahasveros
Job 39 : 22 v paard
Job 39 : 28 paard onvervaard
Ps. 20 : 8 paard vermelden van -en
Ps. 120 : 4 paard witte -: ruiter: pijlen: leugenwoorden (toepassing)
Spr. 21 : 31 paard toerusting tot de strijd
Hgl 1 : 9 paard trekdier
Jes. 2 : 7 paard land vervuld met -en
Jes. 5 : 28 paard paardehoeven als een rots
Jes. 63 : 13 paard als een - in de woestijn struikelden zij niet
Zach. 1 : 8 paard visioen met -en
Zach. 6 : 2 paard verschillend gekleurde paarden in het gezicht van Zacharia
Zach. 6 : 2 paard voorstellende een windrichting
Zach. 14 : 20 paard op de bellen der -en zal staan: 'De heiligheid van de Heer'
Opb. 6 : 2 paard wit -
Opb. 6 : 4 paard vuurrood -: oorlog
Opb. 6 : 5 paard zwart -: honger
Opb. 6 : 8 paard bleekgroen -
Opb. 19 : 11 paard wit -
Opb. 19 : 14 paard witte -en
Opb. 19 : 18 paard toekomst: gebruikt in de oorlog
Ex. 34 : 25 Paaslam 'Mijn slachtoffer'
Ex. 34 : 25 Paaslam niet overlaten tot de morgen
2 Kron. 35 : 7 v paasoffer
Ps. 25 : 10 pad alle -en van de HEER zijn goedertierenheid en waarheid
Ps. 119 : 15 pad Gods paden: hierop letten
Spr. 2 : 8 pad goede paden: verstaan
Spr. 2 : 13 pad der oprechtheid: verlaten
Spr. 2 : 20 pad paden der rechtvaardigen houden
Spr. 3 : 6 pad God kan mijn paden recht maken
Spr. 4 : 14 pad der goddelozen: kom er niet op
Spr. 8 : 20 pad in het midden van de paden des rechts wandelen
Spr. 15 : 19 pad welgebaand
Spr. 22 : 25 pad iemands - leren
Jes. 2 : 3 pad wandelen in Gods paden
Jes. 40 : 14 pad van het recht
Jer. 6 : 16 pad oude -en bieden rust
Luk. 3 : 4 pad paden van de Heer: maakt Zijn -en recht
Hand. 13 : 6 Pafos
Gal. 6 : 5 pak eigen - dragen
2 Sam. 22 : 7 paleis van God
Ps. 18 : 7 paleis Gods
Ps. 69 : 26 paleis hun - zij verwoest
Luk. 7 : 25 paleis in de paleizen levenden
2 Sam. 1 : 20 Palestijn palestijnen springen op van vreugde over rampspoed van Israël (toepassing)
2 Kon. 24 : 2 Palestijn (associatie)
Jes. 11 : 14 Palestijnen toekomst (toepassing)
Obadja : 19 Palestijnen land: voor Israël
Ps. 60 : 10 Palestina
Ps. 108 : 10 Palestina over - zal ik juichen
Jes. 14 : 31 Palestina
Ez. 41 : 19 palm op de wanden binnen in het tempelhuis
Opb. 7 : 9 palmtak
Ex. 22 : 26 pand kleed van naaste te – nemen
Deut. 24 : 6 pand nemen te -
Deut. 24 : 17 pand kleed van weduwe niet te pand nemen
1 Tim. 6 : 20 pand bewaar je -
2 Tim. 1 : 12 pand bewaren
2 Tim. 1 : 14 pand bewaren
Neh. 4 : 16 pantser ter bescherming
2 Tim. 4 : 2 paraat wees -
Deut. 32 : 50 paradijs bij je volken zijn
1 Sam. 28 : 15 paradijs rust
1 Sam. 28 : 19 paradijs Saul in -?
Luk. 16 : 23 paradijs Abraham in het -
Luk. 23 : 43 paradijs in het - zijn
Luk. 23 : 43 paradijs plaats van overleden rechtvaardigen
2 Cor. 12 : 4 paradijs gebeuren in het -
2 Cor. 12 : 4 paradijs opgenomen in het -
Opb. 2 : 7 paradijs bevat boom des levens
Opb. 2 : 7 paradijs van God
Num. 23 : 21 parallellisme
Deut. 22 : 30 parallellisme stijlfiguur
Deut. 33 : 9 parallellisme stijlfiguur
Job 31 : 2 v parallellisme stijlfiguur (geval)
Job 31 : 29 parallellisme
Ps. 47 : 4 parallellisme geval
Ps. 51 : 3 v parallellisme stijlfiguur
Ps. 53 : 7 parallellisme geval
Ps. 54 : 4 parallellisme typisch voorbeeld
Ps. 69 : 9 parallellisme geval
Ps. 102 : 20 parallellisme stijlfiguur: geval
Ps. 105 : 23 parallellisme stijlfiguur: geval
Ps. 105 : 43 parallellisme stijlfiguur: geval
Ps. 56 : 11 parallellisme
Ps. 106 : 10 parallellisme stijlfiguur: geval
Ps. 108 : 4 parallellisme
Ps. 114 : 8 parallellisme
Ps. 117 : 1 parallellisme geval
Ps. 127 : 3 parallellisme
Ps. 140 : 2 parallellisme
Spr. 3 : 19 parallellisme
Spr. 4 : 8 parallellisme
Spr. 4 : 14 parallellisme
Spr. 5 : 13 parallellisme
Spr. 5 : 22 parallellisme
Jes. 43 : 24 parallellisme
Jes. 45 : 3 parallellisme
Micha 3 : 8 parallellisme geval
Matth. 5 : 45 parallellisme stijlfiguur
Hand. 2 : 26 parallellisme geval
Num. 12 : 16 Paran woestijn -
Num. 13 : 3 Paran woestijn -
Deut. 33 : 2 Paran gebergte -: God verscheen blinkende van het gebergte -
Spr. 28 : 1 paranoia (toepassing)
1 Sam. 22 : 8 paranoide Saul
Matth. 13 : 45 parel zeer kostbare -
Matth. 13 : 46 parel fig. gemeente
1 Tim. 2 : 9 parel zich versieren met -s
Opb. 17 : 4 parel Grote Hoer versierd met -s
Opb. 18 : 16 parel versierd met -s
2 Kon. 5 : 12 Parpar
partij zie Onpartijdigheid
2 Cor. 12 : 20 partijzucht
Gal. 5 : 20 partijzucht werk van het vlees
Filip. 1 : 17 partijzucht
Filip. 2 : 3 partijzucht doe niets uit -
Gen. 24 : 3 partnerkeuze
Spr. 5 : 17 partnerruil tegen -
1 Tim. 3 : 5 pasbekeerde geen -
2 Pe 2 : 18 pasbekeerde verlokking van de -
Ex. 12 : 1 Pascha instelling
Ex. 12 : 14 Pascha gedachtenis en feest
Ex. 12 : 14 Pascha inzetting: altoosdurend
Ex. 12 : 42 Pascha op het vlijtigst te houden
Ex. 12 : 43 v Pascha deelneming voorwaarden
Ex. 12 : 46 Pascha geen been gebroken
Lev. 23 : 5 Pascha rustdag
Lev. 23 : 5 Pascha van de Heer
Num. 9 : 6 Pascha bevel tot houden -
Num. 9 : 6 Pascha verhindering: aanraking dode
Num. 9 : 11 Pascha eten met bittere saus
Num. 9 : 11 Pascha eten met ongezuurde broden
Num. 9 : 11 Pascha verruiming van de wettige tijd
Num. 9 : 11 Pascha viering uitstellen in verband met verhinderingen
Num. 9 : 12 Pascha geen been breken
Num. 9 : 12 Pascha inzetting van het -
Num. 9 : 12 Pascha niets overlaten
Num. 9 : 13 Pascha offerande
Num. 9 : 13 Pascha schuldig verzuim: doodstraf hierop
Num. 28 : 16 Pascha voor Jhwh
Deut. 16 : 1 , 3 Pascha doel: gedachtenis der verlossing uit Egypte
Deut. 16 : 1 , 6 Pascha en nacht
Deut. 16 : 1 Pascha wanneer: in maand Abib
Deut. 16 : 2 Pascha slachten
Deut. 16 : 2 Pascha waar het paaslam geslacht moest worden
Deut. 16 : 3 Pascha brood der ellende
Deut. 16 : 3 Pascha ongezuurd eten
Deut. 16 : 3 Pascha verlossing elke dag gedenken
Deut. 16 : 4 Pascha vlees in één avond opeten
Deut. 16 : 4 Pascha zonder zuurdeeg
Deut. 16 : 5 Pascha slachten: waar, wanneer, vgl. vs 1 'bij nacht'
Joz. 5 : 10 Pascha houden: te Gilgal
2 Kon. 23 : 21 Pascha houden
2 Kron. 30 : 1 Pascha genodigden, ook uit Efraïm en Manasse
2 Kron. 30 : 2 Pascha en heiliging
2 Kron. 30 : 3 Pascha verhindering voor -
2 Kron. 30 : 15 Pascha maand opgeschort
2 Kron. 35 : 1 Pascha geslacht op de 14e der eerste maand
2 Kron. 35 : 1 Pascha houden voor Jahweh
2 Kron. 35 : 16 v Pascha houden
2 Kron. 35 : 18 Pascha unieke viering
Ezra 6 : 19 Pascha tijd
Ezra 6 : 20 Pascha viering vereist reiniging
Ez. 45 : 21 Pascha in de toekomst gehouden
Matth. 26 : 18 Pascha houden
Mark. 14 : 1 Pascha en ongezuurde broden
Mark. 14 : 16 Pascha bereiden
Luk. 22 1 Pascha feest van de ongezuurde broden
Luk. 22 7 Pascha geslacht op eerste dag van het feest van de ongezuurde broden
Luk. 22 7 v Pascha paaslam
Luk. 22 15 Pascha paaslam
Luk. 22 16 Pascha vervulling: in het Kon. van God
Joh. 2 : 13 Pascha hoogtij van de Joden
Joh. 2 : 23 Pascha feest
Joh. 6 : 4 Pascha feest van de Joden
Joh. 11 : 54 Pascha zich reinigen voor het -
Joh. 18 : 28 Pascha eten
Hand. 12 : 4 Pascha en Ongezuurde Broden
1 Cor. 5 : 7 Pascha ons –: Christus
Jes. 28 : 17 paslood gerechtigheid stellen naar het -
Luk. 21 34 passen op jezelf -
Hand. 20 : 28 passen op zichzelf -
Gen. 3 : 23 pastoraat bouwen aardbodem
Gen. 4 : 6 pastoraat door God: vragen stellen naar beweegreden
Gen. 4 : 6 pastoraat gesprek, vs 9
Gen. 4 : 9 pastoraat door God: vragen stellen, vs 10
2 Sam. 13 : 2 pastoraat
1 Kron. 29 : 5 pastoraat counselor: werkmeester van vaten (toepassing)
1 Kron. 29 : 11 pastoraat tekst ter bemoediging
1 Kron. 29 : 16 pastoraat alle middelen zijn van God gegeven (toepassing)
2 Kron. 2 : 7 pastoraat die weet graveerselen te graveren
2 Kron. 2 : 8 pastoraat samenwerking psychotherapie en pastorale zorg
2 Kron. 2 : 14 pastoraat counsellor: profiteren van de inzichten van andere hulpverleners (toepassing)
2 Kron. 2 : 14 pastoraat counsellor: vindingrijkheid wenselijk (toepassing)
2 Kron. 6 : 27 pastoraat leren: de goede weg om daarin te wandelen
2 Kron. 33 : 8 pastoraat Gods huis beteren
2 Kron. 34 : 3 pastoraat onderwijs in de waarheid gaat vooraf aan Christelijk gedrag (toepassing)
Job 4 : 2 - 3 pastoraat taak: herstel
Job 4 : 3 v pastoraat hulpverlener: taak
Job 9 : 13 pastoraat Onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers
Ps. 1 : 1 v pastoraat afleggen, Woord, vruchtdragen
Ps. 16 : 7 pastoraat onderwijs: door de nieren
Ps. 16 : 7 v pastoraat raad: vanwege de HERE
Ps. 54 : 6 pastoraat
Ps. 118 : 2 v pastoraat uitzeggen van Gods goedertierenheid
Ps. 118 : 7 pastoraat helpers, o.w. God
Pred. 10 : 10 pastoraat vergt wijsheid
Hos. 13 : 4 pastoraat geen Heiland dan God
Hos. 13 : 9 pastoraat in Mij is uw hulp
Matth. 7 : 3 pastoraat onbewust van eigen tekortkoming
Matth. 8 : 13 pastoraat geloof van de hulpverlener draagt bij tot genezing
Matth. 10 : 25 pastoraat doel: worden als de meester
Mark. 6 : 48 pastoraat hulp niet opdringen
Mark. 9 : 22 pastoraat ontferming
Mark. 9 : 33 pastoraat vragen: door Jezus
Luk. 21 8 v pastoraat Christus' -
Luk. 22 28 pastoraat aanwezigheid kan al steun geven
Joh. 8 : 11 pastoraat vermaning om niet te zondigen
Joh. 8 : 32 pastoraat in Jezus' woord doen blijven: dan maakt waarheid vrij
Joh. 15 : 18 pastoraat afwijzing: onze cognitieve reactie
Joh. 16 : 12 pastoraat spreken: niet te veel zeggen
1 Thess. 5 : 14 pastoraat acties
1 Thess. 5 : 23 pastoraat
1 Tim. 6 : 1 v pastoraat grootste problemen eerst aanpakken
1 Tim. 6 : 11 pastoraat de rol van de wil
1 Tim. 6 : 17 pastoraat sociale groepen
Hebr. 3 : 1 pastoraat in verzoeking zien op Jezus
Hebr. 12 : 15 pastoraat taak
Jac. 5 : 13 - 16 pastoraat genezing op gebed
1 Pe 5 : 2 pastoraat beweegreden zuiver te houden
1 Pe 5 : 2 pastoraat geboden
1 Pe 5 : 3 pastoraat uitoefenen als voorbeeld (modelling)
Opb. 1 : 9 Patmos
1 Sam. 17 : 37 Paulus gered uit de muil der leeuwen
Hand. 9 : 13 Paulus deed de heiligen veel kwaad aan
Hand. 9 : 15 Paulus zending: tot volken, koningen, Joden
Hand. 9 : 16 Paulus lijden: voor de naam van Christus Jezus
Hand. 9 : 29 Paulus trachten - te doden
Hand. 13 : 9 Paulus ofwel Saulus
Hand. 13 : 47 Paulus roeping, zending
Hand. 16 : 19 Paulus lijden: gesleept
Hand. 16 : 22 Paulus lijden: gegeseld met vele slagen
Hand. 16 : 22 Paulus lijden: kleren afgescheurd
Hand. 16 : 32 Paulus lijden: striemen
Hand. 16 : 37 Paulus lijden: in het openbaar geslagen
Hand. 19 : 26 Paulus overtuigde
Hand. 20 : 3 Paulus aanslag tegen - gesmeed
Hand. 20 : 19 Paulus aanslagen van de Joden tegen -
Hand. 21 : 13 Paulus bereid te sterven voor de naam van de Heer Jezus
Hand. 21 : 21 Paulus beschuldigd
Hand. 21 : 21 Paulus omstreden
Hand. 21 : 29 Paulus aangevallen en in doodsgevaar
Hand. 21 : 31 Paulus men trachtte hem in Jeruzalem te doden
Hand. 21 : 32 Paulus geslagen
Hand. 21 : 36 Paulus verworpen: 'Weg met hem' riep de menigte
Hand. 22 : 10 Paulus roeping van -
Hand. 22 : 15 Paulus getuige van Jezus' opgestaan zijn
Hand. 22 : 19 Paulus had gelovigen gegeseld
Hand. 22 : 21 Paulus apostel der volken
Hand. 22 : 21 Paulus gezondene
Hand. 22 : 22 Paulus lijden van Jezus: nagevolgd door Paulus
Hand. 23 : 14 Paulus aanslagen tegen - voornemen
Hand. 23 : 16 Paulus neef van -
Hand. 23 : 16 Paulus zuster van -
Hand. 24 : 5 Paulus aanvoerder van de sekte der Nazoreeërs: hiervoor gehouden
Hand. 25 : 24 Paulus de Joden riepen dat hij niet langer behoorde te leven
Hand. 26 : 11 Paulus verdrukte
Hand. 26 : 11 Paulus vervolgde
Hand. 26 : 17 Paulus zending
Hand. 26 : 21 Paulus ombrengen: de Joden hebben geprobeerd hem om te brengen
Rom. 1 : 1 Paulus geroepen apostel
Rom. 1 : 1 Paulus slaaf van Christus Jezus
Rom. 1 : 9 Paulus gebedsleven: onophoudelijk bidden
Rom. 9 : 3 Paulus type van Christus' liefde
Rom. 11 : 1 Paulus afstamming
Rom. 11 : 13 Paulus apostel van de volken
Rom. 15 : 16 Paulus roeping: dienaar van Christus Jezus voor de volken
Rom. 15 : 18 Paulus doel: volken tot gehoorzaamheid brengen
Rom. 15 : 19 v Paulus werkterrein: van Jeruzalem tot Illyrië
Rom. 16 : 7 Paulus gevangene
Rom. 16 : 11 Paulus verwant: Herodion
Rom. 16 : 21 Paulus verwanten
Rom. 16 : 22 Paulus liet een brief dicteren
1 Cor. 1 : 1 Paulus apostel van Christus Jezus
1 Cor. 1 : 1 Paulus geroepen apostel
1 Cor. 11 : 2 Paulus aan – denken, in alles
2 Cor. 1 : 1 Paulus apostel van Christus Jezus, door de wil van God
2 Cor. 1 : 4 Paulus leed verdrukking
2 Cor. 1 : 5 Paulus lijden: ondervond lijden van Christus
2 Cor. 1 : 8 Paulus leed verdrukking
2 Cor. 2 : 4 Paulus liefde van - tot de Corinthiers
Gal. 1 : 1 Paulus apostel vanwege God
Gal. 1 : 9 Paulus macht: om te vervloeken
Gal. 1 : 10 Paulus slaaf van Christus
Gal. 2 : 7 Paulus taak: evangeliseren onder de heidenen
Ef. 1 : 1 Paulus apostel van Christus Jezus, door de wil van God
Ef. 3 : 8 Paulus de allergeringste van alle heiligen
Ef. 6 : 20 Paulus gezant voor het evangelie
Filip. 1 : 7 Paulus genade aan - geschonken: deelgenoten zijn van zijn genade
Filip. 1 : 29 Paulus gevangenschap: lijden, deel van strijd
Filip. 3 : 5 Paulus verleden van -
Filip. 3 : 11 Paulus verwachting of hoop: gelijkvormig aan de dood van Christus
Filip. 3 : 12 Paulus gegrepen door Christus
Filip. 3 : 18 Paulus wenend
Filip. 4 : 21 Paulus gevangenschap: broeders waren bij hem
Col. 1 : 23 Paulus dienaar van het evangelie
Col. 1 : 24 Paulus lijden
Col. 1 : 25 Paulus dienaar van de Gemeente
2 Thess. 3 : 17 Paulus brief: kenmerk: handtekening
1 Tim. 1 : 1 Paulus apostel van Christus Jezus
1 Tim. 1 : 13 Paulus verleden
1 Tim. 2 : 7 Paulus leraar van de volken
1 Tim. 2 : 7 Paulus prediker
2 Tim. 1 : 8 Paulus gevangene van de Heer
2 Tim. 1 : 11 Paulus apostel van het evangelie
2 Tim. 1 : 11 Paulus functie: prediker, apostel, leraar
2 Tim. 1 : 11 Paulus leraar van het evangelie
2 Tim. 1 : 11 Paulus prediker van het evangelie
2 Tim. 1 : 12 Paulus leed omwille van het evangelie
2 Tim. 1 : 13 Paulus woorden zijn gezond
2 Tim. 1 : 15 Paulus afwending t.o.v. -: allen in Asia
2 Tim. 1 : 16 Paulus gevangene, vast aan een keten
2 Tim. 1 : 17 Paulus gevangene in Rome
2 Tim. 2 : 2 Paulus leer: over te dragen
2 Tim. 2 : 7 Paulus let op wat hij zegt
2 Tim. 2 : 10 Paulus beweegreden
2 Tim. 4 : 6 Paulus toestand
2 Tim. 4 : 16 Paulus alleen: zonder medestanders
Tit. 1 : 3 Paulus prediking: hem toevertrouwd
Flm. : 1 Paulus gevangene van Christus Jezus
Flm. : 8 Paulus gezag
Flm. : 8 Paulus oud man nu
Flm. : 13 Paulus gevangenschap voor het evangelie
2 Pe 3 : 15 Paulus geliefde broeder -
2 Pe 3 : 15 Paulus wijsheid van - hem gegeven
2 Pe 3 : 16 Paulus brieven van -
2 Pe 3 : 16 Paulus geliefde broeder -
2 Pe 3 : 16 Paulus wijsheid ontvangen van God
Paulus zie ook Saulus
Hand. 14 : 19 Paulus gestenigd
Luk. 22 26 paus tegen het pauselijk gezag over de heiligen
Job 39 : 16 pauw vleugels: verheugelijk
Job 24 : 5 pedoseksueel (toepassing)
Ps. 63 : 7 peinzen aan God - in de nachtwaken
Ex. 23 : 17 pelgrimsfeest drie -en
penis zie Geslachtsorgaan
1 Tim. 5 : 9 pensioen gerechtigde leeftijd (toepassing)
Deut. 34 : 9 Pentateuch ontstaan: afsluiting
2 Kron. 35 : 6 Pentateuch woord van Jahweh, door de hand van Mozes
Mark. 12 : 26 Pentateuch boek van Mozes
Gen. 38 : 29 Perez naam bekent "doorbreker"
Gen. 38 : 29 Perez
Pred. 7 : 16 perfectionisme tegen -
Jer. 23 : 6 perfectionisme behandeling: God is onze gerechtigheid (toepassing)
Matth. 11 : 28 - 30 perfectionisme genezende tekst
Filip. 1 : 10 perfectionisme loffelijk - (toepassing)
Hebr. 4 : 9 - 11 perfectionisme genezende tekst voor -
1Jo 1 : 8 perfectionisme
2 Tim. 4 : 13 perkament
Neh. 13 : 15 pers persen treden
Luk. 20 21 persoon aanzien des -s: zonder dit leren: door Jezus
Rom. 2 : 11 persoon aanzien des -s: niet bij God
Matth. 12 : 11 persoonlijk -e benadering
Luk. 11 : 26 persoonlijkheid meervoudige
Ezra 4 : 5 v Perzië koningen van -
Ezra 6 : 14 Perzië koningen van -
Esth. 1 : 1 Perzische rijk gebied
Esth. 8 : 9 Perzische rijk omvang
Ex. 9 : 8 v pest in Egypte
Lev. 26 : 25 pest gezonden door God
1 Kon. 8 : 37 pest in het land
2 Kron. 6 : 28 pest
2 Kron. 7 : 13 pest gezonden door God: onder zijn volk
Luk. 21 11 pest in de toekomst -
Hand. 24 : 5 pest Paulus een - geacht
Joh. 19 : 2 v pesten Christus' gepest
Num. 14 : 12 pestilentie God dreigt met -
Deut. 28 : 21 pestilentie vloek: - als v
2 Sam. 24 : 13 pestilentie door God gezonden
2 Sam. 24 : 15 pestilentie als oordeel
2 Sam. 24 : 15 pestilentie door God gegeven in Israël, tot straf
1 Kron. 21 : 14 pestilentie God gaf - in Israël
Ps. 91 : 3 pestilentie God redt van de zeer verderfelijke -
Ps. 91 : 3 pestilentie God zal u redden van -
Ps. 91 : 6 pestilentie wandelend in de donkerheid
Jer. 21 : 6 pestilentie
Amos 4 : 10 pestilentie door God gezonden
Ps. 18 : 17 Petrus uit het water opgetrokken
Matth. 10 : 2 Petrus als eerste apostel genoemd
Matth. 16 : 18 Petrus naam
Matth. 17 : 25 Petrus Simon: door Jezus zo genoemd
Mark. 1 : 17 Petrus roeping van -
Mark. 14 : 47 Petrus naam ongenoemd gebleven hier
Mark. 16 : 7 Petrus bemoedigd
Luk. 5 : 7 Petrus vissersbedrijf van zijn vader had twee of meer schepen
Luk. 6 : 14 Petrus vooraanstaand
Luk. 22 32 Petrus opdracht aan –: zijn broeders versterken
Joh. 13 : 36 Petrus overlijden
Joh. 18 : 15 v Petrus verloochening door Petrus
Hand. 10 : 5 Petrus bijnaam van Simon
Hand. 10 : 18 Petrus bijnaam van Simon
Hand. 10 : 32 Petrus bijnaam van Simon
Hand. 15 : 7 Petrus doelgroep: de volken
Gal. 2 : 7 Petrus taak: evangelie van de besnedenen toevertrouwd
Gal. 2 : 12 Petrus vrees bij -
Gal. 2 : 12 Petrus zonderde zich af uit vrees
1 Pe 5 : 1 Petrus lijden
1 Pe 5 : 1 Petrus oudste
Deut. 15 : 17 piercing dit geval doet denken aan -
Deut. 32 : 23 pijl God verschiet -en op het trouweloze Israël
Deut. 32 : 42 pijl Gods -en
2 Kron. 35 : 24 pijl zeer verwond door een of meer pijlen: Josia
Job 6 : 4 pijl pijlen van God
Job 33 : 6 pijl smartelijke -
Ps. 64 : 4 pijl bitter woord als hun -
Ps. 91 : 5 pijl niet vrezen voor de -
Ps. 144 : 6 pijl fig. bliksem
Jes. 5 : 28 pijl scherpe -en
Jes. 49 : 2 pijl Christus tot een zuivere pijl gesteld
Jer. 9 : 3 pijl fig. leugen
Ef. 6 : 16 pijl brandende -en van de boze
pijl zie ook Schutter
Jes. 49 : 2 pijlkoker Gods –: Christus is daarin als een zuivere pijl
Esth. 4 : 4 pijn innerlijke -, bij Esther
Job 15 : 20 pijn zichzelf - aandoen: door de goddeloze
Ps. 55 : 5 pijn van het hart
Jes. 65 : 14 pijn weedom van het hart
Jer. 51 : 7 pijn balsem voor de pijn
Matth. 4 : 24 pijn allerlei -en
Matth. 8 : 6 pijn lijden: vreselijke pijn
Matth. 8 : 6 pijn vreselijke –
Luk. 16 : 23 pijn in -en verkeren
Opb. 12 : 2 pijn baren van een kind geeft -
Opb. 16 : 10 pijn zijn tong kauwen van -
Opb. 21 : 4 pijn toekomst: geen - zal er meer zijn
Matth. 8 : 29 pijnigen demonen wacht pijniging
Mark. 5 : 7 pijnigen pijnig mij niet!
Luk. 8 : 28 pijnigen demon vroeg Jezus hem niet te pijnigen
Opb. 11 : 10 pijnigen door de twee profeten
Opb. 11 : 10 pijniging door de twee profeten
Opb. 14 : 10 pijniging met vuur en zwavel
Opb. 18 : 10 pijniging
Opb. 20 : 10 pijniging voortdurende - in de hel
Jer. 1 : 18 pilaar ijzeren -
1 Tim. 3 : 15 pilaar van de waarheid: gemeente van God
Opb. 3 : 12 pilaar fig.
Ex. 23 : 2 Pilatus hoorde naar het volk (toepassing)
Luk. 23 12 Pilatus voorheen vijand van Herodes
Luk. 23 20 Pilatus Jezus: Pilatus wilde Jezus loslaten
Joz. 24 : 32 Pinehas zoon van Eleazar
Ps. 106 : 30 Pinehas
Deut. 16 : 9 v Pinksterfeest
Ex. 1 : 11 Pithom stad in Egypte
Gen. 13 : 17 plaag grote -: Jahweh plaagde Farao en zijn huis met grote plagen
Ex. 3 : 20 plaag plagen van Egypte waren wonderen
Ex. 10 : 1 plaag van Egypte: teken
Num. 14 : 37 plaag door een - strafte God met de dood
Num. 16 : 46 plaag plotselinge - als straf voor de oproer van het volk
Deut. 21 : 5 plaag afdoen door priester
Deut. 28 : 21 v plaag meerdere plagen door een vloek gezonden
Deut. 28 : 38 v plaag verscheidene plagen
Deut. 28 : 61 plaag straf hier
Deut. 29 : 21 plaag van Godswege
1 Sam. 5 : 5 plaag door God gezonden
1 Sam. 6 : 5 plaag aambeien
1 Sam. 6 : 5 plaag muizen
2 Sam. 24 : 25 plaag opgehouden door smeking en offer
1 Kon. 8 : 35 plaag door God gezonden
1 Kon. 8 : 37 plaag diverse -en in het land
1 Kon. 8 : 37 plaag enige -
2 Kron. 6 : 13 plaag soorten
2 Kron. 6 : 28 plaag
2 Kron. 6 : 29 plaag erkennen: ieder erkenne zijn -
2 Kron. 7 : 13 plaag door God gezonden
2 Kron. 7 : 14 plaag aanleiding tot verootmoediging
2 Kron. 7 : 14 plaag doel: verootmoediging en bekering
2 Kron. 21 : 14 plaag grote -
2 Kron. 21 : 17 plaag rovers
Ps. 91 : 10 plaag geen - zal uw tent naderen
Ps. 105 : 28 v plaag plagen van Egypte
Ps. 107 : 17 plaag gevolg van zonde
Ps. 135 : 8 plaag van Egypte: door God bewerkt
Ps. 136 : 10 plaag plagen van Egypte
Spr. 6 : 33 plaag vinden door overspel
Jes. 14 : 6 plaag Babylonische overheersing was een plaag
Jes. 53 : 8 plaag op Jezus geweest
Jer. 19 : 8 plaag plagen van Jeruzalem
Hag. 2 : 18 plaag door God gebracht, opdat de geplaagde zich tot God zou keren
Opb. 11 : 6 plaag aarde slaan met allerlei plagen
Opb. 15 : 8 plaag zeven plagen
Opb. 16 : 9 plaag God heeft macht over de -en
Opb. 16 : 21 plaag van de hagel
Opb. 18 : 8 plaag
Ex. 23 : 20 plaats voor ons bereiden: door Christus (toepassing)
Lev. 4 : 12 plaats reine – waar men de as uitstort
Deut. 14 : 23 v plaats verkozen door God
Deut. 26 : 2 plaats door God verkoren om zijn naam aldaar te doen wonen
Deut. 31 : 11 plaats verkoren door God
2 Sam. 7 : 10 plaats bereid: door God: voor Zijn volk
2 Sam. 7 : 10 plaats ter woning: door God bereid, vgl. Joh. 14:1v
1 Kron. 15 : 1 plaats bereiden: David bereidde der ark Gods een -, vs 3,12
1 Kron. 17 : 9 plaats bereiden: heeft God voor Israël gedaan
2 Kron. 1 : 4 plaats bereiden: door de ark
Ezra 9 : 8 plaats heilige -: Gods heilige plaats
Job 16 : 18 plaats geen - voor Jobs bloed en geroep
Spr. 11 : 8 plaats in de plaats komen van iemand
Mark. 12 : 39 plaats eerste -en
Hand. 6 : 13 plaats heilige -: tempel
2 Cor. 2 : 14 plaats op elke - maakt God openbaar door Paulus
2 Cor. 7 : 2 plaats geeft ons plaats
Gen. 44 : 33 plaatsvervanging Juda borg voor Benjamin
Ex. 32 : 32 plaatsvervanging Mozes voor het volk
Num. 3 : 12 plaatsvervanging Levieten genomen in plaats van de eerstgeborenen van Israël
Richt. 19 : 24 plaatsvervanging kwaad geval
1 Sam. 25 : 24 plaatsvervanging Abigail
1 Sam. 25 : 28 plaatsvervanging Abigail
2 Sam. 18 : 33 plaatsvervanging David wilde sterven in plaats van Absalom
Joh. 11 : 50 plaatsvervanging Jezus' dood is plaatsvervangend
Joh. 18 : 9 plaatsvervanging 'laat dezen dan heengaan'
Joh. 18 : 14 plaatsvervanging Christus' stierf voor ons
2 Cor. 5 : 14 plaatsvervanging en vereniging
Col. 2 : 14 plaatsvervanging Christus stierf voor onze schuld
Flm. : 18 plaatsvervanging geval
Ex. 32 : 35 plagen door God: om zonde van het volk
Joz. 24 : 4 plagen door God: Egypte
2 Kon. 15 : 5 plagen door God: door ziekte
2 Kron. 6 : 26 plagen door God: zondig volk
2 Kron. 14 : 12 plagen door God: de Moren
2 Kron. 21 : 14 plagen door God
2 Kron. 21 : 18 plagen door God
2 Kron. 26 : 20 plagen door de HERE: met melaatsheid
Jes. 14 : 6 plagen door Babel
Klg. 3 : 33 plagen door God
Micha 4 : 6 plagen door God
Spr. 29 : 13 plager
Gen. 11 : 6 plan van mensen: verijdeld: door God: torenbouw
Spr. 15 : 22 plan slagen of mislukken, en raad
Spr. 16 : 3 plan uitvoering: op God wentelen
Jes. 30 : 1 plan maken, maar niet uit God
Jer. 4 : 28 plan zie Voornemen
Dan. 2 : 27 v plan wat in geen mensenhart is opgekomen
Hand. 2 : 23 plan Gods heils-
Hand. 20 : 3 plan wijzigen: geval
1 Cor. 16 : 2 plan
1 Cor. 16 : 7 plan maken, onder Gods bestuur
Ps. 102 : 14 plannen door God
Jac. 4 : 13 plannen
Ps. 144 : 12 plant mensenzonen als -
Jes. 5 : 7 plant fig. man, door God geplant
Matth. 15 : 13 plant fig. mens
Matth. 15 : 13 plant vgl. gelijkenis tarwe en onkruid
plant zie ook Uitspruiten
Gen. 2 : 8 planten door God: een hof
2 Sam. 7 : 10 planten door God: Israël in het land
1 Kron. 17 : 9 planten Israël geplant door God
Ps. 92 : 14 planten fig.: in het huis des Heren
Jes. 41 : 19 planten bomen: door God
Jer. 24 : 6 planten door God
Jer. 42 : 10 planten fig. door God
Jer. 42 : 10 planten fig. vs. uitrukken
Matth. 15 : 13 planten God plant de mensen op aarde
1 Cor. 3 : 6 planten fig.
Jes. 38 : 21 pleister
Jes. 3 : 13 pleiten door God
Deut. 28 : 33 pletteren gepletterd zijn als straf
Pred. 7 : 4 plezier en dwaasheid
Deut. 25 : 5 plicht leviraats-
Deut. 25 : 7 plicht verzaken
Job 33 : 23 plicht rechte -
Luk. 9 : 62 ploeg zijn hand aan de - slaan
Hos. 10 : 13 ploegen goddeloosheid -
Luk. 17 : 7 ploegen
Gen. 45 : 6 ploeging geen –
Gen. 34 : 27 plunderen door Jakobs zonen
Jes. 10 : 6 plunderen door God bevolen, toegelaten
Jes. 42 : 22 plunderen Israël een geplunderd volk
Jes. 42 : 22 plundering weergave eisen
Jes. 42 : 24 plundering Jakob tot een - overgegeven
Gen. 32 : 30 Pniël
Jes. 10 : 15 pochen tegen een hogere macht
Jes. 42 : 15 poel poelen uitdrogen: door God
Opb. 19 : 20 poel van vuur
Opb. 20 : 10 poel van vuur en zwavel
Opb. 20 : 14 poel van vuur: de tweede dood
Opb. 20 : 15 poel van vuur
Opb. 21 : 8 poel die van vuur en zwavel brandt
Gen. 49 : 21 poëzie is schone woorden geven
Deut. 32 : 1 poëzie Gods - (lied van God)
Ps. 113 : 5 poëzie hoog woont, laag ziet
Ps. 147 : 16 poëzie poetisch stukje (Statenvertaling)
Jes. 58 : 8 poëzie licht breekt voort als de dageraad
Hos. 6 : 4 poëzie in Gods bewoordingen
Hos. 13 : 3 poëzie in de Statenvertaling
Jes. 3 : 5 polarisatie burgerlijke -
Opb. 22 : 11 polarisatie in eindtijd
Luk. 3 : 19 politicus kritiek op -
Richt. 3 : 12 politiek internationale -: en Gods invloed
2 Sam. 23 : 3 politiek beginsel
1 Kon. 22 : 20 politiek invloed op politiek vanuit de hemelse gewesten
1 Kron. 5 : 26 politiek God bestuurt - van de wereld
2 Kron. 10 : 15 politiek omwending door God bewerkt
2 Kron. 18 : 19 politiek beinvloed vanuit de hemelse gewesten
2 Kron. 21 : 16 politiek God verwekte de geest der Filistijnen tegen Joram
2 Kron. 24 : 23 politiek God wendt de buitenlandse politiek van volken
Ezra 1 : 1 politiek Gods regering in menselijke politiek
Esth. 10 : 3 politiek godsdienstige -: Mordechai
Spr. 8 : 15 v politiek en wijsheid
Spr. 28 : 2 politiek nodig voor -: kennis en verstand
Spr. 29 : 2 politiek heerschappij goddeloze: volk zucht
Spr. 29 : 2 politiek heerschappij rechtvaardigen: blijdschap voor volk
Spr. 29 : 12 politiek bederf
Jer. 1 : 15 politiek buitenlandse - door God bestuurd
Jer. 34 : 22 politiek geleid door God
Jer. 35 : 7 politiek christen is vreemdeling
Dan. 2 : 21 politiek -e omwentelingen: door God geregeerd
Dan. 5 : 21 politiek Gods stelt over een koninkrijk wie Hij wil
Matth. 27 : 20 politiek overreding van het volk
Luk. 1 : 52 politiek Gods regering over de menselijke -
Joh. 18 : 36 politiek christelijke -: beperkt
Hand. 12 : 23 politiek God grijpt in: Herodes gedood
Ef. 6 : 12 politiek machten achter -
Opb. 16 : 14 politiek buitenlandse -: demonen kunnen - beinvloeden
Opb. 17 : 17 politiek God regeert boven en door koningen
politiek zie ook Regeren
Job 30 : 17 pols mijn polsaderen rusten niet
Gen. 29 : 32 polygamie nadeel
Deut. 21 : 16 polygamie
1 Sam. 25 : 43 polygamie geval
2 Sam. 3 : 1 v polygamie geval: David
2 Kron. 11 : 21 polygamie zie Veelwijverij
2 Kron. 13 : 21 polygamie
polygamie zie Veelwijverij
2 Kon. 17 : 29 polytheïsme
Luk. 19 13 pond geld
Hand. 18 : 2 Pontus
Lev. 19 : 29 pooier verboden
Gen. 19 : 1 poort Lot zat in de poort
Deut. 14 : 29 poort openbare leven
Deut. 21 : 19 poort rechtspraak in de -
Deut. 23 : 16 poort in een van uw poorten mag de gevluchte slaaf verblijven
Deut. 25 : 7 poort plaats van beraad der oudsten
Neh. 13 : 22 poort bewaken van de -en
Ps. 69 : 13 poort in de - zitten
Ps. 100 : 4 poort gaat in tot Zijn poorten met lof
Ps. 118 : 19 poort -en der gerechtigheid
Ps. 118 : 19 - 20 poort gerechtigheid: - van de g
Ps. 118 : 20 poort des HEREN
Jes. 45 : 1 poort sluiten van een –
Zach. 8 : 16 poort plaats van rechtspraak
Matth. 7 : 13 poort nauwe –
Hebr. 13 : 12 poort buiten de - heeft Jezus geleden
Opb. 21 : 12 poort engelen aan de twaalf poorten
Opb. 22 : 14 poort poorten van het Nieuwe Jeruzalem binnengaan
1 Kron. 9 : 17 poortier meerdere -s
2 Kon. 7 : 10 poortwachter
2 Kron. 23 : 19 poortwachter taak
Neh. 11 : 19 poortwachter in de poorten van Jeruzalem
Neh. 12 : 25 poortwachter
Luk. 6 : 26 populair niet persé een goed teken (toepassing)
Luk. 19 48 populair Jezus -
Mark. 8 : 36 populariteit minder belangrijk dan behoudenis van de ziel
Mark. 12 : 37 populariteit Jezus' -
Luk. 9 : 25 populariteit wereldwijde - (toepassing)
Luk. 21 38 populariteit Jezus’ –
porno zie Pornografie
Lev. 18 : 7 pornografie tegen -
Lev. 18 : 16 pornografie tegen -
Deut. 11 : 18 pornografie verslaving bestrijden: blik leiden
Deut. 17 : 19 pornografie tegen - (toepassing)
2 Sam. 11 : 2 pornografie naakt en schoon (toepassing)
Ezra 10 : 11 pornografie strijd tegen - (toepassing)
Neh. 13 : 26 pornografie vreemde vrouwen doen de mannen zondigen (toepassing)
Job 31 : 9 pornografie verlokt worden tot een vrouw (toepassing)
Ps. 101 : 3 pornografie tegen consumptie van porno (toepassing)
Ps. 66 : 18 pornografie tegen -
Spr. 6 : 25 pornografie bewaring tegen - (toepassing)
Spr. 7 : 25 pornografie waarschuwing tegen - (toepassing)
Spr. 7 : 26 pornografie slachtoffers in menigte (toepassing)
Spr. 9 : 17 pornografie verleiding tot - (toepassing)
Spr. 16 : 30 pornografie tegen verkeerde fantasie (toepassing)
Spr. 1 : 10 pornografie houding tegenover (toepassing)
Spr. 3 : 21 pornografie bewaring voor - door wijsheid
Jes. 33 : 15 pornografie houding ten opzichte van - (toepassing)
Ez. 6 : 9 pornografie met de ogen nahoereren (toepassing)
Ez. 20 : 7 pornografie behandeling (toepassing)
Ez. 23 : 14 pornografie verliefde op afgebeelde vrouwen
Hab. 1 : 13 pornografie tegen - (toepassing)
Matth. 5 : 28 pornografie tegen -
Luk. 17 : 1 pornografie producenten: wee hen (toepassing)
Luk. 17 : 2 pornografie past op uzelf (toepassing)
2 Cor. 6 : 17 pornografie tegen consumptie van - (toepassing)
2 Cor. 7 : 1 pornografie bevlekking van de geest (toepassing)
1 Thess. 4 : 3 pornografie onthouding van - (toepassing)
Hebr. 12 : 16 pornografie voorkomen of bestrijden bij medegelovigen (toepassing)
Hebr. 13 : 4 pornografie argument tegen -
Jac. 1 : 14 pornografie verzoeking - (toepassing)
Jac. 1 : 27 pornografie zichzelf bewaren van de smet van - (toepassing)
2 Pe 2 : 14 pornografie (toepassing)
2 Pe 2 : 20 pornografie verslaving (toepassing)
Opb. 21 : 27 pornografie buiten huis en ziel houden (toepassing)
2 Kon. 7 : 10 portier der stad
2 Kron. 8 : 14 portier
Neh. 11 : 19 portier
Deut. 17 : 15 v positie hoge -: gevaren
Deut. 28 : 13 positie gezags- door God gegeven
Spr. 27 : 24 positie maatschappelijke - tijdelijk (toepassing)
Mark. 10 : 40 positie onze - bereid door God
Mark. 10 : 41 positie dingen naar een -
Luk. 6 : 29 positie afgenomen worden (toepassing)
Luk. 12 : 13 positie Christus kende zijn beperkte -
Joh. 11 : 48 positie bedreigd
1 Tim. 3 : 13 positie goede -: zich een goede - verwerven
Hebr. 10 : 14 positie en praktijk
2 Kon. 6 : 16 positief realistisch denken: het positieve zien dat er al is
Luk. 12 : 19 positief denken: voorbeeld van slecht geval
Opb. 3 : 17 positief denken: van zichzelf
2 Thess. 1 : 7 posttribulationisme argument pro
Gen. 39 : 1 Potifar
Rom. 9 : 21 pottenbakker
Jer. 19 : 10 pottenbakkersvat verbreken
Matth. 9 : 30 PR Jezus verbiedt reclame
Hand. 25 : 23 praal met grote -
Ps. 69 : 27 praat maken van iemands smart
Ef. 5 : 4 praat zotte - vermijden
Luk. 23 11 prachtig kleed: om Jezus gedaan ter bespotting
Hand. 16 : 20 praetor Paulus en Silas bij de -en gebracht
Hand. 16 : 35 praetor
2 Kron. 16 : 7 pragmatisme hier verkeerd
Ps. 119 : 150 praktijk kwade -en najagen
Jac. 3 : 15 praktijk kwade -
Jac. 3 : 16 praktijk kwade -
Hand. 1 : 1 praktisch Jezus: doen en leren (let op volgorde)
1 Tim. 1 : 6 praten zinloos gepraat
Pred. 8 : 16 Pred. doel
Pred. 2 : 12 Pred. 2:12 vgl. 1:17
Num. 6 : 23 - 26 predikant priesterlijke zegen is uit Joodse dienst
Jer. 8 : 10 predikant kan valsheid bedrijven (toepassing)
Hos. 10 : 3 predikant geen oplossing voor geestelijke armoede (toepassing)
Jona 1 : 2 prediken tegen een stad
Jona 3 : 2 prediken predik wat God tot je spreekt
Matth. 4 : 23 prediken door Jezus: evangelie van het Koninkrijk
Matth. 10 : 27 prediken opdracht tot - op de daken
Matth. 11 : 1 prediken door Jezus
Mark. 1 : 14 prediken door Jezus
Mark. 1 : 38 prediken door Jezus: in de synagogen
Mark. 3 : 14 prediken opdracht tot
Mark. 5 : 20 prediken geval
Mark. 16 : 15 prediken evangelie: aan de hele schepping
Mark. 16 : 20 prediken overal -
Luk. 4 : 44 prediken door Jezus: in de synagogen van Judéa
Luk. 8 : 1 prediken door Christus
Luk. 8 : 1 prediken en verkondigen
Luk. 24 : 47 prediken in een naam
Hand. 8 : 5 prediken Christus -
Hand. 9 : 20 prediken Jezus -
Hand. 9 : 20 prediken onderwerp: Jezus
Hand. 15 : 21 prediken door voorlezing
Hand. 15 : 21 prediken Mozes -
Hand. 20 : 24 prediken het Koninkrijk prediken
Hand. 28 : 31 prediken wat: het koninkrijk van God
Rom. 10 : 14 prediken noodzaak
2 Cor. 1 : 19 prediken inhoud: de Zoon van God
Filip. 1 : 15 prediken Christus -
Filip. 1 : 15 prediken uit afgunst en twist
Filip. 1 : 16 prediken uit liefde
1 Thess. 2 : 9 prediken wat: evangelie van God
2 Tim. 4 : 2 prediken predik het woord
prediken zie ook Bekend maken
Pred. 12 : 9 prediker Salomo
1 Tim. 2 : 7 prediker en apostel: Paulus
1 Tim. 2 : 7 prediker Paulus gesteld tot - en apostel
2 Tim. 1 : 11 prediker aanstelling: door God
Pred. 1 : 16 Prediker auteur: Salomo waarschijnlijk
Pred. 2 : 3 Prediker auteur: Salomo waarschijnlijk
Pred. 2 : 3 Prediker doel: zien wat mensen het best kunnen doen
Matth. 12 : 41 prediking wekt bekering
Luk. 11 : 32 prediking gevolg: mogelijk: bekering
Rom. 10 : 16 prediking
Rom. 10 : 17 prediking inhoud
Rom. 16 : 25 prediking inhoud: Jezus Christus
1 Cor. 1 : 23 prediking niet naar de mens, niet naar diens wens
2 Cor. 4 : 5 prediking inhoud: Christus Jezus als Heer
2 Tim. 4 : 17 prediking vervullen
Tit. 1 : 3 prediking
Luk. 20 39 preek en waardering krijgen erna
Luk. 21 14 preek voorbereiding (associatie)
Hand. 13 : 15 preek woord van bemoediging
Hand. 20 : 20 preek onderwerp: keuze
Ex. 5 : 13 prestatiedruk geval
Filip. 1 : 13 pretorium
Ex. 23 : 25 preventie door God te dienen
Deut. 21 : 21 preventie
Deut. 22 : 8 preventie val van uw huis: plicht tot maken leuning
1 Sam. 29 : 4 preventie door de filistijnse vorsten
1 Tim. 5 : 20 preventie van zonde: door openbare terechtwijzing
preventie zie Voorkomen
Deut. 15 : 17 priem door oor steken
Gen. 47 : 22 priester Egyptische -s door Farao onderhouden
Gen. 47 : 26 priester Egyptische -s behielden hun land
Ex. 28 : 4 priester kleding
Ex. 29 : 8 priester klederen
Ex. 39 : 1 v priester ambtsklederen
Lev. 21 : 8 v priester offert de spijze Gods
Lev. 21 : 17 priester eis aan -: zonder lichaamsgebrek
Lev. 21 : 17 v priester moet zonder gebrek zijn
Lev. 22 : 7 priester spijs van de -
Num. 3 : 3 priester wie waren de eerste -s
Num. 3 : 3 priester zalving der -s
Num. 18 : 20 priester erfenis en deel
Deut. 21 : 5 priester kinderen van Levi
Deut. 21 : 5 priester taak: God dienen, anderen zegenen
Deut. 21 : 5 priester taak: rechtspreken, plaag afwenden
Deut. 31 : 9 priester bewaart en onderwijst de wet
Deut. 31 : 9 priester droegen de ark des verbonds
Deut. 31 : 9 priester zoon van Levi
Joz. 21 : 4 priester waren uit de Levieten: de kinderen van Aaron
Richt. 18 : 30 priester onwettige -
1 Sam. 2 : 28 priester taak (!)
1 Sam. 2 : 35 priester ware -
1 Sam. 22 : 18 priester gedood om Davids wil
2 Kon. 10 : 11 priester van Achab: priesters van Baal
2 Kon. 17 : 27 priester imago: in ogen der volken
2 Kon. 17 : 27 priester taak: onderwijs
2 Kon. 17 : 32 priester eigenmachtig -s aanstellen die op de hoogten dienden
2 Kon. 23 : 20 priester afgodische -s gedood
1 Kron. 6 : 48 priester taak der -s, der zonen Aarons
1 Kron. 6 : 49 priester taak
1 Kron. 23 : 13 priester taak van de -s
2 Kron. 11 : 14 priester priesters werden verstoten van hun ambt
2 Kron. 11 : 15 priester onwettige -s, door Jerobeam gesteld
2 Kron. 13 : 9 priester priesters van de volkeren der landen
2 Kron. 15 : 3 priester lerende -
2 Kron. 23 : 18 priester afdelen van de -s door David gedaan
2 Kron. 30 : 27 priester levietische -s
2 Kron. 31 : 2 priester taak
2 Kron. 31 : 4 priester priesters versterken
2 Kron. 35 : 2 priester sterken: tot de dienst van het huis van Jahweh
2 Kron. 35 : 2 priester wacht: priesters op hun wachten gesteld
2 Kron. 35 : 14 priester priesters: zonen van Aäron
2 Kron. 36 : 14 priester oversten der -s: maakten veel overtredingen
Neh. 10 : 36 priester plaats van dienst: Gods huis
Ps. 99 : 6 priester Mozes was ook een -
Ps. 110 : 4 priester Christus
Jes. 28 : 7 priester dronken -
Jes. 61 : 6 priester begrip: dienaar Gods
Jer. 5 : 31 priester moet niet heersen
Jer. 6 : 13 priester bedrijft valsheid hier
Jer. 7 : 22 priester -dienst: gehoorzaamheid meerder
Jer. 8 : 10 priester valsheid bedrijven
Jer. 23 : 11 priester huichelaars waren de toenmalige priesters
Jer. 26 : 8 priester priesters tegen Jeremia
Jer. 27 : 16 priester priesters vermaand niet te horen naar de valse profeten
Klg. 4 : 12 priester de misdaden van Jeruzalems -s
Ez. 7 : 26 priester wetsonderricht
Ez. 22 : 26 priester slechte -s
Ez. 44 : 23 priester taak: onderscheid leren tussen heilige en onheilige
Ez. 44 : 24 priester taak: richten
Ez. 44 : 28 priester erfenis der -s: toekomstige: God Zelf
Ez. 44 : 28 priester toekomst: geen aardse bezitting of erfenis in Israël, God is hun deel
Ez. 45 : 1 v priester land voor de -s
Hos. 4 : 4 priester twisten met de -
Hos. 4 : 6 priester ambt: verdwijning: als straf
Hos. 4 : 7 priester zondigende -s
Hos. 4 : 9 priester zo volk, zo priester
Hos. 6 : 9 priester priesters doen schandelijke daden
Hos. 7 : 9 priester zondigende -s
Joel 1 : 9 priester dienaar des Heeren
Joel 1 : 13 priester dienaar van het altaar
Joel 2 : 17 priester dienaar van Jhwh
Micha 3 : 11 priester taak: leren
Zef. 3 : 4 priester priesters die het heilige verontreinigen
Hag. 2 : 12 priester taak: onderwijzen uit de wet
Mal. 1 : 6 priester priesters verachtten Gods naam
Mal. 1 : 12 priester inkomen van de -s
Mal. 2 : 7 priester de lippen van de -s zullen de wetenschap bewaren
Mal. 2 : 7 priester een engel van Jahweh der legerscharen
Mal. 2 : 7 priester gezondene, engel, bode van Jahweh
Mal. 2 : 7 priester men zal uit de mond van de -s de wet zoeken
Mal. 2 : 7 priester rol: raad en onderwijs geven
Mal. 2 : 8 priester afwijking van de -s
Luk. 10 : 31 priester daalde af langs de weg van Jeruzalem naar Jericho
Joh. 1 : 19 priester en leviet
Hand. 4 : 2 priester de priesters kwamen Petrus en Johannes oppakken
Hand. 14 : 13 priester afgodische -
Hebr. 10 : 11 priester dienst: dagelijks
Hebr. 10 : 21 priester grote -: Christus
Opb. 1 : 6 priester gemaakt tot -s, door Christus: wij voor God
Opb. 1 : 6 priester voor God: wij zijn gemaakt tot priesters voor God
Opb. 5 : 10 priester gelovigen gemaakt tot -s
Opb. 20 : 6 priester van Christus
Opb. 20 : 6 priester van God
Ex. 28 : 1 v priesterambt
Num. 3 : 3 v priesterambt bedienen
Num. 16 : 10 priesterambt zoeken
Luk. 1 : 9 priesterambt
2 Kron. 13 : 11 priesterdienst schets
Luk. 1 : 8 priesterdienst vervullen voor God
Hebr. 8 : 5 priesterdienst aardse - een schaduw en zinnebeeld van de hemelse dingen
2 Kron. 11 : 14 priesterdom verstoten van het -
2 Kron. 13 : 9 priesterdom vals -
Neh. 13 : 29 priesterdom verontreinigen
1 Pe 2 : 5 priesterdom christene: doel
1 Pe 2 : 5 priesterdom christenen: heilig -
1 Pe 2 : 5 priesterdom christenen: taak: geestelijke offeranden
1 Pe 2 : 9 priesterdom koninklijk -: gemeente
Ex. 28 : 2 priesterkleding
Rom. 15 : 16 priesterlijk bedienen: het evangelie
1 Sam. 6 : 2 priesters heidense -
Jer. 33 : 21 priesterschap Levietisch - blijvend bewaard
Filip. 3 : 14 prijs van de hemelse roeping: daarnaar jagen
Col. 2 : 18 prijs laat niemand u de - ontzeggen
prijs zie ook Losprijs
2 Sam. 14 : 25 prijzen schoonheid: Absalom
2 Sam. 22 : 4 prijzen God is te -
1 Kron. 16 : 25 prijzen God -: Hij is zeer te -
1 Kron. 23 : 30 prijzen 2x daags den HERE
2 Kron. 8 : 14 prijzen God -: taak der Levieten
2 Kron. 30 : 21 prijzen den HERE -
2 Kron. 30 : 21 prijzen God - prijzen met muziekinstrumenten
2 Kron. 31 : 2 prijzen taak der priesters en levieten
Neh. 12 : 24 prijzen en danken
Ps. 56 : 5 prijzen wat: Gods woord, vs 11
Ps. 56 : 11 prijzen Gods woord -
Ps. 63 : 4 prijzen God - met de lippen
Ps. 69 : 31 prijzen Gods naam - met gezang
Ps. 69 : 35 prijzen God -: dat Hem prijzen de hemel, de aarde, de zee en al wat hierin wemelt
Ps. 96 : 4 prijzen God is zeer te -
Ps. 100 : 4 v prijzen Gods naam -: prijst Zijn naam: grond
Ps. 100 : 4 prijzen prijst Zijn naam
Ps. 109 : 30 prijzen en loven
Ps. 113 : 2 prijzen de naam des HEEREN zij geprezen
Ps. 117 : 1 prijzen prijst Hem, alle naties
Ps. 135 : 1 prijzen God -
Ps. 135 : 1 v prijzen met vermelding van redenen
Ps. 145 : 2 prijzen en loven
Ps. 145 : 3 prijzen God is zeer te -
Ps. 145 : 5 prijzen uitspreken van Gods wonderlijke daden
Ps. 145 : 21 prijzen God -
Ps. 146 : 1 prijzen prijs de HEERE, o mijn ziel
Ps. 146 : 2 prijzen God - in mijn leven
Spr. 12 : 8 prijzen grond: verstandigheid
Spr. 12 : 8 prijzen vs. verachten
Spr. 27 : 2 prijzen jezelf of een ander
Spr. 28 : 4 prijzen de goddelozen - door de wetsverlaters
Spr. 31 : 28 prijzen geval
Spr. 31 : 29 prijzen begrip: voorbeeld
Spr. 31 : 30 prijzen geprezen worden
Pred. 4 : 2 prijzen de doden -
Jer. 20 : 13 prijzen God - en Hem zingen
Dan. 4 : 34 prijzen en loven
Dan. 5 : 4 prijzen afgoden -
Matth. 11 : 25 prijzen dat
Matth. 11 : 25 prijzen door Jezus: de Vader -
Luk. 2 : 19 prijzen God -: redenen
Luk. 10 : 21 prijzen God - in blijdschap: Jezus
Luk. 10 : 21 prijzen Ik prijs U, vader
Luk. 16 : 8 prijzen de heer prees de onrechtvaardige rentmeester
Luk. 19 37 prijzen God -: reden: Zijn krachtige daden
Luk. 24 53 prijzen God -
Hand. 2 : 46 prijzen God -: samen doen
Hand. 2 : 47 prijzen God -
Hand. 3 : 8 prijzen God -: om genezing
Rom. 15 : 11 prijzen en loven
Rom. 15 : 11 prijzen God - : laten alle natien Hem prijzen
1 Cor. 11 : 2 prijzen door Paulus: de gelovigen
Opb. 19 : 5 prijzen prijst onze God
Hand. 26 : 14 prikkel
Ef. 6 : 4 prikkelen tot toorn -: kinderen
Deut. 13 : 6 primair -e personen
Deut. 13 : 8 primair -e personen niet terwille zijn: geboden
Job 12 : 21 prins God giet verachting over de -en uit
Ps. 107 : 40 prins verachting krijgen de prinsen hier
Spr. 8 : 16 prins de prinsen regeren door de wijsheid
Deut. 13 : 3 v prioriteit God liefhebben met ganse hart en ziel
Joz. 22 : 5 v prioriteit doen van Gods gebod en wet, Hem liefhebben
Ps. 27 : 4 prioriteit
Spr. 4 : 7 prioriteit wijsheid is het voornaamste
Spr. 16 : 16 prioriteit stellen
Spr. 24 : 27 prioriteit
Amos 5 : 22 prioriteit gerechtigheid meerder dan offer en lied
Micha 6 : 8 prioriteit hoofdzaak van Gods wil
Matth. 6 : 21 prioriteit
Matth. 6 : 33 prioriteit Koninkrijk van God en Gods gerechtigheid
Matth. 12 : 7 prioriteit barmhartigheid
Matth. 12 : 46 v prioriteit Jezus: - in J leven: Gods wil
Matth. 22 : 5 prioriteit verkeerde -
Matth. 22 : 5 prioriteit verkeerde -
Matth. 23 : 23 prioriteit in de wet
Mark. 12 : 30 prioriteit liefde tot God
Luk. 9 : 61 prioriteit
Luk. 11 : 42 prioriteit
Luk. 14 : 20 prioriteit andere -en
Joh. 6 : 27 prioriteit bij Jezus
Joh. 13 : 34 prioriteit onderlinge liefde
Rom. 15 : 22 prioriteit kiezen leidt tot verhindering voor de uitvoering van andere zaken
1 Tim. 1 : 4 prioriteit
1 Tim. 2 : 1 prioriteit
1 Tim. 6 : 11 prioriteit voorbeelden
2 Tim. 2 : 4 prioriteit God behagen
Tit. 3 : 14 prioriteit noodzakelijke behoeften
1 Pe 4 : 8 prioriteit liefde tot elkaar
2 Pe 3 : 3 prioriteit weet dit eerst
Jud : 3 prioriteit
prioriteit zie ook Hoofdzaak
Luk. 11 : 39 prioritering verkeerde -
Rom. 16 : 3 Prisca en Aquila
2 Tim. 4 : 19 Prisca en Aquila: groet hen
Deut. 24 : 10 v privacy achten
Num. 36 : 6 probleem oplossing
Deut. 2 : 36 probleem geen onoplosbare - voorGod
Richt. 18 : 5 probleem cognitief -
1 Sam. 4 : 3 probleem oplossing: valse
1 Sam. 30 : 7 probleem omgaan met problemen
Jer. 12 : 1 probleem verklarings- bij Jeremia
Matth. 9 : 2 probleem zonde, ons grootste probleem
Joh. 15 : 22 probleem nr. 1: de zonde
Joh. 20 : 23 probleem hoofd-: zonde
1Jo 4 : 10 probleem nr. 1: onze zonden
Opb. 1 : 9 probleem Christus kent onze problemen
Opb. 3 : 17 probleem ongeweten -
Opb. 2 : 8 probleemgericht Christus voorstelling
Ez. 34 : 4 problemen in de gemeente
Ex. 23 : 30 proces God werkt soms in (langzaam) proces
produceren zie ook Voortbrengen
Jac. 1 : 18 product christen een - van God
Gen. 11 : 6 productie verhinderen
Joh. 6 : 6 proef op de - stellen: door Jezus
1 Kron. 29 : 17 proeven God proeft ons hart
Hebr. 6 : 4 proeven van de hemelse gave
Hebr. 6 : 5 proeven geestelijk -: het goede woord van God, de krachten van de toekomstige eeuw
1 Pe 2 : 3 proeven dat de Heer Jezus goedertieren is
Gen. 20 : 7 profeet Abraham was een -
Ex. 4 : 16 profeet mond van God
Num. 11 : 24 profeet functie: voorbeeld
Num. 12 : 6 profeet Hoe God tot hem spreekt
Deut. 13 : 1 profeet
Deut. 13 : 2 profeet valse -
Deut. 13 : 3 profeet valse -: beproeving door God
Deut. 13 : 5 profeet valse afgodische -: moet gedood worden
Deut. 18 : 15 v profeet Christus
Deut. 18 : 20 profeet valse
Deut. 18 : 22 profeet valse - herkennen
Deut. 34 : 9 profeet unieke -: Mozes
Richt. 6 : 8 profeet begrip
1 Sam. 3 : 20 profeet bevestigen door God: tot een profeet des HEEREN
1 Sam. 9 : 9 profeet eerder 'ziener' genoemd
1 Sam. 9 : 27 profeet betekenis: doet Gods woord horen
1 Sam. 15 : 1 profeet functie: Gods woord brengen
1 Sam. 22 : 5 profeet Gad
1 Sam. 22 : 5 profeet rol: bevelen, raden
1 Sam. 28 : 15 profeet dienst
2 Sam. 7 : 2 profeet Nathan
2 Sam. 7 : 4 profeet adviseert hier onjuist
2 Sam. 12 : 1 profeet gezonden door God: Nathan
2 Sam. 24 : 11 profeet ontvangst boodschap vooraf
2 Sam. 24 : 18 profeet spreekt te rechter tijd
1 Kon. 8 : 56 profeet dienst van een -
1 Kon. 12 : 15 profeet dienst
1 Kon. 12 : 22 profeet Semaja
1 Kon. 13 : 9 profeet ontvangt duidelijke woorden
1 Kon. 13 : 11 profeet oud -
1 Kon. 13 : 18 profeet begrip
1 Kon. 14 : 5 profeet ontvangt boodschap van God: Ahia
1 Kon. 14 : 18 profeet God spreekt door de dienst van een -
1 Kon. 19 : 10 profeet doden: profeten waren gedood
1 Kon. 19 : 14 profeet doden: profeten waren gedood
1 Kon. 19 : 17 profeet doden door een -
1 Kon. 20 : 13 profeet toetredend
1 Kon. 20 : 22 profeet toetredend
1 Kon. 20 : 28 profeet toetredend
1 Kon. 22 : 6 v profeet valse -en
1 Kon. 22 : 8 profeet niet aangenaam: geval
1 Kon. 22 : 14 profeet begrip
1 Kon. 22 : 14 profeet onafhankelijk van andere profeten: Micha
1 Kon. 22 : 27 profeet verdrukt, gestraft ten onrechte
1 Kon. 22 : 28 profeet begrip: iemand door wie God spreekt
2 Kon. 1 : 17 profeet spreekt Gods woord
2 Kon. 2 : 3 profeet zonen der profeten
2 Kon. 3 : 11 profeet begrip
2 Kon. 3 : 11 profeet functie: antwoorder namens God
2 Kon. 3 : 12 profeet Gods woord is bij hem
2 Kon. 3 : 13 profeet valse -en
2 Kon. 6 : 31 profeet kritiek op -: geval: in hongersnood
2 Kon. 6 : 32 profeet ziende het onzienlijke: geval
2 Kon. 8 : 11 profeet wenende -: Elisa
2 Kon. 9 : 11 profeet onzinnige in de ogen van hoofdmannen
2 Kon. 10 : 19 profeet Baals profeten
2 Kon. 17 : 13 profeet en ziener
2 Kon. 17 : 13 profeet spreekt ook Gods wet die eerder is gegeven: herinnering en toepassing
2 Kon. 17 : 13 profeet taak: Gods woorden spreken
2 Kon. 17 : 23 profeet dienst: waarschuwen
2 Kon. 18 : 25 profeet valse -
2 Kon. 21 : 10 profeet dienst van een -: woord Gods doorgeven
2 Kon. 23 : 2 profeet profeten (meervoud) waren in Juda
2 Kon. 23 : 16 profeet ook man Gods genoemd
2 Kon. 24 : 2 profeet dienst: woord van God doorgeven
1 Kron. 11 : 3 profeet dienst: woord des HEEREN spreken
1 Kron. 16 : 22 profeet kwaaddoen aan -en
1 Kron. 17 : 3 profeet uitspraak van - verbeterd door God
2 Kron. 9 : 29 profeet en ziener
2 Kron. 9 : 29 profeet Nathan
2 Kron. 11 : 2 profeet Semaja
2 Kron. 12 : 5 profeet elders wordt Semaja een man Gods genoemd
2 Kron. 12 : 5 profeet Semaja
2 Kron. 13 : 22 profeet buitenbijbelse -
2 Kron. 15 : 8 profeet Oded
2 Kron. 16 : 10 profeet in gevangenis gebracht
2 Kron. 16 : 10 profeet niet aangenaam gevonden
2 Kron. 18 : 4 v profeet begrip
2 Kron. 18 : 5 profeet begrip: iemand die het woord van God doorgeeft
2 Kron. 18 : 5 v profeet valse -en
2 Kron. 18 : 7 profeet gehaat door Achab omdat die niets goeds profeteert
2 Kron. 18 : 10 v profeet valse -
2 Kron. 18 : 12 profeet boodschap van een - trachten te beinvloeden
2 Kron. 18 : 13 profeet ware -: spreekt de mensen niet naar de mond
2 Kron. 18 : 23 profeet geslagen: Micha
2 Kron. 18 : 26 profeet gevangengezet
2 Kron. 18 : 27 profeet begrip: God spreekt door hem
2 Kron. 20 : 20 profeet gelooft aan Gods profeten en je zult voorspoedig zijn
2 Kron. 20 : 37 profeet Eliezer
2 Kron. 21 : 12 profeet schreef ook aan koning
2 Kron. 24 : 19 profeet betuigen: profeten betuigden tegen het volk
2 Kron. 24 : 19 profeet doel of taak: doen wederkeren
2 Kron. 24 : 19 profeet gezonden -en
2 Kron. 24 : 20 profeet Geest Gods toog Zacharia aan
2 Kron. 24 : 20 profeet wijst op overtredingen
2 Kron. 24 : 21 profeet gestenigd: Zacharia
2 Kron. 25 : 7 profeet man Gods
2 Kron. 25 : 15 v profeet boodschap: geval
2 Kron. 25 : 15 profeet gezonden door God
2 Kron. 25 : 16 profeet kritiek op -: kritiek op bevoegdheid
2 Kron. 28 : 10 profeet Oded
2 Kron. 29 : 25 profeet functie
2 Kron. 36 : 12 profeet dienst van een -: spreken uit de mond des HEEREN
2 Kron. 36 : 15 profeet gezonden door God
2 Kron. 36 : 16 profeet veracht
2 Kron. 36 : 21 profeet mond van God
Ezra 1 : 1 profeet spreekt de woorden Gods
Ezra 5 : 2 profeet dienst: ondersteuning
Ezra 5 : 2 profeet profeten van God
Ezra 9 : 11 profeet dienst
Neh. 6 : 14 profeet valse -en: tegen Nehemia
Neh. 9 : 26 , 29 profeet oogmerk
Neh. 9 : 26 profeet profeten gedood door het volk Israël
Neh. 9 : 30 profeet dienst van een -: door de Geest
Ps. 105 : 15 profeet Israël, Gods -en
Jes. 3 : 2 profeet valse - en waarzegger
Jes. 9 : 15 profeet valse -
Jes. 22 : 15 profeet spreekopdracht vooraf
Jes. 28 : 7 profeet dronken -
Jes. 29 : 10 profeet door God verblind
Jes. 29 : 10 profeet valse -en
Jes. 30 : 33 profeet de valse -, valse koning der Joden, voor de hel bestemd (associatie)
Jes. 36 : 10 profeet valse -: geval Rabsaké
Jes. 39 : 5 profeet taak: Gods woord spreken
Jer. 1 : 5 profeet Jeremia gesteld tot een - voor de volken
Jer. 2 : 8 profeet valse -: profeten profeteerden door Baal
Jer. 2 : 30 profeet profeten vermoord
Jer. 4 : 9 profeet valse -en
Jer. 5 : 12 profeet ongeloof aan de onheilsboodschap van profeten
Jer. 5 : 13 profeet betekenis: woordvoerder Gods
Jer. 5 : 13 profeet ware - veracht: zou zonder het woord van God zijn
Jer. 5 : 30 profeet valse -en
Jer. 6 : 13 profeet valse -
Jer. 6 : 16 profeet valse -: verwerpt oude goede paden
Jer. 7 : 25 profeet door God steeds en vroegtijdig gezonden
Jer. 8 : 10 profeet valsheid bedrijven
Jer. 11 : 21 profeet bedreigd
Jer. 14 : 13 v profeet valse -en: geval
Jer. 20 : 6 profeet valse -: Pashur
Jer. 23 : 9 profeet geestesgesteld: gebroken hart Jeremia
Jer. 23 : 11 profeet huichelaar
Jer. 23 : 13 v profeet valse -en
Jer. 23 : 16 profeet valse - spreekt het gezicht van zijn hart
Jer. 23 : 16 profeet valse -: onze houding tegenover hen
Jer. 23 : 17 profeet valse -: inhoud boodschap
Jer. 23 : 17 profeet valse -en: spreken van vrede
Jer. 23 : 18 profeet hoort of ziet Gods woord
Jer. 23 : 21 profeet gezonden
Jer. 23 : 21 profeet valse -: niet gezonden door God
Jer. 23 : 21 profeet valse -: niet gezonden, geen woord van God
Jer. 23 : 22 profeet dienst van een -
Jer. 23 : 22 profeet kan iem. afkeren van zijn boze weg
Jer. 23 : 22 profeet voorwaarde: in Gods raad staann
Jer. 23 : 25 profeet valse - profeteren in de naam van God leugen
Jer. 23 : 25 profeet valse -: spreekt op grond van een valse droom
Jer. 23 : 26 profeet valse -: huns harten bedriegerij
Jer. 23 : 27 profeet valse: doen Gods naam vergeten
Jer. 23 : 29 profeet valse en ware - onderscheiden
Jer. 23 : 30 profeet valse -en: stelen Gods woord (van oudere Godsspraken?)
Jer. 23 : 31 v profeet valse -en
Jer. 23 : 32 profeet valse -: gevolg voor het volk
Jer. 23 : 38 profeet valse -: bestraft door God
Jer. 26 : 5 profeet gezonden door God
Jer. 26 : 5 profeet profeten van God niet horen
Jer. 26 : 8 profeet valse -en
Jer. 26 : 20 profeet Uria, onbekende profeet
Jer. 26 : 21 profeet in levensgevaar: Uria
Jer. 26 : 23 profeet Uria eervol vermeld in Gods woord
Jer. 26 : 23 profeet Uria gedood
Jer. 27 : 9 profeet valse -en bij de volken
Jer. 27 : 9 profeet valse -en: overeenstemming met occultisten
Jer. 27 : 10 v profeet valse -
Jer. 27 : 15 profeet gezonden door God
Jer. 27 : 18 profeet begrip: woord des HEREN is bij hem
Jer. 28 : 1 v profeet valse -: illustratie : Hananja
Jer. 28 : 9 profeet ware - onderkennen
Jer. 29 : 19 profeet gezonden door God
Jer. 29 : 21 profeet valse -en
Jer. 29 : 23 profeet valse -en pleegden overspel
Jer. 29 : 31 profeet valse -
Jer. 37 : 19 profeet valse -en
Jer. 38 : 4 profeet de mond gesnoerd
Jer. 44 : 4 profeet dienst
Jer. 44 : 4 profeet knecht van God
Klg. 2 : 14 profeet valse -en: kenmerk: openbaren ongerechtigheid niet
Klg. 2 : 14 profeet valse -en: visioenen waren vals
Klg. 4 : 13 profeet de zonde van Jeruzalems profeten
Ez. 2 : 4 - 5 profeet begrip
Ez. 13 : 2 profeet valse -: profeteren uit hun hart
Ez. 13 : 3 profeet valse -: je geest nawandelen
Ez. 13 : 10 profeet valse - : verleidt
Ez. 20 : 49 profeet miskend
Ez. 22 : 25 v profeet valse -en
Ez. 22 : 28 profeet valse -en
Dan. 9 : 6 profeet taak, doelgroep
Hos. 4 : 5 profeet valse -
Hos. 6 : 5 profeet functie: Gods woord brengen
Hos. 9 : 7 profeet in Israël is de profeet een dwaas
Hos. 9 : 8 profeet valse -
Hos. 12 : 11 profeet ontvangt een sprake Gods
Hos. 12 : 11 profeet spreekt namens God gelijkenissen
Hos. 12 : 14 profeet Mozes was een -
Amos 3 : 2 profeet openbaart verborgenheid Gods
Amos 3 : 7 profeet ontvangt Gods verborgenheid
Amos 7 : 15 profeet roeping: Amos
Amos 7 : 16 profeet ongewenst: Amos
Micha 2 : 6 profeet valse -en spreken de ware tegen
Micha 3 : 5 v profeet valse -en
Micha 3 : 5 v profeet ziener, - en z.
Micha 3 : 11 profeet -en, richters en priesters
Micha 3 : 11 profeet corrupte -
Micha 3 : 11 profeet waarzeggen
Zef. 3 : 4 profeet lichtvaardige -en
Zach. 7 : 7 profeet begrip: spreekbuis Gods
Zach. 8 : 8 profeet profeten ten dage als de grond van de tempel gelegd is
Matth. 2 : 15 profeet betekenis: spreekmiddel Gods
Matth. 5 : 12 profeet vervolging: profeten worden vervolgd
Matth. 7 : 15 v profeet valse - herkennen
Matth. 7 : 15 profeet valse –:zoekt discipelen van Jezus voor zich te winnen
Matth. 7 : 22 profeet valse -en
Matth. 7 : 23 profeet valse – herkennen: aan werken van de wetteloosheid
Matth. 10 : 41 profeet loon van een -
Matth. 10 : 41 profeet ontvangen van een -
Matth. 13 : 17 profeet vele profeten begeerden Jezus werken te zien
Matth. 13 : 57 profeet eer/oneer
Matth. 14 : 5 profeet Johannes de Doper
Matth. 21 : 11 profeet de -: Jezus
Matth. 21 : 35 profeet lijden van de -en
Matth. 23 : 29 profeet graven van de -en
Matth. 23 : 31 profeet vermoorden van -en
Matth 23 : 37 profeet verwerping en doding van profeten
Matth 24 : 11 profeet valse -en: vele valse -en zullen opstaan en velen misleiden
Matth. 24 : 23 profeet valse -en
Matth. 24 : 24 profeet valse -en
Matth. 26 : 56 profeet schriften van de -en spreken van Jezus
Matth. 26 : 56 profeet spreekt ook over de toekomst
Mark. 6 : 15 profeet Jezus voor een - gehouden
Mark. 13 : 22 profeet valse -en
Mark. 14 : 65 profeet valse -: Jezus behandeld als valse -
Luk. 1 : 70 profeet mond van God
Luk. 1 : 76 profeet van de Allerhoogste: Johannes
Luk. 3 : 4 profeet Jesaja
Luk. 4 : 24 profeet impopulair
Luk. 4 : 24 profeet niet aangenaam in zijn vaderstad
Luk. 6 : 23 profeet misjegend
Luk. 6 : 26 profeet valse -: door ieder gewaardeerd
Luk. 7 : 16 profeet groot -: Jezus
Luk. 7 : 26 profeet Johannes de Doper
Luk. 7 : 26 profeet meer dan een - was Johannes de Doper
Luk. 10 : 24 profeet vele profeten hebben gewenst de Christus te zien en te horen
Luk. 11 : 47 profeet graftomben van de -en
Luk. 11 : 47 profeet profeten gedood
Luk. 11 : 49 profeet onderscheiden van apostel
Luk. 11 : 50 profeet het bloed van alle -en geëist
Luk. 18 31 profeet profeten schreven
Luk. 24 : 25 profeet te geloven door ons
Joh. 4 : 19 profeet begrip: ziener
Joh. 4 : 19 profeet Jezus als - beschouwd
Joh. 6 : 14 profeet die in de wereld zou komen
Joh. 18 : 14 profeet hogepriester, vgl. Eli over Hanna
Hand. 2 : 30 profeet David een -
Hand. 2 : 31 profeet kan vooruitzien
Hand. 3 : 18 profeet God verkondigde tevoren door de mond van alle profeten
Hand. 3 : 21 profeet God spreekt door hun mond
Hand. 3 : 21 profeet heilige -en
Hand. 7 : 52 profeet doden: gedood door de Israëlieten
Hand. 7 : 52 profeet vervolgen: alle -en zijn vervolgd
Hand. 10 : 43 profeet alle -en getuigen van de Christus
Hand. 11 : 27 profeet profeten kwamen in Antiochië
Hand. 13 : 1 profeet profeten onderscheiden van leraars
Hand. 13 : 6 profeet valse -
Hand. 15 : 32 profeet dienst: versterkt
Hand. 15 : 32 profeet dienst: vertroost
Hand. 15 : 32 profeet en voorganger: Judas, Silas
Hand. 21 : 10 profeet Agabus
1 Cor. 14 : 32 profeet geesten van de -en zijn aan de profeten onderworpen
1 Cor. 14 : 37 profeet menen een – te zijn
Ef. 3 : 5 profeet heilige -en
Ef. 4 : 11 profeet gave aan de gemeente
1 Thess. 2 : 15 profeet doden van de -en: door de Joden
Tit. 1 : 12 profeet valse joodse -
Hebr. 1 : 1 profeet begrip
Jac. 5 : 10 profeet kenmerk: spreken in de naam van de Heer
1 Pe 1 : 10 profeet onderzoek door -en
2 Pe 2 : 1 profeet valse -en: onder het volk
2 Pe 2 : 16 profeet valse -: Bileam
2 Pe 3 : 2 profeet heilige -en
1Jo 4 : 1 profeet valse -: vele zijn uitgegaan
1Jo 4 : 4 profeet valse -en: overwonnen: door de Geest van God in ons
Opb. 10 : 7 profeet slaaf van God
Opb. 11 : 18 profeet slaaf van God
Opb. 16 : 6 profeet
Opb. 16 : 13 profeet de valse -
Opb. 19 : 20 profeet de valse - gegrepen
Opb. 19 : 20 profeet de valse -: doet tekenen
Opb. 19 : 20 profeet de valse -: einde
Opb. 20 : 10 profeet valse - : de valse - in de hel
Opb. 22 : 6 profeet geest van de profeet: door God geleid
Opb. 22 : 6 profeet geesten van de -en: de God van de geesten van de profeten
Opb. 22 : 9 profeet engel medeslaaf van de profeten
1 Kron. 25 : 2 v profeten Davids -
Ez. 13 : 9 profeten valse - niet in de Bijbel opgenomen
Matth. 22 : 40 profeten en wet: hoofdzaak: liefde
Matth. 22 : 40 profeten hoofdzaak van hun spraak
Joh. 6 : 45 profeten deel van het Oude Testament
Num. 11 : 25 v profeteren door de Geest
Num. 11 : 29 profeteren door al het volk, als de Geest op hen zou rusten
Num. 24 : 13 profeteren gehoorzaam -: door Bileam
Richt. 9 : 7 v profeteren door Jotham, zoon van Gideon
1 Sam. 10 : 2 v profeteren toekomst voorzeggen
1 Sam. 10 : 2 v profeteren toekomst: tot in bijzonderheden
1 Sam. 10 : 5 v profeteren door de Heilige Geest
1 Sam. 10 : 10 profeteren door de Geest: Saul
1 Sam. 18 : 10 profeteren door een boze geest
1 Sam. 19 : 20 v profeteren door de Geest Gods: Saul en Sauls boden
1 Sam. 25 : 26 v profeteren door een vrouw: Abigail
1 Kon. 13 : 2 profeteren geval van -: vs. 21
1 Kon. 13 : 2 profeteren voorzegging
1 Kon. 14 : 7 v profeteren voorzeggen
1 Kon. 16 : 12 profeteren over iemands lot
1 Kon. 17 : 29 profeteren valselijk -, Baals profeten
1 Kon. 21 : 19 profeteren met woorden die eerder ontvangen zijn
1 Kron. 25 : 1 profeteren onder muziek, vs 3
2 Kron. 11 : 4 profeteren verbieden: God verbiedt door de mond van Semaja
2 Kron. 18 : 7 profeteren begrip
2 Kron. 18 : 7 profeteren kwaad of goed - over iemand
2 Kron. 18 : 7 profeteren over iemand: goed of kwaad
2 Kron. 20 : 14 profeteren door de Geest
2 Kron. 20 : 14 profeteren in de samenkomst
2 Kron. 20 : 37 profeteren tegen iemand
2 Kron. 35 : 22 profeteren door een heidense koning
Ezra 5 : 1 profeteren begrip
Neh. 9 : 30 profeteren spreken door de Geest van God
Jer. 2 : 8 profeteren door Baal
Jer. 5 : 31 profeteren valselijk -
Jer. 17 : 18 profeteren profetie uitspreken: waar
Jer. 19 : 14 profeteren aangewezen plaats om te -
Jer. 20 : 1 profeteren woorden -
Jer. 20 : 6 profeteren vals -
Jer. 20 : 9 profeteren drang: bij Jeremia
Jer. 26 : 9 profeteren onheil: wordt Jeremia kwalijk genomen
Jer. 26 : 11 profeteren tegen Jeruzalem: door Jeremia
Jer. 26 : 12 profeteren tegen de tempel
Jer. 26 : 12 profeteren tegen Jeruzalem: door Jeremia
Jer. 26 : 20 profeteren buiten de bijbel om
Jer. 27 : 10 profeteren goddelijke of bovennatuurlijke openbaring bekendmaken
Jer. 27 : 10 profeteren valsheid -
Jer. 27 : 14 profeteren valsheid -
Jer. 27 : 15 profeteren valselijk in Gods naam
Jer. 27 : 16 profeteren valsheid -
Jer. 28 : 8 profeteren tegen landen of koninkrijken: begrip
Jer. 28 : 8 profeteren van kwaad
Ez. 13 : 2 profeteren uit je hart (vals -)
Ez. 13 : 3 profeteren je geest nawandelen (vals -)
Ez. 13 : 17 profeteren vals -: uit je hart
Ez. 33 : 22 profeteren genade tot -
Joel 2 : 28 profeteren door de Geest
Amos 2 : 12 profeteren verbieden ten onrechte
Amos 3 : 8 profeteren begrip: Gods woorden doorgeven
Amos 7 : 15 profeteren begrip: is - tot ...
Amos 7 : 16 profeteren ongewenst -: door Amos
Matth. 15 : 7 profeteren geval
Matth. 26 : 68 profeteren begrip
Mark. 12 : 36 profeteren door de Heilige Geest: David
Mark. 13 : 11 profeteren
Mark. 14 : 65 profeteren profeteer! Bevel, uitdaging, verzoeking
Luk. 1 : 67 profeteren door de Geest: geval
Luk. 1 : 67 profeteren geval: Zacharias
Luk. 1 : 76 profeteren over iemand: geval: over het kind Johannes
Luk. 22 64 profeteren Jezus uitgedaagd om te -
Luk. 22 69 profeteren door Jezus: aangaande zichzelf
Joh. 11 : 51 profeteren begrip: Gods woorden te rechter tijd spreken
Joh. 17 : 14 profeteren begrip: Gods woord doorgeven
Joh. 17 : 14 profeteren geval van
Joh. 18 : 14 profeteren begrip: ook woorden over de toekomst
Hand. 2 : 17 v profeteren door de Geest
Hand. 11 : 28 profeteren door de Geest: geval
Hand. 19 : 6 profeteren door de Heilige Geest
Hand. 21 : 4 profeteren geval: bij de discipelen in Tyrus
Hand. 21 : 9 profeteren door zusters
Hand. 21 : 11 profeteren "dit zegt de Heilige Geest"
Hand. 21 : 11 profeteren met gebruikmaking van een voorwerp ter verbeelding
1 Cor. 13 : 9 profeteren wij profeteren ten dele
1 Cor. 14 : 24 profeteren allen kunnen -
1 Cor. 14 : 31 profeteren allen, één voor één, kunnen -
1 Cor. 14 : 31 profeteren nut van -
1 Cor. 14 : 39 profeteren streeft ernaar te -
2 Pe 1 : 21 profeteren begrip
Jud : 14 profeteren sluit spreken in
Jud : 14 profeteren spreken over de toekomst
Jud : 14 profeteren van (aangaande) iem.
Opb. 10 : 11 profeteren opdracht tot -
Opb. 10 : 11 profeteren over volken, talen, koningen
Opb. 11 : 3 profeteren
profeteren zie ook Voorzeggen
Ex. 15 : 20 profetes Mirjam
Richt. 4 : 4 profetes Debora
2 Kon. 22 : 14 profetes Hulda
Neh. 6 : 14 profetes valse -
Ez. 13 : 17 v profetes valse -sen
Opb. 2 : 20 profetes valse -
Opb. 2 : 20 profetes zichzelf zo noemen
2 Kron. 34 : 22 profetesse Hulda
Gen. 49 : 1 v profetie Jakob s -
Deut. 21 : 22 profetie kruisdood Christus
Deut. 30 : 1 v profetie betrouwbaar: geval: Israëls verstrooiing
Joz. 20 : 2 profetie dienst
Joz. 21 : 2 profetie Godsspraak door de dienst van een mens
1 Sam. 1 : 17 profetie geval: Elia over Hanna
1 Sam. 4 : 11 profetie vervulling: precies als voorzegd
1 Sam. 18 : 10 profetie uit verkeerde bron hier
1 Sam. 28 : 17 profetie dienst waardoor God spreekt
2 Sam. 23 : 3 profetie messiaanse
1 Kon. 15 : 29 profetie vervuld: geval
1 Kon. 16 : 2 profetie oordeel aangekondigd: ondergang huis van Baesa
1 Kon. 16 : 12 profetie vervuld: geval
1 Kon. 16 : 34 profetie vervuld: geval, 500 jaar na voorzegging
1 Kon. 20 : 22 profetie voorzegging hier
1 Kon. 20 : 36 profetie voorzegging hier
1 Kon. 20 : 42 profetie voorzegging hier
1 Kon. 21 : 23 profetie aankondiging van straf
1 Kon. 22 : 25 profetie geval: deels voorzegging
1 Kon. 22 : 28 profetie weerlegbaar
1 Kon. 22 : 38 profetie vervulling: geval
2 Kon. 1 : 6 profetie voorzegging hier
2 Kon. 1 : 17 profetie vervulling: geval
2 Kon. 2 : 3 profetie voorzegging hier
2 Kon. 3 : 16 profetie geval: bevel, voorzeggen
2 Kon. 4 : 17 profetie voorzegging hier
2 Kon. 4 : 43 profetie voorzegging: geval
2 Kon. 7 : 16 profetie vervulling: geval
2 Kon. 7 : 17 profetie vervulling: geval
2 Kon. 7 : 18 profetie gedetailleerde -
2 Kon. 8 : 1 profetie geval
2 Kon. 8 : 10 profetie omtrent iemand: de koning van Syrie
2 Kon. 8 : 12 profetie geval
2 Kon. 8 : 12 profetie omtrent iemand: Hazael
2 Kon. 8 : 15 profetie vervullen: door degeen over wie geprofeteerd is
2 Kon. 9 : 8 profetie geval: straf aangekondigd
2 Kon. 9 : 26 profetie vervullen: willens en wetens: door Jehu
2 Kon. 9 : 26 profetie vervulling: geval
2 Kon. 9 : 36 profetie vervulling: geval
2 Kon. 10 : 10 profetie vervulling: geval: alles vervuld
2 Kon. 10 : 30 profetie gedetailleerde -
2 Kon. 13 : 17 v profetie voorzegging: geval
2 Kon. 14 : 25 profetie vervulling: geval
2 Kon. 15 : 12 profetie vervuld
2 Kon. 19 : 6 profetie geval: gebod, voorzegging
2 Kon. 19 : 32 profetie geval: voorzegging
2 Kon. 20 : 5 v profetie geval: voorzegging
2 Kon. 20 : 16 v profetie geval: voorzegging
2 Kon. 23 : 16 profetie voorzegging: vervulling
2 Kon. 24 : 13 profetie vervulling: geval
2 Kron. 15 : 2 - 7 profetie geval: Azaria
2 Kron. 15 : 8 profetie geval -
2 Kron. 15 : 8 profetie gevolg: zich sterken
2 Kron. 18 : 21 profetie valse -: door leugengeest ingegeven
2 Kron. 18 : 24 profetie over iemand: geval
2 Kron. 18 : 27 profetie testen: als dit niet, dan heeft God niet gesproken door mij
2 Kron. 20 : 14 profetie spontane, door de Geest ingeblazen
2 Kron. 21 : 14 profetie voorzegging van een plaag
2 Kron. 34 : 23 v profetie geval: door Hulda
2 Kron. 35 : 22 profetie uit de mond van een heidense koning
Ezra 6 : 14 profetie nut: aansporing
Neh. 6 : 12 profetie als aanwijzing Gods
Neh. 6 : 12 profetie valse -
Neh. 6 : 12 profetie verzonnen -
Spr. 29 : 18 profetie noodzakelijk
Spr. 29 : 18 profetie zonder - verwildert het volk
Jes. 39 : 7 profetie over iemand persoonlijk
Jer. 4 : 10 profetie valse -: geval
Jer. 5 : 13 profetie verachten
Jer. 5 : 30 profetie valse -: afschuwelijke zaak
Jer. 6 : 13 v profetie valse -
Jer. 11 : 21 profetie weerstaan
Jer. 17 : 15 profetie verzoeken door derden
Jer. 23 : 34 profetie valse -: bestraft door God
Jer. 23 : 34 profetie valse -: door priester, profeet of volk
Jer. 23 : 36 profetie valse -: en verdraaiing van Gods woord
Jer. 28 : 4 profetie valse -: bevat waarheid: Jechonia zou na 37 jaar gevangenschap terugkeren
Jer. 28 : 9 profetie ware -: criterium
Jer. 38 : 17 v profetie voorwaardelijke uitkomst
Jer. 45 : 2 profetie over een persoon: Baruch
Jer. 51 : 12 profetie als zijnde vervuld: Gods woord over Babel
Ez. 12 : 22 profetie geloochend, veracht
Ez. 12 : 24 profetie valse -
Ez. 13 : 6 profetie valse -
Ez. 13 : 7 profetie zie ook Gezicht
Ez. 13 : 7 profetie zie ook Voorzegging
Ez. 13 : 10 profetie valse -: geval
Ez. 39 : 8 profetie bijbelse - betrouwbaar
Micha 2 : 6 profetie ware - verworpen en betwist
Micha 3 : 5 v profetie waarzegging, - en w.
Hab. 2 : 3 profetie vervulling door God geregisseerd
Matth. 13 : 14 profetie vervulling: geval
Matth. 13 : 17 profetie Jezus een onderwerp der - of openbaring
Matth. 16 : 28 profetie over enkeling(en)
Matth. 27 : 9 profetie van Jeremia: vervuld
Mark. 13 : 2 profetie voorzegging in dit geval: verwoesting tempel
Mark. 13 : 4 profetie vervulling: teken van de vervulling
Mark. 14 : 9 profetie door Jezus: geval
Mark. 14 : 25 profetie door Jezus: over toekomst: wijn drinken in Kon. Gods
Mark. 14 : 28 profetie voorzegging: geval
Mark. 14 : 62 profetie door Jezus: toekomst
Luk. 18 31 profetie aangaande Christus: al wat door de profeten is geschreven zal worden volbracht
Luk. 18 31 profetie Oude Testament: over Christus
Hand. 3 : 21 profetie onvervulde -
Hand. 11 : 28 profetie voorzegging: geval
Hand. 13 : 27 profetie vervullen: door de tegenstanders van Jezus
Hand. 26 : 22 profetie van de Schrift: daarbinnen blijven
Hand. 26 : 22 profetie voorzegging
Rom. 12 : 6 profetie is een genadegave
Rom. 12 : 6 profetie naar gelang van het geloof
1 Cor. 13 : 2 profetie hebben
1 Cor. 13 : 8 profetie profetieën zullen te niet gedaan worden
1 Cor. 14 : 22 profetie voor de gelovigen bestemd
1 Cor. 14 : 24 profetie strekking
1 Cor. 14 : 29 profetie beoordelen
1 Thess. 5 : 20 profetie beproeven
1 Thess. 5 : 20 profetie verachten van -ën: laat af
2 Thess. 2 : 2 profetie valse -
1 Tim. 1 : 18 profetie over iem.: Timotheus
1 Tim. 4 : 14 profetie genadegave geven door -
2 Pe 1 : 20 profetie uitlegging
2 Pe 1 : 21 profetie voortbrenging van -
Opb. 1 : 1 profetie als voorzegging
Opb. 1 : 3 profetie bewaren
Opb. 1 : 3 profetie geschrift: profetisch geschrift
Opb. 1 : 3 profetie geval: Openbaring van Jezus Christus
Opb. 1 : 3 profetie horen
Opb. 19 : 10 profetie geest van de -: getuigenis van Jezus
Opb. 22 : 7 profetie geval: Openbaring (boek)
Opb. 22 : 10 profetie van dit boek
Opb. 22 : 18 profetie de woorden van de - van dit boek
Opb. 22 : 19 profetie boek van deze -
profetie zie ook Aanwijzing: goddelijke
2 Cor. 11 : 20 profiteren
Ex. 34 : 24 project ander kan je stoel nemen
Ex. 35 : 43 project controle
Neh. 2 : 6 project duur
Pred. 8 : 6 project heeft tijd en wijze (toepassing)
Filip. 1 : 6 project Gods -
1 Sam. 17 : 28 projectie Eliab tov David
Ps. 50 : 21 projectie zelfbeeld op Godsbeeld: fout
Spr. 22 : 29 promotie door vaardige arbeid
Jes. 3 : 24 pronkgewaad
Ez. 34 : 5 prooi worden: oorzaak
Matth. 23 : 15 proseliet
Hand. 13 : 25 proseliet niet-Jood die de God van Israël vrezen
Hand. 13 : 43 proseliet godsdienstige -
Hand. 16 : 14 proseliet Lydia
Deut. 23 : 17 prostitué verbod op -s
Deut. 23 : 18 prostitué loon: 'hondenprijs'
Deut. 23 : 17 prostitué verbod op -s
1 Sam. 2 : 5 prostitué verhuurt zich om brood (toepassing)
prostitué mannelijke -: zie Schandjongen
Deut. 23 : 17 prostitutie tegen -
Luk. 9 : 12 proviand
Matth. 27 : 40 provocatie
1 Kron. 16 : 7 psalm lof-
Ps. 108 : 1 psalm en lied
Ps. 118 : 14 psalm God is mijn -
Jes. 12 : 2 psalm God is mijn -
Ef. 5 : 19 psalm spreekt tot elkaar in -en
Col. 3 : 16 psalm leren en terechtwijzen met
Hand. 13 : 33 Psalm tweede -
Ps. 68 : 33 psalmen psalmzingt de Heer
Luk. 20 41 psalmen boek der -
Ps. 27 : 5 psalmzingen voor God - in Zijn tent
Ps. 30 : 5 psalmzingen
Ps. 33 : 2 psalmzingen met de luit: psalmzingt Hem met de luit
Ps. 47 : 7 psalmzingen psalmzingt Gode
Ps. 47 : 8 psalmzingen psalmzingt een onderwijzing
Ps. 59 : 17 - 18 psalmzingen over Gods sterke
Ps. 61 : 9 psalmzingen Uw naam - in eeuwigheid
Ps. 66 : 2 psalmzingen de eer van Gods naam -
Ps. 66 : 4 psalmzingen God -: de ganse aarde aanbidde U en psalmzinge U
Ps. 68 : 5 psalmzingen psalmzingt Zijn naam
Ps. 71 : 22 psalmzingen met de harp
Ps. 98 : 4 psalmzingen psalmzingt!
Ps. 105 : 2 psalmzingen psalmzingt Hem
Ps. 108 : 2 psalmzingen
Ps. 108 : 4 psalmzingen God - onder de natiën
Ps. 146 : 2 psalmzingen God -
Ps. 147 : 1 psalmzingen Gode -
Ps. 147 : 7 psalmzingen Gode - op de harp
Jes. 12 : 5 psalmzingen psalmzingt de HEER
Jes. 13 : 5 psalmzingen psalmzingt de HEER
Dan. 4 : 34 psychiatrische ziekte
Spr. 20 : 5 psychoanalyse (toepassing op -)
Spr. 20 : 5 psycholoog (toepassing op -)
Pred. 8 : 1 psychosomatiek
Spr. 14 : 30 psychosomatisch nijd is verrotting der beenderen
Spr. 15 : 13 psychosomatisch
Spr. 17 : 22 psychosomatisch
Spr. 18 : 14 psychosomatisch
2 Kron. 26 : 3 puber wordt koning
2 Kon. 23 : 2 publiciteit bekend maken wat je gevonden hebt
Mark. 8 : 30 publiciteit door Jezus gemeden
Luk. 5 : 14 publiciteit tegenhouden
2 Tim. 4 : 21 Pudens
Dan. 5 : 16 purper Daniel zou met - bekleed worden
Mark. 15 : 17 purper mantel die Jezus om kreeg
Opb. 17 : 4 purper
Opb. 18 : 16 purper
Gen. 26 : 15 put putten gestopt met aarde
Gen. 26 : 25 put graven
Ps. 33 : 3 put in de - zitten
Ps. 69 : 16 put laat de - zijn mond over mij niet toesluiten
Jes. 24 : 21 put opgesloten in een put
put zie ook Kuil
Gen. 10 : 6 Put Chams zoon
Gen. 24 : 11 putster