Onderwerpenregister bij de Bijbel/N

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

Onderwerpen die beginnen met de letter N:

Mark. 14 : 1 na 2 dagen
Hebr. 4 : 13 naakt alle dingen zijn - en geopend voor God
Matth. 25 : 35 naakt en gekleed worden
Matth. 25 : 38 naakt en gekleed worden
2 Cor. 5 : 3 naakt fig. naakt: bevonden worden bij de wederkomst
Opb. 3 : 17 - 18 naakt geestelijk -
Matth. 22 : 11 naakt geestelijk - (toepassing)
Jes. 20 : 3 naakt Jesaja -
Pred. 5 : 14 naakt mens komt - uit de moederschoot en keert - weder
Gen. 9 : 21 naakt Noach ontblootte zich
naakt zie ook Ongekleed
1 Cor. 4 : 11 naakt zijn
Jes. 58 : 7 naakte te bedekken
Ez. 18 : 7 naakte te kleden
Deut. 28 : 48 naaktheid als vloek
Gen. 9 : 23 naaktheid bedekken
Hos. 2 : 8 naaktheid bedekken
Gen. 3 : 7 naaktheid besef van naaktheid
Luk. 8 : 27 naaktheid en demonie
2 Cor. 11 : 27 naaktheid in -
Gen. 2 : 25 naaktheid oorspronkelijke toestand
Opb. 3 : 18 naaktheid schande van -
Ex. 28 : 42 naaktheid zie ook Schaamte
Gen. 9 : 23 naaktheid zien: vermijden
Hab. 2 : 15 naaktheid zoeken te aanschouwen
Opb. 16 : 15 naaktheid
Luk. 18 : 25 naald oog van de -
Jes. 65 : 15 naam andere - krijgen Gods knechten
Dan. 1 : 7 naam andere naam krijgen
Matth. 1 : 21 naam betekenis
Ef. 1 : 21 naam boven alle - gesteld is Christus
Opb. 3 : 8 naam Christus -: niet verloochenen
Filip. 2 : 9 naam Christus heeft een - boven alle naam gekregen
Hgl 1 : 3 naam Christus' - welriekende olie (toepassing)
Ex. 33 : 19 naam des HEEREN: uitgeroepen door God zelf, 34:6
1 Kron. 17 : 8 naam een - gelijk de - is van de groten
Jes. 56 : 5 naam eeuwige - ontvangen: van God
Opb. 3 : 4 naam gebruik als zijnde een persoon
Opb. 15 : 2 naam getal van de - van het Beest
Richt. 6 : 32 naam geval van naamgeving: Jerubbaal voor Gideon
Gen. 5 : 2 naam geven: aan de mensen: door God
Ex. 18 : 3 v naam geven: betekenis
Ex. 17 : 7 naam geven: betekenis geven
Mark. 3 : 17 naam geven: door Jezus
1 Kron. 17 : 8 naam God maakte David een -
1 Kron. 17 : 21 naam God maakte Zich een - door de Kanaänietische volken uit te stoten
Deut. 5 : 11 naam Gods - niet ijdel gebruiken
1 Kron. 17 : 24 naam Gods -: "Uw naam worde grootgemaakt tot in eewigheid"
Ex. 20 : 7 naam Gods -: gebruiken: niet ijdel
1 Sam. 12 : 23 naam Gods naam: God laat na terwille v.z. -
Lev. 22 : 1 naam Gods: de naam Mijner heiligheid
Pred. 7 : 1 naam goede - beter dan goede olie
Spr. 22 : 1 naam goede - is uitgelezener dan rijkdom
Gen. 12 : 2 naam groot maken: door God
2 Sam. 7 : 9 naam grote -: David: door God gemaakt
1 Kron. 11 : 24 naam hebben: een naam hebben
Joh. 12 : 28 naam iem. - verheerlijken
Luk. 6 : 22 naam iemands - als slecht verwerpen
1 Kron. 22 : 5 naam iets tot een Naam maken
1 Sam. 25 : 5 naam in - van iem.
Ef. 5 : 20 naam in [de] van onze Heer Jezus Christus de Vader danken
Luk. 24 : 47 naam in Christus' naam prediken
Deut. 18 : 20 naam in de - van
Joh. 20 : 31 naam in de - van Christus: leven hebben
Joh. 17 : 12 naam in de - van de Vader: bewaren
1 Kron. 21 : 19 naam in de - van God spreken: geval
Deut. 18 : 5 naam in de naam des HEREN dienen
Joh. 17 : 12 naam in de naam van de Vader: bewaar
Jer. 29 : 25 naam in eigen -
1 Sam. 25 : 8 naam in iem. - spreken: voorbeeld
Col. 3 : 17 naam in naam van de Heer Jezus doen
Matth. 10 : 41 naam in naam van iemand ontvangen
Joh. 5 : 43 naam in zijn eigen - komen
Neh. 6 : 13 naam kwade -
1 Kron. 5 : 24 naam mannen van -
Gen. 6 : 4 naam mannen van -: reuzen
Opb. 2 : 17 naam nieuwe -
Jes. 62 : 2 naam nieuwe - voor Jeruzalem
2 Sam. 12 : 25 naam nieuwe -: door God gegeven: Absalom
Jes. 48 : 1 naam nominale godsdienst, zonder waarheid en gerechtigheid
1 Kon. 4 : 31 naam Salomo's naam was onder alle heidenen rondom
Deut. 26 : 19 naam tot een naam zetten: bekend, beroemd
Ezra 10 : 23 naam twee namen van een persoon: Kelaja en Kelita
Hebr. 1 : 4 naam uitnemender – dan de engelen heeft Jezus
2 Thess. 1 : 12 naam van Jezus: verheerlijken in de gelovigen
Num. 32 : 38 naam van steden veranderen
2 Kon. 23 : 33 naam veranderen: door iemand anders: geval: Eljakim -> Jojakim
2 Kon. 24 : 17 naam verandering: Mattanja => Zedekia
Hand. 9 : 17 naam verkort: Saulus, Saul
Ruth 4 : 11 naam vermaard maken: maak uw - vermaard in Bethlehem
1 Kron. 1 : 34 naam vermeld, hoewel van later oorsprong: Israël
Jes. 63 : 12 naam zich een eeuwige - maken: door God
Jes. 63 : 14 naam zich een heerlijke - maken: door God
1 Kron. 13 : 6 Naam de -
3Jo : 7 Naam voor de - uitgaan
Luk. 4 : 27 Naäman de Syriër
Joh. 15 : 2 naamchristen wordt weggenomen
Matth. 22 : 12 naamchristen
Filip. 3 : 18 v naamchristen
Gen. 1 : 5 naamgeving door God
1 Kron. 22 : 9 naamgeving door God: Salomo
Gen. 38 : 29 naamgeving grond voor een naam: gebeurtenis bij bevalling
Joz. 5 : 3 naamgeving plaats kreeg later deze naam
Joz. 4 : 19 naamgeving plaats kreeg later deze naam, vgl. 5:9
Ex. 20 : 17 naaste begeren wat van uw naaste is: verboden
Spr. 3 : 29 naaste begrip
Rom. 15 : 2 naaste behagen, ten goede
1 Sam. 28 : 17 naaste David was de - van Saul
Jer. 22 : 13 naaste dienst van een -
Mark. 12 : 31 naaste liefhebben
Matth. 22 : 39 naaste liefhebben: door ons: als onszelf
Lev. 19 : 17 naaste naarstig berispen van de -
Lev. 19 : 13 naaste niet bedrieglijk verdrukken
Jac. 4 : 12 naaste oordelen van uw -
Spr. 11 : 12 naaste verachten van de -
Spr. 14 : 21 naaste verachten van de -: is zonde
Luk. 10 : 29 naaste vraag wie mijn naaste is
Ex. 2 : 13 naaste
Spr. 11 : 9 naaste
Rom. 13 : 10 naaste
Ef. 4 : 25 naaste
Luk. 10 : 36 naaste zijn
Mark. 12 : 31 naastenliefde
Ruth 2 : 20 nabestaande Boaz was Noamie en Ruth -
Lev. 18 : 13 nabestaande
Opb. 22 : 10 nabij de tijd is -
1 Pe 4 : 7 nabij einde van alles is -
Ef. 2 : 13 nabij gekomen door het bloed van Christus
Deut. 23 : 14 nabij God - om te verlossen
Ps. 145 : 18 nabij God is - allen die Hem aanroepen
Luk. 21 28 nabij uw verlossing is -
Zef. 1 : 14 nabij grote dag van de HEER is -
Jac. 5 : 6 Naboth toepassing
1 Kon. 21 : 1 Naboth
Job 7 : 3 nacht -en der moeite
Opb. 8 : 12 nacht derde deel verduisterd
Ps. 119 : 55 nacht des -s ben ik Uws Naams gedachtig geweest
Mark. 4 : 27 nacht en dag
Mark. 5 : 5 nacht en dag
Luk. 2 : 37 nacht en dag
Hand. 20 : 31 nacht en dag
1 Thess. 3 : 10 nacht en dag
2 Tim. 1 : 3 nacht en dag
1 Tim. 5 : 5 nacht en dag (volgorde van noemen)
Hand. 26 : 7 nacht en dag God dienen
2 Cor. 11 : 25 nacht en dag: etmaal
Joh. 9 : 4 nacht fig.
Hebr. 10 : 25 nacht fig. - der wereld
Micha 3 : 6 nacht fig. - worden
Rom. 13 : 12 nacht fig. is vergevorderd
Ps. 104 : 20 nacht gedierte des wouds treedt uit bij -
Opb. 21 : 25 nacht geen - in het Nieuwe Jeruzalem
Opb. 22 : 4 nacht geen nacht meer in het Nieuwe Jeruzalem
1 Thess. 5 : 5 v nacht geestelijk
Joh. 13 : 30 nacht Judas ging in de nacht naar buiten
Ps. 139 : 11 nacht licht om mij dankzij God
Hgl 3 : 7 nacht misdaad in de -
Ps. 119 : 61 nacht te middelnacht opstaan om God te loven
Deut. 16 : 1 nacht uittocht uit Egypte, bij nacht
1 Thess. 5 : 5 nacht van de - zijn
Jer. 33 : 25 nacht verbond van dag en nacht
Jer. 33 : 20 nacht wisseling dag en nacht: bewaard door God
Gen. 1 : 5 nacht zogenoemd het donkere deel van etmaal
Rom. 13 : 13 nacht zonden die vooral 's nachts gepleegd worden
Gen. 8 : 22 nacht
Jes. 5 : 11 nachtbraken
Gen. 46 : 2 nachtgezicht gevallen
Dan. 2 : 19 nachtgezicht in een - werd aan Daniël de verborgenheid geopenbaard
Dan. 7 : 7 nachtgezicht
Jes. 5 : 11 nachtleven
Job 7 : 14 nachtmerrie
Jes. 14 : 23 nachtuil
Matth. 14 : 25 nachtwaak tussen 3 en 6 uur 's ochtend
Mark. 6 : 48 nachtwaak vierde -
Ps. 63 : 7 nachtwake in de nachtwaken aan God denken
Hebr. 10 : 25 naderen de dag van de komst van de Heer zien -
Hebr. 10 : 22 naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van geloof
Jac. 4 : 8 naderen nadert tot God: en Hij zal tot u naderen
Jes. 29 : 13 naderen tot God: met lippendienst
Zef. 3 : 2 naderen tot God: nalaten te doen
Hebr. 4 : 16 naderen tot troon van genade: met vrijmoedigheid
Gen. 49 : 20 Naftali profetie aangaande
Deut. 21 : 12 nagel vrouw: nagels besnijden
Ps. 112 : 2 nageslacht gezegend om de vader
Hebr. 2 : 16 nageslacht van Abraham
1 Kron. 19 : 1 Nahas
Richt. 2 : 17 nahoereren andere goden -
Richt. 8 : 33 nahoereren de Baäls
Deut. 31 : 16 nahoereren
1 Kron. 5 : 25 nahoereren
Gen. 22 : 20 v Nahor zonen van -
Deut. 6 : 15 naijver bij God
Deut. 32 : 16 naijver God tot - verwekken: door afgoderij
Ex. 34 : 14 naijver Gods -
2 Cor. 11 : 1 naijver van God
2 Cor. 11 : 1 naijverig Paulus was - over de Corinthiers
Ex. 34 : 14 naijverige God is de -
Deut. 16 : 20 najagen gerechtigheid
Jes. 51 : 1 najagen gerechtigheid
Spr. 15 : 9 najagen gerechtigheid -
Spr. 11 : 27 najagen het goede vroeg -
Hos. 12 : 2 najagen oostenwind -
Spr. 21 : 21 najagen rechtvaardigheid, weldadigheid
Spr. 11 : 21 nakomeling -en der rechtvaardigen zullen ontkomen
Richt. 2 : 21 v nalaten door God als reactie op ongehoorzaamheid
2 Kron. 21 : 7 nalaten door God: om des verbonds wil
Mark. 7 : 8 nalaten gebod van God -
Hebr. 12 : 25 nalaten geboden
Matth. 23 : 23 nalaten niet na te laten: kleine dingen
1 Sam. 26 : 9 nalaten om de gevolgen
Matth. 15 : 24 nalaten omwille van je zending
2 Kron. 25 : 4 nalaten terwille van het gebod
Richt. 1 : 21 nalaten vijanden te verdrijven
Richt. 1 : 27 v nalaten vijanden te verdrijven
Richt. 1 : 19 nalaten vijanden te verslaan, uit vrees
Jona 3 : 10 nalaten wat je gezegd hebt: door God
Matth. 23 : 3 nalaten
Ps. 49 : 11 nalatenschap
Joz. 9 : 14 nalatigheid geval
2 Kron. 30 : 5 nalatigheid pascha
Matth. 25 : 45 nalatigheid verwijtbare nalatigheid
Job 31 : 16 nalatigheid
Jac. 4 : 17 nalatigheid
Ruth 4 : 2 Náomi verkocht het stuk land van Elimélech
Ps. 51 : 2 Nathan
Jer. 12 : 17 natie einde door Gods verwerping
Opb. 22 : 2 natie genezing van de -s
Opb. 15 : 3 natie God is Koning van de -s
1 Pe 2 : 9 natie heilige -
Opb. 19 : 15 natie naties slaan
Opb. 21 : 24 natie naties zullen door haar licht wandelen
Luk. 2 : 32 natie openbaring voor de naties
Spr. 14 : 34 natie schandvlek der -en: de zonde
Ps. 67 : 5 natie toekomst: de natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten
Opb. 11 : 18 natie toekomst: de naties zijn toornig geworden
Ps. 67 : 5 natie toekomst: God zal de natiën leiden
Opb. 12 : 5 natie toekomst: Jezus zal alle naties hoeden met een ijzeren staf
Spr. 14 : 34 natie zonde is een schandvlek der natiën
Ps. 117 : 1 natien prijst Hem, alle -
Jer. 14 : 22 naturalisme de hemel geeft druppelen
Mark. 5 : 15 naturisme niet goed (toepassing)
Ex. 20 : 26 naturisme tegen -
Ex. 28 : 42 naturisme tegen -
Opb. 3 : 18 naturisme tegen -
Opb. 16 : 15 naturisme tegen -
Luk. 8 : 25 natuur aan Jezus onderworpen
Matth. 24 : 32 natuur Christus had oog voor de -
Ps. 135 : 7 natuur door God geregeerd
Deut. 11 : 17 natuur droogte, honger
Jes. 45 : 8 natuur en zedelijke orde in samenhang
Joz. 3 : 15 natuur gegevens over de Jordaan
Mark. 4 : 39 natuur gehoorzaamt aan Jezus
Mark. 4 : 41 natuur gehoorzaamt aan Jezus
Matth. 10 : 29 natuur God betrokken bij -
Joz. 10 : 11 natuur God gebruikt de natuur in de oorlog
Matth. 6 : 26 natuur God onderhoudt de -
Jona 2 : 10 natuur God regeert: door Zijn woord
Jona 1 : 17 natuur God regeert: God beschikte een vis
Jona 2 : 10 natuur God regeert: God sprak tot de vis
Ps. 50 : 8 natuur God wendt de natuur aan
Ex. 14 : 21 natuur God werkt door de natuur
2 Sam. 7 : 12 natuur God werkt door de natuur: bij nakomelingschap
1 Sam. 14 : 15 natuur God werkt in de -: aardbeving
Ps. 147 : 8 v natuur God werkzaam in de -
2 Pe 1 : 4 natuur goddelijke -: hiervan deelgenoten worden
Gen. 31 : 9 natuur Gods bestuur in de -
Amos 4 : 13 natuur Gods werk
1 Cor. 15 : 38 natuur Gods werk in de -: geeft lichaam aan nieuwe plant
Pred. 8 : 17 natuur Gods werk in de natuur niet uit te vinden (toepassing)
Ps. 147 : 18 natuur Gods woord werkt daarin
Richt. 15 : 19 natuur ingrijpen door God: God kloofde een holle plaats
Luk. 8 : 24 natuur Jezus bestrafte de wind en de golfslag van het water
Matth. 12 : 1 natuur Jezus door de korenvelden
Mark. 13 : 28 natuur Jezus zag wat in de natuur gebeurt
Matth. 6 : 26 natuur leren van de - (schepping)
Spr. 6 : 6 natuur les van de mier
Jac. 5 : 17 natuur mens van gelijke - als wij
2 Sam. 18 : 8 natuur middel door God ingezet
1Jo 3 : 9 natuur nieuwe -
Jac. 3 : 12 natuur nieuwe en oude -
Ps. 147 : 18 natuur oorzaken in de -: God, wind
Job 12 : 7 v natuur sprake der -
Jac. 3 : 7 natuur van dieren en mensen
Rom. 2 : 14 natuur van nature de geboden van de wet doen
2 Kon. 3 : 19 natuur verderven: geval: op bevel van God
Jer. 10 : 13 natuur verschijnselen: door God bestuurd: ontstaan regen
Jer. 8 : 13 natuur vruchteloosheid tijdens verval van het volk
Mark. 4 : 28 natuur werking
Spr. 30 : 24 natuur wijsheid in de -
natuur zie ook Schepping
Jud : 19 natuurlijk natuurlijke mensen: die de Geest niet hebben
Job 37 : 13 natuurramp (associatie)
Ps. 107 : 34 natuurramp als straf
2 Kron. 7 : 13 natuurramp door God gezonden
Amos 4 : 9 natuurramp door God gezonden
2 Kron. 6 : 28 natuurramp
Ps. 105 : 29 natuurramp
Opb. 16 : 8 natuurramp
Matth. 24 : 27 natuurverschijnsel bliksem, door Jezus genoemd
1 Tim. 4 : 6 nauwkeurig goede leer - navolgen
2 Tim. 3 : 10 nauwkeurig navolgen: leer
Richt. 9 : 2 navolgen Abimelech -: hier niet goed
Richt. 2 : 19 navolgen andere goden -
2 Tim. 3 : 10 navolgen bedoeling
Mark. 8 : 34 navolgen Christus -: vergt zelfverloochening, kruisopname, volgen
1 Sam. 25 : 27 navolgen Christus voetstappen nawandelen (toepassing)
Joz. 3 : 3 navolgen de ark van het verbond -: volgt haar na!
1 Kon. 19 : 21 navolgen Elia - : door Elisa
1 Kon. 19 : 20 navolgen Elia -: door Elisa
2 Tim. 3 : 10 navolgen geloof
Hebr. 13 : 7 navolgen geloof van de voorgangers -
Deut. 13 : 4 navolgen God
Num. 32 : 11 navolgen God -
2 Kon. 17 : 6 navolgen God -
Ef. 5 : 1 navolgen God -, vgl. 4:32
Joz. 14 : 14 navolgen God -: door Jozua
1 Kon. 14 : 8 navolgen God -: met je ganse hart
Num. 30 : 11 navolgen God -: volharden in
Joz. 14 : 8 , 14 navolgen God -: volharding daarin
1 Kon. 9 : 6 navolgen God -: zich afkeren van Hem na te volgen
Richt. 2 : 12 navolgen God verlaten en andere goden -
1 Tim. 4 : 6 navolgen goede leer nauwkeurig -
Matth. 8 : 18 v navolgen Jezus -: consequenties
2 Tim. 3 : 10 navolgen lankmoedigheid
2 Tim. 3 : 10 navolgen leer van Paulus: nauwkeurig: door Timotheüs
2 Tim. 3 : 10 navolgen liefde van Paulus -
2 Pe 2 : 2 navolgen losbandigheden -
2 Tim. 3 : 10 navolgen nauwkeurig -: door Timotheüs: de leer van Paulus
Job 31 : 7 navolgen ogen: door het hart
1 Sam. 17 : 14 navolgen Saul -
3Jo : 11 navolgen volg niet het kwade na, maar het goede
Num. 30 : 15 navolgen vs. zich van achter God afkeren
2 Kon. 18 : 6 navolgen wijken van -: Hizkia week niet van God na te volgen
2 Tim. 3 : 10 navolgen wijze van doen
navolgen zie ook Volgen
Jes. 45 : 14 navolgen
1 Thess. 2 : 14 navolger in het lijden
1 Thess. 1 : 6 navolger van de apostelen en van de Heer
Hebr. 6 : 12 navolger van de voorbeeldige heiligen
1 Thess. 2 : 14 navolger van gemeenten zijn
Ef. 5 : 1 navolger van God: weest -s van God
1 Cor. 11 : 1 navolger van Paulus is – van Christus
1 Cor. 4 : 16 navolger weest mijn -s
Filip. 3 : 17 navolger weest samen mijn (Paulus') navolgers
2 Thess. 3 : 9 navolging bevorderen: door voorbeeld
Luk. 9 : 23 navolging Christus: vereist zelfverloochening
1 Thess. 1 : 6 navolging na de bekering
Filip. 4 : 9 navolging van Paulus
2 Thess. 3 : 7 navolging van Paulus en de zijnen
2 Thess. 3 : 7 navolging voorbeeld / geval
Deut. 11 : 28 nawandelen andere goden -
2 Kon. 23 : 3 nawandelen Jhwh -: verbond daartoe
2 Kon. 13 : 2 nawandelen zonden -
Luk. 4 : 34 Nazarener Jezus -
Mark. 14 : 67 Nazarener Jezus - genoemd
Luk. 24 19 Nazarener Jezus de –
Luk. 4 : 29 Nazareth gebouwd op de rand van een berg
Matth. 21 : 11 Nazareth in Galilea
Hand. 10 : 38 Nazareth Jezus van -
Luk. 1 : 26 Nazareth stad in Galilea
Richt. 13 : 5 nazireeër Gods: Simson
Richt. 16 : 17 Nazireeër ongeschoren hoofd
Num. 6 : 2 v Nazireer
Num. 6 : 1 Nazireër
Matth. 26 : 71 Nazoreeër Jezus de -
Luk. 18 37 Nazoreeër Jezus de -
Hand. 26 : 9 Nazoreeër Jezus de - genoemd
Hand. 22 : 8 Nazoreeër Jezus de -: zo stelde Hij zichzelf aan Saulus voor
Hand. 24 : 5 Nazoreeër sekte der -s
Matth. 2 : 23 Nazoreeër
Hand. 4 : 10 Nazoreeër
Jes. 46 : 1 Nebo afgod der Babyloniërs
Ezra 5 : 12 Nebukadnezar Chaldeeër
Dan. 4 : 2 Nebukadnezar God had tekenen en wonderen aan hem gedaan
Dan. 4 : 22 Nebukadnezar grootheid
Jer. 51 : 32 Nebukadnezar Israël: wat hij Israël heeft aangedaan
Jer. 27 : 6 Nebukadnezar knecht van God genoemd
Jer. 4 : 7 Nebukadnezar leeuw
Dan. 3 : 28 Nebukadnezar loofde God
2 Sam. 22 : 10 nederdalen door God
Micha 1 : 3 nederdalen God zal - uit de hemel
Matth. 18 : 5 nederig Christus
Spr. 16 : 19 nederig van - zijn
Matth. 11 : 29 nederig van hart: Jezus
Jac. 4 : 10 nederig vernederen, zich: voor de Heer: dan verhoging
Spr. 28 : 25 nederig versus overmoedig (toepassing)
1 Pe 3 : 8 nederig weest allen -
Luk. 18 14 nederig zichzelf vernederen: en verhoogd worden
2 Cor. 10 : 1 nederig
Jac. 4 : 6 nederige aan -n geeft God genade
Ps. 138 : 6 nederige ctr. verhevene
Jes. 57 : 15 nederige God maakt levend de geest der -n
2 Cor. 7 : 6 nederige God troost de -n
1 Sam. 15 : 17 nederige God verhoogt het -
Ps. 138 : 6 nederige God ziet de - aan
Spr. 14 : 21 nederige ontferming over de -n
Spr. 29 : 23 nederige van geest
Spr. 29 : 23 nederige zal de eer vasthouden
Spr. 30 : 2 nederige
Col. 3 : 12 nederigheid aan te doen
Deut. 26 : 5 nederigheid bewaren: gedenken eigen geringheid
Col. 3 : 12 nederigheid bron: Christus, zie vers 11
Micha 5 : 1 nederigheid Christus -: in zijn geboorteplaats
1 Sam. 18 : 18 nederigheid David
1 Sam. 18 : 23 nederigheid David
2 Sam. 7 : 18 nederigheid David
2 Sam. 15 : 25 nederigheid David
1 Sam. 26 : 20 nederigheid Davids -
2 Sam. 6 : 22 nederigheid Davids -
Ps. 131 : 1 nederigheid Davids -
Hand. 20 : 19 nederigheid de Heer dienen met alle -
Spr. 22 : 4 nederigheid de vreze des HEEREN: lonend
Filip. 2 : 3 nederigheid denkaspect
Col. 2 : 23 nederigheid eigenwillige, vleselijke -
Spr. 15 : 33 nederigheid gaat voor de eer
Luk. 7 : 6 nederigheid geval: hoofdman
Ps. 136 : 23 nederigheid God dacht aan ons in onze -
Matth. 8 : 8 nederigheid hoofdman Kapernaum
Filip. 2 : 3 nederigheid in - de ander uitnemender achten dan zichzelf
Ef. 4 : 2 nederigheid in alle -
Matth. 3 : 14 nederigheid Johannes' -
Spr. 22 : 4 nederigheid loon der -: rijkdom, eer en leven
Luk. 1 : 48 nederigheid Maria's -
Ps. 136 : 23 nederigheid nederige staat
Luk. 14 : 10 nederigheid neem de laatste plaats
1 Pe 5 : 5 nederigheid omgord met -
1 Kon. 3 : 7 nederigheid Salomo's -
1 Sam. 9 : 21 nederigheid Sauls -
2 Kon. 8 : 13 nederigheid tijdelijke -
Col. 2 : 23 nederigheid valse -, vs. 18
1 Sam. 24 : 15 nederigheid van David
Jud : 1 nederigheid van Judas: laat na zich broer van Jezus Christus te noemen
Col. 2 : 18 nederigheid vleselijke -
nederigheid zie Vernederen
Gen. 11 : 7 nederkomen door God
Richt. 2 : 12 nederlaag als straf
2 Kron. 25 : 8 nederlaag door God bewerkt
Joz. 23 : 13 nederlaag geestelijk -: oorzaak: vermenging
Richt. 20 : 18 v nederlaag ondanks Gods leiding
Joz. 7 : 5 nederlaag oorzaak: zonde
1 Sam. 4 : 3 nederlaag vanwege de HERE
1 Kon. 8 : 33 nederlaag vanwege zonde
2 Kron. 6 : 24 nederlaag vanwege zonde
Ps. 44 : 10 nederlaag
Matth. 15 : 24 nee zeggen
Mark. 8 : 12 nee zeggen: door Jezus
Luk. 4 : 43 nee zeggen door Jezus
Jes. 5 : 15 neerbuigen de gewone man zal neergebogen worden
Gen. 33 : 7 neerbuigen zich -: door Jozef en Rachel:voor Ezau
Gen. 33 : 7 neerbuigen zich -: door Lea en haar kinderen:voor Ezau
Gen. 33 : 6 neerbuigen zich -: door Zilpa, Bilha en hun kinderen: voor Ezau
Jes. 31 : 4 neerdalen door God
Ex. 34 : 5 neerdalen door God: in een wolk
Neh. 9 : 13 neerdalen door God: op de berg Sinai
Ps. 118 : 13 neerhouwen vijanden -
1 Kon. 19 : 10 neerslachtigheid Elia
Deut. 28 : 23 neerslag pulver en stof, als straf uit de hemel
Matth. 2 : 11 neervallen door de Wijzen uit het oosten
Opb. 19 : 4 neervallen tot aanbidding
Opb. 19 : 10 neervallen voor de voeten van een engel
Luk. 8 : 47 neervallen voor Jezus: door de van bloedvloeiïng genezen vrouw
Luk. 4 : 35 neerwerpen door een demon: de bezetene
2 Cor. 4 : 9 neerwerpen neergeworpen, maar niet omkomend
Deut. 12 : 25 negatief verbod gehoorzamen geeft zegen
Jer. 13 : 23 neger zwarte huid
Neh. 5 : 16 Nehemia arbeid
Neh. 8 : 9 Nehemia Hattirsatha
Neh. 5 : 14 Nehemia landvoogd
Neh. 12 : 26 Nehemia landvoogd
Neh. 5 : 14 Nehemia tijd
Spr. 21 : 1 neigen door God: des konings hart
Jes. 51 : 4 neigen neigt naar Mij het oor
1 Sam. 8 : 3 neigen zich - tot gierigheid
Joz. 24 : 23 neigen zijn hart – tot God
Jes. 48 : 4 nek Israëls nek een ijzeren zenuw
2 Kon. 17 : 14 nek verharden
Neh. 9 : 16 nek verharden
Neh. 9 : 17 nek verharden
Jer. 19 : 15 nek verharden om Gods woorden niet te horen
Neh. 9 : 29 nek verharden: zijn - verharden
2 Kron. 36 : 13 nek zijn - verharden
Jer. 17 : 23 nek zijn - verharden
Gen. 24 : 48 nemen een dochter van de broer van mijn heer nemen
Job 39 : 30 nest maken: door een arend: in de hoogte
Spr. 12 : 12 net der bozen
Ps. 66 : 11 net God had het volk Israël in het - gebracht
Joz. 23 : 13 net Kanaänieten tot een –
Ps. 140 : 5 net uitspreiden voor iemand
Neh. 11 : 21 Nethinim woonplaats der -
Spr. 30 : 33 neus drukking van de neus brengt bloed voort
Jes. 3 : 21 neusring
1 Tim. 5 : 21 neutraliteit
2 Pe 2 : 17 nevel
Deut. 5 : 9 New Age afgod Gaia
Ez. 13 : 3 New Age kritiek: eigen geest kan misleiden
Jes. 41 : 22 New Age tegen - (toepassing)
Opb. 2 : 15 Nicolaieten leer van de -
Opb. 2 : 6 Nicolaieten werken van de -: gehaat door de Heer Jezus
Job 16 : 13 nier doorsplijten: God heeft mijn nieren doorspleten (zo Job)
Ps. 139 : 13 nier God bezit mijn nieren
Jer. 17 : 10 nier God proeft de -en
Ps. 16 : 7 nier onderwijs door de -en
Ps. 7 : 10 nieren - beproeven: door God
Jer. 12 : 2 nieren begrip: innerlijk
Jer. 12 : 2 nieren God nabij onze -
Jer. 11 : 20 nieren proeven: door God
Jes. 41 : 24 niet minder dan - zijn: gezegd van mensen
Jes. 40 : 17 niet volken bij God minder geacht dan niet en ijdelheid
Jes. 41 : 11 niet worden als niet: Israëls tegenstanders
Col. 4 : 5 niet-gelovige houding tegenover -n, omgang met hen
1 Tim. 3 : 7 niet-gelovige is 'buiten' ten opzichte van het huis van God, de gemeente
Col. 4 : 5 niet-gelovige is buiten
Jes. 41 : 12 nietig ding: worden de vijanden van Israël
Jes. 41 : 29 nietig dingen zijn hun werken
2 Cor. 10 : 11 niets - zijn: Paulus
1 Cor. 1 : 28 niets door God uitverkoren
Mark. 9 : 12 niets Jezus als - geacht
Gal. 6 : 3 niets zijn
2 Cor. 12 : 11 niets zijn: Paulus: 'ook al ben ik niets'
Jes. 5 : 20 Nietschze Umwertung aller Werte (associatie)
Matth. 13 : 52 nieuw dingen: -e de voortbrengen
Luk. 5 39 nieuw en oud
Ez. 18 : 31 nieuw geest: nieuwe geest
Jes. 43 : 19 nieuw God maakt iets – s
Ez. 18 : 31 nieuw hart
Jer. 4 : 3 nieuw land: ontgin u een - land
Ps. 33 : 3 nieuw lied
Jes. 42 : 9 nieuw lied: zingt de HEER een - lied
Pred. 1 : 9 nieuw niets -s onder de zon
Jes. 48 : 6 v nieuw nieuwe dingen: God doet ze horen
Opb. 21 : 1 nieuw nieuwe hemel, nieuwe aarde
Gal. 6 : 15 nieuw nieuwe schepping
Mark. 2 : 21 v nieuw nieuwe stof
Matth. 13 : 52 nieuw oud: - en o
Luk. 5 39 nieuw weerstand tegen het -e
Ef. 4 : 23 nieuw zie ook Vernieuwen
Joh. 15 : 20 Nieuwe Testament ontstaan
Rom. 7 : 6 nieuwheid van geest: daarin dienen
Spr. 14 : 30 nijd is verrotting der beenderen
Gen. 4 : 5 v nijd Kains -
Ps. 73 : 3 nijd op de goddelozen
Spr. 23 : 17 nijd over zondaars: nalaten
Gen. 30 : 1 nijd Rachels -
Spr. 24 : 1 nijd tegen - jegens zondaars
Spr. 27 : 4 nijd
Pred. 4 : 4 nijd
Spr. 27 : 4 nijdigheid
Amos 9 : 5 Nijl rivier van Egypte
Jes. 11 : 15 Nijl toekomst
Tit. 3 : 12 Nikópolis Paulus had besloten in Nikópolis te overwinteren
Gen. 10 : 8 v Nimrod zoon van Cusch, geweldig, jager
1 Kron. 1 : 10 Nimrod
Gen. 10 : 11 Nineve gebouwd door Assur
Jona 4 : 11 Ninevé grote stad
Zef. 2 : 13 Ninevé verwoesting voorzegd
Jes. 37 : 38 Nisroch god van Sanherib
Gen. 7 : 6 Noach 600 jaren oud toen de zondvloed kwam
Gen. 9 : 28 Noach 950 jaar werd hij
Gen. 9 : 20 Noach akkerman
Luk. 17 : 26 Noach dagen van -
1 Pe 3 : 20 Noach dagen van -
Gen. 7 : 5 Noach gehoorzaamheid
Gen. 6 : 8 Noach genade bij God vond hij
2 Pe 2 : 5 Noach leefde in een wereld van goddelozen
2 Pe 2 : 5 Noach prediker van de gerechtigheid
Gen. 7 : 1 Noach rechtvaardig
Gen. 6 : 9 Noach rechtvaardig, oprecht
Gen. 5 : 29 Noach
Gen. 4 : 16 Nod
Hebr. 7 : 27 nodig dagelijks -
1 Sam. 6 : 12 nodig God heeft ons niet nodig om de ark terug te brengen
Matth. 6 : 8 nodig hebben
Luk. 9 : 11 nodig hebben: genezing
Rom. 16 : 2 nodig hebben: mensen – hebben
1Jo 2 : 27 nodig hebben: niet - hebben dat iemand u leert
Filip. 1 : 24 nodig iets is -er dan iets anders, ter wille van u
Ef. 4 : 29 nodig spreken tot opbouwing waar dat - is
2 Cor. 9 : 8 nodige in bezit van al het -
Luk. 1 : 59 noemen gebruik: een zoon vernoemen naar zijn vader
Jes. 43 : 7 noemen naar Gods naam
1 Kron. 17 : 5 nomadisch God heeft als het ware een - bestaan gehad
Ps. 143 : 10 nood drijft tot toewijding aan God
1 Kon. 1 : 29 nood God verlost uit alle -
Luk. 21 23 nood grote - in Israël
Luk. 8 : 23 nood in - verkeren
2 Kron. 15 : 4 nood in - zijnde zich bekeren
2 Cor. 6 : 4 nood in noden
2 Cor. 12 : 10 nood in noden
Jac. 2 : 16 nood lichamelijke -n
Matth. 8 : 25 nood op zee
1 Sam. 10 : 19 nood uit alle nood verlost God
1 Thess. 3 : 7 nood vertroost in -
Ps. 143 : 1 nood wat te doen: bidden
Ps. 143 : 5 nood wat te doen: gedenken aan Gods daden
Ps. 116 : 3 nood
Ps. 132 : 13 nooddruftige -n zal God met brood verzadigen
Job 30 : 25 nooddruftige beangst over de -
Spr. 31 : 20 nooddruftige de deugdelijke vrouw helpt de -
Spr. 31 : 9 nooddruftige doe de - recht
Job 24 : 4 nooddruftige doen wijken van de weg
Jes. 25 : 4 nooddruftige God een sterkte voor de -
Ps. 69 : 34 nooddruftige God hoort de -n
Spr. 30 : 14 nooddruftige nooddruftigen van onder de mensen
Spr. 14 : 31 nooddruftige ontferming over de -
Jer. 5 : 28 nooddruftige recht der -n
Ps. 113 : 7 nooddruftige uit de drek verhoogd: door God
Ez. 18 : 12 nooddruftige verdrukken
Job 31 : 16 v nooddruftige zorg voor de -n
Tit. 3 : 14 noodzakelijk noodzakelijke behoeften
Matth. 18 : 7 noodzakelijk
2 Cor. 12 : 11 noodzaken Paulus was genoodzaakt
Ps. 89 : 13 noorden door God geschapen
Deut. 12 : 8 norm eigen -en volgen
2 Kron. 25 : 4 normen uit de Schrift: rekening mee houden
Luk. 20 43 nu Christus aan Gods rechterhand
Luk. 20 43 nu vijanden van CHristus zullen onderworpen worden
Jud : 25 nu
1 Thess. 5 : 6 nuchter geestelijk -
1 Tim. 3 : 2 nuchter opziener moet - zijn
1 Tim. 3 : 11 nuchter vrouwen dan dienaars moeten - zijn
2 Tim. 4 : 5 nuchter wees - in alles
Luk. 21 34 nuchter weest - in de eindtijd
1 Pe 4 : 7 nuchter weest - tot gebeden, in de eindtijd
1 Pe 5 : 8 nuchter weest -!
1 Pe 1 : 13 nuchter weest nuchter
1 Cor. 15 : 32 nuchter wordt – zoals het behoort
nuchter zie ook Ontnuchteren
1 Thess. 5 : 8 nuchter zijn
2 Cor. 5 : 13 nuchter zijn versus buiten jezelf zijn
Tit. 2 : 2 nuchter
Opb. 16 : 15 nudisme tegen -
Spr. 10 : 2 nut doen
Jer. 23 : 32 nut doen aan een volk
Spr. 11 : 4 nut doen: geen - doen
Hebr. 13 : 9 nut geen - hebben van iets
Jes. 48 : 17 nut God leert wat ons - is
Hebr. 12 : 10 nut God tuchtigt ons tot ons -
Flm. : 11 nut nuttig: Onesimus thans
2 Tim. 4 : 11 nut van - zijn voor de dienst aan iemand
2 Tim. 4 : 11 nut veel -: Markus
Flm. : 11 nut vroeger was Onesimus van geen nut
Luk. 13 : 7 nut zonder -
Joh. 6 : 63 nut zonder -: het vlees
Hebr. 4 : 2 nut geen –: het woord van de prediking bracht hun geen –
Jes. 55 : 2 nutteloos kopen
Rom. 3 : 12 nutteloos mens: nutteloos geworden
Matth. 25 : 30 nutteloos nutteloze slaaf
Luk. 17 : 10 nutteloos nutteloze slaaf
Flm. : 11 nutteloos Onesimus vroeger voor zijn meester Filémon
Tit. 3 : 9 nutteloos zekere twisten
Joh. 18 : 14 nuttig dat Christus stierf voor het volk
Matth. 18 : 6 nuttig dood
Joh. 16 : 7 nuttig door Christus besproken
Hebr. 6 : 7 nuttig gewas
Hand. 20 : 20 nuttig leren wat - is
2 Cor. 12 : 1 nuttig niet - zijn
Flm. : 11 nuttig nu is Onesimus voor u en mij zeer -
2 Tim. 3 : 16 nuttig Schrift is - om te leren enz.
1 Cor. 12 : 7 nuttig tot wat - is wordt aan ieder de openbaring van de Geest gegeven
Hand. 20 : 20 nuttig verkondigen wat - is
Tit. 3 : 8 nuttig voor de mensen: goede werken
Hebr. 13 : 17 nuttig voor ons: niet -
2 Cor. 8 : 10 nuttig voor u
Matth. 5 : 29 nuttig voor u, vs. 30
Joh. 11 : 50 nuttig
Mal. 3 : 14 nuttigheid als reden genoemd
Pred. 5 : 10 nuttigheid van rijkdom: alleen gezicht der ogen