Bijbel:Daniël 7

Uit Christipedia
Versie door Kees Langeveld (overleg | bijdragen) op 13 mei 2024 om 18:17 (Nieuwe pagina aangemaakt met '{{BijbelboekenTabs}} <span id=1></span><section begin=1 /><sup>1</sup> In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, zag Daniël een droom, en gezichten van zijn hoofd, op zijn leger; toen schreef hij die droom, [en] hij zei de hoofdsom der zaken. <section end=1 /><noinclude>{{#if: {{#section-h: {{BASEPAGENAME}}|1}} |link={{BASEPAGENAME}}#1}} </noinclude><span id=2></span><section begin=2 /><sup>2</sup> Daniël a...')
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 23 · 73 · 92 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 51 · 53 · 59 · 63
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: 12 · 14
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 8 · 11 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 15 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17 · 20
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15 · 16
2 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 4 · 5 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4 · 5
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 4
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 3 · 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Brief aan Titus (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 5
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Judas (inleiding), commentaar: Judas
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Daniël 7: 1 In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, zag Daniël een droom, en gezichten van zijn hoofd, op zijn leger; toen schreef hij die droom, [en] hij zei de hoofdsom der zaken.

2 Daniël antwoordde en zei: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden van de hemelen braken voort op de grote zee.

3 En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verschillend.

4 Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugels uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en daaraan werd een mensenhart gegeven.

5 Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zei aldus tot hem: Sta op, eet veel vlees.

6 Daarna zag ik, en ziet, er was een ander [dier], gelijk een luipaard, en het had vier vleugels van een vogel op zijn rug; ook had het dier vier hoofden, en daaraan werd de heerschappij gegeven.

7 Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was verschrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verschillend van al de dieren, die voor hem geweest waren; en het had tien hoornen.

8 Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen hen, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor hem; en ziet, in diezelfde hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, die grote dingen sprak.

9 [Dit] zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, de raderen ervan een brandend vuur.

10 Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.

11 Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.

12 Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en uur toe.

13 [Verder] zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam een met de wolken van de hemelen, als een mensenzoon, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden hem voor Die naderen.

14 En hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat hem alle volken, naties en tongen eren zouden; zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.

15 Mij Daniël werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten van mijn hoofd verschrikten mij.

16 Ik naderde tot een dergenen die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zei ze mij, en gaf mij de uitlegging van deze zaken te kennen.

17 Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, [die] uit de aarde opstaan zullen.

18 Maar de heiligen van de hoge [plaatsen] zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

19 Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, dat verschillend was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.

20 En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en de anderen die opkwam, en waarvoor drie afgevallen waren, namelijk die hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was dan van zijn metgezellen.

21 Ik had gezien, dat die hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overwon,

22 totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoge [plaatsen], en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.

23 Hij zei aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verschillend zal zijn van al die rijken, en het zal de hele aarde opeten, en het zal die vertreden, en het zal ze verbrijzelen.

24 Aangaande nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verschillend zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.

25 En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogsten, en het zal de heiligen van de hoge [plaatsen] verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd en tijden en een gedeelte van een tijd.

26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgend en verdoend, tot het einde toe.

27 Maar het rijk en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder de hele hemelen, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen der hoge [plaatsen], welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.

28 Tot hiertoe is het einde van deze rede. Wat mij Daniël aangaat, mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dat woord in mijn hart.